Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Taalvaardigheid

No description
by

Marilène van der Graaff

on 24 November 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Taalvaardigheid

Spelling
Taalvaardigheid
Uitleg VWO 4
Werkwoordsvormen
Leestekens
H
O
O
F
D
L
E
T
T
E
R
S
Meervouden
Infinitief
Gebiedende Wijs
Persoonsvorm
Ja:
Voltooid Deelwoord
PV T T
Onvoltooid Deelwoord
Hele werkwoord +d
PV V T
Nee
Enkelvoud: Meervoud:
Ik = Stam wij\jullie\zij = hele w.w
Hij/zij/het/u: Stam +t

Persoonsvormproeven
1. Tijdsproef
2. Vorm proef
3. Vragend maken
egenwoordige ijd
Voorbeelden:
Hele werkwoord: Koken
Ik = stam = Ik kook
Garfield = hij = stam +t = Hij kookt
Zij = mv = hele w.w = zij koken
Bijvoeglijk Naamwoord
Zo kort mogelijk
1. Wij lopen naar de winkel = Wij liepen naar de winkel.
2. Wij schaatsen op het ijs = Ik schaats op het ijs.
3. Morgen ga ik naar school = Ga ik morgen naar school?
1. Het w.w dat veranderd is PV
2. Het w.w dat veranderd is PV
3. Het w.w dat voor het onderwerp komt is PV
Voorbeelden:
erleden
ijd
Voorbeelden:
Zwakke werkwoorden:
Enkelvoud: + te
+ de
Meervoud: + ten
+ den
Sterke werkwoorden:
- Zoals je het geleerd hebt!
Lopen - Liepen

Zwemmen - zwommen

Beginnen - Begonnen
Gaan - Ging
'T eXKoFSCHiP
Ik .... (branden) mijn vingers aan de pan.
1. Zit de laatste letter van de stam in 'T eXKoFSCHiP: te(n)
2. De d zit er niet in dus :
Ik brandde mijn vingers aan de pan.
Gebiedende wijs is altijd de stam van het werkwoord
Fiets (=stam) eens wat harder!
Doe het raam eens dicht!
Met 'Infinitief' wordt het hele werkwoord bedoeld.
De meeste eindigen op -en:
- Lopen
- Fietsen
- Koken
1. Ik wil daar niet aan
denken

2. Morgen moet ik weer vroeg
opstaan
Voorbeelden:
Ieder werkwoord heeft zijn eigen voltooid deelwoord dat je ALTIJD hetzelfde spelt en is altijd in combinatie met een
hww: hebben, zijn of worden

Zwakke WerkWoorden
- Het volt. deelwoord eindigt op -d of -t
- Zit de laatste letter van de stam in 'T eXKoFSCHiP? Dan eindigt het volt. deelwoord op -t

- Zit de laatste letter van de stam NIET in 'T eXKoFSCHiP ? Dan eindigt het volt. deelwoord op -d
Tip: Als je er niet uit komt dan maak je het werkwoord langer in de verleden tijd !

Koken = kookten = gekookt
Sterke WerkWoorden
- het voltooid deelwoord eindigt meestal op -en
MAAR:
- Zien = Gezien
Staan = Gestaan
LET OP!
Ik koop = ik heb gekocht

Het onvoltooid deelwoord geeft aan dat iets nog bezig is: het is nog niet klaar: ONvoltooid
1.
Huilend
liep hij de klas in = hij huilt nog steeds
2.
Rennend
stak hij de straat over = hij rent nog steeds
- Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand van een zelfstandig naamwoord aan
- Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen
- Een bijvoeglijk naamwoord schrijf je

zo kort mogelijk
Voorbeelden:
1. De pas
gelegde
weg is nu eindelijk open
2. Ik vind de
vergrote
foto mooier.
3. Gisteren lag er een
geopende
brief op de mat
Tip:
weet je niet of het woord een Bijvoeglijk naamwoord is ?
Kan je het woord veranderen in 'mooie' --> dan een BN
LET OP !

het is wel:
- de
geredde
hond
- dat
bouwvallige
huis

Punt

- Aan het eind van een zin
- Bij afkortingen: enz. - i.p.v - etc.
LET OP!
- Afkortingen die als woord uitgesproken worden krijgen geen punt
- Maten en gewichten krijgen ook geen
punt
Komma
- Tussen de onderdelen van een opsomming
- Tussen twee persoonsvormen
- Voor of na een aanspreking
- Voor en na een bijstelling
- Voor een voegwoord waarmee de bijzin begint
1. Marilène, papa, mama & Luna missen Fabiënne
2. Wat je nu doet, kan echt niet!
3. Hé, wanneer spreken we iets af ?
4. Mama, de liefste van de wereld, wil deze prezi ook wel hebben.
5. Mama vraagt niet meer of ik mijn kamer opruim, omdat ik het toch nooit doe.
Voorbeelden:
Puntkomma
- Na een verklaring
- Tussen een opsomming met hele
zinnen
1. Het wordt morgen heel slecht weer; papa brengt mij met de auto naar school
2. Ik ga op vakantie en neem mee: een koffer, om al mijn kleren in te doen; een tandenborstel, om iedere avond mijn tanden mee te poetsen; mijn bikini, want anders kan ik niet zwemmen.
Voorbeelden
Dubbele
punt
- Voor een opsomming
- Bij de directe rede
- Om een verklaring aan te geven
1. Ik ga morgen naar school en dan neem ik mee: mijn boeken, want anders kan ik niet leren; mijn tas, waarin mijn boeken zitten; en mijn etui.
2. Harry zei: ''We moeten hier weg!''
3. Ik wil echt naar Zuid-Afrika op vakantie: daar zijn Georges & Bubbles
Voorbeelden


Vraag- en uitroepteken
- Aan het einde van een vraag
- Aan het einde van een zin als bevel of uitroep
Aan het begin van de zin
1. Ik loop naar de stad
2. 's Morgens ga ik naar de bakker
Bij persoonsnamen
- Jan van den Heuvel
- van der Graaff
- Dhr. Van den Boekel

Verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten
Meervoud op -s

's

- woorden die eindigen op:
a, i, o, u, y:

Ik hOU vAn Y's
- afkortingen : vwo's, dvd's
s
- bij geen uitspraakproblemen schrijf je de s gewoon aan het woord vast:

bureaus, stapels, logés
Meervoud op -en
Je schrijft de -en gewoon aan het woord vast
LET OP!
1. Klinkerweglating: leraar --> leraren
2. Medeklinkerverandering: huis --> huizen
3. Medeklinkerverdubbeling: rok --> rokken
1. eindigt een woord op -ik, -es of -et en ligt de klemtoon daarop: dan verdubbelt de medeklinker NIET! Zoals: haviken MAAR: stomerikken
2. Eindigt een woord op -ie of -ee en ligt de klemtoon daarop dan krijg je +ën. Zoals:
Industrie --> industrieën
Uitzonderingen
Tussen -s of -e(n)
Tussen -s
- Je schrijft een tussen -s als je hem hoort:
bruidstaart
Tip:
hoor je niet goed of er wel of geen tussen -s moet ?
Neem dan voor het tweede deel van het woord een ander woord:

Station + klok = met -s ?
Stationsplein wel dus:
stationsklok
Tussen -n
- Je schrijft een tussen -n als het eerste woord een zelfstandig naamwoord is en alleen een mv heeft op -en
Pan + koek
1. pan is een zelfstandig naamwoord
2. Pan heeft alleen een mv op -en
Dus: pannenkoek
Voorbeeld
Tussen -e
Je schrijft een tussen -e wanneer het eerste deel:
- Alleen een mv op -en heeft
- Twee mv'en heeft: -en \ -s
- Geen mv heeft
- Uniek is: maan, zon, koning
- Een bijvoeglijk naamwoord versterkt
- Geen zelfstandig naamwoord is:
Groentesoep
armelui
Sommige \ Sommigen
- Als ze

niet

naar mensen verwijzen: zaken of dingen
- als ze bijvoeglijk gebruikt worden
Tip: weet je niet of een woord bijvoeglijk gebruikt is ?
Kan je het vervangen door 'mooie' --> dan bijvoeglijk gebruikt
- Als het betrekking heeft tot mensen
EN
- Als het zelfstandig gebruikt is
Tip: een woord is zelfstandig gebruikt als er niks achter staat:
Sommigen gaan naar de kermis, anderen blijven thuis
Aan elkaar of los
- Samenstellingen van twee of drie woorden
- Getallen tot honderd en samenstellingen met
honderd en duizend
- Voornaamwoordelijke bijwoorden
(er, hier, daar, waar + voorzetsel)
Verwijswoorden
Hun of hen?
Als het een bezittelijk voornaamwoord is
Als het een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel is
Je krijgt 'hun':
Je krijgt 'hen':
Na een voorzetsel
Als het een lijdend voorwerp is
Die, wat of dat?
Je krijgt 'die' bij een verwijzing naar
'de-woorden'
Ik wil
die
auto
want;
de
auto
De origineelste suggestie
die
wordt ingezonden, wordt beloond.
want:
de
suggestie
Je krijgt de verwijzing 'wat' als
- het betrekking heeft op een onbepaald voornaamwoord

- er een overtreffende trap is

- Het betrekking heeft op een hele zin (let op de , )
Alles, niks, veel, weinig, etc.
Beste, mooiste, knapste, leukste, etc.
Mijn ouders zijn dit jaar 12,5 jaar getrouwd, wat ik heel fijn vind.
Je krijgt de verwijzing 'dat' als het verwijst naar het-woorden
Het ministerie
dat
de zaak in onderzoek heeft, heeft er veel moeite mee.
want:
het
ministerie
Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?
hij, die, deze, hem zijn
zij, ze, die, deze, haar
Congruentiefouten
als het onderwerp en de persoonsvorm
niet gelijk zijn in getal
De media is niet blij dat er nu ook over hen geroddeld wordt.
wordt dus:
De media zijn niet blij dat er nu ook over hen geroddeld wordt.
Foutieve samentrekkingen
Er zijn vier voorwaarden voor een goede samentrekking:
1. De betekenis van het samengetrokken woord\zinsdeel moet hetzelfde zijn
2. De grammaticale functie moet hetzelfde zijn
3. De volgorde onderwerp-persoonsvorm moet hetzelfde zijn
4. Het samengetrokken zinsdeel is een persoonsvorm die verschilt in getal.
Full transcript