Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Nederlandse grammatica

Nederlandse grammatica klas 1
by

L. Hylkema

on 5 January 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Nederlandse grammatica

Stappenplan
Ontleed in deze volgorde:
Onderwerp
Wie/wat + gezegde
Gezegde
werkwoordelijk of naamwoordelijk
Nederlandse grammatica
Ontleden
Lijdend voorwerp
Wie/wat + wg + onderwerp + gezegde
Taalkundig
(woordsoorten)

Redekundig
(zinsdelen)

onderstreep de persoonsvorm

zet streepjes tussen de zinsdelen
zoek het gezegde wg of ng
zoek het onderwerp
is er een lijdend voorwerp?
is er een meewerkend voorwerp?
is er een voorzetselvoorwerp?
zoek de bijwoordelijke bepalingen

Aan de rand van het meer / gaf / hij /zijn

bwb

wg

ow
geliefde / een gouden ring

mv

lv

Naamwoordelijk gezegde:

= vorm van "zijn"

- alle ww in de zin (altijd een
koppelwerkwoord)
- en het deel dat iets zegt
over het onderwerp
(= zn of bn)
-
nooit
samen met lijdend
voorwerp in een zin
koppelwerkwoorden (kww)

zijn, worden, lijken,
blijken, blijven,
schijnen, heten,
dunken, voorkomen
Voorbeelden
Hij wordt piloot

Je bent aardig

Zij lijkt ziek

Dat komt mij
merkwaardig voor
In een zin wordt vermeld dat iemand
of iets iets doet.

Onderwerp en gezegde vormen samen de kortste zin

Hij fietst, zij loopt, het regent
soorten onderwerp
Loos
onderwerp:
Het
regent
Voorlopig
en
eigenlijk
onderwerp:



Hij
werkt hard,
die man
Plaats
onderwerp:
Er
is bezoek geweest
Verzwegen
onderwerp: In onze klas wordt hard gewerkt (bedoeld wordt: onze klas werkt hard)
Nader bekeken
Het onderwerp kan bestaan uit één woord of een groep woorden
Het onderwerp staat meestal vlak voor of na de persoonsvorm
De man loopt
De kinderen lopen
congruentie
onderwerp en persoonsvorm moeten in
getal en aantal overeenkomen.
zinsdelen
Zo vind je de zinsdelen:




*
Probeer welke woorden je samen voor
de persoonsvorm kunt zetten.

*
Voor de persoonsvorm staat maximaal
één zinsdeel.

*
De werkwoorden in een zin vormen
samen één zinsdeel.

*
Op een zin die begint met een
vraagwoord geef je eerst antwoord;
daarna is de zin makkelijker te verdelen
in zinsdelen
Meewerkend voorwerp

voorzetsel-
voorwerp

Bijwoordelijke bepaling
Woordsoorten
Lijdend / bedrijvend
Werkwoordstijden
Lastige
Werkwoorden

* Zoek eerst de kernzin:
iemand doet:
's Ochtends
eet ik


* Kijk dan of er een "
iets
of
iemand
"op volgt:
's Ochtends eet ik
een boterham met pindakaas

Daarna laat ik
de hond
uit
* bij toevallige wederkerende werkwoorden is het wed.vnw.
een
lijdend voorwerp
:
Ik was
me
(je kunt ook zeggen: ik was de
baby
)
Hij scheert
zich
( je kunt ook een schaap scheren)

* Let op:
bij verplicht wederkerende werkwoorden horen de
wed. vnw. bij het gezegde!

werkwoordelijk gezegde:

= vorm van "doen"

-
alle ww in de zin (ook pv)
-

+ eventueel zich, me, je, ons
bij wederkerende ww
-
+ delen van splitsbaar ww
-
aan het (ww), te (ww)
-
ww uitdrukking

Oefenen wel of geen LV? Ontleed de zinnen
Heb jij je huiswerk al gemaakt?
Hem heb ik niet uitgenodigd voor mijn verjaardag
Het publiek juichte de winnares luid toe
Waarom heb je de deur niet op slot gedaan?
Ik kan me dat verhaal niet herinneren
Na de vakantie moet ik mijn werkstuk inleveren
Wat voor cijfer denk je te behalen?
In de zomervakantie ga ik met vrienden naar Italië
Wanneer heb jij je voor het laatst geschoren?
Bedrijvend
Jan slaat Piet (ow-wg-lv)
*
Een zin met lv staat altijd in
bedrijvende vorm (actief)
Lijdend
Piet/
wordt
/
door Jan
/ geslagen
ow wg bwb wg
Herken een lijdende zin:
*
een vorm van "
worden
" of "zijn"
*
een bepaling met "
door
"
gevolgd door "
iemand
"
L. Hylkema
12/2013

aan/voor/(bij) wie + wg + ow + lv of
aan/voor/(bij) wie + ng + ow
* Iemand doet iets
aan
/voor/bij iemand:
Ik geef iets
aan jou
/ ik geef
jou
iets
Ik schenk iets
voor je
in / ik schenk
je
iets in
(iemand iets aandoen)

Wat heb jij
bij hem
gedaan? / Wat heb je
hem
(aan)gedaan?
* Komt in zin met wg alleen voor samen met lv
* In zin met ng kan mv voorkomen (uiteraard zonder lv)
Even oefenen: wel of geen lv en mv
ontleed de zinnen (vlgs stappenplan)
Mijn fiets heb ik aan Joke uitgeleend

Wil voor mij een afspraak maken bij de kapper?

Vandaag zullen wij u de papieren voor alle zekerheid nogmaals toesturen

Waarom heeft de docent je je toets nog niet teruggegeven?

Je moet het hem maar vragen


Let op:
Bij ....... komt meestal voor als
voorzetselvoorwerp of als
bijwoordelijke bepaling
Stappenplan!
Zinsdeel begint met een vast voorzetsel
Na sommige werkwoorden volgt altijd (in dezelfde betekenis) hetzelfde voorzetsel. Je kunt hier geen ander voorzetsel voor in de plaats denken.

Voorbeelden:

Ik twijfel aan je motieven (je kunt niet zeggen: Ik twijfel met / door / van / naar je motieven)
Ik hoop op een voldoende voor de toets
Ik twijfel aan zijn goede bedoelingen;
Ik ben verliefd op Joost;
Ik verlang naar een lange vakantie;
Ik verbaas mij over je gedrag;
Wil je mij aan onze afspraak herinneren?; etc.

twijfelen aan; hopen op; verliefd zijn op;
verlangen naar; zich verbazen over; protesteren tegen; iemand herinneren aan; opzien tegen etc.

Het zinsdeel dat begint met dit vaste voorzetsel heet het

Voorzetselvoorwerp
Als je niet met een vast voorzetsel te maken hebt, is het zinsdeel een bijwoordelijke bepaling.
Let op:
Stappenplan gebruiken
Tip:
Zinnen met een vzv kun je vaak veranderen door "er" toe te voegen:

Ik hoop erop dat ik een voldoende krijg voor mijn toets
Ik twijfel eraan of hij goede bedoelingen heeft
etc.
bepaalde omstandigheden
Bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op:
Waar; waarheen; wanneer; hoelang; hoe dikwijls; waardoor; waarom; waarmee; hoe; met welk doel; als wie; als wat; met welk gevolg; ondanks wat; hoeveel; hoe duur; hoe hoog etc
Ook enkele woorden als :
wel, niet, zeker, absoluut, allicht, misschien, waarschijnlijk etc. zijn bijwoordelijke bepalingen
Tip:
Bijwoordelijke bepalingen zijn vaak de zinsdelen die overblijven nadat je het stappenplan hebt doorlopen
naamwoorden:
- zelfstandig naamwoord
- bijvoeglijk naamwoord
zn
bn
* benamingen voor mensen, dieren,
dingen, zaken
* je kunt er meestal de / het voor zetten
* je kunt er meestal een verkleinwoord
van maken
* je heeft meestal een meervoudsvorm
Vormen van zn
:
* concrete zn: is tastbaar: tafel, kopje, boterham, rivier
* abstracte zn: niet tastbaar: verliefdheid, geloof, ruzie
* eigennamen: namen van (levende) wezens, begrip-
pen: Sophie, Maarten, Dordrecht, Nederland,
Sinterklaas, Hema


Tip:

eigennamen worden altijd met
een hoofdletter geschreven


lidwoorden
voornaamwoorden
werkwoorden
telwoorden
tussenwerpsels
bepaald onbepaald
de, het
een
* altijd voor een zn (kern)
Let op:
"Het" is niet altijd een lidw.
"Een" is niet altijd een lidw.
Het regent (onbep. vnw)
Ik heb het gezien (pvnw)
Ik heb het een en ander gezien (bep. htw)
blw

olw
duidt kenmerk/ eigenschap aan van zn
op 3 manieren gebruikt:


vóór zn deel ng bep. v. gest

een
lief
meisje ze is
lief
ik verf de muur
geel
vormen:
afgeleid v. (on)volt.deelw.:
* met en zonder -e of -en
(een wit kleed; bruine schoenen
zilveren armband)
* -en bij stoff. bn, behalve bij:
polyester, nylon, aluminium, plastic,
titanium etc.
* trappen van vergelijking:

stellende vergrotende vergelijkende
lief liever liefst
groot groter grootst
goed beter best

een gillende keukenmeid
de weg is verbreed
de verbrede weg
Let op:
we kennen ook zelfstandig gebruikte
bijvoeglijk naamwoorden:
de
zieke
man ligt in bed (
bn
) wordt:
de
zieke
ligt in bed (
zn
)
vorm soort
persoonsvorm
infinitief
onvolt. deelw
volt. deelw
zww
hww
kww
uitgelicht: soorten
zww
:
*
kunnen in hun eentje het gezegde vormen: ik loop
*
veranderen van vorm als meerdere ww in zin staan

hww
:
*
komen alleen voor met andere ww (zww of kww)

*
als er meerdere ww in de zin staan, dan is de pv
altijd een hww!

kww
:
*
maken altijd deel uit van ng (naamw gezegde)
het ng bestaat uit een kww aangevuld met zn of bn

(zijn, worden, lijken, blijken, blijven, schijnen,
heten, dunken, voorkomen)



zie ook:
lastige werkwoorden
geen zinsdelen
* klanknabootsingen: boing, pats, boem
* gevoelsuitdrukkingen: au, bah, getver
* aandachttrekkers: hé, joh, man
* groet: hoi, dag, goedenavond
* overig ja, nee


pvnw
persoonlijk voornaamwoord
*
verwijst naar (groepen) personen, voorwerpen of
onzichtbare zaken
*
komt voor als
onderwerp
,
lijdend voorwerp
of

meewerkend
voorwerp:

Ik
zie
hem, haar, jou
etc

Ze
vraagt
het

mij
(
het
verwijst naar iets)
*
komt na voorzetsel voor als voorwerpsvorm:
Het boek is van jou, ik logeer bij hem

hun hen
a. meewerkend voorwerp
b. bezittelijk voornaamwoord
c. lijdend voorwerp
d. na een voorzetsel
a. Heb je hun al antwoord gegeven?
b. Heb je al antwoord gegeven op hun vraag?
c. Waarom bekritiseer je hen steeds?
d. Stuur je nog een uitnodiging aan hen?

wed. vnw
wederkerend voornaamwoord
Het onderwerp van de zin "keert weder" in de vorm van een wederkerend voornaamwoord:

ik vergis
me
wij vergissen
ons
jij vergist
je
jullie vergissen
je
hij/zij vergist
zich
zij vergissen
zich
wederkerende voornaamwoorden komen voor bij verplichte en bij toevallig wederkerende werkwoorden
* bij toevallige wederkerende werkwoorden is het
wed.vnw. een
lijdend voorwerp
:

Ik was
me
(je kunt ook zeggen: ik was de
baby
)
Hij scheert
zich
( je kunt ook een schaap
scheren)

* Let op:
bij verplicht wederkerende werkwoorden
horen de wed. vnw. bij het gezegde!

Let op bij
redekundige
ontleding:
wedig. vnw
wederkerig voornaamwoord
Wij kennen in het Nederlands maar één wederkerig voornaamwoord:
elkaar
soms verschijnt elkaar als "
mekaar
"of "
elkander
"
Wij houden van
elkaar
bvnw
bezittelijk voornaamwoord
avnw
aanwijzend voornaamwoord
vr. vnw
vragend voornaamwoord
Wie
heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?
Wat
wil je vanavond doen?
Welke
prijs heb jij met zwemmen gewonnen?
Wat voor (een)
cd heb je gekocht?
Staat meestal aan het begin van een vraag naar iets specifieks.
betr. vnw
ovnw
onbepaald voornaamwoord
Duidt een iets of een iemand aan maar niet specifiek:

iemand, niemand, iedereen, het, iets, niets, men, menigeen, menig, alles, wat, elk(e), wat, een zekere, ene, een of ander(e)
Let op:
"
het
" is een
ovnw
als het verwijst naar tijd, het weer of sfeer:
Het is vijf uur; het regent; het is gezellig

"
je
" is een
ovnw
als het betekent "
men
":
Zoiets doe
je
niet (zoiets doet men niet)

"
wat
" is een
ovnw
als het betekent "
iets
" of "een beetje"
betrekkelijk voornaamwoord
verwijst naar een zn, pvnw of een ovnw
(antecedent)
staat aan het begin van een bijv. bijzin
ingesloten antecedent
Een betr. vnw met ingesloten antecedent is een betr. vnw waarvan het antecent(het woord waarnaar het verwijst) besloten ligt in het voornaamwoord:
Wie een kuil graaft voor een ander .........
Degene die of hij die een kuil graaft ....
De man
die
daar loopt is ..........
Het meisje
dat
daar loopt is ...........
De burgemeester aan
wie
de brief ........
Het beste
wat
je kan doen ....

Geeft aan wie de bezitter is van het genoemde zn
mijn
broer
onze
zus

jouw
auto
jullie
vakantie

zijn
/
haar
huis
hun
vader

Let op:

Mag ik
jouw
boek even lenen? (
bvnw
)

Waar ligt dat boek van
jou
? (
pvnw
)
Kan in plaats van het lidwoord voor zn staan

"wijst aan"

Kan ook zelfstandig in de zin voorkomen
Ik vind
dit
boek beter dan
dat
(boek)
Dat
vind ik niet leuk
voorzetsel
* geeft plaats, tijd,reden/oorzaak aan

op
het perron,
in
de auto,
bij
de tandarts

* staat meestal vóór lw of vnw met zn

van
het kastje;
met
jouw fiets

* staat vaak aan begin van een zinsdeel

Let op:


Delen van scheidbare werkwoorden
zijn geen voorzetsels:
Zij vergat haar uit te nodigen
bepaald
hoofdtelwoord
onbepaald
hoofdtelwoord
bepaald
rangtelwoord
onbepaald
rangtelwoord


twee, twaalf,
honderste,
tweederde


veel, weinig, alle,
enkele, sommige,
verscheidene, wat,
(een beetje)

bep. htw
onbep. htw
bep. rtw
onbep. rtw
eerste, zesde
zestiende
honderdste
laatste, zoveelste
hoeveelste,
middelste
bijwoorden
Elke bwb die uit één woord bestaat is als woordsoort een bw en kan aangeven:

* tijd:
nu, straks, later, vroeger, morgen
etc.
* plaats:
hier, daar, ergens, nergens, er, daar
* reden/oorzaak:
daarom, daardoor, hierdoor
* zekerheid:
vast, zeker, echt, absoluut
* tegenstelling:
echter, toch, daarentegen
* onzekerheid:
misschien, mogelijk, wellicht
* ontkenning:
nooit, niet, geenszins, nimmer
* vraagwoorden als:
hoe, waar, wanneer,

waarom, waardoor, waarover
etc.
* woorden die iets zeggen over ww of bn:
een
heel
mooi huis; hij loopt
snel
Full transcript