Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Polariserend kabinetten tijdlijn

No description
by

Kimberley Roquas

on 5 November 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Polariserend kabinetten tijdlijn

Colijn
1896 - 1944
Eenvoudige boerenzoon die via een militaire loopbaan was opgeklommen tot het directoraat van een oliemaatschappij en vervolgens een imposant politicus werd.

Partij: ARP
Politiek: Voerde een strakke bezuinigingspolitiek en wilde zo lang mogelijk vasthouden aan de gouden standaard.
Anton Mussert
1894 - 1946
Was oprichter van de NSB en collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog met de nazi’s. Vanaf 1942 werd hij naar voren geschoven als de leider van Nederland.

Partij:
NSB
Politiek:
Was liberaal aangelegd, maar wilde het land behoeden voor het afglijden naar het communisme.
1913
1918
Kabinet Cort van der Linden
Dit kabinet loodste Nederland door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en bracht de belangrijke Grondwetsherziening van 1917 tot stand.
- Hierdoor werden de kiesrecht- en schoolstrijd beëindigd.
- Het meerderheidsstelsel (districtenstelsel) werd vervangen door de evenredige vertegenwoordiging.

Het kabinet bestond uit negen liberale en vrijzinnig-democratische ministers. Zij waren voor het merendeel echter geen vooraanstaande politici.
WOI
1918
1922
Dit centrumrechtse kabinet regeert in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog en in de roerige jaren die daarop volgen. Hoewel ARP, CHU en katholieken , alleen samen met enkele kleine partijen een meerderheid hebben, wordt toch een overwegend christelijk kabinet gevormd onder leiding van de eerste
katholieke minister-president.

Aanvankelijk is er sprake van voedselschaarste door de blokkade van de handel met Nederland.
Daarna zorgt de terugtocht van Duitse troepen en de komst van de Duitse keizer voor spanningen.
Door de omwenteling in Duitsland en onrust in het leger ontstaat in november 1918 een revolutionaire situatie.
Troelstra roept de arbeiders op tot een omwenteling.
Al deze problemen lost het kabinet grotendeels op en na Troelstra's revolutiepoging worden versneld hervormingen doorgevoerd, zoals de
invoering van de achturige werkdag
het vrouwenkiesrecht (via een initiatiefvoorstel).
Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I
Vergissing van Troelstra 1918
Vrouwenkiesrecht 1919
& achturige werkdag
1922
1925
Dit kabinet is een voortzetting van het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck en heeft grotendeels dezelfde samenstelling.

Het kabinet krijgt vanaf 1923 te maken met een economische recessie die bezuinigingen noodzakelijk maken. De minister van Financiën,
Colijn
, die in
1923
De Geer is opgevolgd, voert die bezuinigingen met kracht door.
Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II
Economische crisis 1923


Colijn wordt minister
van financiën 1923
Ruys van Beerenbrouck
premier: 1918 - 1925
Centrum rechts
Reageerde in het laatste jaar van WOI
1923 economische crisis = bezuinigingen
Overwegend christelijk kabinet

Partij: Katholiek
Politiek: Voerde een strakke bezuinigingspolitiek na WOI
1926
1929
Kabinet-Colijn I regeert slechts van augustus 1925 tot november 1925.
Dit eerste christelijke kabinet onder leiding van Hendrik Colijn komt al na drie maanden, na de 'N
acht van Kersten'
ten val. Colijn was bij de verkiezingen als sterke man geafficheerd, nadat hij als minister van Financiën in het vorige kabinet een op bezuinigingen gericht financieel beleid had gevoerd. Ook in het door hem geleide kabinet heeft hij de portefeuille Financiën.

Kabinet de Geer I: Dit kabinet kan worden getypeerd als een
extraparlementair intermezzokabinet.
Er is geen directe band met partijen en er maken zowel personen van links als rechts deel van uit. De ministers zijn met uitzondering van kabinetsleider De Geer hoofdzakelijk afkomstig uit de bestuurlijk-ambtelijke wereld.

Het kabinet kan door zijn wankele basis geen politiek-gevoelige onderwerpen behandelen, maar weet toch enkele belangrijke wetten tot stand te brengen:
wet over de gemeentefinanciën,
de Financiële-Verhoudingswet.
Mede dankzij het gunstige economische tij komt het kabinet ook nauwelijks in de problemen. Er is zelfs ruimte voor enige belastingverlaging.
Kabinet de Geer I
Kabinet-Colijn I
aug. 1925 - nov. 1925
Extraparlementair intermezzokabinet:
Aan een dergelijk kabinet ligt niet een regeerakkoord, maar een regeringsprogramma ten grondslag. Als de Geer geen politicus was geweest, was het ook wel een zakenkabinet geweest.
Nacht van Kersten:
In november 1925 viel het eerste kabinet-Colijn nadat de vier katholieke ministers hun ontslag hadden genomen. Reden was de aanvaarding van het amendement-Kersten waardoor op de begroting voor Buitenlandse Zaken het geld voor het gezantschap bij de paus werd geschrapt.

1929
1933
Tijdens deze kabinetsperiode breekt, na de beurskrach van oktober 1929, een economische wereldcrisis uit.

Ook Nederland krijgt hiermee in sterke mate te maken. Het kabinet is genoodzaakt een
krachtig bezuinigingsbeleid
te voeren en allerlei crisismaatregelen te nemen. De crisis vertaalt zich in groeiende onrust in de samenleving en opkomst van extremistische partijen.

Hoewel het kabinet wordt gevormd door ministers van de drie confessionele partijen, is het geen parlementair coalitiekabinet. De partijen kunnen het daarover niet eens worden. Besloten wordt een
extraparlementair
kabinet te vormen, zonder directe band met de Kamerfracties.

Het kabinet bestaat uit ministers van de RKSP, ARP en CHU met Ruijs de Beerenbrouck net als tussen 1918 en 1925 als kabinetsleider.
Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III
1929: beurskrach
economische wereldcrisis
1933
1935
Na de Tweede Kamerverkiezingen op 26 april 1933 wordt een centrum-rechts kabinet-Colijn II, crisiskabinet, gevormd onder leiding van Colijn.

Het kabinet moet het hoofd bieden aan de in 1929 uitgebroken economische crisis, die ook Nederland hard treft. Het kabinet kiest voor een politiek van
'aanpassing'
.
De overheidsuitgaven worden verlaagd
de waarde van de (dure) gulden wordt gehandhaafd.
Wel zet het kabinet, ondanks de beperkte financiële middelen,
werkgelegenheidsprojecten
op. In 1935 is dertig procent van de beroepsbevolking werkloos.

Het kabinet-Colijn III is een voortzetting van Kabinet-colijn II in lichtgewijzigde vorm
Kabinet-Colijn II
1935
1937
Dit kabinet is een voortzetting in iets gewijzigde samenstelling van het tweede kabinet-Colijn. De aanduiding Colijn III is feitelijk onjuist. Met name Colijn wilde na het conflict met de Katholieke Kamerfractie echter benadrukken dat er een nieuw kabinet was gevormd.
De financieel-economische problemen blijven centraal staan.
In 1936 besluit het kabinet alsnog tot devaluatie van de gulden.

Het kabinet krijgt in toenemende mate te maken met de internationale spanningen, die door met name het optreden van de NSB ook in eigen land zijn weerslag krijgen.

De ministers zijn afkomstig uit RKSP, ARP, CHU, VDB en Vrijheidsbond, en er is één partijloze minister.
Kabinet-Colijn III
Devaluatie
van de Gulden
1936
1937
1939
Na de verkiezingen wordt, vooral op aandringen van de katholieken, het rechtse kabinet-Colijn IV gevormd, waardoor liberalen en vrijzinnig-democraten uit de regering verdwijnen.
De financieel-economische problemen beheersen het kabinetsbeleid.

Oorlogsdreiging:
Daarnaast vragen de toevloed van (joodse) vluchtelingen, de toenemende onrust in de samenleving door het optreden van de NSB en de internationale spanningen veel aandacht.

Gebeurtenissen:
Minister Romme van Sociale Zaken tracht via openbare werken werklozen aan werk te helpen. Daarnaast voert hij een spaarregeling voor werklozen in ('het Kwartje van Romme'). Bij ieder kwartje dat een werkloze per week spaart, legt de overheid er een kwartje bij.

Minister Welter van Koloniën wijst in november 1938 een verzoek om grotere autonomie van Nederlands-Indië af. Dat verzoek is in 1936 gedaan door de Volksraad (een uit inlanders en Indische Nederlanders bestaand adviesorgaan), die de regering verzoekt een conferentie bijeen te roepen om over geleidelijke zelfstandigheid te praten.

Vanwege het ontbreken van eenstemmigheid over de financiële politiek, met name ten aanzien van de financiering van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, biedt het kabinet haar ontslag aan.
Kabinet-Colijn IV
Kwartje van Romme
De eerste tekenen van de Tweede Wereldoorlog dienen zich aan. In maart
1938
is er een nationaal-socialistische machtsovername in Oostenrijk en vindt de '
Anschluss'
(aansluiting) van dat land bij Duitsland plaats.
1939
1940
Dit kabinet is een
centrumlinks noodkabinet
, waarvan voor het eerst twee sociaaldemocraten deel uitmaken.

Het kabinet bestaat verder uit ministers van RKSP, CHU, VDB, een ARP'er (zonder partijbinding) en twee partijlozen.

Het kabinet wordt kort na zijn aantreden geconfronteerd met de dreigende oorlogssituatie en besluit tot
mobilisatie
van de strijdkrachten.

In mei 1940 valt Duitsland zonder voorafgaande waarschuwing ons land binnen en bezet na vijf dagen strijd het land. Het kabinet wijkt, na de koninklijke familie, uit naar Engeland, zodat van daaruit leiding kan worden gegeven aan de verdere oorlogsdeelname. Van het vertrek van de koningin was het kabinet overigens niet op de hoogte gesteld.

Het kabinet valt in 1940, omdat Koningin Wilhelmina haar vertrouwen heeft opgezegd in de Geer
De Geer II
Het vijfde kabinet-Colijn (1939)
is buiten partijen om gevormd door Colijn, die volgens eigen zeggen de hem gegeven formatieopdracht heeft aanvaard als ware het een koninklijk bevel.

De ministers komen uit ARP en CHU of zijn partijloze liberalen. Het kabinet telt meer liberalen (vooral oud-Indische bestuurders) dan er in de Tweede Kamer zitten. Het wordt direct bij zijn eerste optreden naar huis gestuurd.
Mobilisatie
Duitsland valt NL
binnen
1940
WOII
1945
1946
Ruim een maand na de bevrijding benoemde k
oningin Wilhelmina
dit eerste naoorlogse kabinet. Het was een 'koninklijk' kabinet en wordt ook wel een '
nood-kabinet'
genoemd, dat

1. orde op zaken moest stellen na de Duitse bezetting,
2. het economisch herstel ter hand moest nemen,
3. verkiezingen moest voorbereiden.

Nadat de verkiezingen in 1946 waren geweest vroeg het kabinet haar ontslag aan (het was immers een nood-kabinet). Kabinet Beel I volgde ze op.
Kabinet-Schermerhorn-Drees
Nood-kabinet
1946
1948
De samenwerking tussen de KVP en de PvdA staat bekend als 'het nieuwe bestand'.

De problematiek rond de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië vormde een belangrijk issue gedurende Beel I.
In eerste instantie werd de Overeenkomst van
Linggadjati
getekend in november
1946
, maar door een verschillende interpretatie ontstonden er conflicten, welke er uiteindelijk toe leidden dat het verdrag in juli 1947 werd opgezegd,
de eerste politionele actie werd uitgevoerd in Indonesië (n.a.v. 1947).

Een definitieve oplossing zou pas worden bereikt onder het volgende kabinet, Drees I.
Tijdens Beel I werd de:
Noodwet Ouderdomsvoorziening
, de voorloper van de Algemene Ouderdomswet en ook wel de noodwet-Drees genoemd, ingevoerd.

Kabinet-Beel I

Willem Drees is in dit kabinet, minister van Sociale Zaken
1948
1951
Dit kabinet, ook wel
Drees I
genoemd, moest 'brede basis' hebben om Grondwetsherziening mogelijk te maken. Dat is wenselijk vanwege de
soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië
, die uiteindelijk in december 1949 na veel strijd tot stand komt.

De verdere wederopbouw van Nederland na de Duitse bezetting krijgt dankzij de
Marshall-hulp
een krachtige impuls.

Als in januari 1951 de VVD-fractie met een (overigens verworpen) motie van afkeuring komt over het
Nieuw-Guineabeleid,
vraagt minister Stikker (VVD) van Buitenlandse Zaken ontslag. Omdat hiermee de basis aan het kabinet wegvalt, volgen zijn collegae.

Kabinet-Drees van Schaik
Linggadjati 1946 - 1947
Politionele acties 1947
Soevereiniteits overdracht
Indonesië 1949
Marshall hulp +
lid van de navo
1949
1951: ruzie
om nieuw-guineabeleid
1950
1945
1940
1935
1930
1925
1920
1915
1951
1952
Dit is de echte kabinet Drees-I (om alle verwarring te voorkomen).

Dit kabinet is een voorzetting van het eerste kabinet-Drees, met steun van dezelfde partijen in het parlement. Wel verschijnen op enkele departementen nieuwe gezichten en krijgt de CHU één ministerspost extra. De ARP kan zich vinden in het programma, maar behoudt een voorbehoud bij de uitwerking daarvan.

Als eerste stap naar een mogelijke Europese eenwording wordt Nederland in 1951 lid van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS)
Kabinet-Drees I
1952
1956

Dit is het derde naoorlogse kabinet op brede basis. De VVD is als regeringspartij vervangen door de ARP. Het economische herstel zet geleidelijk door, waardoor de inkomens kunnen stijgen. Er kan verder worden voortgegaan met de opbouw van de sociale zekerheid.
In 1956 komt de AOW tot stand.

In februari 1953 wordt Nederland opgeschrikt door de
watersnood
in Zuid-West Nederland. Inzet van extra middelen is noodzakelijk.

Gedurende deze jaren ontstaan verder spanningen in het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard. Daarbij spelen bijeenkomsten met de spirituele genezeres Greet Hofmans, waaraan ook leden van de hofhouding deelnemen, een belangrijke rol. Een in 1956 door het kabinet op verzoek van Juliana en Bernhard ingesteld driemanschap weet een echtscheiding en constitutionele crisis te voorkomen.
Kabinet-Drees II
EGKS (1951)
1956 AOW
1953 Watersnoodramp
1956
1958
Dit kabinet is voorlopig het laatste met een r
ooms-rode samenwerking.
De kabinetsperiode kenmerkt zich door voortdurend oplopende spanningen tussen KVP en PvdA. Ten slotte barst in december 1958 de bom als de Tweede Kamer een door minister Hofstra onaanvaardbaar verklaard amendement aanneemt.

Het kabinet bestaat uit ministers van de PvdA, KVP, ARP en CHU. Minister-president Drees is afkomstig uit de PvdA.

Deze formatie is de tot dan toe langste en moeilijkste uit de parlementaire geschiedenis. De opgelopen spanningen tussen KVP en PvdA zijn daar debet aan. Had de VVD bij de vorige formatie nog gezegd niets meer te zien in samenwerking in een brede basis, deze keer zetten zij de deur weer op een kier.
Kabinet-Drees III
Drees-0
Drees-I
Drees-II
Drees-III
Drees
1948 - 1958
Drees wordt door velen gezien als één van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse politici. Onder zijn leiding vonden zowel de dekolonisatie als de wederopbouw plaats. Drees was sociaaldemocraat, maar wel zeer pragmatisch ingesteld ('niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk').

Partij:
SDAP, PvdA
Politiek:
Hij was de initiator van diverse sociale wetten. Als minister van Sociale Zaken legde hij al in 1947 met de Noodwet
Ouderdomsvoorziening de grondslag van sociale wetgevingen.
Jaren '50 (1950 - 1959)
Onder leiding van minister president
Willem Drees
is er een periode van
wederopbouw
van Nederland en werden verschillende belangrijke ontwikkelingen gemaakt die grote invloed hebben gehad op de 20e eeuw, namelijk:
Opbouw van de
verzorgingsstaat,
Drees zette zich in het bijzonder voor; werklozen, ouderen en de laagstbetaalden.
Rooms-rode coalitie
, een samenwerking tussen de KVP en de PvdA die voor de oorlog nog ondenkbaar geweest zou zijn.

De ‘rooms-rode coalitie’ was een lastige situatie, omdat beide partijen met elkaar moesten samenwerken, maar elkaar tegelijkertijd als
Directe concurrent
zagen.

De KVP was vooruitstrevender geworden om de achterban niet naar de PvdA te zien overlopen.

De PvdA was gematigder geworden om zo aantrekkelijker te worden voor de achterban van de confessionele partijen (dus ook de KVP). Daarom de vergelijking met de paring van de bidsprinkhaan: het is mooi zolang het duurt.
Verhoudingen van vóór de oorlog werden weer hersteld.
Ondanks dat er voor- en na de oorlog nieuwe ideeën waren ontstaan over eventuele vernieuwingen in de politiek wereld van Nederland.

De wederopbouw
had om te slagen medewerking nodig van heel Nederland, dus men zat niet te wachten op allerlei ingewikkelde politieke vetes. De algemene gedachte was: ‘Met z’n allen de schouders eronder’. De periode van wederopbouw was dan ook een zuinigheid en soberheid.
Het Marshallplan
bood uitkomst op korte termijn, maar had ook blijvende betekenis. Het stimuleerde een ontzettende
dynamisering van de economie
: door modernisering van de industrie moest de arbeidsproductiviteit omhoog het werk zou fysiek minder zwaar worden en het inkomen zou gestaag groeien.

De economische aanpak wierp zijn vruchten af en in 1950 was de oorlogsschade eigenlijk al hersteld. Vanaf dit moment begon de economie ontzettend te groeien.
Geleide loonpolitiek:
Overheid gaat de stijging van de lonen reguleren. Tot 1953 wordt het loonpeil eigenlijk nauwelijks verhoogd.

Door de plannen van modernisering en sociale zekerheid betekende het dat de staat zich voor het eerst in de geschiedenis aan de ambitie bond om de bevolking ‘
bestaanszekerheid
’ te bieden.
Door het steeds verder uiteenlopen van de opvattingen over het
sociaaleconomisch beleid
van de KVP en de PvdA viel de rooms-rode coalitie uiteen en viel het kabinet.

De PvdA bleef voor strikte loonmatiging, zoals die in de wederopbouwperiode gewoon was geworden. De daarmee gewonnen welvaart moest volgens hen nu gebruikt worden om de collectieve voorzieningen te versterken.

De KVP was het hier niet mee eens.
Maatschappelijk: Soberheid en zuinigheid staat centraal - rolverdeling staat vast - zorg om jongeren(werkloosheid) - woningnood - Nozems - meer welvaart = luxeproducten - geloof losser - economie centraal
Polariseren
c
o

s
e
n
s
u
s

a tithese
volk kracht
g

d
s
v
r
e
d
e

v rzuiling
Polariseren

Het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen of politieke partijen.

Hierbij wordt vastgehouden aan eigen standpunten en ontstaat vaak een conflict.

Voorbeeld hiervan is lange
kabinetsformaties.
Rooms-contra-rood
verzuiling
Politieke godsvrede

Alle politieke en levensbeschouwelijk geschillen tussen groeperingen worden opzij gezet om
na de oorlog ruimte
te creëren voor het ontwikkelen van de ‘
nieuwe politiek’
en de bevolking hiervoor te winnen.

Dit werd afgesproken door de Heeren Zeventien, de groep van Nederlandse bestuurders die tijdens de oorlog gegijzeld waren in het kamp Sint-Michielsgestel.
Politieke godsvrede

Alle politieke en levensbeschouwelijk geschillen tussen groeperingen worden opzij gezet om
na de oorlog ruimte
te creëren voor het ontwikkelen van de ‘
nieuwe politiek’
en de bevolking hiervoor te winnen.

Dit werd afgesproken door de Heeren Zeventien, de groep van Nederlandse bestuurders die tijdens de oorlog gegijzeld waren in het kamp Sint-Michielsgestel.
Consensus

Er wordt naar een oplossing gezocht en men is bereid om compromissen te sluiten. Het belang van de samenleving staat centraal. Voorbeelden hiervoor zijn:
de Rooms-rode coalitie,
het poldermodel
geleide loonpolitiek.
Antithese van Kuyper

Met Antithese wordt in de Nederlandse politieke geschiedenis gedoeld op (het streven om te komen naar) een politieke tegenstelling tussen christelijke, confessionele partijen en partijen op seculiere grondslag.

Ofwel: ondanks dat er binnen een confessionele partij conservatieven en progresieven waren, probeerde de antithese duidelijk te maken dat de confessionele partijen moeten samenwerken, tegen de seculiere partijen.

De confessionele partijen werden verenigd in de zogenaamde "coalitie".
Volkskracht

Gedisciplineerde burgerlijkheid
Verzuiling

Een type van maatschappelijke ordening waarbij de belangenbehartiging op economisch, sociaal en cultureel gebied berust bij een onderling samenhangend geheel (zuil) van organisaties gevestigd op ideologische grondslag.

Ofwel: de samenleving was bewust van onderaf gescheiden in ieder haar ideologische zuil. Echter de elite/ politici werkten wel samen.
room - rode coalitie
Rooms-rode coalitie

De Rooms-rode coalitie was een politieke samenwerking tussen katholieken (KVP) en socialisten (PVDA) die samen kabinetten vormden (1946-1958).

De PvdA’er Willem Drees (1886-1988) stond tien jaar lang aan het hoofd van deze kabinetten.
Samen met Romme van de KVP zorgde de rooms-rode coalitie voor een brede basis, waarmee de
wederopbouw
en een
nieuw sociaal stelsel
gestalte kregen.
D

p
o
l
i
t
i
s
e
r
i
n
g
Depolitisering


Het politieke karakter wegnemen (of het politieke karakter verdwijnt).

Dit gebeurde in...
n velering
Nivellering

Nivellering is het proces waarbij men in een bepaald opzicht een gelijk(er) niveau probeert te bereiken. Meer specifiek bedoelt men vaak het gelijktrekken van de inkomens door ingrijpen van de overheid.
corp ratisme
Corporatisme

Grote belangenorganisaties, zoals werkgevers- en werknemersorganisaties, werken met elkaar en met de overheid samen en dragen medeverantwoordelijkheid voor bepaalde delen van het beleid.

Een voorbeeld is het tot stand komen van een sociaal akkoord tussen bedrijfsleven en overheid. (akkoord van Wassenaar)
Polde model
Poldermodel

Het poldermodel is de naam die gegeven wordt aan het Nederlandse
consensusmodel
waarin werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar aan tafel gaan zitten om te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden en lonen.

Het Poldermodel wist zelfs roem te vergaren in het buitenland, toen bleek dat Nederland in record snelheid economisch groeide. Want door dit model, hadden de werkgevers afgesproken dat zij afstand zouden doen van 'automatische prijscompensatie', als de werkgevers verkortearbeidsduur zouden invoeren. Hierdoor konden de lonen laag blijven, doordat de lonen laag bleven, konden de producten goedkoper gemaakt worden = een betere concurrentie prositie in Europa (vooral omdat Nederland een export land is).
ge eide loonpolitiek
De geleide loonpolitiek
werd tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd door de kabinetten van Willem Drees. Het hield concreet in dat de rijksoverheid zich bemoeide met de loonvorming.

Het algemene uitgangspunt was dat de overheid vaker zou moeten ingrijpen, omdat de economie tijdens de langdurige crisis van de
jaren dertig
niet in staat was gebleken zichzelf te genezen. Een verbetering van de welvaart met handhaving van de concurrentiepositie ten opzichte van andere landen werd alleen mogelijk geacht door deze opvoering procentueel hoger te doen zijn dan die van de koopkracht van de lonen. Loonsverhogingen werden daarom door de overheid alleen toegestaan als zij door een productiviteitsverhoging konden worden gerechtvaardigd.
1958
1959
Het kabinet is een overgangskabinet met als voornaamste taak de Tweede Kamer te ontbinden en Tweede Kamerverkiezingen uit te schrijven. Het bestaat uit ministers van de KVP, ARP en CHU.

Na de val van het kabinet-Drees IV treden de PvdA-ministers af. De Koningin vraagt oud-minister Beel (KVP), lid van de Raad van State, te zoeken naar een uitweg in de impasse.
De PvdA blijkt
niet
meer met de KVP samen te willen werken.
De KVP eigenlijk juist
wel,
uit angst voor de PvdA als oppositiepartij.


Beel-II
Beel II
1959
1963
Dit centrumrechtse kabinet is het eerste naoorlogse kabinet
zonder socialisten
.
De
kwestie-Nieuw-Guinea
beheerst tijdens deze kabinetsperiode lange tijd de politieke agenda.

Loonsverbeteringen worden niet meer centraal geregeld, maar per bedrijfstak. Daardoor zijn verschillen per sector mogelijk. Doordat er sprake is van een hoogconjunctuur kan tevens worden voortgebouwd aan de sociale zekerheid.

Langzamerhand is er sprake van grotere welvaart; de vrije zaterdag wordt ingevoerd en salarissen stijgen.

Minister Cals weet met de Mammoetwet een omvangrijke hervorming in het voortgezet onderwijs te bewerkstelligen. Deze zal echter pas in 1968 worden ingevoerd. Minister Klompé brengt de Algemene Bijstandswet tot stand, minister Veldkamp de Kinderbijslagwet.
Kabinet-De Quay
1960
Nieuw-Guinea kwestie
1968 mammoetwet
algemene bijstandswet
kinderbijslagwet
1963
1965
Het centrumrechtse kabinet-Marijnen is als een voortzetting van het kabinet-De Quay te beschouwen. Hoogconjunctuur door onder meer aardgasvondsten
begunstigen het financieel-economische beleid
.
Er is wel krapte op de arbeidsmarkt, waardoor de lonen sterk gaan stijgen en er behoefte ontstaat aan arbeidskrachten van buiten Nederland.

Het (voorgenomen) huwelijk van prinses Irene met de Spaanse troonpretendent Carlos Hugo de Bourbon-Parma en de daarmee samenhangende overgang van Irene naar het katholicisme leiden tijdens deze
kabinetsperiode tot veel commotie
.

De wens van de VVD om meer commercie toe te staan in het omroepbestel leidt tot toenemende spanningen en na anderhalf jaar tot de val van het kabinet.

Het kabinet-Marijnen bestaat uit ministers van de KVP, VVD, ARP en CHU. Minister-president Marijnen is afkomstig uit de KVP.
Kabinet-Marijnen
1965
centrum rechts
centrum rechts
Centrum links noodkabinet
Rechts confessioneel?
Centrum rechts
confessioneel rechts (bezuinigen)
Exparlementair intermezzo
Centrum rechts
Centrum rechts
1965
1966
Dit centrumlinkse kabinet is het eerste
sinds zes jaar mét de PvdA
. Het staat bekend als 'kabinet van sterke mannen' en heeft veel ambities. Het tussentijds opgetreden kabinet verwacht na de verkiezingen van 1967 nog vier jaar te kunnen doorregeren, maar komt in de roemruchte
Nacht van Schmelzer
voortijdig ten val.

Onrust in de samenleving en scepsis over het politieke bestel kenmerken deze kabinetsperiode.
Het huwelijk van prinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg roept in sommige kringen verzet op, vooral omdat dit in Amsterdam wordt voltrokken.
Een lichte recessie en tegenvallende financiën bemoeilijken de uitvoering van het regeringsprogramma.

Het kabinet bestaat uit ministers van de KVP, PvdA en ARP. Minister-president Cals is afkomstig uit de KVP.
Kabinet-Cals
Centrum links
Nacht van Schmelzer
Eerste kabinet sinds 6 jaar met PVDA
Ideologische veren weg?
Het slot van de algemene beschouwingen over de begroting voor 1967 in de
nacht van 13 op 14 oktober 1966 staat bekend als de Nacht van Schmelzer.
Het debat eindigde namelijk met de aanneming van een door
KVP-fractievoorzitter Schmelzer i ingediende motie, die door het kabinet-Cals
als motie van wantrouwen werd uitgelegd en die leidde tot zijn val.

De 'Nacht' kan worden gezien als het
begin van een periode van polarisatie

in de Nederlandse politiek en van radikalisering van de PvdA. In die partij was
overigens al eerder dat jaar:
'
Nieuw Links'
actief geworden; een beweging die aanstuurde op vernieuwing
van de PvdA.
Daarnaast ontstond er na de 'Nacht' een goede voedingsbodem voor de nieuwe partij D'66 (opgericht 30 april 1966).

D66 pleitte voor staatkundige vernieuwing.De onrust in de christendemocratische
partijen nam eveneens toe, hetgeen resulteerde in de afscheiding van een aantal
prominente KVP'ers en ARP'ers en in vorming van de
PPR.
1967
1971
Dit centrumrechtse kabinet regeert aan het einde van de
roerige jaren zestig
en weet enkele hervormingen door te voeren, zoals;
democratisering van de universiteiten
herziening van de echtscheidingswetgeving.

Ondanks de maatschappelijke onrust en toenemende
politieke polarisatie
zit het kabinet de gehele periode zonder tussentijdse crisis uit.

Het kabinet krijgt te maken met een
toenemende inflatie
, mede ten gevolge van de invoering van de b.t.w. per 1 januari 1969.
Verder is er tijdens deze kabinetsperiode veel onrust in de maatschappij onder meer als gevolg van de democratiseringsgolf bij universiteiten en hogescholen.
Ook
vrouwen, dienstplichtigen en werknemers
vragen om hervormingen.
In 1970 is er een groot loonconflict met de vakbeweging.

In dit kabinet werken vier partijen samen: KVP, ARP, CHU en VVD. Minister-president De Jong is afkomstig uit de KVP.
Kabinet-de Jong
1970
Centrum rechts
Den Uyl - progressief
1973
1977
Het kabinet-Den Uyl is het meest progressieve uit de parlementaire geschiedenis. De drie linkse partijen hebben tien ministers, KVP en ARP samen zes. Het kabinet stelt zich ten doel:
eerlijk delen van kennis, macht en inkomen.


Het kabinet wordt met grote economische problemen geconfronteerd als gevolg van de
oliecrisis 1973
.

Het kabinet krijgt ook te maken met terroristische acties door Molukkers;
de Molukse treinkapingen bij Wijster en De Punt,
en de bezetting van een lagere school in Smilde.

En dan is er nog de Lockheed-affaire waarin Prins Bernhard i de hoofdpersoon is.

Het kabinet bestaat uit bewindslieden PvdA, PPR, D66, KVP en ARP. Minister-president Den Uyl is afkomstig uit de PvdA.

Het lukte Den Uyl niet om een tweede kabinet te starten, waardoor dit kabinet werd opgevolgd door Kabinet-van Agt I
Kabinet- Den Uyl I
Oliecrisis 1973
Molukse treinkapingen
Lockheed affaire
1977
1981
Dit kabinet van CDA en VVD komt na een lange formatieperiode tot stand, nadat vorming van een tweede kabinet-Den Uyl is mislukt.

Het krijgt te maken met grote financieel-economische problemen en oplopende werkloosheid.

Het kabinet heeft slechts een geringe meerderheid in de Tweede Kamer en heeft te maken met veel oppositie. Ook een deel van de CDA-fractie (de ' loyalisten') is kritisch, een crisis blijft uit.
Er zijn daardoor wel enkele 'bijna-crises', onder meer het
NAVO-besluit om kruisraketten
te plaatsen in West-Europa, over de
regeling van abortus
, en over het instellen van een olieboycot tegen Zuid-Afrika.
Kabinet- van Agt I
1975
1980
Van Agt-I
Den Uyl
1919 - 1987
Was een Nederlands politicus. Hij was van 1967 tot 1986 de politiek leider van de Partij van de Arbeid en van 1973 tot 1977 minister-president van Nederland. In de ministerraad domineerde hij zeer sterk en was hij meer de felle vechter voor eigen standpunten dan de samenbindende leider.

Partij:
PvdA
Politiek:
Hij wilde de woningnood terugdringen door wijken zoals de Bijlmer te creëren.
Van Agt
1931 - heden
Is een Nederlandse jurist, voormalig hoogleraar, politicus en diplomaat. Hij was van 1977 tot 1982 minister-president van Nederland in drie achtereenvolgende kabinetten.
Hij voerde hevige strijd met den Uyl, vooral door te verkondigen dat de politiek niet te serieus genomen moest worden. Hij was zelf dan ook wel eens afwezig om bijvoorbeeld mee te doen aan een wielerwedstrijd.

Partij:
KVP, CDA
Politiek:
Speelde een grote rol in de
abortuskwestie
. Hij deed dan ook herhaalde pogingen om abortusklinieken te sluiten, dit zonder succes. De debatten tussen den Uyl en van Agt zijn nog steeds bekend om de ongekende felheid en deze debatten stonden eigenlijk ook symbool voor de twee recht tegenover elkaar staande opvattingen over de inhoud en vorm van de politiek.
Schmelzer
1921 - 2008
Was een Nederlands politicus. Namens de Katholieke Volkspartij was hij staatssecretaris, lid van de Tweede en Eerste Kamer en minister. Hij werd echter vooral bekend vanwege de naar hem genoemde Nacht van Schmelzer, waarin het kabinet-Cals ten val werd gebracht.

Partij:
KVP, CDA
Politiek:

De nacht van Schmelzer
”: In de nacht van 13 op 14 oktober 1966 vonden in de Tweede Kamer de algemene beschouwingen plaats

over de begroting voor 1967. Toenmalig premier Cals (ook KVP) had de Tweede Kamer om vertrouwen gevraagd voor een begrotingstekort. Schmelzer had problemen met dit gat in de dekking van de rijksuitgaven. Hij diende een motie in voor betere dekking, die door de Kamer werd aangenomen. De premier vatte dit op als een motie van wantrouwen en het kabinet-Cals viel.
Jaren '60 (1960 - 1969)
Vanaf
1958
kwam er weer een periode waarin de confessionele partijen samen de dienst gingen uitmaken, onder leiding van de KVP.
Vanaf
1960
ging Nederland voorlopen als moderne
verzorgingsstaat.
De overheid ging steeds meer geld investeren in nieuwe taken zoals;
inkomensoverdracht van huishoudens,
openbaar onderwijs,
gezondheidszorg,
volkshuisvesting en
maatschappelijk werk.
Doelen van de overheid waren bijvoorbeeld: iedereen een auto en iedereen een woning.
Nederland begon ontzettend vooruitstrevend te worden en de welvaart was zo hoog dat men ervan overtuigt was dat er geen einde aan zou komen.
Vanaf midden jaren zestig kwam er een scherpe verdeling tussen links en rechts. (polarisatie)
Wanneer de overheid de geleide loonpolitiek loslaat is er in 1963 sprake van een ware loonexplosie.
De Nederlandse economie komt in een loon-prijsspiraal terecht: hogere lonen > hogere prijzen > inflatie > NL weer duurte-eiland > concurrentiepositie van Nederland werd aangetast.
In 1965 trad het kabinet Cals aan
, waarin de KVP weer ging samenwerken met de PvdA. Een van de doelen van dit kabinet was het land klaar te stomen voor de 21e eeuw.
Hier is uiteindelijk niks van terecht gekomen omdat de daarvoor benodigde
bezuinigingen
niet pasten bij het groei-denken van die tijd.
Het kabinet viel uiteindelijk door ´
de nacht van Schmelzer’ in 1966
. Dit wordt gezien als het definitieve einde van de rooms-rode coalitie.
Vanaf 1966 draaide het politieke bestel niet meer om de ‘rooms-rode as’, voortaan ging het om ‘
rood contra rooms’.
In 1966 werd D66 (democraten 1966) opgericht, onder leiding van Hans van Mierlo.
Van Mierlo maakte (als één van de eerste politici) uitstekend gebruikvan de televisie en wist meteen bij de verkiezingen van 1967 zeven zetels te bemachtigen.
Eind jaren zestig kregen parlement, regering, politieke partijen, vakbonden, werkgeversorganisaties en verzuilde organisaties te maken met mondige burgers.
In de jaren vijftig had in het verzuilde systeem de consensus centraal gestaan. De politieke elites zochten naar compromissen en strijdpunten werden niet hoog opgespeeld.
Dat veranderde in de jaren zestig.
Burgers legden zich er niet meer bij neer dat ze niets meer te zeggen hadden. De snelle opkomst van D’66, bij uitstek een partij die bestuurlijke vernieuwing voorstond, was typerend voor het feit dat veel Nederlanders behoefte hadden aan politieke hervormingen.
Globale gevoel van samenhang (vertegenwoordigers: jongeren) > protest tegen vietnamoorlog - consumptiemaatschappij - provo's - feminisme - TV - seksuele revolutie - generatieconflict
Veel mensen nemen aan dat in de jaren zestig een flinke groei van het atheïsme plaatsvond, maar dit was niet het geval.
Wel lieten steeds minder mensen vorm en inhoud van hun overtuiging bepalen door een kerkgenootschap, zoals zij ook steeds meer van oordeel waren dat religie een betekenis had voor hun
persoonlijke leven
, maar dat dit niet betekende dat christelijke waarden en normen onmisbaar waren voor het hooghouden van de beschaving. Er was in zekere zin sprake van
secularisme
: mensen werden niet zozeer minder gelovig, maar hun levensovertuiging werd een privéaangelegenheid.
Er ontstond ook een emancipatiebeweging van vrouwen, het feminisme.
Zij wilden een eind maken aan de traditionele rolverdeling waarin de vrouwen thuis zaten en de man geld verdiende. Halverwege de jaren zestig kwamen de Nederlandse vrouwen in actie.
In 1967 verscheen in de Gids een artikel van Joke Smit
, ‘Het onbehagen van de vrouw’. Dit artikel woelde veel los, het werkte als een bom op diep gewortelde onvrede onder vrouwen.
De seksuele revolutie vond plaat in de jaren 60. Er werd meer de nadruk op de individuele beleving gelegd.
Seksualiteit kwam losser te staan van voortplanting, mede door de introductie van de pil als effectief anticonceptiemiddel en de opkomst van de NVSH (Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming) met allerlei consultatiebureaus. Mede daardoor kwamen seks en huwelijk verder van elkaar af te staan. De seksuele revolutie viel samen met een verandering in morele waarden en was een van de grotere onderwerpen in het feminisme en de emancipatie van de vrouw. Seksuele bevrijding en de bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen speelden een grote rol in de vrouwenbeweging van de
"tweede feministische golf".
Vanaf het midden van de jaren zestig begonnen verschillende media langzaam maar met het loslaten van de zuil.
De media worden door velen gezien als de één van de dragers van het vernieuwingsproces tussen 1960 en 1980. Zo schrapte men in 1965 bij De Volkskrant de ondertitel ‘Dagblad voor het katholieke volk in Nederland’ om ook niet-katholieke lezers als abonnee te winnen. Dagbladen fungeerden niet langer instrumenteel als spreekbuis van zuilen, maar zelfbewustzijn en autonomie werden de belangrijkste kenmerken. Doordat dagbladen autonomer gingen opereren konden zij meer ruimte geven aan kritiek en ongenoegen met betrekking tot de machthebbers, waardoor de journalistieke professie emancipeerde.
Door de emancipatie van de jongeren, de vrouwen en de media ontstond er een duidelijk generatieconflict in de jaren zestig.
In eerste instantie werd er dan ook afwijzend gereageerd. De politie trad hard op tegen de provo’s, de Dolle Mina’s werden niet serieus genomen en de kritische journalisten en tv-makers werden door de politiek onder vuur genomen. Maar uiteindelijk werkte deze aanpak niet.
L ckheed affaire
Lockhead affaire

De Lockheed-affaire ontstond in
1976
. Prins Bernhard zou in
voorgaande jaren 1,1 miljoen dollar aan steekpenningen hebben ontvangen van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed.

In de jaren van de Lockheed-kwestie hield het
kabinet-Den Uyl
zich bezig met een grote luchtmachtorder, de vervanging van alle Nederlandse Lockheed F-104 Starfighters. Defensie-minister -ir. Henk Vredeling besloot uiteindelijk dat de opvolger van deze straaljager de F-16 zou worden, van de concurrerende vliegtuigbouwer General Dynamics.

1981
1982
Dit kabinet van CDA, PvdA en D66 werd gevormd na de verkiezingen 1981. Met name de financieel-economische problemen leiden steeds tot spanningen, waardoor het kabinet nauwelijks aan regeren toekwam.
Al na acht maanden, nadat de PvdA een grote nederlaag bij de Statenverkiezingen had geleden, valt het kabinet vanwege een conflict over bezuinigingen. De PvdA-bewindslieden dienen hun ontslag in.

Den Uyl (PvdA) voert als viceminister-president
de scepter over het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De toevoeging 'Werkgelegenheid' onderstreept zijn centrale rol bij een actief werkgelegenheidsbeleid.
Nog voor de regeringsverklaring komt het kabinet bijna ten val door een geschil over het te voeren financieel-economisch beleid
meer in het bijzonder de
werkloosheidsbestrijding.
Twee PvdA-economen weten de breuk dan nog te lijmen.

Het kabinet telt zes CDA-ministers, zes van de PvdA en drie van D66. Minister-president Van Agt is lid van het CDA.
Kabinet- van Agt II
Van Agt-II
oplopende werkloosheid
Amerika besluit om
kruisrakketten te plaatsen
Veel gesteggel over
abortus regeling
1982
1986
Dit kabinet van CDA en VVD presenteert zich als een
'no nonsense-kabinet
'. Het richt zich op:
sanering van de overheidsfinanciën
door bezuinigingen
afstoting van overheidstaken,
herstel van werkgelegenheid.
Er wordt onder meer gekort op uitkeringen
onderwijs- en ambtenarensalarissen.
Ook sectoren als volksgezondheid en welzijn moeten inleveren.
De werkloosheid, die tot recordhoogte was opgelopen, gaat geleidelijk afnemen.

Het kabinet krijgt te maken met veel
maatschappelijk verzet
,
1. vanwege zijn financieel-economische beleid,
2. het besluit kruisraketten te plaatsen.

Hiertegen wordt een petitionnement georganiseerd. Premier Lubbers voert het CDA echter in
1986
naar winst en het beleid van het kabinet wordt door het volgende kabinet voortgezet.
Kabinet- Lubbers
Van Agt-III (1982)
Dit minderheidskabinet van CDA en D66 is een overgangskabinet,
dat als voornaamste taken heeft het uitschrijven van verkiezingen en de voorbereiden van de begroting 1983.

Nadat de PvdA-ministers en -staatssecretarissen uit het vorige kabinet zijn weggegaan, worden de open gevallen posten opgevuld vanuit de gelederen van de overgebleven coalitiepartners CDA en D66.
Lubbers-I
Maatschappelijk verzet tegen
plaatsing van kruisrakketten
1986
1989
Dit kabinet van CDA en VVD is qua politieke samenstelling een voortzetting van het eerste kabinet-Lubbers. Het
ombuigingsbeleid
wordt voortgezet, waarbij de bestrijding van de werkloosheid de hoogste prioriteit krijgt.
Na drie jaar komt het tot een breuk, na een conflict tussen kabinet en VVD-Tweede Kamerfractie over het
reiskostenforfait.

Belangrijke beleidsbeslissingen van het kabinet zijn de;
verzelfstandiging van de PTT
de omvangrijke herziening van het stelsel van sociale zekerheid.
In
1988
komt een herziening van het belastingstelsel tot stand op basis van de voorstellen van de commissie-Oort.
Verder komen de
Mediawet
en de
Wet op de studiefinanciering
in het Staatsblad. Minister Nijpels brengt een
Milieubeleidsplan
uit.
Kabinet- Lubbers II
Lubbers-II
ombui ingsbeleid
ombuigingsbeleid (van Lubbers-I &II)

Kabinet Lubbers I startte haar ombuigingsbeleid, dat houdt in dat ze doorgaan met de vele bezuinigen waarmee ze de werkloosheid wilde tegengaan.

Lubbers-I hield zich namelijk bezig met:
sanering van de overheidsfinanciën door
bezuinigingen en afstoting van overheidstaken,
op herstel van werkgelegenheid.
Er wordt onder meer gekort op uitkeringen en onderwijs- en ambtenarensalarissen.
Ook sectoren als volksgezondheid en welzijn moeten inleveren.

rei kostenforfait
Het reisenforfait was het onderwerp van een Nederlandse kabinetscrisis in 1989.

Op 3 mei 1989 kwam er een einde aan bijna zeven jaar samenwerking tussen CDA en VVD onder minister-president Lubbers. De VVD-fractie kon zich niet vinden in het door het Kabinet-Lubbers II genomen besluit over aftopping van het reiskostenforfait.

Tijdens een Kamerdebat over dit besluit op 2 mei kwam VVD-fractievoorzitter Voorhoeve met een motie die het kabinet vroeg af te zien van aftopping van het reiskostenforfait. Tevens werd gevraagd een voorgestelde verhoging van de dieselaccijns te beperken.

Nog voor de motie in stemming kwam, trok premier Lubbers de conclusie dat er een onoverbrugbaar conflict was. Zijn kabinet was gevallen.
1989
1994
In het derde kabinet-Lubbers heeft de
VVD plaats gemaakt voor de PvdA
. Er wordt na jaren van bezuinigingen gestreefd naar
sociale vernieuwing.
Het kabinet moet echter verder zelf ook verder bezuinigen, onder meer op de sociale zekerheid. Met name het grote beroep dat op de Wet arbeidsongeschiktheid (WAO) wordt gedaan, is reden om in te grijpen. Dat leidt tot spanningen, vooral in de PvdA.

De val van de Berlijnse Muur
markeert een keerpunt in de geschiedenis van Europa. De val van diverse communistische regimes leidt tot instabiliteit, waarvan een oorlog in voormalig Joegoslavië het gevolg is. Dit leidt tot een grote stroom
asielzoekers
uit onder meer Bosnië.
De Irakese bezetting van Koewei
t leidt tot een gewapend conflict, waarin ook Nederland een rol speelt.
Kabinet- Lubbers III
Lubbers-III
Lubbers
1939 - heden
Is een Nederlands christendemocratisch politicus, minister van staat, voormalig ondernemer, ex-diplomaat. Van 1982 tot 1994 was hij minister-president van Nederland. Tegenwoordig zet hij zich in als activist voor het behoud van het milieu, multiculturalisme, voor de terugdringing van kernwapens en voor een positieve benadering van allochtonen en vluchtelingen.

Partij:
KVP, CDA
Politiek:
Bezuinigen, terugdringen staatsschuld en een minder regelende overheid (meer marktvrijheid). Flinke steun in de rug voor Lubbers was het ‘Sociale akkoord van Wassenaar’ in 1982 onder aanvoering van Wim Kok.
1985
1990
1994
1998
Aan dit eerste 'paarse' kabinet nemen de PvdA, VVD en D66 deel.
Het is voor het eerst sinds 1918 dat er een kabinet wordt geformeerd
zonder een confessionele partij.

Tijdens de zittingsperiode kent Nederland een
ongekende economische groei
. Het kabinet zorgt voor;
sterke lastenverlichting voor burgers en bedrijven.
De regels op economisch gebied worden verminderd,
waardoor bijvoorbeeld de winkeltijden veel ruimer worden.
Kabinet- Kok-I
Kok-I
1995
1998
2002
Dit kabinet, in de wandelgangen veelal Paars II genoemd, is een voortzetting van het kabinet-Kok I. Hoewel het kabinet het bijna de volle vier jaar uithoudt, verloopt de samenwerking minder soepel dan in Paars I.
D66, verliezer bij de Kamerverkiezingen, ziet in
1999
haar 'kroonjuweel', het referendum, stranden in de Senaat.
Hierna volgt Kabinet-Balkenende-I dit kabinet hoort niet bij de leereenheden
Kabinet- Kok-II
Kok-II
Kok
1938 - heden
Is een Nederlands politicus en voormalig vakbondsbestuurder, die onder andere van 1994 tot 2002 minister-president van Nederland was. Kok leidde in die periode twee opeenvolgende kabinetten, de eerste zogenaamde ‘Paarse’ kabinetten. Was één van de grote drijfveren achter het ‘
Sociale akkoord van Wassenaar
’, wat eigenlijk het einde van de polarisatie betekende.

Partij:
PvdA
Politiek:
Het Kabinet-Kok I voerde een succesvol werkgelegenheidsbeleid (met name door het beleid van loonmatiging) en wist de overheidsfinanciën verder te saneren. Financiële meevallers werden gebruikt om de staatsschuld te verminderen, maar werden ook aan burgers en bedrijven teruggegeven in de vorm van lastenverlichtingen. Hierdoor groeide de Nederlandse economie in recordtempo.
Jaren '70 (1970 - 1979)
De politiek in de jaren zeventig wordt gekenmerkt door extreme polarisatie.

De scheiding tussen links en rechts wordt ontzettend duidelijk.
Het kabinet-Den Uyl is de meest progressieve
in de politieke geschiedenis van Nederland.
Het belangrijkste kabinet tijdens de jaren zeventig is het kabinet den Uyl

Het kabinet-Den Uyl is het meest progressieve uit de parlementaire geschiedenis. Dit kabinet wordt gedoogd door de KVP en de ARP. Het kabinet stelt zich ten doel: eerlijk delen van kennis, macht en inkomen. Dit wilden ze bereiken door te streven naarl
verkleining van inkomensverschillen,
onder meer door belastingmaatregelen.
Er worden enkele verhogingen doorgevoerd van uitkeringen en de AOW
het minimumjeugdloon wordt ingevoerd.
Daarnaast besluit het kabinet tot extra investeringen in onder meer volkshuisvesting, welzijn en onderwijs,
maar moet vanwege de moeilijke economische omstandigheden vanaf 1975 de groei van de overheidsuitgaven beperken.

Het kabinet komt na een moeizame, langdurige formatie tot stand (langzame totstandkoming is kenmerk van polarisatie)omdat er veel grote onderlinge verschillen tussen de partijen, maar ook binnen de partijen waren verschillende stromingen. Veel discussies en ruzies werden in het openbaar uitgevochten.

Den Uyls ging in zijn politiek uit van de maakbaarheid van de samenleving en vond dat de overheid de vrijheid moest hebben om waar nodig in te grijpen om de samenleving te veranderen. Van de progressieve plannen van dit kabinet kwam uiteindelijk maar weinig terecht omdat ze te maken hadden met verschillende problemen, zowel in binnen als buitenland. Voorbeelden hiervan zijn de Oliecrisis van 1973, de Molukse kapingen en de Lockheed-affaire van Prins Bernard.
Toen je jaren zeventig begonnen was de welvaart in Nederland vrijwel voor iedereen bereikbaar.
maar in 1973 slaat de economie om door de Oliecrisis. Nederland werd extra zwaar getroffen door de olieboycot, want Nederland was tijdens de Yom Kippoer oorlog pro Israël. In Nederland ging de benzine ging op de bon en er werden autoloze zondagen ingevoerd. De hoge olieprijs leidde tot verdere prijsstijgingen en wakkerde daarmee de inflatie verder aan.




Door de crisis gingen veel bedrijven failliet wat zorgde voor een enorme werkeloosheid.
De overheid wist deze werkloosheid nog een beetje te verbergen door makkelijk AOW’s te verstrekken, maar hierdoor name de staatsschuld enorm toe.
Een ander probleem waar het kabinet den Uyl mee zat was de dekolonisatie en uiteindelijk de onafhankelijkheid van Suriname.
De Surinaamse onafhankelijkheid vindt plaats op 25 november 1975, maar heeft dan al geleid tot een massale migratie van Surinamers naar Nederland. Hindoestanen zijn hierbij oververtegenwoordigd. In Nederland en de werkeloosheid neemt dus steeds meer toe.
Een ander probleem was dat van de terreuracties vanuit de Molukse bevolkingsgroep.
De Molukkers wouden met kapingen bij de Punt en Wijster aandacht vragen voor de zaak die al sinds de jaren vijftig speelde, namelijk een eigen staat, zoals de Nederlandse regering tijdens de politionele acties beloofd had.
Vicepremier in het kabinet den Uyl was Dries van Agt. Hij had welwillend meegewerkt aan de vorming van het kabinet,
maar ontwikkelde zich al snel tot de grote tegenstander van de minister president. Vaak ging die discussie over de abortuskwestie.
In 1977 viel het kabinet den Uyl uiteen, maar in de daaropvolgende verkiezingen haalde den Uyl met de PvdA haar grootste verkiezingsoverwinning ooit.
De samenwerkende confessionele partijen (toekomstige CDA) behaalde onder leiding van van Agt ook een groot deel van de stemmen (1,8% minder dan PvdA). Ondanks de grote verkiezingswinst voor de PvdA is een links kabinet nog niet mogelijk. Men moet weer samen regeren met de KVP (van Agt). De verhoudingen zijn er na de val van het kabinet niet beter op geworden. De onderhandelingen verlopen moeizaam. Van Agt en Wiegel (VVD) komen bij elkaar en zijn er in korte tijd uit. Er komt een kabinet van Agt I, en dus geheel verrassend: geen kabinet den Uyl II.
Het kabinet van Agt – Wiegel (1977-1981) had veel grootste en vooruitstrevende plannen, zoals het terugdringen van subsidies, salarissen bevriezen, premies verlagen en het indammen van sociale voorzieningen.

Dit lukt allemaal niet door acties en demonstraties tegen bezuinigingen. Daarnaast zijn er veel tegenstellingen binnen het kabinet, waardoor het erg lastig werd om wetsvoorstellen door het parlement te krijgen.
Maatschappelijk: bevolking word kritischer t.o.v. de politiek (door TV) - abortuskwestie - euthanasie- dalend normbesef? - woningnood
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2012-2013/Joop-den-Uyl--dromer-en-drammer.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Woningnood-volksvijand-nr-1.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Revolutie-in-Iran.html (1979)
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Andere-Tijden-Special--Alles-wordt-anders.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Andere-Tijden-Special--De-andere-jaren-vijftig.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2013-2014/Het-geheim-van-Ruud-Lubbers.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2009-2010/De-val-van-kabinet-Lubbers-II.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2010-2011/Partij-of-Principes.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2007-2008/Commissaris-Van-Agt.html
http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2008-2009/Crisis.html
Pim Fortuyn dood 2002
Jaren '80 (1980 - 1989)
De politiek in de jaren tachtig begint met de oprichting van de CDA, een samenvoeging van de confessionele partijen KVP, ARP en CHU.
Begin jaren tachtig groeit de VVD ontzettend snel.
Het CDA is oppermachtig en vanaf 1982 is Lubbers premier.
Hij zorgt ervoor dat er weer één richting zit in het CDA zodat men er zeker van is dat wetsvoorstellen en dergelijke op de steun van eigen partij kan rekenen.
De politiek die gevoerd wordt door Lubbers kan gezien worden als een neoliberale koers.

Er moest dus meer overgelaten worden aan de markt en de overheid moest minder invloed gaan uitoefenen op de economie. Het Lubbers model staat verder voor grote bezuinigingen en het terugdringen van de staatsschuld.
De economische crisis die in de jaren zeventig was begonnen houd stevig aan
(mede door een tweede oliecrisis in 1979) en teistert ook de jaren tachtig.
Het succes van de politiek van Lubbers wordt enorm geholpen door “het akkoord van Wassenaar” in 1982.
In het sociale akkoord van Wassenaar werd de aanzet gegeven voor de loonmatiging en het economisch herstel in het verloop van de jaren '80. Het akkoord geldt als een schoolvoorbeeld van het succes van de overlegeconomie en het poldermodel met zijn redelijke vakbonden en werkgevers. In het akkoord werd ook

arbeidsduurverkorting afgedwongen.
Arbeidsduurverkorting verdeelt de werkgelegenheid weliswaar over meer personen, maar schept (gemeten in arbeidsjaren) niet meer werkgelegenheid. Integendeel, doordat werknemers in de resterende uren harder gaan werken, daalt de werkgelegenheid in arbeidsjaren. Gedwongen arbeidsduurverkorting wordt tegenwoordig als een achterhaalde vorm van werkgelegenheidsbeleid beschouwd.
Dit akkoord wordt gezien als het einde van de polarisatie van de Nederlandse politiek. De drijvende kracht achter dit akkoord was Wim Kok (PvdA).

Het grote probleem van de jaren 80 was de enorme werkeloosheid en de grote hoeveelheid WAO’ers.
Door het akkoord van Wassenaar kwamen er echter vanaf 1985 weer langzaam maar zeker meer banen.
Vanaf 1987 trekt de economie weer uit het dal doordat de wereldeconomie weer opleeft.
Andere belangrijke redenen zijn het succes van de loonmatiging, arbeidsbesparende investeringen en verbetering van de efficiëntie.
Maatschappij: hoogtij dagen van de Punk - steeds meer kraakbewegingen - koninkgshuis nog minder populair - weinig hoop op verbetering
Jaren '90 (1990 - 1999)
Terwijl de economie steeds meer uit het dal klom en weer begon te groeien,
begon het CDA populariteit te verliezen. Dit zorgde bij de verkiezingen van 1994 voor een enorme overwinning van de PvdA onder leiding van Wim Kok.

Er werd een Paarse coalitie gevormd door de PvdA en de VVD aangevuld met D66.
Wat zo bijzonder aan deze coalitie is (en wat ook een voorbeeld van de teruggekeerde consensus is) is dat de twee vroegere opponenten PvdA en VVD samen in het kabinet zitten, dus links en rechts regeren samen. Wim Kok wordt premier en de PvdA breekt eigenlijk met het socialisme. Er wordt een programma van deregulering ingevoerd: de overheid trekt zich terug ten gunste van de markt.
Zo gepolariseerd als de jaren 70 en 80 waren, zo werd er vanaf 1994 weer een
consensuspolitiek
gevoerd.
In het eerste paarse kabinet werd het beleid met betrekking tot overheidsfinanciën, dat onder verantwoordelijkheid van Kok in het derde kabinet-Lubbers al was gevoerd, doorgezet.
Nederland zag zich hiertoe gedwongen, omdat het alleen op deze manier alsnog zou kunnen voldoen aan de eisen voor deelname aan de Europese Monetaire Unie. Het Kabinet-Kok I voerde;
een succesvol
werkgelegenheidsbeleid
(met name door het beleid van loonmatiging)
en wist de overheidsfinanciën verder te saneren. Financiële meevallers werden gebruikt om de staatsschuld te verminderen,
maar werden ook aan burgers en bedrijven teruggegeven in de vorm van lastenverlichtingen. Hierdoor groeide de Nederlandse economie in recordtempo.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1998 werd de PvdA beloond voor het beleid van het kabinet.
Al voor de verkiezingen was het eigenlijk wel duidelijk dat het paarse kabinet zou doorregeren en dat gebeurde ook na een voor huidige begrippen zeer korte informatie- en formatieperiode (teken van consensus). Aanvankelijk ging het ook het Kabinet-Kok II voor de wind. De economische groei zette onverminderd door en de regering kreeg miljardenmeevallers. Er ontstond zelfs een overschot op de overheidsbegroting. Nationaal en

internationaal kreeg Kok veel waardering voor het Nederlandse economische beleid en het begrip "poldermodel" werd internationaal bekend.
Naast het economische beleid lagen belangrijke beleidspunten van Koks kabinetten vooral op immaterieel gebied.
Zo werd euthanasie verder geliberaliseerd en werd het homohuwelijk ingevoerd.

Verder werden op economisch gebied liberaliseringen doorgevoerd (energiesector, winkeltijden, vestigingseisen).

De sterke economische groei leidde echter aan het eind van de 20e eeuw tot een oververhitting van de economie.
Door de sterke groei van het aantal banen ontstond er krapte op de arbeidsmarkt. Dit leidde tot personeelstekorten in onder meer de zorg en het onderwijs. De problemen in de zorg leidden tot wachtlijsten. Door de krapte op de arbeidsmarkt stegen de lonen veel harder, wat een streep haalde door het jaren gevoerde beleid van loonmatiging.
Doordat het kabinet ook nog lastenverlichtingen doorvoerde, steeg de koopkracht van de Nederlanders, dit zorgde voor relatief hoge inflatie en hierdoor verslechterde de concurrentiepositie van Nederland.
Na de paarse kabinetten krijgt het CDA weer veel meer aanhang. Er komt achteraf ook best veel kritiek op de paarse kabinetten, o.a. door Pim Fortuyn.
Hij vond dat de paarse coalitie een bende had gemaakt en dat er vooral in de zorg veel mis was, volgens Fortuyn moest de zorg veel betaalbaarder worden.
Na de Paarse periode van consensus begint Nederland weer te
polariseren
er kwamen ook steeds meer ontevreden (en daardoor zwevende) kiezers. Er kwam ook veel kritiek op de Europese Unie.
In deze periode was men bezorgd over de gevolgen van deze modernisering voor de samenleving. Zo gingen de volwassenen anders kijken naar de jeugd. Hun houding veranderde. De jeugd werd brutaler. Zo had de industrialisatie een urbanisatie en demoralisering voortgebracht, maar deze werd nog eens bevorderd door de wereldoorlog. De volkskracht moest toenemen. Het karakter van de jeugd zou moeten worden versterkt, aangezien de toekomstige kwaliteit van de samenleving afhing van de kwaliteit van de jeugd.

De jeugdbeweging uit de twintigste eeuw werd gezien als de erfopvolgster van de drie grote emancipatiebewegingen van de negentiende eeuw:
- afschaffing van de slavernij,
- de opkomst van de moderne arbeidsbeweging en
- de verheffing van de vrouw.

Hier begint de kenmerkende trek van de twintigste eeuw om de jongerencultuur te beschouwen als de toekomst. Om te zorgen dat de toekomst in goede handen zou komen, werd er het verenigingsleven opgeroepen. Hierin gingen de jongeren zich ontwikkelen en ze raakte dan ook snel vertrouwd aan de sfeer binnen een zuil. De binding aan de zuil, en daarmee de maatschappelijke ordening, werd steeds intenser.
Crisis 1918 - 1940 (De Rooy)

Verzuiling

Het verschil tot het behoren in een zuil, vergeleken met de negentiende eeuw, was dat men eerst enigszins agressief was om te strijden voor eigen recht en belang, terwijl men zich nu veel rustiger groepeerde op grond van overtuigingen en gewoonten. Door de welvaartsvermeerdering en de explosief stijgende aanbod op de markt werd men steeds democratischer geprikkeld. Maar dat genieten van deze ontwikkelingen had tot gevolg dat als je er teveel aan toe gaf, het blijk gaf van karakterzwakte.

Het is deze houding die de Nederlandse samenleving lang zou blijven kenmerken: Nederland was een modern land, maar in mentaliteit zeer conservatief.

Crisis 1918 - 1940 (De Rooy)
Stabiliteit: Premiers 1919-1940

Charles Ruys de Beerenbrouck RKSP
Hendrik Colijn ARP
Dirk Jan de Geer CHU
“Nederland is voor het eerst Nederland in de Eerste Wereldoorlog” (naar buiten toe moet ze een eenheid vormen).

In interbellum:
heel Europa in chaos (Duitsland bijvoorbeeld). In Nederland drie minister-presidenten in 21 jaar (stabiel). Daarentegen wel 10 kabinetten: niet zo stabiel. Hoe kan het dat er desondanks vallende kabinetten, er wel maar 3 premiers waren?
De coalities bleven echter bijna wel hetzelfde. De verkiezingen blijven ook bijna gelijk. Dit kwam een beetje door de verzuiling: mensen bleven op hun eigen partij stemmen, ongeacht wat er gebeurde.
Dus wel stabiel op gebied van premiers, verhoudingen in de kamer en stemmen, maar de kabinetten waren niet stabiel.
Waarom?
Socialisten hebben zich een beetje buiten spel gezet, maar wilden wel samenwerking met katholieken, maar katholieken niet met socialisten.
Christelijke partijen wilden met elkaar overeenkomen, maar niet met niet-christelijke partijen.
Heeft te maken met god-nietgod. We gaan niet samenwerken met heidenen, nog liever met protestanten.
Electoraat van katholieken en socialisten: allebei arbeiders. Socialisten
.
Overeenkomsten:
arbeiders: katholieken en socialisten: '

sociale wetgeving: verzekeringen etc. maar ook te maken met achterstand. Protestanten zagen alleen maar de kosten, want hadden geen achtergestelde achterban.

Protestanten lijken ook meer op liberalen: staatsonthouding: groepen moeten het zelf regelen als ze dat kunnen. Tegen centralisatie.
Crisis 1929:
vooral geen overheidsingrijpen.

Handhaving Gouden Standaard:
een deel van de geldvoorraad moest worden gedekt door de goudvoorraad: waren toen nog gelijk. Waarde van gulden kon je krijgen in
goud.

Problematisch systeem:
heb je meer geld nodig: moet je ook meer goud hebben.

20e eeuw goudstandaard van 40%
: 40% van het
geld in omloop gedekt door goud. Voordeel hieraan: je weet in internationaal verband hoeveel je geld waard is. Geld blijft altijd waardevol. Maar landen lieten dit los om meer geld te kunnen drukken, Nederland bleef hieraan vasthouden dus werd
Nederland voor het buitenland duur. In 1936 was in Nederland de crisis op zijn hoogst, terwijl in het buitenland het eigenlijk alweer een beetje beter ging.
3 voorwaarden voor inleving:
Historisch denken
- je moet kennis hebben
- je moet er voor open staan
- je eigen normen niet op de normen van toen pleen
Intersubjectiviteit
- verschillende historici hebben een algemeen beeld van de geschiedenis
- omdat het verleden niet objectief bekeken kan worden
- je hebt allemaal historici die subjective bronnen bij elkaar gooien en ophangen aan zo veel mogelijk feiten, waardoor het als waarheid wordt beschouwd.
Narrativisme
Zie modepop: je maakt van alle geschiedenis stukjes een verhaal.
Kritiek:
een persoon kiest bepaalde bronnen, als jij dan andere bronnen kiestdan klopt het verhaal niet meer
Historicme
Je gaat alles feitelijk zien. Je mag er niets bij vertellen, je mag geen extra kennis hebben. Alleen die bron is een feit en meer ook niet.

Kritiek:
je legt geen verband mt andere bronnen
1. bronnen uit het verleden zijn niet objectief
2. een bron kan anders geinterpreteerd worden
3. je kan niet alle bren plaatsen, dus je moet subjectief zijn (dus je maakt al een waardeoordeel)
Waardevrijpostulaat
Je schrijft een tekst zo waardevrijmogelijk, zonder enige sutiviteit, bijvoegelijknaam woorden etc.
Buitenlands beleid
Continuïteit en verandering Van Karnebeek: van neutraliteitspolitiek naar zelfstandigheidspolitiek
(continuïteit), maar de manier waarop was wel anders.
Tijdens WO1: afzijdig houden, stil in je hoekje.
Naar zelfstandigheidspolitiek: wel meedoen, maar dan nog wel neutraal. Praten met buitenland om duidelijk te maken dat zij neutraal wilden blijven.

In WO1 neutraal door toeval: NL hoefde niet bezet te worden voor veroveringen, maar na de oorlog wel duidelijk standpunt. Ook handig: handel met Engeland, maar ook handel met Duitsland.
Na Versailles pro-Duitse houding ivm economische verbondenheid en angst voor
politieke onrust. Men steunde ook de Duitse regering: ze waren bang voor de val
van Duitsland —> Russische revolutie.

Onwenselijk: dan ben je nog steeds verlengde van Duitsland, maar dan van communisten. Met terugtrekken Engeland: NL bondgenoot van Duitsland.
Economische crisis zorgde voor meer verbinding met/afhankelijk van Duitsland.
Na falen Volkenbond (1936) weer neutraliteitsstreven. Banden met Duitsland losser, voelen de dreiging, zien de logica. Duitsland werd ook openlijk fascistisch.

Nederland heeft lang geprobeerd om de banden met Duitsland goed te houden, ook
in de Volkenbond te houden. Vanaf 1938 concrete Duitse plannen om NL ondanks neutraliteit te veroveren.
De geschiedenis van Europa in de 20e eeuw werd tot in de jaren zestig gekenmerkt door schokkende, dikwijls zeer gewelddadige gebeurtenissen. Blom spreekt zelfs van diepe economische, politieke en geestelijke crises. Europa verliest zijn wereldpositie.
Er is sprake van dekolonisatie. En binnen Europa is er strijd (bvb WOII).

Ondanks het feit dat Nederland wel degelijk ‘last’ had van de gebeurtenissen in de rest van Europa, kun je de geschiedenis van Nederland in die tijd vooral omschrijven met begrippen als stabiliteit continuïteit, geleidelijkheid, gematigdheid en pragmatisme. Er was sprake van consolidatie en uitbouw van wat al eerder bereikt was, zoals de
institutionalisering van de verzuiling
De historicus Blom heeft ooit over Nederland in de twintigste eeuw een stuk geschreven met als titel: ‘consolidatie in een tijd vol schokkende gebeurtenissen’. Wat zal Blom daarmee bedoeld hebben?
Nederlandse samenleving verandert in de 20e eeuw ingrijpend, maar moderniseringsprocessen en politiek-culturele veranderingen hebben zich steeds geleidelijk voltrokken. Ook in tijden van politieke confrontatie en sociaal-economische conflicten bleven harde strijd en polarisatie beperkt. Het tijdvak wordt gekenmerkt door stabiliteit en voortgaande ontwikkeling, van consolidatie en uitbouw van wat
eerder bereikt is. Blom werkt dit verder in economisch opzicht uit en geeft politiek gezien aan dat de constitutionele monarchie en parlementaire democratie gemakkelijk stand hielden.
Van belang is wel dat men na het volgen van de hele cursus de veranderingen, die wel optreden historisch kan onderbouwen.
Voorbeelden:
Verzuiling in de jaren dertig niet hetzelfde als verzuiling in de jaren dertig.
Rol overheid in kapitalistische economie verandert voor en na de oorlog.
Positie sociaal-democratie in Nederland; tot in de jaren dertig geen regeringspartij. Daarna wel.
Samenwerking en verhouding confessionelen verandert in de loop van de 20e eeuw ingrijpend.
Maak een internationale tijdlijn van de 20e eeuw met de belangrijkste ‘schokkende’
gebeurtenissen (in relatie tot Nederland)
Drie grote doelen met de bezetting van West-Europa
1. Het bezette gebied, deel laten maken van Nazi-Duitsland = gelijkschakeling en Nazificering
2. Economische uitbuiting/ exploitatie -> in dienst staan van de Duitse economie
3. Jodenvervolging (niet erg slim, want het was meer een obstakel want het was zeer ideologisch van aard)

Fases I

Fases II
Fases III
Fases IV
Fase 1: Gleichschaltung  gelijkschakeling
Taal = ligt dicht bij elkaar
Nederland als broedervolk = Nazificatie met ‘Fluwelen handschoen’

Tot nu toe kan je nog zeggen: het is niet erg (zelfs voor Joodse-Nederlanders)
het is vervelend, maar we worden niet persoonlijk getroffen.

Burgerlijk bestuur
o.l.v. Seyss-Inquart
Anders dan militair bestuur bij wie militaire doelen voorrang hebben. Het burgerlijk bestuur moet ervoor zorgen dat het land blijft functioneren.
Seyss-Inquat behandelde alles met voorzichtigheid in deze fase, proberen niet te veel tegen dingen aan te schoppen. Hij ging bijv. niet op de troon zitten toen hij een toespraak hield. Etc.
Nederlanders proberen zich aan te passen (want de aanpassing is immers klein).
E
erste anti-joodse maatregelen
: idem kleine aanpassingen ‘Joden mogen niet meer naar de bios’

Dat is – in vergelijking met ontslagen worden – minder erg. Je mag alleen niet meer naar openbare plaatsen zoals zwembaden en bioscopen etc. De straffen waren al streng, maar mensen waren al geconditioneerd om zich bij de maatregel bij neer te leggen. Maar niemand zegt: dit gaat mij te ver. Want kom op zeg het is de bios. Zeer geraffineerd om het zo te doen.

Fase 2: Verharding (februari 1941 – mei 1943)
Openlijk hardere maatregelingen worden genomen.
Nazificatie mislukt door verzuiling (specifiek voor Nederland) en optreden kerken. Anti-joodse maatregelen. Katholieke kerk ging niet meeheulen, maar ze gingen juist kritiek geven op deze maatregelen.
Joden woonden vaak in Amsterdam, daar is ook openlijk geweld/ pesterijen/ NSB’ers gaan zich gedragen als knokploeg. Joodse zaken worden geterroriseerd. A’dam als het je niet zint dan zeggen ze er iets van.
Er ontstaat confrontatie: fluwelen handschoen gaat uit. Het zijn geen Joden, maar Amsterdammers! Een NSB’er gaat dood tijdens een van de knokpartijen = aanleiding voor de nazi’s/NSB’ers: oké nu gaan we voluit, kei hard de Joden oppakken en aanpakken.

Joodse raad wordt opgericht:
enkele aanzienlijke, oudere Joden, moesten inventariseren wie er Joodse was, maatregelen doorzetten en uiteindelijk bepalen wie naar een werkkamp moest etc.
Typisch Nederlanders:
je krijgt een taak en die ga je uitvoeren (vooral als deze uitvoerbaar is). Dat is typisch voor de Nederlandse bedrijfscultuur. Ze hebben het uiteindelijk gedaan, omdat ze dachten dat ze dan de invloed zouden houden of invloed zouden kunnen uitoefenen, maar dat was natuurlijk niet zo, maar dat wisten de Joden niet. Zeer sluw, want als de Duitsers dan zelf hadden moeten doen, was er eerder verzet geweest.
Cohen en Asher waren de uitzonderingen die wel hebben geweigerd hieraan mee te werken.
Na gevecht in ijssalon
: dit is een oorlogsverklaring. Terwijl dit was een heel klein iets, maar grote reactie typerend voor NSB/Nazi
Communistische partij Nederland:
Wij gaan staken (heel typisch NL: de bezetter is de baas, maar wij werken mee = wij zijn werknemers, dus wij kunnen staken). Dat was niet succesvol. Negen doden, veel mensen naar werkkampen etc. 1941 einde van verzet, want openlijk hield het met die staking op. Hilversum ging ook los qua staking, als straf: boetes.

Internationaal in fase 2:
Voor NL is het heel groot wat er gebeurd, maar internationaal gezien is het slechts vervelend. Sovjet-unie komt op = verklaring, want ze leiden nederlagen daar, is hardere aanpak in Nederland. Afrika: verloren ze ook. In 41 gaat alles naar wens, maar naarmate de oorlog slechter verloopt (richting 43) worden ze harder, ook meer exploitatie want ze hebben spullen nodig = meer verharding door ommekeer 1942

Fase 3: Verslechtering (mei 43 – september 44)
Tot nu toe was er nog niet veel veranderd (zelf tot na 43). Maar vanaf 43 anders, want door de nederlagen in mankracht en materiaal, moet dit uit de bezette gebieden worden gehaald. Nederland moet direct produceren voor Duitsland. Niet meer samen, of nog voor zichzelf, echt puur voor Duitsland. Nederland (economisch) ingezet bij oorlog: A
rbeitseinsatz
Niemand ging uit overtuiging:
nou ik ga lekker werken in Duitsland (in grens gebieden wel, want zij werkten vaak al daar). Zie maar hoe je terugkomt. Alle Nederlanders werden getroffen. Niet perse gevangenschap of slavernij. Maar het is min of meer normaal werk (oorlogsfabriek), onder dwang.
Als reactie daarop de tweede grootste openbare uiting van onvrede:
April-meistakingen.
drie honderd ex-militairen, jullie worden geëxploiteerd. In heel Nederland staking, behalve A’dam (die hadden hun lesje geleerd, samen met de spoorwegen, die zijn ook niet van de partij). Reactie Duitsland: de daders werden gearresteerd en gedood  standrechtelijk geëxecuteerd: was je erbij? Oké BAM dood (publiekelijk). Sympathie is nu echt weg.

Radio’s moet worden ingeleverd. Georganiseerde verzet neemt toe: onderhands/ondergronds. Maar nog geen echte landelijke organisatie, meer cel gericht. Maar was dat wel verstandig? Want als je weet dat de tegenreactie zo heftig is, is het dan nog wel verantwoord? Moet je uit heroische motieven, zulke streken uithalen die uitendelijk honderden doden tot gevolg heeft (van jouw eigen kant). Want de Duitsers waren veel beter georganiseerd.
D-day roept hoop op. Wat moeten we nu verwachten qua bevrijding: hoe lang duurt het voordat ze hier zijn? Zeer verwarrende periode. Ook voor Duitsland, want wat moeten wij nu doen?
Dit is dé fase waarin de meeste Joden worden gedeporteerd.

Fase 4 ontwrichting (september 1944 – mei 1945)
Zeer koude winter, weinig eten, brandstof etc. Alles wat los en vast zat werd naar Duitsland gestuurd, dus Nederland had drie keer niets, resulteert in een onwrichte samenleving. September 1944 bevrijding zuid – Nederland = geen honger winter.

De drie verzetsdaden Waarvan we zoiets hebben
: was de daad nou het echt waard? Vooral als je kijkt naar de gevolgen. Er was al weinig voedselvoorziening en dan leg je compleet de infrastructuur plat. Niet slim (Spoorwegstaking 1944).
Putten: persoonlijke afrekeningen, kopstukken van de Duitsers werden vermoord, reactie: 300 volwassen mannen vermoord (heel dorp, manloos).
Lente 1945 voedseldroppings = weinig tegenwerking meer van de Duitsers.
4/5 mei bevrijding: feest gevierd, reactie: vergeldingen = stuiptrekkingen voor het einde van de oorlog.

Jodenvervolging (methode)
1. Registreren
2. Isolatie
3. Deportatie
4. Destructie

Omdat het zo systematisch is, is het ook een geplande volkerenmoord = genocide
Uit angst was er vooral weinig verzet vanuit de bevolking tegen lot Joden (en Nederlanders: ik ben het in ieder geval niet. Wel jammer en ik vond het niet terecht.)

Verzet
De wettige regering zat in London (maar ze konden niet veel doen).
Koningin Wilhelmina was van de regering de enige die echt verzet toonde (ballen had): via radio Oranje omroep tot verzet Duitsers. Maar was gevaarlijk, want Duitsers konden die uitzendingen wel enigsinds onderscheppen. Moreel gezien, zeer belangrijk voor de bevolking. Vele vormen van verzet van lijdzaam tot actief geweldloos en actief gewapend verzet. Jodenvervolging leidt in 1941 tot februaristaking. De arbeitseinsatz in april/mei 1943 tot stakingen en onderduiken. Wanneer echt een grote groep worden getroffen, komt er actie.

Gelijkschakeling
Accomodatie & acceptatie
Verharding
Meer klein verzet
Verslechtering
Het Verzet
Ontwrichting
Laatste oorlogsjaren
Nederland bij de Euro 2001/2002
Privitarisering TTP, NS etc.
Full transcript