Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Abram de Swaan

No description
by

hajo schoonenberg

on 17 June 2016

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Abram de Swaan

stemwijzer


taal
religie
recht
wetenschap
* religieuze specialisten
* voorschriften
kunst
* auteursrecht
* verwachtingen regelen
* sociale funtie: geweldloos oplossen
* plaats
* sociale
positie
* tussenpersoonlijke overdraagbaarheid
Wat mensen geloven, weten en bedenken: oriëntatie (h6)
(mijn eerste prezi wo. 19-3-'14 aan 4maw)
Sander Schelberg
sociolect
h6. Wat mensen geloven, weten en bedenken
1a. Geef een voorbeeld dat iemands sociale positie van
invloed is op zijn taalgebruik.
b. Geef een voorbeeld van vaktaal. Waarom gebruiken
mensen vaktaal?
2. Wat is volgens Abram de functie van religie?
3a. Noem de belangrijkste sociale functie van recht.
b. Wat wordt er bedoeld met rationalisering van het
recht en geef een voorbeeld.
4a. Leg uit wat 'objectieve vaststelling' is. Verduidelijk dit
met een voorbeeld.
b. Ook over objectieve zaken kun je het met elkaar
oneens zijn. Wat hebben blikrichting, omstandig-
heden en woordenschat hiermee te maken. Pas deze
drie toe op een voorbeeld.
5. Wat wordt met 'hoge' kunstuitingen bedoeld en geef
een voorbeeld. Ook een voorbeeld van een 'lage'



d
110 woorden
Abram de Swaan
1. Geef een voorbeeld van ruilhandel.
2. Wat is het verschil tussen lekenkennis en vak-
kennis?
3. Leg uit wat geld te maken heeft met een zelf-
bevestigende voorspelling.
4. Wat wordt er met monetarisering van het huis-
houden bedoeld?
hoofdstuk 10
5a. Gezagsverhoudingen binnen een organisatie
zijn meestal beperkt naar tijd, plaats en
onderwerp. Leg dit uit in de relatie leerling-
leer-kracht.
b Geef ook een voorbeeld dat in de
schemerzone ligt.
6a. Wat is de manifeste functie van de school?
b. Geef een zelfverzonnen latente functie van
school.
7. Schets een aantal wezenlijke verschillen tussen het
werk van iemand met een hoge positie en iemand met
een lage positie.
8. Leg uit dat een algemeen gevoel van vereenzaming juist
kan optreden in een verregaand georganiseerde
samenleving
1. Wanneer voelen Nederlanders zich vooral sterk verbonden met hun land? Geef twee verschillende voorbeelden.
2. Wat is de kern van het proces van statenvorming?
3a. Leg uit wat met legitieme macht bedoeld wordt en waarom dat zo belangrijk is voor de baas.
b. Op basis waarvan vindt macht vaak zijn rechtvaardiging? Geef drie rechtvaardigingsgronden.
4. Schrijf de prachtige definitie over van wat statenvorming is.
5. In de twintigste eeuw worden verzorgingsarrangementen dwingend opgelegd door de staat. Werd deze dwang als hinderlijk ervaren? Verklaar je antwoord.
6. Er worden vier politieke dimensies genoemd, te verdelen in links, rechts en midden. Zet deze vier dimensies in een 'links-rechts' schema.
mondialisering: wereldwijde samenleving ?
1. Leg uit hoe het komt dat veel landen in de randgebieden zich toeleggen op monoculturen. Wat is het nadeel?
2. Wat moet er volgens Abram gebeuren om de ongelijkheid tussen kern en randgebieden te verkleinen? Noem twee aspecten.
3. Waardoor is de macht van de VN beperkt?
4. Een wereldcultuur is in wording. Geef vijf verschillende voorbeelden en drie redenen.
5a. Wat is de belangrijkste oorzaak van de immigratiedruk op de kernlanden?
b. Waarom is een sociaal beleid ten aanzien van arme landen in ieders belang?
84 woorden
samenwerking, werderkerigheid en collectieve actie (h7 en h8)
1. Waarom is er tussen mensen die elkaar in
verloop van tijd nog regelmatig zullen tegenkomen
een veel grotere bereidheid tot onderlinge samen-
werking? Bewijs je antwoord met een zelf verzon-
nen voorbeeld.
2a. Wat wordt met wederkerige verplichting bedoeld?
b. Noem een aantal Nederlandse uitdrukkingen die
met wederkerige verplichting te maken hebben.
c. Welke informele sancties staat iemand te wach-
ten die zich aan zijn verplichting onttrekt?
3a. Geef een voorbeeld van een collectief goed en
noem drie kenmerken van zo'n goed.
b. Op welke drie manieren kun je het bovenstaande
collectieve goed bereiken?
c. Op welke manier past belastingheffing in boven-
staand verhaal?


97 woorden
ma4 - do5
4vmaw
1. ma 26/1 m h1
2. do 29 beginnen met h2
3. ma 2/2
4. do 5
5. ma 9
6. do 12
7. ma 16
8. do 19
9. ma 2/3 h5
10. do 5
11. ma 9 h6 bestuderen (fbo!!)
12. do 12 vragen maken
13. ma 16 intouchables
14. do 19
15. ma 30 maken: vragen
deel 2/3

16. do 2/4 leren: h7 en h8
17. do 9 maken opdrachten
18. ma 13 H9 bestuderen
19. do 16 maken vraag 1-4 h9
20. ma 20
21. do 23 maken vragen h9 en h10
22. ma 11/5 ??
23. ma 18/5 ?? H11 leren
24. do 21
25. do 28/5 H12 leren
26. ma 1/6 maken vragen
27. do 4/6
28. ma 8/6 ?? laatste les
Abram (h1)
1. Er worden zes bestaansvoorwaarden genoemd om te overleven. Zet deze bestaansvoorwaarden onder elkaar en geef van elke voorwaarde een korte omschrijving.
2. Affectie wordt opgesplitst in genegenheid en achting. Wat is het verschil tussen beide begrippen?
3. Wat waren de drie sociale basisbehoeften uit het eerste boekje van maatsschappijleer (h5)? Noem een overeenkomst en een verschil met de de bestaansvoorwaarden.
4. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Geef vier voorbeelden van afhankelijkheid die je vandaag hebt meegemaakt.
5. Wat is het verschil tussen externe dwang en zelfdwang? Geef een eigen voorbeeld hoe jij tot zelfdwang bent gekomen.
6. Hoeveel bestaansvoorwaarden voor samenlevingen worden er genoemd? Noem er twee.
7. Wanneer kunnen samenlevingen niet meer voortbestaan?
109woorden
h2
1. Wanneer zeg je dat iemand in de kracht van zijn leven is? Aan welke leeftijd denk je dan? Leg je antwoord uit.
2. Het proces van netwerkontvouwing is kenmerkend voor de overgang van traditionele naar hedendaagse samenlevingen.
a. Leg uit wat hiermee bedoeld wordt.
b. Noem een tweetal gevolgen.
3. Leg de volgende zin uit. "Als de mensen zich verplaatsen als ze bijvoorbeeld op reis zijn, blijven ze sociaal wel op hun plaats."
H3
1a Soms zijn verwachtingen gebaseerd op redelijkheid. Geef hier een voorbeeld van.
b. Sommige verwachtingen zijn gebaseerd op gewoonteregels/ conventies. Geef een zelf bedacht voorbeeld.
2a. Mensen spelen verschillende rollen. Vaak is er sprake van gedeelfde verwachtingen. Leg dit uit en geef een voorbeeld.
b. Wat heeft een rolconflict te maken met strijdige belangen? Geef een voorbeeld.
3a. Schrijf de Thomas-regel op.
b. Geef een zelf bedacht voorbeeld van een zelfbevestigende verwachting.
4. Wat wordt bedoeld met een blind proces? Geef een eigen voorbeeld.
h4
1. Welke drie sociale verhoudingen worden besproken?
2a. In menselijke verhoudingen begint niets met een schone lei. Leg uit en geef een voorbeeld.
b. Wie in andermans behoeften kan voorzien bevindt zich in een relatieve machtspositie. Geef voorbeelden op het gebied van macht en kennis.
3. Omschrijf wat cultureel kapitaal is en geef twee verschillende voorbeelden.
4. Prestige wordt duidelijk gemaakt door allerlei eretekenen. Geef twee voorbeelden. Hoe kun je prestige nog meer zichtbaar maken?
5. Wat wordt bedoeld met statusconversie? Geef twee verschillende voorbeelden.
6. Tegenover de uitlsuiting door de gevestigden versterken de nieuwkomers hun onderlinge contacten. Geef een verklaring en een mogelijk onbedoeld gevolg.
95 woorden
h5
1a. Een groot deel van het leerproces van mensen
bestaat uit het uitbreiden en verfijnen van
aangeboren mogelijkheden. Geef hier een eigen
voorbeeld van.
b. Wanneer houdt dit leerproces op?
c. Hoe wordt socialisatie door Abram omschreven?
2a. Wat wordt er bedoeld met actuele verhoudingen?
b. Leg met behulp van een voorbeeld uit wat virtuele verhoudingen zijn.
3. Omschrijf wat er met civilisatieproces bedoeld wordt en geef een zelfverzonnen voorbeeld.
4. Er doet zich in onze samenleving een verschuiving voor van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding. Leg uit en geef een voorbeeld.
5. Wanneer is de kans op decivilisatie in een samenleving groot? Verklaar je antwoord.

98 woorden
stemwijzer


taal
religie
recht
wetenschap
* religieuze specialisten
* voorschriften
kunst
* auteursrecht
* verwachtingen regelen
* sociale funtie: geweldloos oplossen
* plaats
* sociale
positie
* tussenpersoonlijke overdraagbaarheid
Wat mensen geloven, weten en bedenken: oriëntatie (h6)
(mijn eerste prezi wo. 19-3-'14 aan 4maw)
Sander Schelberg
sociolect
h6. Wat mensen geloven, weten en bedenken
1a. Geef een voorbeeld dat iemands sociale positie van
invloed is op zijn taalgebruik.
b. Geef een voorbeeld van vaktaal. Waarom gebruiken
mensen vaktaal?
2. Wat is volgens Abram de functie van religie?
3a. Noem de belangrijkste sociale functie van recht.
b. Wat wordt er bedoeld met rationalisering van het
recht en geef een voorbeeld.
4a. Leg uit wat 'objectieve vaststelling' is. Verduidelijk dit
met een voorbeeld.
b. Ook over objectieve zaken kun je het met elkaar
oneens zijn. Wat hebben blikrichting, omstandig-
heden en woordenschat hiermee te maken. Pas deze
drie toe op een voorbeeld.
5. Wat wordt met 'hoge' kunstuitingen bedoeld en geef
een voorbeeld. Ook een voorbeeld van een 'lage'



d
110 woorden

blauw-zwarte jurk
Intouchables (deel 1: 0-43)
1. Waaruit blijkt dat Driss uit een ander sociaal milieu komt dan Philippe? Noem drie aspecten (h4)
2. Driss is anders gesocialiseerd dan Philippe. Wat wordt hier bedoeld? Geef een voorbeeld van het gedrag van Driss dat te herleiden is op zijn socialisatie.
3. Waarom wil Driss aanvankelijk de baan niet aannemen en doet hij het later toch?
4. Driss moet duidelijk groeien in zijn rol. Welke verwachtingen heeft hij moeite mee.
Waarin wijkt zijn rolinvulling af van wat gebruikelijk is? Geef een voorbeeld van zijn zeer persoonlijke invulling.
5a. Bij welke noodzakelijke bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
b. bij welke sociale bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
c. Waarom heeft Philippe voor Driss gekozen en niet voor een andere hulpverlener?
6. De manieren van problemen oplossen kan nog wel eens verschillen tussen de elite en de onderlaag. Geef een voorbeeld. Waarom kun je het verschil niet generaliseren?
7. Wie ziet Driss helemaal niet zitten als hulpverlener? Waarom niet?
vragen deel 1
Vragen tweede deel.
1. Waaruit blijkt dat Driss minder geciviliseerd is, dan Philippe? Laat zien dat je het begrip kent.
2. Waarom was het paragliden voor beiden een heftige ervaring? Wat heeft dit te maken met virtuele verhoudingen?
3. Waar spelen de verwantschpsreleaties van Driss een belangrijke rol?
4. Bij welk voorval zag je duidelijk dat Driss iets geleerd had door zijn omgang met Philippe? Is hier sprake van socialisatie?
5. Wat had Driss gestolen? Wat heeft dit met verstoorde verwachtingen te maken? Hoe heeft Driss dit probleem opgelost? Pas het begrip 'blind proces' toe.

vragen deel 2/3
h7 en h8
H6: Wat mensen geloven, weten en bedenken
H9 en H10
80 woorden
H11: statenvorming
h12: Mondialisering
vorming
1. socialisatie
2. politieke socialisatie
3. cultuur
4. acculturatie
5. identiteit
6. ideologie
verhouding
1. sociale ongelijkheid
2. macht
3. gezag
4. conflict
5. samenwerking
verandering
1. individualisering
2. institurionalisering
3. rationalisering
4. democratisering
5. staatsvorming
6. globalisering
binding
1. sociale cohesie
2. sociale institutie
3. politieke institutie
4. cultuur
5. groepsvorming
6. representatie
7. representativiteit
4maw1
di6-vr4
1. di 2/2
2. vr 5
3. di 9
4. vr 12 h2
5. di 16
6. vr 19 h3
7. di 23
8. vr 26 h4
9. vr 11
10. di 15 h5
11. vr 18
12. di 22 h6
13. di 29
14. vr 1/4
pww: ma 4 april
4maw2
wo5-vr5
1. wo 3
2. vr 5
3. wo 10
4. vr 12 h2 5min pitch/ 100 w
5. wo 17
6. vr 19 h3
7. wo 24
8. vr 26 h4
9. wo 9/3
10. vr 11 h5 Max
11. wo 16
12. vr 18 h6
13. wo 23
14. wo 30
15. vr 1/4
pww: ma. 4 april
Abram (h1)
1. Er worden zes bestaansvoorwaarden genoemd om te overleven. Zet deze bestaansvoorwaarden onder elkaar en geef van elke voorwaarde een korte omschrijving.
2. Affectie wordt opgesplitst in genegenheid en achting. Wat is het verschil tussen beide begrippen?
3. Wat waren de drie sociale basisbehoeften uit het eerste boekje van maatsschappijleer (h5)? Noem een overeenkomst en een verschil met de de bestaansvoorwaarden.
4. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Geef vier voorbeelden van afhankelijkheid die je vandaag hebt meegemaakt.
5. Wat is het verschil tussen externe dwang en zelfdwang? Geef een eigen voorbeeld hoe jij tot zelfdwang bent gekomen.
6. Hoeveel bestaansvoorwaarden voor samenlevingen worden er genoemd? Noem er twee.
7. Wanneer kunnen samenlevingen niet meer voortbestaan?
Abram (h1)
1. Er worden zes bestaansvoorwaarden genoemd om te overleven. Zet deze bestaansvoorwaarden onder elkaar en geef van elke voorwaarde een korte omschrijving.
2. Affectie wordt opgesplitst in genegenheid en achting. Wat is het verschil tussen beide begrippen?
3. Wat waren de drie sociale basisbehoeften uit het eerste boekje van maatsschappijleer (h5)? Noem een overeenkomst en een verschil met de de bestaansvoorwaarden.
4. Mensen kunnen niet zonder elkaar. Geef vier voorbeelden van afhankelijkheid die je vandaag hebt meegemaakt.
5. Wat is het verschil tussen externe dwang en zelfdwang? Geef een eigen voorbeeld hoe jij tot zelfdwang bent gekomen.
6. Hoeveel bestaansvoorwaarden voor samenlevingen worden er genoemd? Noem er twee.
7. Wanneer kunnen samenlevingen niet meer voortbestaan?
h2
1. Wanneer zeg je dat iemand in de kracht van zijn leven is? Aan welke leeftijd denk je dan? Leg je antwoord uit.
2. Het proces van netwerkontvouwing is kenmerkend voor de overgang van traditionele naar hedendaagse samenlevingen.
a. Leg uit wat hiermee bedoeld wordt.
b. Noem een tweetal gevolgen.
3. Leg de volgende zin uit. "Als de mensen zich verplaatsen als ze bijvoorbeeld op reis zijn, blijven ze sociaal wel op hun plaats."
h2
1. Wanneer zeg je dat iemand in de kracht van zijn leven is? Aan welke leeftijd denk je dan? Leg je antwoord uit.
2. Het proces van netwerkontvouwing is kenmerkend voor de overgang van traditionele naar hedendaagse samenlevingen.
a. Leg uit wat hiermee bedoeld wordt.
b. Noem een tweetal gevolgen.
3. Leg de volgende zin uit. "Als de mensen zich verplaatsen als ze bijvoorbeeld op reis zijn, blijven ze sociaal wel op hun plaats."
H3
1a Soms zijn verwachtingen gebaseerd op redelijkheid. Geef hier
een voorbeeld van.
b. Sommige verwachtingen zijn gebaseerd op gewoonteregels/
conventies. Geef een zelf bedacht voorbeeld.
2a. Mensen spelen verschillende rollen. Vaak is er sprake van
gedeelde verwachtingen. Leg dit uit en geef een voorbeeld.
b. Wat heeft een rolconflict te maken met strijdige
verwachtingen? Geef een voorbeeld.
3a. Schrijf de Thomas-regel op.
b. Geef een zelf bedacht voorbeeld van een zelfbevestigende
verwachting.
4. Wat wordt bedoeld met een blind proces? Geef een eigen
voorbeeld.
h4 Maatschappelijke ongelijkheid en stratificatie
1. Welke drie sociale verhoudingen worden besproken?
2a. In menselijke verhoudingen begint niets met een schone
lei. Leg uit en geef een voorbeeld.
b. Wie in andermans behoeften kan voorzien bevindt zich in
een relatieve machtspositie. Geef voorbeelden op het
gebied van macht en kennis.
3. Omschrijf wat cultureel kapitaal is en geef twee
verschillende voorbeelden.
4. Prestige wordt duidelijk gemaakt door allerlei eretekenen.
Geef twee voorbeelden. Hoe kun je prestige nog meer
zichtbaar maken?
5. Wat wordt bedoeld met statusconversie? Geef twee
verschillende voorbeelden.
6. Tegenover de uitlsuiting door de gevestigden versterken de
nieuwkomers hun onderlinge contacten. Geef een
verklaring en een mogelijk onbedoeld gevolg.
24 kernbegrippen (13 m)
vintage overhead (2m)
fleur h3
100w
h4
1. Welke drie sociale verhoudingen worden besproken?
2a. In menselijke verhoudingen begint niets met een schone lei. Leg uit en geef een voorbeeld.
b. Wie in andermans behoeften kan voorzien bevindt zich in een relatieve machtspositie. Geef voorbeelden op het gebied van macht en kennis.
3. Omschrijf wat cultureel kapitaal is en geef twee verschillende voorbeelden.
4. Prestige wordt duidelijk gemaakt door allerlei eretekenen. Geef twee voorbeelden. Hoe kun je prestige nog meer zichtbaar maken?
5. Wat wordt bedoeld met statusconversie? Geef twee verschillende voorbeelden.
6. Tegenover de uitlsuiting door de gevestigden versterken de nieuwkomers hun onderlinge contacten. Geef een verklaring en een mogelijk onbedoeld gevolg.
1. di 12/4
2. vr 15
3. di 19
4. vr 22 h7 en h8
5. di 10/5 GLU
6. vr 13
7. di 17 GLU
8. vr 20 h9
9. di 24
10. vr 27 h10
11. di 31 Alle vragen maken van h10
12. vr 3 h11
13. di 7
14. vr 10
15. di 14 h12
16. vr 17
17. di 21

wo 5-vr5
1. wo 13/4
2. vr 15
3. wo 20
4. vr 22 h7 en h8
5. wo 11/5
6. vr 13
7. wo 18
8. vr 20 h9 bestuderen; vragen stellen
9. wo 25 verder met h10
10. vr 27 h10
11. wo 1/6 vragen h10 maken ( alleen Fleur was er)
12. vr 3 h11 h9 + 10
13. wo 8
14. vr 10
15. wo 15 h12
16. vr 17
17. wo 22
h1
h2
h3
h4
h5
1a. Een groot deel van het leerproces van mensen
bestaat uit het uitbreiden en verfijnen van
aangeboren mogelijkheden. Geef hier een eigen
voorbeeld van.
b. Wanneer houdt dit leerproces op?
c. Hoe wordt socialisatie door Abram omschreven?
2a. Wat wordt er bedoeld met actuele verhoudingen?
b. Leg met behulp van een voorbeeld uit wat virtuele verhoudingen zijn.
3. Omschrijf wat er met civilisatieproces bedoeld wordt en geef een zelfverzonnen voorbeeld.
4. Er doet zich in onze samenleving een verschuiving voor van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding. Leg uit en geef een voorbeeld.
5. Wanneer is de kans op decivilisatie in een samenleving groot? Verklaar je antwoord.

h5
stemwijzer


taal
religie
recht
wetenschap
* religieuze specialisten
* voorschriften
kunst
* auteursrecht
* verwachtingen regelen
* sociale funtie: geweldloos oplossen
* plaats
* sociale
positie
* tussenpersoonlijke overdraagbaarheid
Wat mensen geloven, weten en bedenken: oriëntatie (h6)
(mijn eerste prezi wo. 19-3-'14 aan 4maw)
Sander Schelberg
sociolect
h6. Wat mensen geloven, weten en bedenken
1a. Geef een voorbeeld dat iemands sociale positie van
invloed is op zijn taalgebruik.
b. Geef een voorbeeld van vaktaal. Waarom gebruiken
mensen vaktaal?
2. Wat is volgens Abram de functie van religie?
3a. Noem de belangrijkste sociale functie van recht.
b. Wat wordt er bedoeld met rationalisering van het
recht en geef een voorbeeld.
4a. Leg uit wat 'objectieve vaststelling' is. Verduidelijk dit
met een voorbeeld.
b. Ook over objectieve zaken kun je het met elkaar
oneens zijn. Wat hebben blikrichting, omstandig-
heden en woordenschat hiermee te maken. Pas deze
drie toe op een voorbeeld.
5. Wat wordt met 'hoge' kunstuitingen bedoeld en geef
een voorbeeld. Ook een voorbeeld van een 'lage'



d
110 woorden
blauw-zwarte jurk
h6
1. Waarom is er tussen mensen die elkaar in
verloop van tijd nog regelmatig zullen tegenkomen
een veel grotere bereidheid tot onderlinge samen-
werking? Bewijs je antwoord met een zelf verzon-
nen voorbeeld.
2a. Wat wordt met wederkerige verplichting bedoeld?
b. Noem een aantal Nederlandse uitdrukkingen die
met wederkerige verplichting te maken hebben.
c. Welke informele sancties staat iemand te wach-
ten die zich aan zijn verplichting onttrekt?
3a. Geef een voorbeeld van een collectief goed en
noem drie kenmerken van zo'n goed.
b. Op welke drie manieren kun je het bovenstaande
collectieve goed bereiken?
c. Op welke manier past belastingheffing in boven-
staand verhaal?


97 woorden
h7 en h8 (collectieve actie)
1. Waarom is er tussen mensen die elkaar in
verloop van tijd nog regelmatig zullen tegenkomen
een veel grotere bereidheid tot onderlinge samen-
werking? Bewijs je antwoord met een zelf verzon-
nen voorbeeld.
2a. Wat wordt met wederkerige verplichting bedoeld?
b. Noem een aantal Nederlandse uitdrukkingen die
met wederkerige verplichting te maken hebben.
c. Welke informele sancties staat iemand te wach-
ten die zich aan zijn verplichting onttrekt?
3a. Geef een voorbeeld van een collectief goed en
noem drie kenmerken van zo'n goed.
b. Op welke drie manieren kun je het bovenstaande
collectieve goed bereiken?
c. Op welke manier past belastingheffing in boven-
staand verhaal?


h7 en h8 (collectieve actie)
maw1
di6-vr4
maw2
Intouchables (deel 1: 0-43)
1. Waaruit blijkt dat Driss uit een ander sociaal milieu komt dan Philippe? Noem drie aspecten (h4)
2. Driss is anders gesocialiseerd dan Philippe. Wat wordt hier bedoeld? Geef een voorbeeld van het gedrag van Driss dat te herleiden is op zijn socialisatie.
3. Waarom wil Driss aanvankelijk de baan niet aannemen en doet hij het later toch?
4. Driss moet duidelijk groeien in zijn rol. Welke verwachtingen heeft hij moeite mee.
Waarin wijkt zijn rolinvulling af van wat gebruikelijk is? Geef een voorbeeld van zijn zeer persoonlijke invulling.
5a. Bij welke noodzakelijke bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
b. bij welke sociale bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
c. Waarom heeft Philippe voor Driss gekozen en niet voor een andere hulpverlener?
6. De manieren van problemen oplossen kan nog wel eens verschillen tussen de elite en de onderlaag. Geef een voorbeeld. Waarom kun je het verschil niet generaliseren?
7. Wie ziet Driss helemaal niet zitten als hulpverlener? Waarom niet?
Vragen tweede deel.
1. Waaruit blijkt dat Driss minder geciviliseerd is, dan Philippe? Laat zien dat je het begrip kent.
2. Waarom was het paragliden voor beiden een heftige ervaring? Wat heeft dit te maken met virtuele verhoudingen?
3. Waar spelen de verwantschpsreleaties van Driss een belangrijke rol?
4. Bij welk voorval zag je duidelijk dat Driss iets geleerd had door zijn omgang met Philippe? Is hier sprake van socialisatie?
5. Wat had Driss gestolen? Wat heeft dit met verstoorde verwachtingen te maken? Hoe heeft Driss dit probleem opgelost? Pas het begrip 'blind proces' toe.

intouchables
Intouchables (deel 1: 0-43)
1. Waaruit blijkt dat Driss uit een ander sociaal milieu komt dan Philippe? Noem drie aspecten (h4)
2. Driss is anders gesocialiseerd dan Philippe. Wat wordt hier bedoeld? Geef een voorbeeld van het gedrag van Driss dat te herleiden is op zijn socialisatie.
3. Waarom wil Driss aanvankelijk de baan niet aannemen en doet hij het later toch?
4. Driss moet duidelijk groeien in zijn rol. Welke verwachtingen heeft hij moeite mee.
Waarin wijkt zijn rolinvulling af van wat gebruikelijk is? Geef een voorbeeld van zijn zeer persoonlijke invulling.
5a. Bij welke noodzakelijke bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
b. bij welke sociale bestaansvoorwaarden speelt Driss een rol?
c. Waarom heeft Philippe voor Driss gekozen en niet voor een andere hulpverlener?
6. De manieren van problemen oplossen kan nog wel eens verschillen tussen de elite en de onderlaag. Geef een voorbeeld. Waarom kun je het verschil niet generaliseren?
7. Wie ziet Driss helemaal niet zitten als hulpverlener? Waarom niet?
Vragen tweede deel.
1. Waaruit blijkt dat Driss minder geciviliseerd is, dan Philippe? Laat zien dat je het begrip kent.
2. Waarom was het paragliden voor beiden een heftige ervaring? Wat heeft dit te maken met virtuele verhoudingen?
3. Waar spelen de verwantschpsreleaties van Driss een belangrijke rol?
4. Bij welk voorval zag je duidelijk dat Driss iets geleerd had door zijn omgang met Philippe? Is hier sprake van socialisatie?
5. Wat had Driss gestolen? Wat heeft dit met verstoorde verwachtingen te maken? Hoe heeft Driss dit probleem opgelost? Pas het begrip 'blind proces' toe.

Intouchables
1. Geef een voorbeeld van ruilhandel.
2. Wat is het verschil tussen lekenkennis en vak-
kennis?
3. Leg uit wat geld te maken heeft met een zelf-
bevestigende voorspelling.
4. Wat wordt er met monetarisering van het huis-
houden bedoeld?
hoofdstuk 10
5a. Gezagsverhoudingen binnen een organisatie
zijn meestal beperkt naar tijd, plaats en
onderwerp. Leg dit uit in de relatie leerling-
leer-kracht.
b Geef ook een voorbeeld dat in de
schemerzone ligt.
6a. Wat is de manifeste functie van de school?
b. Geef een zelfverzonnen latente functie van
school.
7. Schets een aantal wezenlijke verschillen tussen het
werk van iemand met een hoge positie en iemand met
een lage positie.
8. Leg uit dat een algemeen gevoel van vereenzaming juist
kan optreden in een verregaand georganiseerde
samenleving
h9 + 10
1. Geef een voorbeeld van ruilhandel.
2. Wat is het verschil tussen lekenkennis en vak-
kennis?
3. Leg uit wat geld te maken heeft met een zelf-
bevestigende voorspelling.
4. Wat wordt er met monetarisering van het huis-
houden bedoeld?
hoofdstuk 10
5a. Gezagsverhoudingen binnen een organisatie
zijn meestal beperkt naar tijd, plaats en
onderwerp. Leg dit uit in de relatie leerling-
leer-kracht.
b Geef ook een voorbeeld dat in de
schemerzone ligt.
6a. Wat is de manifeste functie van de school?
b. Geef een zelfverzonnen latente functie van
school.
7. Schets een aantal wezenlijke verschillen tussen het
werk van iemand met een hoge positie en iemand met
een lage positie.
8. Leg uit dat een algemeen gevoel van vereenzaming juist
kan optreden in een verregaand georganiseerde
samenleving
1. Wanneer voelen Nederlanders zich vooral sterk verbonden met hun land? Geef twee verschillende voorbeelden.
2. Wat is de kern van het proces van statenvorming?
3a. Leg uit wat met legitieme macht bedoeld wordt en waarom dat zo belangrijk is voor de baas.
b. Op basis waarvan vindt macht vaak zijn rechtvaardiging? Geef drie rechtvaardigingsgronden.
4. Schrijf de prachtige definitie over van wat statenvorming is.
5. In de twintigste eeuw worden verzorgingsarrangementen dwingend opgelegd door de staat. Werd deze dwang als hinderlijk ervaren? Verklaar je antwoord.
6. Er worden vier politieke dimensies genoemd, te verdelen in links, rechts en midden. Zet deze vier dimensies in een 'links-rechts' schema.
Full transcript