Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Ak 9a Megan Buitelaar 2.5

No description
by

Megan Buitelaar

on 7 December 2012

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Ak 9a Megan Buitelaar 2.5

Opdracht 9a Aardrijkskunde Megan Buitelaar klas 2.5 1) Wat zijn abiotische en biotische elementen en wat is het verschil daartussen? Vraag 1 Dit is opdracht 9a van aardrijkskunde. Ik ga 21 vragen beantwoorden. De antwoorden op deze vragen staan in het geobasisboek. Inleiding
Veel kijk plezier! De aarde bestaat uit biotische ( dit zijn levende elementen ) en abiotische ( dit zijn dode elementen ) elementen. Met de biotisch elementen worden de mensen flora en fauna bedoeld. Met de abiotische elementen wordt bijvoorbeeld water, bodems en gebergten bedoeld. Dat is dus het verschil tussen de biotische en abiotische elementen. Tussen deze twee elementen is de hele tijd door een soort contactuitwisselingen van energie en materialen. De energie die de zon levert is de kracht achter die contactuitwisseling.

Een klein voorbeeld zeewater wordt door de zon verwarmd en daardoor verandert in waterdamp. Daarna gaat het bijvoorbeeld regenen in een bos. De bomen zuigen dit water weer op met hun wortels. De boom verdampt het water voor een deel met zijn bladeren en hij geeft het af als waterdamp in de lucht. Vraag 2 2) Wie of wat is de drijvende kracht achter de uitwisseling van energie en materialen van de abiotische en biotische elementen? Een ecosysteem is zeg maar het geheel van planten en dieren in een gebied en hoe ze in verhouding staan tot elkaar en hun leef omgeving. Het ecosysteem is het systeem waarin alle biotische en ander elementen met elkaar in verband staan, doordat er de hele tijd door uitwisseling van energie en materialen zijn onder invloed van de zon. Die uitwisseling kun je zien in kringlopen zoals de waterkringloop, de voedselkringloop en de koolstofkringloop. Een verandering in een kringloop heeft direct gevolgen voor de andere onderdelen hiervan.

De mens maakt ook deel uit van dit ecosysteem. Vroeg was dit op een beperkte schaal en waren er af en toe kleine veranderingen in de kringlopen. Grondstoffen hebben of krijgen of het verbouwen van gewassen hadden lang weinig effect. Vraag 3 3) Vertel in je eigen woorden wat een ecosysteem is. Sinds de Industriële Revolutie begonnen is, groeit de invloed van de mens op de kringlopen steeds meer.
Het weinige evenwicht dat er is tussen de natuur en de mens wordt door de mens steeds meer verstoord.
Bomen worden omgekapt, leefgebieden worden verwoest, er worden dieren als
huisdier gehouden die helemaal niet in een huis horen maar in de natuur en de mens zorgt
voor nog veel meer andere slechte dingen. Vraag 4 4) Sinds wanneer is de invloed van de mens op de kringlopen steeds groter geworden? Die erge dingen die de mens doet die het verband tussen natuur en mens verstoord. Hier zijn vier sferen voor.

1) De biosfeer, dit is het leven op aarde, zoals de dieren, mensen planten en bomen.
2) De hydrosfeer, dit is het leven in water op aarde, zoals zeeën, grondwater, rivieren en meren.
3) De atmosfeer, de atmosfeer is de lucht om ons heen. De lucht die we in en uitademen.
4) De lithosfeer, de lithosfeer is de aardkorst. Vraag 5 5) - Noem de vier ‘sferen’ waarbinnen de ingrepen van de mens plaatsvinden.
Leg uit wat je onder die 4 sferen verstaat. 6) Geef een ander woord voor natuurlijke omgeving. Vraag 6 Bij milieuvervuiling ( verontreiniging is een ander woord voor milieuvervuiling ) gaat het om het gebruiken van het milieu als afvalbak waar veel schadelijke stoffen in terechtkomen.

Bij milieu-uitputting gaat het om het opraken van natuurlijke voorraden. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van energiebronnen zoals steenkool, aardolie en aardgas.

Bij milieu-aantasting gaat het om grote veranderingen in het ecosysteem en in landschappen. Een goed voorbeeld van aantasting is verwoestijning, dat is een geleidelijk proces van klimaatveranderingen en menselijk toedoen waardoor het ecosysteem minder van het groeiseizoen kan profiteren en woestijnvorming dreigt. Vaak het gevolg van een ramp met zowel menselijke als natuurlijke oorzaken. Vraag 7 7) Geef aan wat je verstaat onder milieuvervuiling (of verontreiniging); milieu-uitputting enmilieu-aantasting. Een ander woord voor natuurlijke omgeving is milieu. Mensen hebben hier veel invloed op. Vraag 8 9) Wat is het verschil tussen de korte en lange waterkringloop? Vraag 9 Boven stukken land verdampt een deel van de neerslag. Planten en bomen die werken hier aan mee. Zij zuigen zich vol met water uit de bodem. Via hun bladeren geven ze het weer aan de lucht. Dit noem je transpiratie. Gewone verdamping heet evaporatie. De totale verdamping boven land noem je ook wel evapotranspiratie. Evapotranspiratie is een combinatie van rechtstreekse verdamping ( evaporatie ) en verdamping vanuit plantenbladeren ( transpiratie ). Evapotranspiratie is de som van evaporatie en van transpiratie door planten.

Evaporatie staat voor de beweging van water de atmosfeer. Evaporatie gebeurt vanuit de bodem, bladerdak en oppervlaktewater. Transpiratie staat voor het ontsnappen van water (waterdamp ) uit planten langs de huidmondjes in de bladeren. Eigenlijk is Evapotranspiratie de totale verdamping van een begroeid oppervlak of de som van de evaporatie uit de bodem, en de transpiratie van de flora. Vraag 10 Op de zuidpool, in Groenland en op de hooggebergten valt neerslag altijd in de vorm van sneeuw. Die smelt niet, en blijft dus eeuwig liggen. Het wordt dus samengeperst tot ijs. In die ijskappen bevindt zich ongeveer 70% van al het zoete water.

Er is ook grondwater. Dat water kan honderden, zelfs duizenden jaren in de bodem worden vastgehouden. In de grond ligt bijna 30% van al het zoetwater. Vraag 11 12) Wat is een firnbekken? Vraag 12
H2O komt voor in drie toestanden: vast (sneeuw en ijs), gasvormig ( waterdamp in de lucht) en vloeibaar ( water ). Elke dag gaan er grote hoeveelheden van H2O over van de de ene toestand in de andere, water verdampt en wordt waterdamp, waterdamp vormt weer sneeuwvlokken en wolkendruppels, dan komt hier neerslag van op de aarde. De overgang van water is gasvormige toestaand naar vloeibare toestand heet condensatie. Dit de hele tijd doorgaand overgaan van water naar een toestand is de waterkringloop.

Bij de korte kringloop valt de neerslag meteen weer terug in zee. Dit komt vaak voor, dit komt omdat de aarde voor twee derde bestaat uit zee.

Bij de lange kringloop valt de neerslag op het land en gaat het water via een andere weg terug naar zee, deze weg is om. Er zijn verschillende omwegen. 10) Leg uit: Wat zijn transpiratie, evaporatie en evapotranspiratie? 11) Hoeveel procent van het zoetwater op aarde is grondwater?

Hoeveel procent van het zoetwater bevindt zich in de ijskappen. Hoog in de bergen lijkt het wel alsof het altijd winter is. Ook in augustus en juli sneeuwt het daar. Deze sneeuw heeft op steile wanden van de toppen geen houvast en valt dan in de kommen ertussen. Een soort verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen, dat heet een firnbekken. Firn is korrelige sneeuw, die er al jaren ligt. Vraag 13 13) Wat is een gletsjer? In het firnbekken stapelt de sneeuw zich jaar na jaar op. De onderste lagen worden door het gewicht van sneeuw erbovenop samengeperst tot ijs. Is het bekken vol, dan glijdt een ijstong langzaam over de rand in de richting van het dal.

Zo'n soort ijstong kan tientallen kilometers lang worden en diep in het dal doordringen. Een firnbekken, samen met een naar het dal schuivende ijstong heet een gletsjer.

Een gletsjer is een soort ijsmassa die dus heel langzaam naar beneden schuift. Nee! Het ijs zie je niet voorbij schuiven. De snelheid van een gletsjer bedraagt niet meer dan 40 tot 50 m per jaar. Een beetje sneeuw dat boven in het firnbekken valt, doet er een aantal honderden jaren over om naar beneden te komen.

Ook al is de ijstong de hele tijd in beweging, komt hij toch nooit verder het dal in. Het lijkt alsof de ijstong stilligt. Dat komt doordat het lager in het dal steeds warmer wordt. Daardoor gaat het ijs aan het eind van de tong smelten. Er ontstaan beekjes van smeltend water. Het begin van een gletsjerrivier. Vraag 14 In de grond zit water. Dat noem je grondwater,
het bevindt zich in de kleine openingen
tussen de zandkorrels.
Die openingen heten poriën. Grond met veel poriën
noem je poreus. Vraag 15 In poreuze grond kan water honderden meters
diep wegzakken. Dat betekent infilteren. Vraag 16 15) Hoe noem je de kleine openingen tussen de zandkorrels? Vraag 17 16) Vertel in je eigen woorden wat infiltreren van water is. 17) Grondwater:
Welke lijn in onderstaande tekening is het grondwaterpeil (of grondwaterspiegel)? Water is in de landbouw erg belangrijk. Als er teveel van is moet het worden afgevoerd. Dat heet draineren. Als er te weinig van is moet het worden toegevoerd. Dat heet irrigeren. Door draineerbuizen kun je het water weg laten lopen of wegpompen.
Vraag 18 14) Een gletsjer lijkt stil te liggen. Toch is dat niet zo. Vertel wat er gebeurt! 19) Wat zie je op onderstaande foto’s? Vraag 19 Vraag 20 Op de hele aarde is erg weinig zoet water, maar 2.5%. De rest van het waterpercentage is allemaal zout, 97,5%.
30,8% van de 2,5% is zoet grondwater. 68,9% van al het grondwater zit in de ijskappen en in de gletsjers. 0,3% van het zoete water bestaat uit meren en rivieren. Vraag 21 18) Leg uit wat draineren is. Op de rechter foto zie ik dat het land word gesproeid, daardoor gaan de planten beter groeien. Als het een tijdje niet heeft geregend, hebben de planten water nodig. Dit is beregening, de regen wordt nagedaan met sproeiers.
Je ziet links de bloemetjes groeien, en daarnaast ligt een buisje. Daar komt water uit zodat ze goed groeien en dat ze niet slap worden. Dit heet druppelirrigatie. 20) Noem de 3 irrigatietechnieken en voeg van ieder techniek een plaatje bij je antwoord. Er zijn verschillende irrigatietechnieken. Bij druppelirrigatie krijgt elke plant via een buisje precies
voldoende water. Zo gaat er veel minder
water verloren dan bij de oppervlakte-irrigatie ( wateraanvoer via kanaaltjes of sloten ) of
beregening ( wateraanvoer via een buizenstelsel met sproeiers ). 21) Hieronder zie je de zoet/zoutwaterverdeling op aarde. Geef de twee locaties en de
percentages aan van het zoete water op aarde. Als het niet goed leesbaar is heb ik hem ook nog in het echt! Evaluatie Ik vond deze opdracht van aardrijkskunde wel leuk. Maar niet heel erg leuk. Omdat het binnen een week af moest en we hadden pas op donderdag aardrijkskunde. Maar als nog heb ik werk van deze opdracht gemaakt. Ik heb een prezi ervan gemaakt en geprobeerd zo lang mogelijk antwoord te geven.

Ik heb ongeveer 4 uur aan deze opdracht besteed.
Hopelijk vond u het leuk en mooi en heeft u er veel van geleerd!
Full transcript