Loading presentation...
Prezi is an interactive zooming presentation

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Onderzoeksvaardigheden

No description
by

Liesbeth van Beijsterveldt

on 30 January 2017

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Onderzoeksvaardigheden

Onderzoeksvaardigheden
Het onderzoeksproces
Rapporteren en presenteren
Literatuuronderzoek
Methode van data verzamelen
1) Inleiding (praktijkprobleem, theoretisch kader, onderzoeksdoel, onderzoeksvraag)

2) Methode
- Wijze van data verzamelen (onderzoeksmethoden)
- Instrumenten
- Onderzoeksgroep
- Data-analyse

3) Resultaten

4) Conclusies

5) Discussie en aanbevelingen



Waarom literatuur?

Literatuur heb je nodig in verschillende fasen van je onderzoek.

Je gebruikt literatuur om

zicht te krijgen op het praktijkprobleem vanuit bestaande kennis en inzichten;
relevante begrippen te definiëren;
begrippen meetbaar te kunnen maken (dat heet: operationaliseren);
het onderzoek te plaatsen ten opzichte van wat anderen beweren of onderzocht hebben;
een verklaring te kunnen geven voor de resultaten van het onderzoek bij de conclusie en/of discussie
Zoekstrategie

Om gestructureerd te zoeken naar literatuur, heb je een
zoekstrategie nodig.
De 5-stappen methode kan je hierbij helpen:

1.
Wat
zoek ik?
2.
Waar
zoek ik?
3.
Hoe
zoek ik?
4.
Wat
heb ik?
5.
Verfijnen


Wat zoek ik?

Bepaal aan de hand van het onderzoeksthema (of het praktijkprobleem of de onderzoeksvraag; dit hangt af van in welke fase van je onderzoek literatuur zoekt) welke onderwerpen hierbij horen.
Bedenk voor ieder onderwerp welke trefwoorden (vaktermen) daarbij horen. Denk ook aan synoniemen.
Doe dit voor zowel het Nederlands als het Engels.

Voorbeelden van vaktermen
Zelfstandig werken, zelfgestuurd leren, self regulated learning

Voorbeelden van synoniemen
Basisonderwijs, primair onderwijs, basisschool.

Baken vervolgens je onderwerp af (met zoekfilters):
Taalgebied (bijv. Nederlands, Engels)
Geografisch gebied (bijv. Nederlands, Europa, Verenigde Staten)
Materiaalsoort (bijv. artikelen, boeken, onderzoeken)
Periode (bijv. verschenen na 2012)
Waar zoek ik?
Om te bepalen welke databanken relevant zijn
voor je zoekvraag, kun je gebruik maken van:
de lijst met databanken op HINT
de pagina 'mediatheek informatie per opleiding' op HINT.

vakbladen
wetenschappelijke tijdschriften
Hoe zoek ik?

Als je weinig zoekresultaten krijgt, gebruik je beter algemenere zoektermen.
Bij teveel zoekresultaten, ga je juist met specifiekere termen zoeken.
Gestructureerd versus ongestructureerd

In Google zoek je naar ongestructureerde informatie. Databanken zijn gestructureerd opgebouwd. Daardoor kun je in databanken veel specifieker zoeken en zijn de zoekresultaten veel relevanter dan in Google (mits de zoekvraag goed is gesteld).

Bekijk de volgende YOUTUBE-filmpjes over het zoeken van informatie en de valkuilen
Boleaanse operatoren

In de meeste databanken kun je zoekwoorden combineren met behulp van Boleaanse operatoren (AND, OR, NOT)

AND
Beide trefwoorden moeten voorkomen
OR
Een van beide trefwoorden moet voorkomen
NOT
Trefwoord moet niet voorkomen
Zoekdiepte

Zoeken op een exacte woordcombinatie

Als je wilt dat er op een exacte woordcombinatie of zin wordt gezocht, dan zet je het tussen " ..".

Bijvoorbeeld "zelfgestuurd leren".
Wat heb ik?
De zoekvragen uit stap 3 leveren zoekresultaten op. In stap 4 ga je beoordelen of de gevonden literatuur bruikbaar is aan de hand van algemene criteria, bijvoorbeeld:

Relevantie. Geeft het artikel antwoord op mijn onderzoeksvraag?
Onafhankelijkheid. Wat zijn de motieven van de uitgever voor publicatie?
Betrouwbaarheid. Wie is de uitgever of de auteur?
Verifieerbaar. Bevat het artikel bronvermeldingen? Is het beschreven onderzoek controleerbaar?
Actualiteit. Is de bron bijgehouden en nog actueel?
Autoriteit. Is de bron wetenschappelijk valide? Bijvoorbeeld peer (= vakgenoten) reviewed of redigeerd door een wetenschappelijke redactie?
Heb ik meerdere bronnen gebruikt?

Bekijk het YouTube-filmpje over betrouwbaarheid van informatie op internet.



Vastleggen en presenteren

Noteer de belangrijkste gegevens van de literatuur die je uiteindelijk gaat gebruiken in APA-stijl.
Verfijning

Aan de hand van de gevonden zoekresultaten kan het nodig zijn om de zoekvragen te verfijnen of juist te verbreden. Ook is het gebruikelijk dat, wanneer je dieper in de materie geraakt, je nieuwe woorden/termen tegenkomt die je kunt gebruiken in je zoekvragen. In beide gevallen ga je terug naar stap 1 en ga je verder met stap 2, 3, en 4.
2 andere handige zoekstrategieën
Benut de literatuurlijst van een relevante en betrouwbare bron. Die literatuurlijst bevat op zijn beurt weer nieuwe verwijzingen (Nadeel: je gaat snel terug in de tijd.)
Ook hier ga je uit van een relevante en betrouwbare bron. Vervolgens zoek je bijvoorbeeld met behulp van Google Scholar naar literatuur die naar deze bron verwijst.
(Voordeel: je vindt juist recentere bronnen.)
Literatuur gebruiken
Lees en gebruik verschillende bronnen, binnen een onderwerp
Lees de literatuur kritisch, vanuit een helicopterview
Relateer bronnen aan elkaar, door ze ten opzichte van elkaar te positioneren
Vorm een eigen redeneerlijn op basis van de verschillende bronnen
Som geen samenvattingen op, maar integreer de bronnen
Samenhang aanbrengen in de bestaande kennis om toe te kunnen passen in je eigen context is moeilijk en kost tijd.
Schrijf het op:
Bedenk een structuur (kopjes met paragrafen die elkaar logisch opvolgen)
Maak beginzinnen. Hiermee maak je duidelijk wat de boodschap van de alinea is.
Gebruik verbindende woorden en zinnen tussen alinea's en binnen alinea's (bijv. ook, eveneens, daarentegen, ten tweede..)
Onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
De onderzoeksvraag volgt uit de definiëring van het praktijkprobleem en de literatuurstudie. Een goede onderzoeksvraag voldoet aan de onderstaande kenmerken. Het is:

een open vraag
een enkelvoudige vraag
specifiek
realistisch
objectief en neutraal
meetbaar
afgeleid van en gericht op praktijkprobleem
verbonden met de theorie
te beantwoorden door het verzamelen van gegevens in de praktijk
passend bij het doel dat je met je
onderzoek nastreeft

Deelvragen
vormen samen de centrale onderzoeksvraag
geven stapsgewijs antwoord op de hoofdvraag
hebben dezelfde criteria als de onderzoeksvraag

Deelvragen: valkuilen
Interessant maar niet relevant voor de onderzoeksvraag

Hoofdvraag:
Hoe wordt de leerling met klassiek autisme op Obs De Vlieger begeleid?

Dus NIET als deelvraag:
In welke situaties heeft een leerkracht moeite met klassiek autisme van een leerling?

Deelvragen: valkuilen
Deelvragen zijn geen literatuurvragen: de antwoorden hierop zijn al bekend en vormen het theoretisch kader in de inleiding van de onderzoeksrapportage.

Dus NIET als deelvraag:
Wat is klassiek autisme?

Vaak heb je geen deelvragen nodig, zoals bij de volgende onderzoeksvraag.

Hoe stimuleren de leerkrachten van de onderbouw van Obs De Vlieger het onderwijsondersteunend gedrag van ouders bij de taalontwikkeling van hun kleuters?

Wat voor onderzoeken zijn geschikt?

Gedrag: wat doen leraren, leerlingen, ouders…
Ervaringen: tevredenheid, knelpunten van leraren …
Meningen: wat vinden leraren, leerlingen, ouders…
Het formuleren van de onderzoeksvraag is vaak een langdurig proces. De formulering kan tussentijds bijgesteld worden.

Niet aan te raden: causale relaties en effecten




Hoe kan .. verbeterd worden....
Scoren leerlingen hoger...
Werkt deze aanpak beter...
Wat werkt het beste ...
Wat is het effect op ...
Hoe beïnvloedt het een het ander…
Wel aan te raden:
… is een open vraag
is niet te beantwoorden met alleen ‘ja’ of ‘nee’.

Dus niet:
Wordt de leerling met klassiek autisme op
Obs De Vlieger passend begeleid?

Maar wel:
Hoe wordt de leerling met klassiek autisme
op Obs De Vlieger begeleid?

… is een enkelvoudige vraag
De vraag heeft één richting.

Dus niet:
Welke houding hebben de leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger ten opzichte van techniek en wat vinden zij belangrijke eigenschappen van een leerkracht?

Maar wel:
Welke houding hebben de leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger ten opzichte van techniek?

Of:
Wat vinden leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger belangrijke eigenschappen van een leerkracht?
… is specifiek
Het is expliciet, concreet en nauwkeurig omschreven wat er onderzocht wordt.


Dus niet:
Wat is het pedagogisch klimaat op Obs De Vlieger?

Maar wel:
Hoe versterken de leerkrachten van groep 1-2 op Obs De Vlieger de leerkracht-leerling relatie?

… is realistisch.
Het is geen ‘hoe komt het’- of een ‘waarom’- vraag.

Het beantwoorden ervan is haalbaar binnen de geplande termijn.

Dus niet:
Waarom is goede feedback van belang voor het bevorderen van het leerproces van leerlingen?

Maar wel:
Hoe motiveren leerkrachten van groep 6 van Obs De Vlieger hun leerlingen tijdens het leerproces?

En:
Hoe denken leerkrachten en ouders van leerlingen in
groep 6 van Obs De Vlieger over ouderparticipatie
in de klas?

… is meetbaar.
Een onderzoeksvraag is te operationaliseren in meetbare concepten.
Concepten hebben hun basis wetenschappelijke theorieën of modellen.
Concepten zijn zo helder dat het duidelijk moet zijn hoe deze concepten gemeten kunnen worden.

Dus niet:
Hoe mooi zijn de klaslokalen van Obs De Vlieger?
(en dan niet vertellen hoe ‘mooi vinden’ gemeten wordt en wiens bevindingen het betreft)

Maar wel:
In hoeverre voldoet de inrichting van de lokalen van Obs De Vlieger aan de criteria van <auteur> (jaartal)?

… betreft het praktijkprobleem
is afgeleid van en gericht op een praktijkprobleem








Bij dit praktijkprobleem is de onderzoeksvraag
dus niet:
Wat zijn de kenmerken van onderwijsondersteunend gedrag?

Maar wel:
In welke mate en hoe stimuleren de leerkrachten van groep 1-2 het onderwijsondersteunend gedrag van ouders bij de taalontwikkeling van
hun kinderen?

Voorbeeld praktijkprobleem

De directie en het team weten niet hoe leerkrachten het onderwijsondersteunend
gedrag van alle ouders bij de taalontwikkeling van kleuters stimuleren en hoe zij dat zouden kunnen stimuleren. Zij willen weten of sommige leerkrachten dat al doen en hoe zij dat doen.

… is verbonden met de theorie
Het theoretisch kader uit de inleiding dient als onderbouwing en legitimering van de onderzoeksvraag.

Dus niet (na een theoretisch kader over passend onderwijs en gepersonaliseerd leren):
Hoe stemt de leerkracht van groep 7 van Obs De Vlieger de instructie in haar stelonderwijs af op drie niveaugroepen?

Maar wel:
Hoe legt de leerkracht van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap bij haar leerlingen in het proces van leren stellen?


… is te beantwoorden door het verzamelen van gegevens in de praktijk
Vragen die beantwoord kunnen worden door middel van literatuur zijn geen geschikte onderzoeksvragen voor praktijkonderzoek.
Een onderzoeksvraag is een vraag waar het antwoord nog niet van bekend is maar waarvan het antwoord te vinden is in de praktijk.



Dus niet:
Welke stappen bevat de cyclus van opbrengstgericht werken?

Maar wel: H
oe worden de stappen van de cyclus van opbrengstgericht werken doorlopen bij het technisch leesonderwijs in groep 3 van Obs De Vlieger?
... past bij het doel dat je nastreeft met het onderzoek
Een onderzoeksvraag geeft richting aan het onderzoek zodanig dat het onderzoeksdoel wordt bereikt.






Dus niet:
Wat is de visie van de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger op het stimuleren van eigenaarschap van het eigen leerproces bij leerlingen?

Maar wel:
Hoe stimuleren de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap van het eigen leerproces bij leerlingen?

Voorbeeld onderzoeksdoel
In dit onderzoek wordt in kaart gebracht hoe de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap van het eigen leerproces bij hun leerlingen stimuleren. Daarnaast worden aanbevelingen gedaan voor hoe leerkrachten dit zouden kunnen verbeteren op basis van een vergelijking tussen theorie en praktijk.

In dit onderzoek wordt voor Obs De Vlieger in kaart gebracht hoe het stimuleren door hun groep 7 leerkrachten van eigenaarschap van leerlingen voor het eigen leerproces zich verhoudt tot de literatuur daarover.
… is geen organisatievraag
Het gaan om onderzoeken, niet om opzoeken.


Dus niet:
Welke instanties zijn betrokken bij de begeleiding van een leerling met klassiek autisme in het regulier onderwijs?

Maar wel:
Hoe wordt de leerling met klassiek autisme op Obs De Vlieger begeleid?

Definiëren en operationaliseren
Voor ieder begrip in de onderzoeksvraag geef je een duidelijke definitie. Dit noemen we
definiëren
.
Daarnaast geef je aan hoe je dit begrip onderzoekbaar of meetbaar maakt. Dit noemen we
operationaliseren
.


Veel zaken kunnen we direct meten met behulp van een instrument: bijvoorbeeld de lengte van een kind, de score op een toets, of de reisduur van huis naar school.
Er zijn echter ook zaken die we niet direct kunnen meten, zoals intelligentie, charisma of pedagogische kwaliteit.
Als we iets niet direct kunnen meten, zoeken we een manier om het indirect te meten. Dat noemen we
operationaliseren
: zorgen dat zo´n niet ineens meetbaar ding toch meetbaar wordt. Dat ding dat we niet direct kunnen meten, noemen we een
construct
, omdat dat ding vrijwel altijd uit meer dan één onderdeel bestaat.

Resultaten, conclusie, discussie en aanbevelingen
In de praktijk oriënteren op het thema


Een onderzoeksrapport geeft antwoord op een
onderzoeksvraag
. Als onderzoeker formuleer je dus altijd een onderzoeksvraag. Om dat te kunnen doen, bepaal je
eerst
wat je wil toevoegen aan je praktijk:

Welke kans wil je grijpen?
Welke mogelijkheid wil je benutten?
Welke kennis wil je toevoegen?
Welk probleem wil je aanpakken?

Hetgeen je wil toevoegen aan de praktijk noemen we in onderzoekstermen: '
het praktijkprobleem
‘ (ook al is het niet altijd ‘een probleem’).

Het gaat er dus om dat je eerst het praktijkprobleem scherp in beeld krijgt, want daarna weet je pas welke onderzoeksvraag je wilt beantwoorden.


Iets zoeken dat je wil toevoegen aan de praktijk

Het thema verkennen
(info bedenken en verzamelen uit de praktijk)

Het
theoretische kader
beschrijven: wat is er vanuit de literatuur al bekend over het thema? (literatuuronderzoek)

Definiëren (en beschrijven) van het
praktijkprobleem

Hoe kom je tot een praktijkprobleem

Op je stageschool kom je regelmatig situaties tegen waarvan je vermoedt dat er verbetering in te halen valt.
Bijvoorbeeld: het pedagogisch klimaat of de ouderbetrokkenheid zouden misschien beter kunnen, de resultaten van de leerlingen in groep X bij vak Y vallen tegen, of er zijn allerlei (ICT of andere) mogelijkheden maar die worden niet (goed) gebruikt.

Om je wens al wat scherper te kunnen formuleren, ga je in jouw praktijk op zoek (met bijvoorbeeld brainstorm, logboek, observaties of gesprekken) en formuleer je de aanleiding voor je onderzoek helder.
In hoofdstuk 3 van Van der Donk en van Lanen (2016) staan vijf technieken om een praktijkprobleem te zoeken.


Als je observaties of gesprekken wil gebruiken, kun je dat ‘t best gestructureerd aanpakken, door bijvoorbeeld gebruik te maken van reeds in ander onderzoek gebruikte observatieschema’s en interviewleidraden.
Eerder hebben andere onderzoekers al bedacht hoe zo’n observatieschema of interviewleidraad eruit moet zien om relevante informatie te verzamelen, dus gebruik het werk van anderen!
Een extra reden om het werk van anderen te gebruiken, is dat je vaak
observeert of bevraagt vanuit je eigen perspectief,
waardoor je misschien vergeet om belangrijke andere vragen
te stellen of naar andere dingen te kijken die ook belangrijk
kunnen zijn.

Het thema verkennen
Als je jouw wens (de wens van de praktijk) al wat scherper in beeld hebt, ga je het thema verkennen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van:

info verzamelen in de praktijk,
mindmapping
conceptmapping,
freewriting
perspectiefwisseling,
vooronderstellingen formuleren,
specifieker beschrijven van je wens.

In hoofdstuk 3 van Van der Donk en van Lanen (2016) worden deze technieken uitgelegd.


Start



1) Oriënteren op een probleem in de praktijk
2) Literatuuronderzoek doen
3) Definiëren van praktijkprobleem
4) Vaststellen onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
5) Methode van data verzamelen kiezen
6) Instrumenten kiezen/ontwikkelen
7) Onderzoeksgroep definiëren
8) Data-analyse bepalen
9) Procedure van dataverzameling bedenken
10) Data verzamelen
11) Data analyseren
12) Resultaten weergeven
13) Conclusies trekken
14) Conclusie verbinden met theoretisch kader
15) Aanbevelingen formuleren
16) Rapportage maken
17) Presentatie op onderzoeksschool plannen en geven
18) Feedback presentatie verwerken in discussieparagraaf


Wat wil je toevoegen aan de praktijk?
Literatuuronderzoek


Nu je het thema hebt verkend op basis van de praktijk en wat jij zelf en jouw omgeving weet over het thema (interne bronnen), ga je op zoek naar wat er al bekend is over het thema en het specifieke praktijkprobleem. Dat doe je middels een literatuuronderzoek (externe bronnen).
Tijdens je literatuurstudie kun je erachter komen dat er al een kant-en-klare oplossing bestaat voor het probleem dat je gesignaleerd hebt. Als dat zo is, is het probleem opgelost, en hoef je verder geen onderzoek meer te doen (dan was je probleem dus ongeschikt voor een onderzoek).
Tijdens je literatuurstudie kom je ook relevante informatie over het thema tegen die je kunt gebruiken om specifieker te beschrijven welk probleem je wil gaan oplossen.
Tijdens het beantwoorden van de 5xW+H vragen wordt er een beroep gedaan op je reflectievaardigheden. Het gaat niet meer alleen over “wat signaleer je, wat zie je, wat denk je”, maar ook over de diepere lagen eronder.

Bijvoorbeeld: als je je afvraagt wie eigenlijk het probleem heeft, kom je de volgende vragen tegen:

Benader je het thema vanuit het leerlingperspectief (de leerlingen scoren slecht) of vanuit leerkrachtperspectief (leerkrachten voelen zich handelingsverlegen)? Welk perspectief kies je, en hoe beschrijf je die verschillende perspectieven?

W
at is het probleem?
W
aar speelt het probleem?
W
anneer is het een probleem?
W
ie heeft het probleem?
W
aarom is het een probleem?
H
oe is het probleem ontstaan?
Definiëren van praktijkprobleem
Nu je je hebt verdiept in relevante literatuur over het praktijkprobleem kun je het praktijkprobleem definiëren en beschrijven met behulp van de
5xW+H
vragen (Zie hoofdstuk 3 uit Van der Donk & van Lanen (2012)):

Hoe scherper je de antwoorden formuleert op de 5xW+H vragen (hoe beter je reflecteert), hoe groter de kans is dat de oplossing die je vindt ook bruikbaar is in de praktijk.
De ouderbetrokkenheid in groep 1 laat te wensen over.
Er is behoefte aan een duidelijk plan van aanpak omtrent het stimuleren van onderwijsondersteunend gedrag van ouders.
De directeur en het team zijn van mening dat, ondanks de aandacht vanuit wetenschap en gemeentelijk beleid, alle ouders op dit moment te weinig onderwijsondersteunend gedrag tonen.
Het onderwijsondersteunend gedrag bij de taalontwikkeling van kleuters is nog niet op het door de school gewenste niveau.
De directie en het team weten niet hoe zij het onderwijsondersteunend gedrag van alle ouders bij de taalontwikkeling van kleuters kunnen stimuleren.

Voorbeelden praktijkproblemen
Dit is de beste, omdat.....

Pedagogische kwaliteit
is een
voorbeeld van een construct.
Er bestaat namelijk geen instrument waarmee je ineens kunt meten wat die kwaliteit precies is, laat staan dat je er een getal aan kunt geven. Wat wel kan, is pedagogische kwaliteit opsplitsen in verschillende onderdelen die je wel kunt meten, zoals het aantal keer dat er per dag een ordeverstoring plaatsvindt, de duur van een gemiddelde ordeverstoring, de mate waarin leerlingen weten wat de afspraken in de klas zijn, de mate waarin de leerkracht gewenst gedrag complimenteert, en de mate waarin consequenties van onwenselijk gedrag consequent doorgevoerd worden.

Hoewel deze opsplitsing slechts een voorbeeld is (en zeker niet uitputtend; deze zaken omvatten niet volledig de pedagogische competentie, dus deze operationalisering is niet volledig), laat deze wel zien dat het construct ´pedagogische kwaliteit´ niet ineens te meten is, maar de onderdelen wel.
Nadat je de onderzoeksvraag hebt bepaald, ga je nadenken over hoe je die vraag wil gaan beantwoorden. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, moet je gegevens verzamelen. Deze gegevens noemen we
data
. Er zijn verschillende manieren om data te verzamelen. We noemen dit ook wel methoden van
dataverzameling
.

We onderscheiden de volgende methoden:

Bevragen
Observeren
Gebruiken van bestaand materiaal/documenten
Naast je keuze voor een van deze drie methoden van dataverzameling, kun je
kwantitatieve
data en
kwalitatieve
data verzamelen.

Wat is het verschil?

Kwantitatieve
methoden leveren cijfermatige gegevens op, dus gegevens die in getallen worden uitgedrukt. Dit zijn bijvoorbeeld gegevens uit enquêtes of vragenlijsten. Vaak is het ook een voorgestructureerde methode van dataverzameling. Op een vragenlijst zijn bijvoorbeeld de formulering van de vragen, de volgorde en antwoordmogelijkheden van te voren vastgelegd. Of, op een observatieschema is vaak exact vastgelegd op welk gedrag moet worden gelet en hoe dat moet worden geregistreerd. Bij kwantitatief onderzoek spelen getallen altijd een rol. Er wordt bijvoorbeeld geteld hoe vaak iets voorkomt in een observatie of er wordt gedrag gescoord in categorieën (laag-middel-hoog, waarbij laag dan 0 is, midden 1 en hoog 2, zodat je later op kunt tellen en een gemiddeld cijfer kan geven aan gedrag), of er worden scores van toetsen verzameld van verschillende groepen, zodat die met elkaar vergeleken kunnen worden. Deze methode is vaak geschikt voor grootschaligere onderzoeken (grote onderzoeksgroep).

Kwalitatieve
methoden leveren data op die uitgedrukt worden in woorden, beschrijvingen of beelden. Kwalitatieve methoden zijn vaak flexibeler in de zin ....Deze methode is vaak geschikt voor kleinschaliger onderzoek (kleine onderzoeksgroep)

kwantitatief vs. kwalitatieve onderzoeksmethoden
Welke onderzoeksmethode kies je?
De keuze voor een onderzoeksmethode wordt bepaald door je onderzoeksvraag.

Richtlijnen voor het maken van de keuze
:

Wat doen mensen? (vaststellen van gedrag) Observatie (direct),
interview (indirect)

Wat vinden mensen? Interview, vragenlijst

Wat denken, voelen, geloven mensen? Interview, vragenlijst

Wat weten mensen? Gestandaardiseerde testen

Dit laatste type onderzoeksvraag wordt niet aangeraden!
Onderzoeksinstrumenten
Welk onderzoeksinstrument kies je?
Als je de methoden van dataverzameling hebt bepaald, dan kies je een geschikt
onderzoeksinstrument
. Een onderzoeksinstrument is een hulpmiddel voor het verzamelen van data. Het
doel
van het inzetten van het instrument is het beantwoorden van je onderzoeksvraag.

We onderscheiden de volgende instrumenten:

Interviewleidraad
Observatieschema, observatielijst, kijkwijzer
Vragenlijst, enquête
Toets

Gebruik bestaande instrumenten als die voorhanden zijn (evt. aangepast of ingekort)

De inhoud van het instrument (de onderdelen) moet gebaseerd zijn op de theorie.

Hoe zet je een observatieschema/-lijst op?
Hoe zet je een interviewleidraad in elkaar?
Hoe zet je een enquête op? Hoe stel je een vragenlijst op?
Uit Boeije, H., ’t Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.
 
p. 218-222 Opzetten van een enquête.
p. 232- 238 Opstellen van een vragenlijst (vraagvorm en formulering, antwoordmogelijkheden, volgorde en routing, instructies, toelichting en lay-out, uittesten van de vragenlijst.



Resultaten van (empirisch) onderzoek zijn gebaseerd op waarnemingen. Belangrijk is of de waarnemingen de constructen in het onderzoek goed dekken.

Twee relevante vragen daarbij zijn:

1) Zijn de waarnemingen geen toevalstreffer? (= betrouwbaarheid)
2) Dekt de waarneming de werkelijkheid? (= validiteit van de operationalisering).

Validiteit en betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid
Een betrouwbaar onderzoek is herhaalbaar en geeft iedere keer dat je het onderzoek opnieuw uitvoert, dezelfde resultaten.

Als je bijvoorbeeld wilt weten wat de gemiddelde lengte van leerlingen in groep 6 is, dan kun je in je eigen groep 6 metingen verrichten. Dan weet je de gemiddelde lengte van je eigen groep 6, maar nog niet de gemiddelde lengte van alle leerlingen in groep 6 in heel Nederland (en al helemaal niets over de gemiddelde lengte van alle groep 6 leerlingen in de hele wereld, want Nederlandse kinderen zijn misschien wel wat langer dan het mondiale gemiddelde), die zou namelijk best eens wat groter of kleiner kunnen zijn.
Hoe groter (of eigenlijk: hoe meer representatief) de groep is waarin je gaat meten (die groep noemen we ‘steekproef’, of ‘onderzoeksgroep’), hoe zekerder je kunt zijn dat die resultaten ook gelden voor mensen die niet in jouw onderzoek zaten. Als andere onderzoekers de studie zouden herhalen met een andere representatieve steekproef zouden ze iets andere resultaten vinden.
Als je in een kleine groep onderzoek doet, kun je niet zoveel zeggen over mensen die niet in die kleine groep zaten. De steekproef is dan niet betrouwbaar. Oftewel, de onderzoeksgroep is dan niet representatief.
Waardoor kan de betrouwbaarheid van onderzoek minder worden?
De betrouwbaarheid van de resultaten kan minder worden door
systematische fouten en toevallige fouten.
Als er systematische fouten worden gemaakt geven de resultaten van het inzetten van een instrument een verkeerd beeld, ook als het instrument meer dan eens wordt ingezet. Er wordt bijvoorbeeld een systematische fout gemaakt als je wil beoordelen of een stagiair orde kan houden, en je laat de mentor erbij zijn als je gaat meten met een observatielijst (de invloed van de mentor in de klas is vaak groot, en dan kun je niet goed beoordelen of een stagiair orde kan houden).
Toevallige fouten
Toevallige fouten zijn bijvoorbeeld vergissingen bij het aankruisen van het juiste antwoord op een observatieformulier, een fout maken bij het invoeren van gegevens, of geluidsoverlast tijdens het invullen van een vragenlijst. Toevallige fouten komen minder vaak voor als de methoden van dataverzameling zijn gestandaardiseerd.
 

Systematische fouten

Herhaald interviewen
Meerdere malen observeren in overeenkomstige situaties
Verschillende onderzoeksmethoden gebruiken om hetzelfde onderwerp waar te nemen (methodetriangulatie)
Werken in een team dat overlegt over hoe ze hun meetinstrument inzetten (onderzoekerstriangulatie)
Terugkoppelen van uitgewerkte interviewgegevens naar respondenten en de mogelijkheid geven om aan te passen/toe te voegen.
Methodische verantwoording: beschrijven wat, hoe en waarom je het hebt gedaan, zo wordt het onderzoek controleerbaar en repliceerbaar.

Hoe kun je de betrouwbaarheid van kwalitatief onderzoek bevorderen?
Validiteit
Een valide instrument meet precies dat waarin je geïnteresseerd bent.

Bij validiteit gaat het om de geldigheid van de interpretatie van onderzoeksgegevens, en daarvoor moet het instrument dat je gebruikt precies dat meten waarin je geïnteresseerd bent. Als je wil weten hoe goed iemand kan rekenen, kun je dat niet beoordelen als je diegene gaat observeren als hij aan het tennissen is: dat observatie-instrument is niet valide, omdat je aan het tennissen niet kunt zien of iemand kan rekenen). Er zijn verschillende soorten validiteit......

Hoe kun je de validiteit van je onderzoek aannemelijk maken?
Methodetriangulatie = verschillende methoden (bevragen en observeren ) kunnen leiden tot gelijkluidende resultaten wat iets zegt over de geldigheid van de bevindingen. Interviewgegevens doen bijvoorbeeld andere elementen van een verschijning oplichten dan bijvoorbeeld gedragsobservaties. Documenten, bijvoorbeeld, laten weer andere elementen zien.
Onderzoekerstriangulatie.
Hier gaat het erom dat meerdere onderzoekers die betrokken zijn bij een onderzoek met elkaar in discussie gaan over hoe zij de data interpreteren.
Full transcript