Loading presentation...
Prezi is an interactive zooming presentation

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Presentatie Bachelorthesis

Postpatum depressie bij moeder: relatie met acceptatie en populariteit van vijfjarige kinderen
by

M. van D.

on 10 February 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Presentatie Bachelorthesis

Postpartum Depressie bij Moeder: Relatie met Acceptatie en Populariteit van Vijfjarige Kinderen

Inleiding
Gemiddeld 16-27% van alle schoolgaande kinderen in Nederland wordt gepest (Analitis et al., 2009; Fekkes et al., 2005)
Voorspellers van Pesten
Volgens De Bruyn et al. (2010) :
Acceptatie door Leeftijdsgenoten: hangt nauw samen met sociale vaardigheden (empathie, behulpzaamheid, enz.). Wanneer een kind dit mist wordt het minder geaccepteerd en vaker gepest (De Bruyn, Cillessen, & Wissink, 2010).
Populariteit: refereert naar de status van het kind in de klas. Populaire kinderen zijn assertief, leiden de groep en staan hierdoor in het middelpunt van de belangstelling. Minder populaire kinderen worden minder geroemd en meer gepest.
Stroufe, Egeland & Carlson, 1999:
Tijdens interacties met verzorger(s) ontwikkelen kinderen belangrijke vaardigheden die ten grondslag liggen aan een goede omgang met leeftijdsgenootjes.
Mogelijke oorzaak: Onveilige hechting
Verissimo et al., 2011; Cohn, 1999:
Onveilig gehechte kinderen hebben meer moeite met deze vaardigheden, waardoor zij vaak minder geaccepteerd worden en minder populair zijn dan hun veilig gehechte leeftijdsgenootjes.
Risicogroep?
Cicchetti, Rogosch en Toth (1998):
Kinderen van moeders die een postpartum depressie (PPD) hadden zijn vaker onveilig gehecht.
Er is echter nog niet eerder onderzocht of deze kinderen ook minder populair zijn en minder geaccepteerd worden door hun leeftijdsgenootjes.
Vraagstellingen
(1) Welke relatie heeft PPD bij de moeder, met de populariteit en acceptatie door leeftijdsgenoten van het kind, op vijfjarige leeftijd?
(2) Wordt deze mogelijke relatie van PPD bij de moeder met de populariteit en acceptatie van het kind gemedieerd door hechting met de moeder?
(3) Kunnen acceptatie door leeftijdsgenoten en populariteit ook binnen de PPD groep gezien worden als voorspellers van pesten? --> Dit is nog niet eerder onderzocht in deze specifieke groep.
Hypothesen
(1) Kinderen van moeders met PPD zijn minder populair en worden minder geaccepteerd, in vergelijking met een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking.
(2) Hechting met de moeder heeft een mediërend effect op de mogelijke relatie tussen een lagere acceptatie door leeftijdsgenoten en lagere populariteit bij kinderen van moeders die PPD hadden
(3) Verwacht wordt dat een lage populariteit en acceptatie door leeftijdsgenoten ook in deze groep voorspellers zijn van pesten.
Methode
Resultaten
Discussie
Deelnemers
Materialen
Procedure
Data-analyse
Twee groepen kinderen van vijf jaar oud:
PPD groep (N=58): kinderen van moeders die aan de volgende criteria voldeden: (A) diagnose 'major depressieve episode' of 'dysthymie' volgens DSM-IV criteria, of een score > 14 op BDI, (B) voldoende NL spraken, en (C) professioneel behandeld werden voor depressie. Moeders met psychotische stoornissen, een manische depressie en/of middelen afhankelijkheid werden uitgesloten van deelname (Kersten-Alvarez, Hosman, Riksen-Walraven, Van Doesum & Hoefnagels, 2010).

Controlegroep (N=116): representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking van kinderen en moeders. Inclusiecriteria: (A) voldoende NL spreken en (B) afwezigheid van ernstige gezondheidsproblemen bij het kind (Smeekens et al., 2007, 2008).
De afhankelijke variabelen werden gemeten met de volgende materialen:
Populariteit en Acceptatie: door middel van twee vragen op een vragenlijst, werd de leerkracht gevraagd de populariteit en acceptatie van het kind, te beoordelen op een vijfpuntsschaal.
Hechting: gemeten met de Attachment Story Completion Task (Verschueren & Marcoen, 1994) . Dit is een rollenspel met poppen, waarbij een kind vijf hechtingsgerelateerde verhalen moet afmaken. De hechtingsscore werd bepaald door de som van de scores op deze vijf verhalen (Cronbach’s alpha: .68 voor de PPD groep en .78 voor de controlegroep).
Pesten: (alleen gemeten in de PPD groep), door middel van een vraag aan de moeder: ‘Wordt uw kind gepest?’, met drie antwoord mogelijkheden (ja/nee/soms).
Tijdens een schoolbezoek werd in een aparte ruimte de Attachment Story Completion Task afgenomen om de hechting tussen moeder en kind te meten. (Dit werd opgenomen met videocamera om de data later te kunnen scoren).
Voorafgaand aan het schoolbezoek werden twee vragenlijsten ingevuld door de leerkracht, om de populariteit en acceptatie van het kind te bepalen.
Ook de moeder vulde voorafgaand aan het schoolbezoek een vragenlijst in, waarin gevraagd werd of het kind gepest wordt. Deze vraag werd echter alleen gesteld aan moeders in de PPD groep.
Voorafgaand aan de analyse: (a) controle van normale verdeling (kwantitatieve) afhankelijke variabelen (AV), (b) de bivariate inter-correlaties worden bepaald, en (c) er wordt gecontroleerd of er verschil is in demografische kenmerken tussen groepen.
Eerste vraag: MANOVA met groep (PPD/Controle) als kwalitatieve betweensubjectsfactor en populariteit en acceptatie als AV (beide kwantitatief).
Tweede vraag: twee mediatie-analyses met de bootstrap resampling methode (N=1000) (Preacher & Hayes, 2004). Hierbij is groep (PPD/Controle) een betweensubjectsfactor, hechting (kwantitatief) een mediator, en achtereenvolgens populariteit (kwantitatief) of acceptatie (kwantitatief) de AV.
Derde vraag: Multivariabele Logistische Regressie Analyse, met acceptatie en populariteit als covariaten (kwantitatief) en pesten (nee/soms/ja) als AV.
Voorafgaand aan Analyses
Eerste Vraag
Tweede Vraag
Derde Vraag
Alle (kwantitatieve) variabelen waren normaal verdeeld.
De inter-correlaties tussen variabelen waren allemaal significant en verschilden weinig tussen de groepen.
De groepen bleken niet significant van elkaar te verschillen in de demografische kenmerken (leeftijd en geslacht kind, nationaliteit moeder).
(1) Welke relatie heeft PPD bij de moeder, met de populariteit en acceptatie door leeftijdsgenoten van het kind, op vijfjarige leeftijd?
--> MANOVA.

Multivariate toets: Groep (PPD/Controle) heeft een significant effect op de acceptatie en populariteit van het kind (F(2,162) = 5.43, p < .01).
Univariate toetsen: dit effect was significant voor zowel acceptatie (F(1,163) = 10.60, p<.001, eta² = .06) als voor populariteit (F(1,163)=4.14, p<.05, eta²=.03).
Kinderen van moeders met PPD waren gemiddeld minder populair (M=2.98, SD=0.11) en minder geaccepteerd (M=4.07, SD=0.09) dan kinderen uit de controlegroep (populariteit: M=3.27, SD=0.08 en acceptatie: M=4.44, SD=0.07).

(2) Wordt de relatie van PPD bij de moeder met de populariteit en acceptatie van het kind gemedieerd door hechting met de moeder?
--> Mediatie-analyses (Preacher & Hayes 2004).

Voor populariteit was het indirecte effect .02 met een 95% betrouwbaarheidsinterval van -0.02 tot 0.09 (BootSE = 0.03).
Voor acceptatie was het indirecte effect .01, met een 95% betrouwbaarheidsinterval van -0.01 tot 0.09 (BootSE = 0.01).
In beide gevallen ligt de waarde nul binnen dit betrouwbaarheidsinterval, dus er is geen sprake van een mediatie-effect van hechting op de relatie tussen groep en populariteit of acceptatie.
(3) Kunnen acceptatie door leeftijdsgenoten en populariteit ook binnen de PPD groep gezien worden als voorspellers van pesten?
--> Multivariabele Logistische Regressie Analyse

Hieruit bleek dat het model een goede fit heeft (X²(2) = 15.06, p = .001, Nagelkerke R² = 0.44), maar dat alleen acceptatie een significante bijdrage levert aan de voorspelling van het wel of niet gepest worden van een kind. Populariteit bleek geen significante voorspeller van pesten in deze groep.

b SE Wald Exp(b)
Acceptatie -1.64 0.77 4.60 0.19 (p<.05)
Populariteit -0.67 0.78 0.81 0.50 (n.s.)

Conclusie
Derde Hypothese
Eerste Hypothese
Tweede Hypothese
(1) Kinderen van moeders met PPD zijn minder populair en worden minder geaccepteerd, in vergelijking met een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking.

Deze hypothese werd bevestigd. Kinderen van moeders die PPD hadden waren vaak minder geaccepteerd en minder populair dan hun leeftijdsgenootjes uit de controlegroep.
(2) Hechting met de moeder heeft een mediërend effect op de mogelijke relatie tussen een lagere acceptatie door leeftijdsgenoten en lagere populariteit bij kinderen van moeders die PPD hadden.

Deze hypothese werd niet bevestigd: hechting was geen significante mediator in deze relatie.
Mogelijke verklaringen:
(a) Eerdere studies tonen het belang aan van vroege hechting, op één jarige leeftijd (Bowlby, 1951), terwijl in deze studie hechting is gemeten op vijfjarige leeftijd.
(b) Daarnaast is hechting in dit onderzoek gemeten op een indirecte manier, met de Attachment Story Completion Task (Verschueren & Marcoen, 1994). Directe meetinstrumenten zijn betrouwbaarder.
(c) Er is geen rekening gehouden met de mogelijk beschermende invloed van bijvoorbeeld de hechting met de vader.
(3) Verwacht wordt dat een lage populariteit en acceptatie door leeftijdsgenoten ook in de PPD groep voorspellers zijn van pesten.

Deze hypothese klopte wel voor acceptatie: dit bleek ook in de PPD groep een voorspeller van pesten te zijn, maar niet voor populariteit: dit was geen significante voorspeller van pesten in deze groep.
Mogelijke verklaring:
Murray et al. (2006): adolescenten die in hun babytijd blootgesteld zijn aan PPD, zijn sensitiever voor emoties van anderen dan adolescenten die in hun babytijd niet blootgesteld zijn aan PPD.
Volgens De Bruyn et al. (2010): sensitiviteit voor emoties van anderen hangt samen met het al dan niet gepest worden van een populair kind. Wellicht is deze sensitiviteit voor emoties van anderen binnen de PPD groep dus een beschermende factor wat betreft gepest worden.
Limitaties
Geen garantie dat er in de controlegroep geen moeders zaten die depressief zijn (geweest). De gevonden effecten kunnen dus groter zijn in normale populatie.
Relatief kleine steekproef van PPD groep (N=58).
Meetwijze van de afhankelijke variabelen: zowel acceptatie en populariteit als pesten, zijn gemeten met een enkele vraag. Mogelijk zou een uitgebreidere vragenlijst een ander resultaat opleveren.
Vervolgonderzoek
In vervolgstudies zou het interessant zijn om te onderzoeken:
of kinderen van moeders die PPD hadden ook daadwerkelijk meer gepest worden dan kinderen van moeders die niet depressief zijn geweest;
of hechting op jonge leeftijd (één jaar) wel de relatie tussen PPD en een lage acceptatie en populariteit medieert, zodat de achterliggende mechanismen duidelijk worden (met het oog op preventie van pesten);
waarom populariteit geen voorspeller is voor pesten in de PPD groep, maar acceptatie wel. Wellicht heeft sensitiviteit voor emoties van anderen hier mee te maken, maar dat kan niet met zekerheid gezegd worden omdat dit in deze studie niet gemeten is.
Vijfjarige kinderen van moeders die PPD hadden zijn vaak minder populair en minder geaccepteerd dan hun leeftijdsgenootjes in de controlegroep.
Hechting had in deze studie geen medieerend effect op deze relatie.
Binnen de PPD groep bleek pesten wel voorspeld te kunnen worden door een lage acceptatie, maar niet door een lage populariteit.
Vervolgonderzoek moet uitwijzen of kinderen van moeders met PPD ook daadwerkelijk meer gepest worden, zodat zij wellicht in een vroeg stadium geholpen kunnen worden (met bijvoorbeeld een sociale vaardigheidstraining), om de ernstige gevolgen van pesten te voorkomen.
Full transcript