Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

EUR - Methodologie samenvatting

No description
by

Pim Schaaf

on 3 February 2011

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of EUR - Methodologie samenvatting

Samenvatting Methodologie (EUR Blok3) Pim Schaaf | twitter.com/pimschaaf Methodologische spelregels 1) Toetsbaar
2) Repliceerbaar
3) Maximale informativiteit Het regulerend idee leidt tot streven naar ;
dit wordt gewoonlijk vertaald naar . Om na te gaan of er sprake is van intersubjectiviteit is in ieder
geval , dat wil zeggen
en nodig. En daarvoor is minstens
nodig: en . Onder de weerlegbaarheidseis vangen we niet alleen de eisen van openbaarheid en precisie, maar bovendien het vermijden van speculatieve en normatieve uitspraken.
Het regulerend idee leidt tot het streven naar uitspraken waarin
worden gedaan over een . In dit geval wordt het risico, de weerlegbaarheid, gemaximaliseerd. De domein-eis geldt niet voor elk onderzoek apart, maar voor de wetenschap in het algemeen.
Het regulerend idee leidt tot redeneringen die niet in strijd zijn met logica.
Het regulerend idee leidt tot streven naar kennis die toegepast kan worden bij het oplossen van menselijke en maatschappelijke problematiek.
Het regulerend idee leidt tot een zodanige onderzoeksopzet dat de kosten in een redelijke verhouding staan tot de geschatte opbrengsten. waarheid objectiviteit intersubjectiviteit toetsbaarheid weerlegbaarheid verifeerbaarheid openbaarheid eenduidigheid maximale informativiteit zo specifiek mogelijke beweringen zo groot mogelijk domein geldigheid bruikbaarheid efficiency Onderzoeksopzet
Doelstelling + vraagstelling Probleemstelling Conceptualiseren Operationaliseren Criteria Betrouwbaarheid Nauwkeurigheid Validiteit om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek te beoordelen Afwezigheid van systematische fouten.
Resultaat van het onderzoek moet hetzelfde blijven bij herhaling Afwezigheid van toevallige fouten door selectie van de steekproef. Afwezigheid van toevallige en systematische fouten.
De vraag of de waarneming de werkelijkheid van de onderzoeker dekt. Interne validiteit: Meet het instrument wat het moet meten.
Externe validiteit: Generaliseerbaarheid van het onderzoek. Of de conclusies ook gelden voor andere, niet onderzochte situaties.
Populatievaliditeit: Mate waarin de steekproef representatief is voor de populatie.
Ecologische validiteit: Mate waarin het onderzoek voor andere tijden/plaatsen/groepen onder andere omstandigheden generaliseerbaar is.
Inhoudsvaliditeit: Volledigheid en correctheid van de inhoud van het onderzoek.
Facevaliditeit: De mate waarin de conclusies kloppen.
Soortgenootvaliditeit: Correctheid van het meetinstrument ten opzichte van bijna gelijke, nieuwe of juist oude instrument.
Convergente validiteit: Mate waarin twee verschillende instrumenten worden ingezet om correlatie te vinden en tot dezelfde correlatie leiden op een begrip.
Begrips- of constructvaliditeit: Mate waarin de empirische verschijnselen zoals gemeten de begrippen dekken.
Predictieve validiteit: correctheid van de voorspellingen op basis van het onderzoek. Betekenisverlening aan begrippen door een onderzoeker. Moet gecontroleerd worden aan de hand van criteria voor wetenschappelijk onderzoek. Betekenisverlening aan begrippen door een onderzoeker. Moet gecontroleerd worden aan de hand van criteria voor wetenschappelijk onderzoek. Definieren van begrippen Begrippen tot een meetbare grootheden maken Operationaliseren &
meten Meetniveaus Nominaal
Ordinaal
Interval
Ratio categorieen zonder ordening logisch geordende categorieen met bepaalde afstand tussen de variabelen met een 0-punt Operationaliseren Vereisten Alle facetten van een begrip onderscheiden
Beschikbare informatie betrekken
Duidelijkheid qua begrippen en dimensies
Verschil tussen variabel en attribuut Begrip: eenduidige en specifiek maken van een begrip
Kenmerken: kenmerken/indicatoren van je begrip
Onderzoekspopulatie: onderzoekseenheden definieren
Tijd en plaats: specifieren van de tijd en plaats Informatie is betrouwbaar als het aan de volgende normen voldoet:
• Zorgvuldigheid
• Volledigheid
• Betrouwbaarheid
• Objectiviteit
• Controleerbaarheid
• Onpartijdigheid
• Onafhankelijkheid
• Waardevrijheid Select (niet-kans) Steekproeven Lukraak: willekeurig. De eerste de beste wordt aangesproken voor bijvoorbeeld een interview.
Quota: bepaalde groepen worden van te voren al bepaald. Je maakt van te voren een selectie.
Oordelende steekproeftrekking (wordt gebruikt voor explorerend onderzoek):


Sneeuwbaleffect: met elkaar verbonden. Mensen staan in een directe of indirecte verbinding met elkaar (netwerk) Dit wordt weergegeven in een sociogram.
Afwijkende case steekproef: Op zoek naar specifieke gevallen.




Sequentiële(op elkaar volgende) steekproeftrekking: Doorgaan totdat je verzadigd bent. A-select (kans) Enkelvoudige a-selecte steekproef: In een populatie heeft elk individu een even grote kans om in de steekproef te komen.
Gestratificeerde steekproef: Populatie wordt verdeeld in niet overlappende delen. Die delen zijn homogeen(hebben vergelijkbare eigenschappen). Vervolgens wordt er uit elk deel een a-selectieve steekproef getrokken.
Geclusterde steekproef: Populatie wordt ook opgedeeld in niet overlappende delen. Bij deze steekproef zijn de delen NIET homogeen maar heterogeen. Elk deel is op zichzelf representatief voor de populatie. (bijvoorbeeld: clusters zijn verschillende scholen)
Systematische steekproef: Lijst met individuen. Je kiest elke keer de zoveelste persoon van de lijst. Je bepaalt eerst random een beginpersoon. Daarna bepaal je het interval. Aan de hand van dat interval(bijvoorbeeld 10) kies je steeds de volgende persoon van de lijst.


Getrapte steekproef: combinatie van steekproefmethoden. De steekproef wordt meerdere keren gedaan. De steekproef bestaat dan uit meerdere steekproeven. Kwantitatief vs. kwalitatief Tijdsdimensie in onderzoek cross-sectioneel (dataverzameling op één moment in de tijd)*
longitudinaal (verschillende metingen in de tijd)





*causaliteit wel te onderzoeken mbv
retrospectieve gegevens herhaalde cross-sectie (sociale verandering)
panel (ontwikkeling, causaliteit, selectie)
cohort (innovatie)
Index
&
schaal Afhankelijk van gewicht indicatoren kom je tot een index. Risico: Je kan zelfde indexcijfer hebben maar hebben verschillende indicatorencijfers hebben. Set van uitspraken die iets zeggen over één begrip.
Set items waarbij de antwoorden een waarde voor de schaal hebben.
Gelijke afstanden tussen de antwoordcategorieën wordt aangenomen. Index Schaal Kun je met de verzamelde gegevens de onderzoeksvraag beantwoorden? Wat verwacht je dat problemen kan opleveren in dit onderzoek? Betrouwbaarheid Fallacies - Om moeilijk bereikbare mensen te benaderen
- Specifieke steekproef meer zicht krijgen op bepaalde types - Speciaal type van doelgerichte steekproef
-Verschillende technieken die overeenkomst hebben met de derde methode (oordelende steekproeftrekking)
-Doel van mensen vinden niet representatief (dit is een verschil met de derde) Stel dat random bepaald wordt dat je begint bij nummer 3. En je gebruikt als interval 10. Dan zijn de daaropvolgende personen: 3, 13, 23, 33, 43 enz. De empirische
cylcus Aan de hand van observaties worden algemene uitspraken geformuleerd. Dit zijn exploratieve hypothesen (wetmatigheden op het spoor). Een theorie is een samenhanged stelsel van uitspraken waarmee empirische regelmatigheden beschreven, verklaard en voorspeld kunnen worden. Verzamelen van informatie observatie inductie deductie toetsing evaluatie Inductief of deductief Theorie Algemene uitspraak Empirie Aan de hand van een theorie een uitspraak doen over een concrete situatie. Formuleren van hypothesen voor de verlkaring. Analyseren van informatie. Verificatie of falsifiering van hypothesen en daardoor toetsing van de theorie aan de hand van empirische gegevens. Interpreteren van informatie. Beantwoorden van de vraag of het onderzoek het kennisprobleem heeft opgelost. Zo niet, of onvoldoende dan een nieuwe empirische cyclus. Kiezen van een gezichtspunt. Formuleren van een kennisprobleem, probleemstelling en onderzoeksopzet aan de hand van actueel literatuuronderzoek. Afweging explorerend of toetsend onderzoek. algemeen (bv conflicttheorie)
. (bv. broken window theory)
specifiek (persoonlijk) middle-range Theorie Hypothese Empirie Kwalitatief vs. kwantitatief complexiteit
werkelijkheid
rechtdoen
woorden


niet boven journalistiek niveau
te sterk gebonden aan onderzoeker



beperkt complexiteit
samenvatten
cijfers



inhoudsarme databewerkingen
te technisch, ontoegankelijk



ruim Voorkeur Risico's Publicatie
kanalen Inductief Experiment Observatie Enquête Kwalitatieve vorm van onderzoek waarbij de gedragingen en producten van de betrokkenen beschreven, geinterpreteerd en verklaard worden door door een onderzoeker die zich in het bestudeerde veld bevindt en werkwijzen hanteert die de natuurlijke omgeving zo min mogelijk verstoren. Manier van onderzoek waarin men zich voor het beschrijven, voorspellen en verklaren van sociale verschijnselen bedient van vragenlijsten met vragen die worden gesteld aan een groot aan aantal mensen. Systematisch ondervragen van personen op groot aantal punten.

Doel: verzamelen en analyseren van gegevens voor beschrijving/verklaringsproblemen.

Nadelen:
Leidt tot versimpeling en reductie van informatie, daarmee doet men onrecht aan waarheid
Statistisch onderzoek is niet integer en transparant
Door cijfers makkelijker manipuleren
Foutgevoelig

Voordelen:
Cijfers ondubbelzinnig en daardoor logischer & preciezer na te denken Deductief 4 vormen Participerende observatie
Zelfobservatie
Beschrijvende observatie
Systematische observatie Wanneer? als je geen specifieke probleemstelling hebt (exploratief) of om te begrijpen (symbolisch interactionistisch onderzoek).
als je probleemstelling exclusief betrekking heeft op een bepaalde concrete situatie, groep of proces.
als je probleemstelling theoretisch of algemeen gericht is maar je je onderzoek wilt uitvoeren bij een groep of situatie. Voordelen Directe waarneming
Situatie niet door de onderzoeker gecreerd (externe validiteit)
Huidige gedrag is goede voorspeller
Vertekening interpretatie van respondent telt niet mee
Hoge specificiteit
Handig bij mensen die niet kunnen of willen meewerken Variabelen afhankelijke variabele (explanandum)
onafhankelijke variabele (explanans)
onafhankelijke variabele (mediator, mechanisme)
spurieuze variabele
interactievariabele (moderator) Zoals variabelen tot kwantitatief onderzoek staan, staan sensitizing concepts tot kwalitatief onderzoek. Sensitizing concepts Laboratoriumexperiment
Veldexperiment
Internetexperiment

Belangrijkste verschil hiertussen: dat mensen wel/niet weten dat ze meedoen met het onderzoek (bij laboratorium onderzoek wel en bij veldexperiment niet).
Laboratorium onderzoek heeft dus wel invloed op de resultaten.

Nadeel experimenten: Echt onderzocht wat je wilde onderzoeken? En is de uitkomst wel generaliseerbaar? Interview Nadelen:
Beperkt aantal interviews
Niet uit te drukken in cijfers
Open procedure (veel beslissingen ter plekke genomen)
Moeilijk af te bakenen

Voordelen:
Interactiever
Specifieker
Onderzoek leidt tot nieuwe inzichten Experiment
Observatie
Interview Enquête Methoden
Bevinding op macroniveau onterecht toegepast op microniveau. Ecological fallacy Individualistic fallacy Bevinding op microniveau onterecht toegepast op macroniveau. Onjuist betrekken van conclusies op verschillende analyseniveaus. Zuiver experiment
Bij dit experiment moet minstens 1 controlegroep hebben.
Tevens worden onderzoekseenheden of proefpersonen at random gekozen.

Hierbij zijn 5 ontwerpen te beschrijven:
- Alleen nameting, met controlegroep
- Voor en nameting, met controlegroep
- Solomon viergroepenontwerp
- Meer experimentele groepen, één controlegroep
- Meer experimentele groepen, geen controlegroep (Bijvoorbeeld bij een evaluatie, daar kan je geen controlegroep gebruiken)

Quasi-experiment
Lijkt op het tweede ontwerp bij het zuiver experiment (Voor en nameting, met controlegroep) alleen vindt er bij een quasi-experiment geen toewijzing op toevalsbasis plaats.
Bij dit experiment is er minder controle over de onafhankelijke variabele.

Pre-experiment
Een ontwerp is pre-experimenteel als er geen enkele of slechts één vergelijkingsbasis is voor het gedrag na toediening van de experimentele stimulus bij de experimentele groep, een voormeting of een controlegroep, en er bovendien geen gebruik wordt gemaakt van randomisatie.
Nadelen:
- Minder controle op storende externe effecten
- Er kunnen geen causale conclusies getrokken worden.
Theorie
Full transcript