Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

taalbeschouwing

No description
by

Patruschka Hetterschij

on 8 June 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of taalbeschouwing

In de differentiatiefase, in de kleutertijd, praten de kinderen veel met elkaar.
De voltooiingsfase duurt van je vijfde tot je tiende jaar.
De passieve woordenschat van een vijf á zesjarige zit ongeveer tussen de 6000 en 8000 woorden. De actieve woordenschat zit ongeveer tussen de 2600 en 4000 woorden.

Taalbeschouwingsstrategieen
Analyseren
Vergelijken
Classificeren
Generaliseren
Herordenen
relateren


In het dagelijks leven zijn we voortdurend bezig met taalbeschouwing. Een kleuter zegt bv "Dag Meneer koekepeer "> rijmen en gek woord
In een vergadering zegt iemand bv zeg wil je niet zo'n neerbuigend toontje aanslaan



Antoniemen
= tegengestelde woorden (rijk – arm)
Synoniemen
= twee woorden met dezelfde betekenis (fiets – rijwiel)
Eufemismen
= verzachtende, versluierende of minder pijnlijk klinkende woorden (bezuinigen – hervormen, transpireren-zweten)
Hyponiemen
= een subcategorie (mango – vrucht)
Polysemie
= een woord met meerdere betekenissen, betekenissen hebben iets met elkaar gemeen (bv kop= iets bovenop of eerste, hoofd van een dier, krantenkop, etc
Homonymie
= woord met meerdere betekenissen die niets met elkaar te maken hebben (bv horde is groep mensen en obstakel bij hordelopen)

Zinstypen
: mededelende zin, vragende zin en gebiedende zin, actieve zin (hij bezoekt de slager)- en passieve zin (de slager wordt door hem bezocht), Directe rede = als iemand het letterlijk zegt (Hij zei: “ Het sneeuwt buiten.”), Indirecte rede = als een derde persoon het zegt (Hij zei dat het buiten sneeuwde)


Samenstelling
= vrije morfemen die worden samengevoegd (kampeer + auto = kampeerauto).
Afleiding
= voor of achtervoegsel aan een vrij morfeem toegevoegd (weiger+ing= weigering), zodat er een nieuw woord ontstaat
Verbuiging
= samenvoegen van vrije en gebonden morfemen die samen niet echt iets nieuws betekenen, maar meervoud(beest+en= beesten), verkleinwoord (beest+je), vergelijking (leuk+er), buigings-s (leuk+s),buigings-e (mooi+e)
Vervoeging
= verbuiging van werkwoorden werkwoordschema (+t, +en, +den enz.)
Voorbeeld: groenvoorziening= samenstelling van groen+voorziening, voorziening= afleiding (voor+zien+ing)

Foneem
= spraakklank (bv m-aa-n)
Klemtoon/woordaccent kan verschil in betekenis aanduiden, bv kantelen bij zelfde fonemen
Zinsaccent
= als een bepaald woord in de zin extra betekenis krijgt, kan ook verschil in betekenis aangeven, bv Ik kan morgen niet zwemmen
Zinsmelodie/ intonatie
= de manier waarmee een zin wordt uitgesproken, kan ook bepalend zijn voor de betekenis, bv dat is een leuke jongen
hiermee kun je ironie of sarcasme in de zin leggen
Alliteratie/ beginrijm
= alle woorden beginnen met dezelfde klank (heerlijk helder heineken)

Tongval
= articulatie of spraakklank verschilt per regio (bv zachte g, harde g)
Er zijn regels voor de volgorde van spraakklanken:
Spr/str: kan wel
Mn/prz: kan niet
Mn/prz: kan als leenwoord (przewalskipaard)

Assimilatie
= als spraakklanken elkaar beïnvloeden, bv nestje= /nesju/
Vaak oorzaak voor spellingproblemen,
Kinderen zijn geneigd om op hun gehoor af te gaan.
Spellinguitspraak
= zoals je het woord uitspreekt (dus /nesju/)



Herordenen: iets vanuit een ander gezichtspunt bekijken (kijk op een andere manier)
Voorbeeld: Frankrijk
Is Frank rijk?
Je bekijkt dingen vanuit een anders gezichtspunt en ordent de informatie op een nieuwe manier. Lijkt op plaatjes op verschillende manieren zien.
Classificeren: taalverschijnselen indelen in soorten (waar hoort het bij)
Voorbeeld: aangebrande en groene zijn allebei bijv. naamwoorden
Classificeren is iets indelen in een klasse op grond van gemeenschappelijke kenmerken.
Relateren: leggen van relaties tussen delen (waar zegt dit iets van)
Bv verschil tussen "Niet iedereen komt" en "Iedereen komt niet".
Wanneer er een relatie wordt gelegd tussen woorden en delen van woorden de strategie die daar in is toegepast is relateren.
Relateren gaat een stap verder dan analyseren.
Vb Iets positiefs naast iets negatiefs plaatsen is ook relateren (de trui zit lekker, de trui kriebelt)
Wanneer je kennis hebt van bepaalde grammaticale termen ben je vaak sneller in staat om relaties in de taal te leggen

Analyseren: opsplitsen in zinvolle elementen (Zoek naar stukjes)
Voorbeeld: kind van 11 zegt: onstabiel betekent niet stabiel (analyse op morfologisch niveau)
Analyseren is één van de belangrijkste strategieën voor taalbeschouwing.Je haalt een woord, zin of tekst uit elkaar in verschillende elementen. Om te analyseren heb je al voorkennis nodig, bv dat on- niet betekent.
Fonologisch niveau voorbeeld: Heerlijk helder heineken: alle woorden in de zin beginnen met een H.
Analyseren
Relateren
Vergelijken
Classificeren
Generaliseren
Herordenen

Taalbeschouwingstrategieën

Taalbeschouwing en communicatie hebben veel met elkaar gemeen.
Communicatie: spreken, luisteren, schrijven en lezen.
Productieve vaardigheden
: spreken en schrijven.
Receptieve vaardigheden
: Lezen en luisteren


Taalbeschouwing als communicatieve vaardigheid.

Taalbeschouwing
= de vaardigheid om waarnemingen te doen over de vorm van de taal.
Vaardigheid ( denkvaardigheid analyseren, classificeren en vergelijken).
Waarneming( auditieve en visuele aspecten).
Vorm ( Taalbeschouwing houdt zich niet bezig met de inhoud van een boodschap). De inhoud van een boodschap is iets abstracts, het is een idee dat iemand heeft en dit verwoordt in zijn woorden.

Zou je de tafel even kunnen schoonmaken?
Wat een rommel he
Ik heb graag dat je het netjes houdt
Rot op met die teringzooi
etc.

Vaardigheden kun je trainen en ontwikkelen.
Taalbeschouwing blijft een mentaal proces, je kunt het altijd controleren.
Welke vorm je gebruikt hangt af van de situatie de ontvanger en je stemming.

Wat is taalbeschouwing

Zender-boodschap-ontvanger is wel erg rechtlijnig. Dit heb je bijvoorbeeld wanneer je iets naar iemand e-mailt.
De meeste communicatieve situaties verlopen heel anders.
De invloed van de ontvanger is al op gang gekomen voor de communicatie.


Taal is communicatie
Je hebt altijd een zender en een ontvanger.
De zender en ontvanger staan niet altijd direct met elkaar in contact.
Ook kan je jezelf als zender en ontvanger zien ( onder de douche zing je voor niemand, je ontvangt zelf de boodschap)
Lineair communicatiemodel
= Zender- boodschap- ontvanger.


Het proces van taalbeschouwing

Homofonen
= woorden met dezelfde uitspraak maar een verschillende spelling (paardje – paartje)
Homografen
= woorden met een gelijke spelling maar een verschillende uitspraak (regent – het regent)


Orthografisch niveau

Sekse = bepalend voor manier van communicatie.
Tekstsoort = bv mondeling tentamen of commentaar voetbalwedstrijd.
Gesprekspartner = het hangt af met wie je praat (welke toon enz.)
Plaats = waar je praat (tijdens vergadering, in huis enz.)
2 redenen voor de bovenstaande gebruiken:Je wilt bij een groep horen of je onderscheiden van anderen

Pragmatisch niveau

= de regels voor de combinatiemogelijkheden van woorden in een zin. Je kunt letten op woorden, woordgroepen, zinsdelen, zinstypen.
Woordsoorten
: zelfst nw - Bijv nw – telw – ww – lidw – vnw – bw – voorzetsel-voegwoord-tussenwerpsel
Woordgroepen
= woorden die een betekenis/eenheid vormen, bv een aantal mensen heeft
Zinsdelen
: ow – gez – lv – mwv – vzv –bijwoordelijke bepaling – bijvoeglijke bepaling

Syntactisch niveau

Morfeem
= kleinste betekenisdragende element, bv paard/ paard-en/ vreemd/ be-vreemd/ ont-vreemd/ vriend/ vriend-schap/ vriend-schap-pelijk
vrij morfeem
= losstaand woord
gebonden morfeem
= bv -ich of –heid  zijn gekoppeld aan een woord
voorvoegsel
= gebonden morfeem vooraan een woord, bv bevriend
achtervoegsel
= gebonden morfeem achteraan een woord, bv vriendschap
Betekenisdragende element bevindt zich altijd achteraan het woord (bv soldatententententoonstellingbezoeker)

Morfologisch niveau


Letten op klankaspecten (de uitspraak, regels voor de volgorde van de spraakklanken, intonatie, woordaccent)
Elk land heeft zijn eigen klanksysteem.
Het Nederlands kent drie spraakklanken:
Klinkers of vocalen
(lucht stroomt onbelemmerd naar buiten)
Medeklinkers of consonanten
(tegenovergestelde)
Tweeklanken of diftongen
(twee klinkers die in elkaar overvloeien, bv ei, au, oei, etc)



Taalbeschouwing

Vergelijken: overeenkomsten en verschillen zoeken (zoek naar hetzelfde)
Voorbeeld: 'voornaam kun je op twee verschillende manieren uitspreken'
Kwestie van overeenkomsten en verschillen zien. Dingen moeten altijd iets gemeenschappelijk hebben als je ze vergelijkt(in voorbeeld is dat de uitspraak)
- Samenstelling (praatpaal)
Afleiding (slachtofferig)
Nieuwvorming (wokkels)
Ontlening (airbag)
Nepontlening (hometrainer)
Letterwoorden (aids)
Verkorting (biep, majo)
Betekenisverandering (gabber)
Nieuw achtervoegsel (lullo)
Zelfstandig achtervoegsel (tig boeken)


Standaardtaal
= taal die wordt gebruikt bij de overheid.

Codes van Bernstein
:
Beperkte code/ restricted code
= iemand heeft maar een half woord nodig om iets aan te duiden korte zinnen etc)
Uitgebreide code
= het woord wordt uitvoerig en zelfstandig verwoord, bv in politiek.




Lexicale betekenis
= de betekenis die in het woordenboek te vinden is (omschrijvingen, kenmerken of eigenschappen)
Grammaticale betekenis
= de functie die een woord in de zin heeft (van, de, er, want en iets)  is het een mannelijk, vrouwelijk of onzijdig woord?
Gevoelswaarde
= wat een persoon voor gevoel bij een bepaald woord heeft. bv pitbullterriër

Semantisch niveau

Taalbeschouwing
= het analyseren van taal en reflecteren op het taalgebruik.



Wat is taal?


Het taalsysteem: taal is opgebouwd uit verschillende elementen: klanken, woorden, zinnen, teksten, regels>
Fonologisch niveau
: de regels voor de uitspraak.
Morfologisch niveau
: opbouw van de woorden.
Syntactisch niveau
: volgorde van de woorden.
Semantisch niveau
: betekenis van taal.
Pragmatisch niveau
: gebruik van taal.
Orthografisch niveau
: spelling.


Kijken naar de betekenis van taal
Heeft te maken met omgangsregels en sociale normen
Bv door uitspraak onderscheiden van een bepaalde groep of grappig zijn. (fonologisch niveau)
Bv door woordvorming met nieuwe woorden bv artistiekerig (morfologisch niveau)
Bv door zinsbouw = de manier waarop je iets zegt (geeft sociale status/ opleiding aan) (syntactisch niveau)
Bv door woordkeus = keuze van de woorden m.b.t. je status (bv leuk autootje)(semantisch niveau)





Spreektaal en schrijftaal zijn twee verschillende codes. Schrijftaal is veel formeler. De code bepaalt de manier van communiceren.
Onderwerp: bv vakjargon
Bepalend voor communicatieve situatie:
Kijken naar de spelling van een taal
Taalvariatie
De verscheidenheid aan talen binnen één gemeenschap, bv dialect, nt2, engels op tv, etc)
Dialect
= een variant van taal in een bepaald gebied (Drents in Drenthe)
Sociolect
= een taal van een maatschappelijke groep (bv jongerentaal)
Allochtone taalvariatie
= het naast elkaar voorkomen van twee of meer verschillende talen, bv nederlands en Marokkaans
Taalverandering
Op het gebied van:
Nieuwe woorden
Fonologisch niveau: uitspraak
Pragmatisch niveau: bv meer schuttingtaal (taalverloedering? of verandert de gevoelswaarde?)

1. Plaats van taalbeschouwing in het communicatieproces
(paragraaf 2 , 3 en 5 van hfd 2 staan niet in deze prezi)
4. Strategieën van taalbeschouwing
vorm
inhoud
Interactief communicatiemodel
De boodschap is afhankelijk van de zender, ontvanger en situatie (een kleuter leg je op een andere manier uit hoe je huis eruit ziet dan een architect)
Spreken> mondelinge taaluiting
Luisteren> begrip van mondelinge taaluiting
Schrijven> schriftelijke taaluiting
Lezen > begrip van schriftelijke taaluiting
Taal beschouwen> waarneming over taal


1. Verdeel de volgende woorden in morfemen (vrij-gebonden)

a. Hapering
b. Taalverwerving
c. Duidelijk
d. Gouden
e. Kelder
f. Wervelend
g. Handenbindertje
h. Uitdrukkingen
i. Beïnvloedde

a. Hapering= haper (vrij)+ ing (geb.)
b. Taalverwerving= taal (vrij)+ ver (geb.) + werv (vrij) +ing (geb.)
c. Duidelijk= duid (vrij) + e (overgangsklank) +lijk (geb.)
d. Gouden = goud (vrij)+ en (geb.)
e. Kelder= kelder (vrij)
f. Wervelend = wervel (vrij)+ en (geb.)+ d(geb.)
g. Handenbindertje= hand (vrij) +en (geb.)+ bind (vrij)+ er(geb.)+tje(geb.)
h. Uitdrukkingen= uit (vrij) + druk(k) (vrij)+ ing (geb.)+ en (geb.)
i. Beïnvloedde= be (geb.)+ in (geb.)+ vloed (vrij)+ de (geb.)

2. Geef aan of er sprake is van samenstelling, afleiding, vervoeging of verbuiging of eventueel een combinatie hiervan

a. Contactsleutel
b. Container
c. Surft
d. Gouden
e. Snoezig
f. Verpotten
g. Onderzeeboot
h. Sigaretje
i. Bezemwagen
j. Ronduit
k. Armbandje

2. Geef aan of er sprake is van samenstelling, afleiding, vervoeging of verbuiging of eventueel een combinatie hiervan

a. Contactsleutel= samenstelling
b. Container= ongeleed woord
c. Surft= vervoeging
d. Gouden= verbuiging
e. Snoezig= afleiding
f. Verpotten= afleiding
g. Onderzeeboot= samenstelling
h. Sigaretje= verbuiging
i. Bezemwagen= samenstelling
j. Ronduit= samenstelling
k. Armbandje = samenstelling+ verbuiging

PROEFTOETS
Fonologisch niveau
Plaats van taalbeschouwing in het communicatieproces
Generaliseren: een taalregel formuleren (bedenk een regel)
Bv: In een vragende zin staat de persoonsvorm voorop
Dit is een taalregel. Als je regels of wetmatigheden in de taal kunt ontdekken, ben je aan het generaliseren. De regel hoeft niet altijd waar te zijn (zie vb)
overgeneralisatie= teveel toepassen van de regels
PROEFTOETS
INSTRUCTIE
1. Instructieprincipes
2. Lesmodellen
Hoofdstuk 3 en 4 maken geen deel uit van deze prezi, paragraaf 5.1 ook niet
Instructieprincipes
Onder
instructieprincipes
verstaan we de mogelijkheden en werkwijzen die een lk kan inzetten om kinderen iets te leren. Het gaat dus om het stimuleren van strategieën. De volgende instructieprincipes kun je gebruiken bij taalbeschouwing:
1. Aanleren van begrippen
Klausmeijer heeft een procedure ontworpen voor het aanleren van begrippen:
1. analyseren van voorbeelden (rijwiel- fiets, rennen-hollen, huilen-janken)
2. introduceren van het begrip (synoniem= woorden met dezelfde betekenis)
3. afbakenen begrip (man en jongen is geen synoniem)
4. aanleren van strategie (bv vragen stellen: hebben woorden dezelfde betekenis?)
5. toepassen van strategie (oefening)
2. Aanleren van grammaticale begrippen (zie 5.2.2)
3. Doelgerichte vragen
Vraag je af welke strategie de kinderen leren en bedenk daar vragen bij:
analyseren: welke stukjes zitten er in?
relateren: van welk ander woord zegt dit woord iets?
vergelijken: wat is er in al deze zinnen hetzelfde?
classificeren: waar zijn dit allebei voorbeelden van?
generaliseren: welke regel zou je kunnen bedenken?
herordenen: denk niet aan de betekenis, maar hoe het in elkaar zit
4. Gerichte aanwijzingen (5.2.4)
5. Feedback op spontane taaluitingen (zijn er ook burgerjuffen?)
6. Hardop denken (5.2.6)
Lesmodellen
De lus
: lesmodel om in te spelen bij spontane taalbeschouwing
1. Signaleren van bijzonder taalverschijnsel (bv ll zegt vaak 'best wel')
2. Andere voorbeelden noemen (bv weet je, zeg maar, echt wel)
3. Voorbeelden vergelijken en classificeren (verschil tussen modewoorden en stopwoorden)
4. Regel formuleren/ generaliseren(een stopwoord gebruik je als je naar woorden zoekt en tijd nodig hebt)
5. Regel vergelijken met voorbeeld uit stap 1. (ll maakt gebruik van stopwoord)
Voor geplande taalbeschouwing kun je gebruik maken van Klausmeijer en 5.3 (niet in deze prezi)
hoofdstuk 6, 7 en 8 niet in deze prezi
1
2
3
4
5
kijken of het klopt
Full transcript