Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

English Grammar in a Nutshell for Dutch students

No description
by

Ben ter Braak

on 15 June 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of English Grammar in a Nutshell for Dutch students

Adverb/Adjective
+/-Ly
Als een woord iets zegt over een zelfst. nw. krijgt het geen -ly:
This is a quick boy. ('quick' zegt iets over die 'boy')
My mother is quick.

Als een woord iets zegt over een ander woord dan een zelfst. nw. krijgt het -ly:
He walked quickly. ('quickly' zegt iets over 'walked')

Voorbeelden:
She can type extremely quickly. ('quickly' zegt iets over 'type' en 'extremely' zegt iets over 'quickly')
He walked slowly. ('slowly' zegt iets van werkwoord 'walked')
It's terribly cold. ('terribly' zegt iets van bijvoeglijk naamwoord 'cold').
He is terribly slow. ('slow' zegt iets over 'the boy'; 'terribly' zegt iets van bijv. nw. 'slow')

-le wordt -ly
noble > nobly terrible > terribly whole > wholly

-y wordt -ily
easy > easily clumsy > clumsily

-ue wordt -uly
true > truly due > duly

Woorden als 'friendly' en 'silly' hebben van zichzelf al -ly op het eind.
Bij deze wooorden zeg je 'in a ... way'.
He walks in a silly way.
'Good' krijgt geen 'ly' maar verandert in 'well'.
This boy is good at English; he speaks it well.
'silly', 'friendly' worden 'in a .... way/manner'
This friendly man laughs in a silly way.
Vergrotende en overtreffende trap: geen 'ly'
He works quickest of all, so even quicker than you.
Bij 'gezondheid' gebruik je 'well' bij zelfst. nw.
I am not very well today. (ik voel me niet lekker)
I am not very good today.
(ik ben vandaag niet goed)
De volgende woorden krijgen geen '-ly': hard, fast, early, late, long, low, right, straight, fair, cheap, high, daily, weekly
[sommige kunnen wel '-ly' krijgen maar veranderen dan ook van betekenis.]
She works very hard. He flew very low.
He drove too fast. This is a daily paper.

[I highly {=hogelijk} appreciated this.]
[He was hardly {nauwelijks} ever present.]
[She was rightly {=terecht} punished.
[Have you seen her lately {=de laatste tijd}]
Als je 'become, feel, look, seem, smell, sound en taste' kunt vervangen door 'to be' (dus als ze een toestand weergeven) dan heeft het woord dat erna komt geen '-ly'.
[Beschrijven ze een handeling, dan wel '-ly']
This flower smells (=is) sweet. He smelt it clearly.
You look (=are) tired. I looked very quickly.
That music sounds (=is) natural. He sounds the bell badly
This soup tastes (=is) good. He tasted the soup well.


English Grammar
In a nutshell
Click on a subject
(C) BtB

Gerund
Zelfst nw. v/e Werkw
Een gerund: is een werkwoord dat als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt.
Swimming is good for you. = Het zwemmen...

Wanneer moet je de -ing vorm [gerund] nu gebruiken?

1 Als onderwerp [dus vooraan] en als lijdend voorwerp van de zin.

Smoking is forbidden in here.
We have finished eating.

2 Na alle voorzetsels [na een voorzetsel volgt altijd een zelfst. nw.]
He is interested in boxing.

Are you good at dancing?
I don't feel like [=ervoor voelen] going to the movies. (like=voor=voorzetsel)
We are looking forward to [=uitzien naar] meeting you.
He got used to [=gewend raken aan] cycling to school.

3 Na een aantal werkwoorden:
avoid, admit, mind, imagine, can't help, enjoy, finish, keep, risk, suggest
Try to avoid travelling in the rush hour.
I couldn't help laughing

4 In sommige uitdrukkingen:
be busy..; no good/use.. [=heeft geen zin]; worth..; can't stand..; there is no point in...

There is nothing here worth buying.
It's no use looking through the keyhole.
He was busy writing letters.

Na sommige werkwoorden kun je de gerund of het hele ww. geruiken;
er is wel verschil in betekenis:



Gerund [betekenis=het..... ] Hele werkwoord [betekenis=om te...... ]

forget regret remember [betrekking op verl.] forget regret remember [betr. op toekomst]
I remember posting the letter.[=het posten] I mustn't forget to post the letter.[=om te posten]
to go on... to stop... [met het ...] to go on... to stop... [om te ....]
He stopped smoking.[=met het roken] He stopped to smoke. [=om te roken]

like hate prefer love [in het algemeen] like hate prefer love [in specifiek geval]
I hate painting. I 'd prefer to walk now.
She likes cooking. [ze vindt koken altijd leuk] I would like to go for a walk. [ik wil nu wel wandelen]




Tag-questions
Short Answers
So and Neither

Aanplagvraagjes
Ja/nee antwoord
...ook/...ook niet

Een kort aangeplakt vraagje (een 'tag' = in het Nederlands "of niet?") Hoe maak je dat?

-Laat het 1e werkwoord terugkomen.
-Als er maar 1 werkwoord is zet je er do/does/did bij.
-Bij am/is/are/was/were haal je er nooit do/does/did bij.
-Òf voor, òf na de komma staat 'not'.
-De tijd blijft hetzelfde.

Hij had niet gedronken, of wel? He had not been drinking, had he?
Zij kan rijden, of niet? She can drive, can't she?
Je hebt het niet begrepen, of wel? You didn't understand, did you?
Er waren veel agenten in de buurt, of niet? There were a policemen about, weren't there?
We gaan om 3 uur, of niet? We go at 3 o'clock, don't we? (=altijd)
We will go at 3 o'clock, won't we? (=in de toekomst)






In het Nederlands antwoord je vaak heel kort: 'Ging Hij? '-Ja! ' of: '-Nee! '
In het Engels gebruik je altijd een zin: 'Did he go? Yes, he did. / No, he didn't.'

Hoe maak je zo'n kort antwoord?
-Je laat het 1e werkwoord terugkomen.
-De tijd blijft hetzelfde.

Kwam zij? -Ja! Did she come? -Yes, she did.
Moet ik haar alles vertellen? -Nee! Must I tell her everything? -No, you mustn't.
Zal hij ons leugens vertellen? Will he tell us lies? -Yes, he will.

..............hij ook (niet).

Maak je als volgt:
-Laat het 1e werkwoord terugkomen.
-Als er maar 1 werkwoord is zet je er do/does/did bij. (zie laatste voorbeeld)
-De tijd blijft hetzelfde.


Zijn vrouw volgde hem niet. -Z'n kinderen ook niet. His wife didn't follow him.
- Neither did his kids
De trein komt niet. -De bus ook niet. The train won't come. -Neither will the bus.
Ik ben te laat. -Zij ook. I am late. -So is she.
Ik zag haar. -Wij ook. I saw her. -So did we.



Tenses
Tijden
De gewone ('simple') tijd, zonder be+-ing
I work
Als iets altijd, vaak of regelmatig gebeurt, gebruik je geen 'ing-vorm' maar de gewone tegenwoordige tijd. Je gebruikt dus de gewone tegenwoordige tijd bij woorden zoals: often/always/sometimes/ usually/never/every day/on Sundays enz.

Als iets aan de gang/bezig is,moet je de -ing vorm gebruiken.
I am working.
In het Nederlands kun je zeggen: bezig met/aan het.
Er wordt een handeling beschreven die een tijdje duurt .
Die handeling wordt niet onderbroken.

Je gebruikt dus geen 'ing-form':
-als een handeling heel kort duurt
(He fell down the stairs)
-onderbroken wordt
(I listened to this song 3 times today)
-bij gewoontes
(Every day I cycle to school)
-bij feiten
(The sun rises in the east)
-bij plotselinge/onverwachte gebeurtenissen.
(Sudddenly he kicked the cop.)

De -ing vorm kun je in de tegenw. , de verleden en de toekomende tijd gebruiken.
Be quiet please baby is sleeping. (=nu mee bezig)
I was parking the car when a van ran into me. (=was daar mee bezig)
I will be sleeping at 3 in the morning. (=zal daar mee bezig zijn)
De toekomende tijd maak je in het Nederlands met 'zullen', in het Engels met:
will=zal/zullen (bij alle personen)
shall= zal zullen, maar alleen bij I/we
would=zou(den)
should=zou(den), alleen bij I/we (kjik ook even bij 'hulpwerkwoorden' !!)

Ik zal gaan.= I will/shall go.
Ik bel je morgen/Ik zal je morgen bellen. I will phone you tomorrow. *
Ze zou me morgen bellen. She would phone me tomorrow.
Zal ik je bellen? Shall I phone you?

*Pas op: in het Nederlands mag je ook de tegenwoordige tijd gebruiken voor toekomst, in het Engels niet:
Ik fiets morgen naar Arnhem. = I WILL cycle to Arnhem tomorrow. I cycle to Arnhem tomorrow.

In het Engels kun je toekomst ook uitdrukken op deze manieren:
to be going to+ww. =>
I am going to help you.
(vaak bij een plan of verwachting)
be+-ing =>
She 's coming tomorrow.
(je bent er in gedachten al mee bezig: vandaar -ing vorm)
If causes

Zinnen met If
Veel zinnen hebben een If-bijzin.

Engelse if-zinnen hebben een vaste combinatie van tijden, in het Nederlands zijn allerlei combinaties mogelijk.

Dit zijn de mogelijkheden in het Engels:
1 If he does this,........we will object If met t.t.===hoofdzin will
2 If he did this,.......... we would object If met v.t.===hoofdzin would
3 If he had done this, we would have objected If met v.v.t.===hoofdzin would have

Let op hoe je de volgende Nederlandse zinnen vertaalt:
Als hij zou komen, ging ik weg. = If he
came
, I
would go.
Als hij kwam, zou ik gaan. = If he
came
, I
would go.
Als hij zou komen, zou ik gaan. = If he
came
, I
would go.
Als hij kwam, ging ik weg. = If he
came
, I
would go.


Nog wat voorbeelden:
I [buy] that hat if it were not so dear. (zie 2: In het 'if-gedeelte v.t. dus: would buy
You will be ill if you [eat] so much. (zie 1: In de hoofdzin 'will+hele ww.' dus: eat
If they had waited, they [find] me. (zie 3: In het 'if-gedeelte' had+volt.deelw. dus: would have found
Nederlanders gebruiken vaak 'when' terwijl ze 'if' bedoelen.

If = Àls (met heel veel nadruk uitgesproken)
When = op het tijdstip dat (als, met weinig nadruk)

If I pass my exam, I will go to Spain. (Àls je slaagt, maar dat is nog niet zeker)
When I pass my exam, I will go to Spain. (je weet nu al dat je slaagt, en op dat moment ga je)

Do you know if you will go to New York? (=ga je of ga je niet?)
Do you know when you will go to New York? (=ik weet dat je gaat, maar nog niet wanneer.)
Spelling
A few spelling rules:
Meervoud altijd met vaste s
bijv. cameras photos discos kiwis


Medeklinker + y wordt ie
bijv. baby - babies to carry - she carried

Voor de uitgangen -ed en -ing wordt de eindmedeklinker verdubbeld na 1 beklemtoonde klinker:

to stop- stopping maar: look - looking (2 klinkers)
to prefer - preferred; maar: develop- developed (geen klemtoon op laatste lettergreep)
answer - answered (geen klemtoon)

Geen koppelteken in aardrijkskundige namen,
bijv. Great Britain; North America; New Zealand; South Africa

Maanden en dagen met een hoofdletter, jaargetijden niet
bijv. Sunday, January, winter

Data:
12 March / March 12 / 12th March / March 12th
(nooit: 12-3 omdat amerikanen dit lezen als 3 december)
Je ZEGT "the twelfth of March"

There is more....
Full/till/all worden met dubbel l geschreven. Behalve als ze een deel van een woord zijn, dan worden ze met één I geschreven,
bijv. beautiful, until, successful, always already

Telwoorden. Let op:
fourteen, forty, fifth, ninth.
Koppelteken na tientallen,
bijv. twenty-three.

Na hundred volgt and,
bijv. two hundred and forty-two.
In getallen punten en komma's precies andersom in het Engels.
½=0.5 1,000,000,000=1 billion
(=1miljard!)



NEVER WRITE:
wanna
gonna
ur
u

En 'ik' is in het Engels:

Articles
Lidwoorden
A / AN
Je gebruikt an in plaats van a voor een woord dat in de uitspraak met een klinker (a,e,i,o,u) begint
bijv. a car, an old car, an hour, a unit, an uncle, an honest man, a happy man

Gebruik van A/AN
Bij beroepen/functies gebruik je a(n)
bijv. Hij is kapitein. He is a captain.
Als het beroep of de functie slechts door één persoon tegelijk uitgeoefend kan worden, gebruik je geen lidwoord.
He is captain of this ship.

Voor thousand en hundred gebruik je a
Er waren duizend/honderd mensen. There were a thousand/a hundred people.

Na as:
als kind=as a child

Let ook op:
een halve dag=half a day; een hele verbetering = quite an improvement; een hele verrassing = rather a surprise; 70 mijl per uur=70 miles an hour

Je gebruikt GEEN THE in de volgende gevallen:

-school/hospital/prison/church als het gaat om het gebruik.
Als het om het gebouw zelf gaat, gebruik je wel the.

School begins at 8.30. The school is a big building.
She is in hospital. Where is the hospital?
He was in prison for 1 year. The prison was in a small town.
They were going to church. The church was bombed in the war.

-bij namen van maaltijden
B
reakfast/lunch/dinner is ready.

-bij zelfstandige naamwoorden in algemene (abstracte) zin
Het leven is mooi = Life is beautiful
De tijd (in het alg.) zal het leren = Time will tell.
De mensen (in het alg.) zullen dat niet geloven = People won't believe it.
De vrouw is niet de slaaf van de man. = Woman is not the slave of man.
De mens is wreed. = Man is cruel.

-voor most als het betekent: het grootste deel van
De meeste kinderen houden van ijs. Most children like ice-cream.

Je gebruikt WEL THE voor muziekinstumenten:
he plays the guitar

Can must
may

Hulpww.

Werkwoorden hebben 3 'vormen'
hele ww. (gebruik je een ander ww) - verleden tijd - volt. deelw. (na have/has/had)
Bijv.:
to go - went - gone

can must en may hebben geen volt.dw. en must en may hebben zelfs geen verleden tijd.

Dan moet je dus ipv deze woorden soms iets anders zeggen:

can=be able to
must= have to
may= be allowed to

He will can go. > He will be able to go.
He has may see me . He has been allowed to see me.
She must go yesterday > She had to go yesterday (let op: 'must'=tegenw. tijd)
We have must write it down. We have had to write it down.




Hulpwerkwoorden Speciale gevallen (het rode uit je hoofd leren!!!)
She may be right.
May = vaak ‘misschien'
She might/could be right.
Might / could = vaak ‘heel misschien'
Could you open the door? I could buy it if I wanted to.
Could = vaak ‘zou kunnen'
He should help her. / He ought to help her.
Should / ought to = moet eigenlijk
He should have helped her.
Should have = had eigenlijk moeten
You must not [=mustn't] go
must not = ‘ik verbied het'
He could have helped us, if he had wanted to!
could have = hàd kunnen
You might/could have helped the old lady cross the street!!
might/could have drukt vaak een verwijt uit
You don't have to do it.You don't need to do it.
not have to/not need to = niet hoeven
He must/may have helped them yesterday
must/may + have verwijst naar het verleden
They must be twins, they look so much alike
must wordt gebruikt bij een logische conclusie, het moet wel zo zijn

When he was younger he could swim fast
could => bij algemene waarheden
He was able to swim fast yesterday.
was able to => bij specifieke gebeurtenis


Indirect speech
Indirecte rede
-Tom said: “My sister
works
here.” -What did Tom say? -He said that his sister
worked
here.

Het eerste zinnetje hierboven is geschreven in de directe rede.
D.w.z. Er staan aanhalingstekens en Tom heeft het exact zo gezegd.
Het laatste zinnetje heeft geen aanhalingstekens en Tom zei het niet exact zo: indirecte rede

Als je indirecte rede gebruikt na een werkwoord dat in de v.t. staat, moet je het werkwoord dat daarna komt ook verder in het verleden plaatsen. (net als in het Nederlands)

Directe rede
He said:…
…“She is late.”
…“He always sings.”
…“I will explain.”

Als een zin al in de verleden tijd staat, gebruik je de Volt. Verl.tijd.
[dus met had+volt.deelw.]

Directe rede
He said:…
…“She was late.”
…“Bob always rang.”

Auxiliaries
Present
Past
Future
Soms staan in 1 zin twee handelingen beide in de verleden tijd, 1 handeling vindt echter duidelijk eerder plaats dan de andere. In het Engels en het Nederlands gebruik je dan:
Had+volt.deelw (= volt. verl. tijd)

I
had
already
seen
her when she noticed me. (zij bemerkte jou, maar daarvoor
had
je haar al
gezien
)
He
had
already
slept
for 3 hours when I
woke
him. (wat het eerst in het verleden gebeurde krijgt vvt)

In een schemaatje:
De tegenwoordige tijd is in het Engels niet zo lastig.

Denk er wel aan dat je vaak een be+-ing vorm moet gebruiken: als een handeling bezig is.
(Zie ook het blaadje hierboven)
Kijk, hij werk op de steiger= Look, he is working on the scaffolding
. (Hier mag je niet 'works' zeggen ipv 'is working'.
Hij werkt elke dag op de steiger= he works on the scaffoling every day
(gewoonte, geen -ing

Denk eraan dat bij he/she/it het eerste werkwoord altijd eindigt op een -s in de tegenw tijd
We work-He work
s
I have a headache-She ha
s
a headache .


Bij hulpww gebeurt dat niet:
I can work- He can work
(na 'can' dus geen -s ook al staat er he/she /it voor)
Als iets heel duidelijk in het verleden gebeurde, gebruik je de verleden tijd (dat klinkt nogal logisch, maar in het Nederlands doe je dat niet altijd.)

Als er woorden in de zin staan als 'yesterday, last week, a year ago, in 1999' dan is dat heel duidelijk v.t. en dan MOET je ook de verleden tijd gebruiken:
Yesterday I
helped
her. Dus
niet
: '
have helped
'
(in het Nederlands maakt het niet uit, beide kan: 'hielp' of 'heb geholpen')

_________________________________________________________________________

Heel vaak begint een handeling wel in het verleden, maar loopt hij door tot nu.
Dan MOET je 'have/has + voltooid deelw, gebruiken.
De volgende woorden geven aan dat iets doorloopt tot nu: since/not yet/up till now/for how long/for/just/ever/never/already/so far/Since when..?/For how long..?
Hij
woont
hier sinds 1999. He
has lived
here since 1999.
Hoe lang werk je hier al? = For how long
have
you
lived
here? (tot nu toe)
Ze heeft al drie uur brieven geschreven. = She
has

been
writing letters for 3 hours now.
Kijk uit: Hij
heeft
hier in 2000
gewoond
= He
lived
here in 2000. (zie hierboven)

Soms gebeurt iets wel in het verleden, maar de gevolgen in het heden zijn belangrijker.
Mum stop fussing, I
have
already
finished
my homework (je bent NU klaar, wil je zeggen)
I have built this house myself. (deed ik vorig jaar, maar ik woon er NU!)
Pas op: Als er v.t. in de zin staat nooit have/has+ volt deelw.
Last year
I
built
this house (ook al woon je er nu in!!)
Word:
Leer de onregelm werkw. WRTS:
Yesterday I
helped
her. Dus
niet
: '
have helped
'
Hij
woont
hier sinds 1999. He
has lived
here since 1999.
http://www.btb.wrts.nl
ONREGELMATIGE WERKWOORDEN ENGELS IN GROEPEN .

1e vorm: gebruik je in de tegenwoordige tijd en na werkwoorden als: can, must, may, will, could, might, would  They swim / He can swim

2e vorm: gebruik je in de verleden tijd; bij alle onderwerpen is deze vorm hetzelfde  He swam yesterday; they swam last week

3e vorm: gebruik je in de voltooide tijd, dus na de werkwoorden: have, has en had  They have never swum; She has swum all her life

WERKWOORDEN WAARBIJ ALLE VORMEN HETZELFDE ZIJN

Kosten cost cost cost
Snijden cut cut cut
Slaan, raken hit hit hit
Pijn doen hurt hurt hurt
Laten let let let
Neerzetten put put put
Dichtdoen shut shut shut
Lezen read read read
Barsten burst burst burst

WERKWOORDEN WAARBIJ DE 2e VORM EN 3e VORM HETZELFDE ZIJN
Lenen aan iem. lend lent lent
Zenden, versturen send sent sent
Doorbrengen,uitgeven spend spent spent
Bouwen build built built

Branden, verbranden burn burnt burnt
Leren learn learnt learnt
Ruiken smell smelt smelt
Dromen dream dreamt dreamt
Bedoelen mean meant meant

Houden keep kept kept
Slapen sleep slept slept

Krijgen get got got
Zitten sit sat sat
Graven dig dug dug
Plakken stick stuck stuck
Winnen win won won

Voelen feel felt felt
Verlaten, vertrekken leave left left
Ontmoeten meet met met
Verliezen lose lost lost
Aansteken (kaars/lamp) light lit lit
Schieten shoot shot shot

Brengen bring brought brought
Kopen buy bought bought
Vechten fight fought fought
Denken think thought thought

Pakken, vangen catch caught caught
Lesgeven teach taught taught

ONREGELMATIGE VORMEN (2e en 3e VORM HETZELFDE)
Verkopen sell sold sold
Vertellen tell told told
Vinden find found found
(vast)binden bind bound bound
Hebben have had had
Horen hear heard heard
Vasthouden hold held held
Zeggen say said said
Betalen pay paid paid
Maken make made made
Staan stand stood stood
Begrijpen understand understood understood



WERKWOORDEN ( 2e VORM EN 3e VORM VERSCHILLEND)
zijn be [am is are] was/were been
Breken break broke broken
Kiezen choose chose chosen
Spreken speak spoke spoken
Stelen steal stole stolen
Wakker worden wake woke woken

Autorijden drive drove driven
Rijden (fiets/paard) ride rode ridden
Stijgen, opstaan rise rose risen
Schrijven write wrote written
Slaan beat beat beaten
Bijten bite bit bitten
Verbergen hide hid hidden

Eten eat ate eaten
Vallen fall fell fallen
Geven give gave given
Vergeven forgive forgave forgiven
Zien see saw seen
Nemen take took taken
Schudden shake shook shaken


Blazen blow blew blown
Groeien grow grew grown
Weten know knew known
Gooien throw threw thrown
Vliegen fly flew flown

Tekenen, trekken draw drew drawn
Laten zien show showed shown

Beginnen begin began begun
Drinken drink drank drunk
Zwemmen swim swam swum
Bellen ring rang rung
Zingen sing sang sung
Rennen, hardlopen run ran run

Komen come came come
Worden become became become
WERKWOORDEN DIE NIET ONDER BOVENGENOEMDE REGELS VALLEN
Doen, maken do did done
Gaan go went gone
Liggen lie lay lain
Vergeten forget forgot forgotten
Dragen (kleren enz.) wear wore worn

4 Geef de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes.
1. I (wake) up ten minutes ago.
2. In 1999 she (teach) English in Japan.
3. He had (spend) too much money.
4. Yesterday a policeman (shoot) a burglar.
5. You have (send) the email to the wrong address.
6. Prices have (rise) by 10%.
7. Where have you (put) the key?
8. His father has (lend) her two thousand pounds.
9. Last week they (leave) on a world trip.
10. I have (hurt) my knee.


Key zie volgende pagina:



1. Woke
2. Taught
3. Spent
4. Shot
5. Sent
6. Risen
7. Put
8. Lent
9. Left
10. hurt

Will/would/shall/should worden ook vaak gebruikt in If zinnen.

Er is een apart hoofdstuk gewijd aan IF
Wil alle tijden in een keurig overzicht in een Word-document,
klik dan op onderstaande link:
http://braaktbj.home.xs4all.nl/WordDocs/Alle%20Tijden.doc
Let op:

-Bij 'have to / has to / had to' moet je altijd er do/does/did bij halen.
-Als een zin met 'there' begint, dan komt dat weer terug na de komma.
-Bij 'let's' krijg je altijd 'shall we?'
-'I am' wordt 'aren't I?'





Ze moesten om negen uur vertrekken, of niet? They had to leave at nine, didn't they?
Er waren veel agenten in de buurt, of niet? There were a policemen about, weren't there?
Laten we gaan, he? Let's leave now, shall we?
Ik ben laat, nietwaar? I am late, aren't I?
Passive
Lijdende zinnen
Alle tijdsregels gelden ook voor lijdende zinnen. Voorbeelden:
Luister de cd wordt nu opgenomen. = Listen is being recorded now. (nu: be+ing)
Deze tekst wordt morgen gelezen.= Tomorrow the text will be read. (morgen: toekomst)
Deze vraag is nog niet gesteld.= This question has not been asked (tot nu toe: have+volt.dw.)
De krant is gisteren niet bezorgd.= Yesterday the paper was not delivered (gisteren: verleden tijd)

Kijk uit bij vertalen: BE=WORDEN en WORDEN=BE in een lijdende zin:

The car was stolen. = werd gestolen.
De auto is gestolen (geworden). = has been stolen


In het Nederlands laat je ‘geworden' vaak weg in lijdende zinnen, in het Engels kun je ‘been' niet zomaar weglaten)
De volgende vier gevallen worden vaak verkeerd vertaald (let op: worden gestolen = are stolen)
•De autos worden gestolen. = The cars are stolen.
•De auto's zijn gestolen [geworden]. = The cars have been stolen. (je moet ‘geworden' met ‘been' vertalen: zie boven)
•De auto's werden gestolen. = The cars were stolen.
•De auto's waren gestolen [geworden]. = The cars had been stolen.




‘Er’ vaak niet met ‘there’ vertalen aan het begin van de zin:
Er worden boeken gelezen. = Books are read.
Er zijn veel boeken zoekgeraakt. = Many books have been lost.
Soms wil of kun je het onderwerp in een zin niet met naam noemen. Lijdende zinnen komen
dan goed van pas. Bestudeer ze goed: Engelsen gebruiken Passives veel vaker dan wij.

In een Lijdende zin is het onderwerp zelf niet actief, het onderwerp ONDERGAAT de handeliong:

Active:
Thieves
stole the goods from the warehouse.
Passive:
Goods
were stolen from the warehouse. (De 'goederen' zijn niet zelf actief.)





Stappenplan voor het maken van een goede lijdende zin:
1 is de zin lijdend? (het onderwerp is niet actief en je kunt erbij denken ‘door...’)
2 zo ja: welke tijd moet het zijn (verleden tijd/toekomende/voltooid t.t etc.)?
3 kies de juiste tijd en gebruik 'be' met het voltooid deelwoord erachter.

Voorbeelden:
My paper (mark) tomorrow. (ja het is lijdend, te tijd is toekomst, dus 'will ' erin!
will be marked
My paper (mark) last week, I had an A+.
was marked







Een passive bestaat altijd uit: een vorm van 'be' + voltooid deelwoord.
a /an the
I
inderdaad altijd met een HOOFDLETTER.
Comparison

Big bigger
biggest

Trappen van Vergelijking
Woorden met 1 lettergreep krijgen -er/-est
fast - faster - fastest
wide - wider - widest
big - bigger - biggest

Woorden met meer lettergrepen krijgen more-/most
famous - more famous - most famous
modern - more modern - most modern
important - more important - most important


Uitzondering: woorden met 2 lettergrepen die op -y eindigen krijgen -ier/-iest
happy - happier- happiest
lazy - lazier - laziest
sunny - sunnier - sunniest















ONREGELMATIGE trappen van vergelijking: (uit het hoofd leren!!!)

goed
good - better - best
slecht
bad - worse - worst
ziek
ill - worse - worst
veel
(enkelvoud) much (water) - more (water) - most (water) *
veel
(meervoud) many (books) - more (books) - most (books) *
weinig
(enkelvoud) little (water) - less (water) - least (water) *
weinig
(meervoud) few (books) - fewer (books)- fewest (books) *
ver
far - further - furthest
klein
little /small - smaller - smallest
de allerlaatste Potter
the last Potter
de nieuwste Potter
the latest Potter


* Veel fouten worden gemaakt bij:
veel meer meest voorb.
enkelvoud
much more most…………water
meervoud
many more most…………cars
weinig minder minst
enkelvoud
little less least…………gold
meervoud
few fewer fewest …….dvd’s

even...als =as...as
Hij is even slim als ik. = He is as clever as I am
.

na een vergrotende trap altijd thAn (en NIET thEn)
He is bigger than I am.
First Peter came then Jack.

steeds ...er = 2x vergrotende trap in het Engels
steeds groter =bigger and bigger
steeds duurder =more and more expensive
steeds mooier = more and more beautiful
steeds zieker = worse and worse

als een woord eindigt op: '....medeklinker-klinker-medeklinker' dan de laatste letter verdubbelen
big-bigger-biggest
fat-fatter-fattest
Waarom geen verdubbeling bij?
clean-cleaner
fast-faster



Wordorder
Woordvolgorde
De volgorde van woorden in een Engelse zin

[tijd] Onderwerp Werkwoorden [bij elkaar] Voorwerpen [Meew...Lijd.] Bepalingen [Plaats...Tijd]


[Tomorrow...]He....... must give..............................me....the pen .....................at school..tomorrow

Plaats van woorden van onbepaalde tijd bijv. often/always/never/usually/sometimes/still.

I always get up at 7.30.
==>1 als er 1 werkwoord is staan ze voor het werkwoord:
I have never met her.
==>2 als er meer werkwoorden zijn, na het eerste werkwoord:
She is often ill.
==>3 na am/are/is/was/were:
Does he always stop here?
==>4 In vragen: na het onderwerp.

In vragende zinnen draai je het onderwerp en het werkwoord om:
Ik ga==> Ga ik? I go.==> Do I go?

Dit omdraaien heet inversie. In het Engels krijg je ook inversie als er een negatief woord aan het begin van een zin staat.

Als seldom, only then, never before, not only, not until, little, not for a moment, hardly...when [=no sooner...than=scarcely...when =nauwelijks...of] aan het begin van een zin staat,wordt de volgorde: hulpww. [evt. to do] + onderw. + rest

I have seldom heard such nonsense. = Seldom have I heard such nonsense.
He was not only an actor but also a poet. = Not only was he an actor but also a poet.
We little suspected that Tom would become famous. = Little did we suspect that Tom would..... (=We verwachtten totaal niet dat Tom...)

In het laatste voorbeeld stond er nog maar 1 ww. in de zin: dan 'to do' toevoegen. Nog zo'n voorbeeld:
He seldom went to Germany = Seldom did he go to Germany.
He seldom goes to Germany = Seldom does he go to Germany.

Voorbeeld:
Gisteren kwam hij te laat.=Yesterday he came too late.
(altijd eerst onderwerp dan de ww.)
Je moet me de pen morgen geven.=You must give me the pen tomorrow.
(werkwoorden bij elkaar)

Woorden van bepaalde tijd geven aan wanneer iets gebeurt, bijv. yesterday/next year/two days ago/tomorrow/in 2005. Ze staan achterin of voorin de zin.

bijv. She left yesterday. Yesterday she left.

Woorden van plaats geven aan waar iets gebeurt, bijv. in London/in a disco. Ze staan helemaal achteraan. Let op: plaats komt voor tijd. Een ezelsbruggetje is P voor T in het alfabet (plaats/tijd).
Voorbeeld: I saw him at the station yesterday.
'Billiards' is also an existing word: for its meaning ask Mr Tennekes ;-)
'We eat what we can and
we can what we can't.'
Written on a noticeboard in a Cannery
[cannery=inblikfrbriek]
Indirecte rede
He said that…
…she was late.
…he always sang.
…he would explain.

Indirecte rede
He said that…
…she had been late.
…Bob had always rung.

Pronouns
Voornaam-
worden


bezit bezit lijdend./ Onder- wederkerend
(bij z.n) (met z.n) meew, vnw werp voornaamwoord *
This is
my
knife. It's
mine.
Give it to
me. I
won't cut
myself .
This is
your
knife. It's
yours.
Give it to
you. You
won't cut
yourself
This is
his
knife. It's
his.
Give it to
him. He
won't cut
himself
This is
her
knife. It's
hers.
Give it to
her. She
won't cut
herself
This is
its
knife. It's
its.
Give it to
it. It
won't cut
itself
This is
our
knife. It's
ours.
Give it to
us. We
won't cut
ourselves
This is
your
knife. It's
yours.
Give it to
you. You
won't cut
yourselves
This is
their
knife. It's
theirs.
Give it to
them. They
won't cut
themselves
*
Een wederkerend voornaamwoord slaat terug op het onderwerp (net als in het Nederlands).
Voorbeelden: ik sneed me. = I cut myself
Wij sneden ons. = We cut ourselves
Je gebruikt deze -self woorden ook om nadruk te geven.
bijv. Ik heb het zelf gezien. I have seen it myself.

Let op: de volgende werkwoorden hebben in het Engels geen -self (in het Nederllands wel):
to remember / to feel / to hurry / to worry / to behave / to realize / to concentrate.

Voorbeelden:
Ik herinner
me
zijn gezicht. = I remember his face.
Hij voelde
zich
ongelukkig. = He felt unhappy.
Je gedroeg
je
slecht. = You behaved badly.

De vragende voornaamwoorden zijn in het Nederlands: wie/wat/welke.
In het Engels: who/what/which.
Zo gebruik je ze:
Who voor personen.
Who is that boy?
What voor dingen.
What countries did you visit?
Which voor een keuze uit klein aantal personen/dingen.
Which of you knows this?
Which book did you like best?
Whose = van wie/wiens.
Whose pen is this?


Pas op: In een vraagzin moet altijd een hulpww staan.
Vaak zet je er daarom to do in.
(Do you like him?)

Als een vraagzin met 'Who' begint, en dat 'who' is het onderwerp van de zin, dan geen 'do':
Who saw you?
(=Wie zag jou?)====>'Who is onderwerp: geen 'do'!
Who did you see?
(=Wie zag jij?)==>'Who' is niet het onderwerp: wel 'do'




Een betrekkelijk voornaamwoord slaat terug op een voorafgaand zelfstandig naamwoord,
bijv. de jongen die ... the boy who

Who/that voor personen

The boy who/that is walking there, is my friend.
The woman (who/that) he talked to is his mother.

Whose = van wie/wiens
She is the girl whose coat was stolen.

Which/that voor dingen/dieren
Is this the book (which/that) you are looking for?

na:'overtreffende trap/any/only/single/all/-thing' ' MOET je 'that'gebruiken (en niet who/which)
This is the only face (that) she can remember.
Is there something (that) you want to tell me?

Je mag deze woorden weglaten, zie haakjes, als er dan wel een onderwerp in de bijzin blijft staan. (in het laatste voorbeeld is 'you' het onderwerp van de bijzin)




Als er een komma voor het betr.vnw. staat weet je al wie er bedoeld wordt, daarvoor heb je het tussenzinnetje niet nodig. In zo'n zin moet je 'wh...' gebruiken.
My father, who is an old man, still drives his car. (je weet al wie 'my father' is, dus komma, dus 'wh..'
My dog Toby, which is a retreiver, is fast as lightning.

Which moet je gebruiken als het terugwijst naar een hele zin:

He helped us all day long, which we appreciated very much!

Enkelvoud Meervoud

Dichtbij
this these
Veraf
that those


deze pen = this pen
(dichtbij+enkelvoud)
deze pennen = these pens
(dichtbij+meervoud)
dit zijn appels = these are apples
(dichtbij+meervoud)
dat zijn bananen = those are bananas
(veraf+meervoud)

Pas op voor gevallen als:
Dit zijn mijn appels. = These are my apples.
Dat zijn jongens. =Those are boys.

I me mine myself
Who which that
This that these those
Possessives
Bezit
Bij personen: ‘s
De hoed van Tom = Tom’s hat.

Bij dieren:' s / of
De kooi van de leeuw= The lion’s cage. The cage of the lion.

Bij dingen: of
De poot van de stoel= The leg of the chair

Let op: meervoud-s is nooit met ‘s
Heeft een woord al meervoud-S en ook nog bezit, dan alleen ‘
De auto’s van onze ouders = Our parents’ cars
Het speelgoed van de kinderen = The children’s toys / The kids’ toys
De auto van Agnes = Agnes’s car (geen meervoud dus ‘s)
De ramen van het huis. The windows of the house.


Bij TIJD en AFSTAND uitdrukkingen gebruik je ook meestal ‘s / ‘ in plaats van of:
Een pauze van een uur = A one hour’s break
Een wandeling van 3 mijl = A 3 miles’ walk

Als het woord na de 's een gebouw is kun je dat 'gebouw' VAAK WEGLATEN.
[het moet dan voor de ander wel duidelijk zijn welk gebouw je bedoelt]
De St. Paulus Kathedraal = St Paul's cathedral
Laten we naar het huis van Joe gaan = Let's go to Joe's house.




's / of / '
Nouns
Zelfst. nw
Het meervoud van een Zelfst.Nw. maak je door er een S achter te zetten (nooit ‘s)

one photo============> two photos
one A===============> two As
1 voice==============> two voices
In de zestiger jaren=====> In the 60s

Na een ‘sis’ klank komt er –es
one kiss===========>two kisses
one bus===========>two buses

Zijn het er meer? Dan meervoud gebruiken!!!
Ze gingen naar school op hun fiets.=======>They went to school on their bikeS
Ze roken een cigaar die elk 2 dollar kosten. =>They’re smoking cigarS that are 2 dollarS each.
Zij is nu 2 jaar.=====================> She is 2 yearS old now. (but: a two-year-old girl.)



http://braaktbj.home.xs4all.nl/WordDocs/ONREGELMATIGE%20WERKWOORDEN%20ENGELS%20IN%20GROEPEN.doc
Uitzonderingen:
-o wordt vaak -oes
one negro =====> two negroes
one hero ======> two heroes
one potato =====> two potatoes
one tomato =====> two tomatoes
one volcano =====> two volcanoes
one echo =======> two echoes
one mosquito ====> two mosquitoes

-f/-fe wordt vaak -ves
one knife===>two knives
one wife===>two wives
one leaf====>two leaves
one wolf===>two wolves
one life====>two lives
one half====>two halves
one loaf====>two loaves (broden)
one thief===>two thieves
vergelijk:
You did it yourself. ===>Jij deed het zelf.
You did it yourselves.==>Jullie deden het zelf.


Aparte meervoudsvormen (uitzonderingen dus
Uit het hoofd leren:
one man ===> two men
one woman => two women
one child ===> two children
one ox =====> two oxen
one penny ==> two pence (2 pennies=2 muntjes)
one foot ====> two feet
one goose ===> two geese
one tooth ===> two teeth
one mouse ==> two mice
one louse ===> two lice
Lastige gevallen (1):

"cattle (=vee) people police clergy" staan in het enkelvoud, maar de rest van de zin doet alsof deze zelfst nm. meervoud zijn:


De politie is vertrokken. =======> The police
have
(niet: has) left.
Het vee wordt verkocht in Juli.===> The cattle
are
sold in July.
Die mensen worden oud.=======>
Those
people
are
getting old.
Deze geestelijken zijn...=======>
These
clergy
are




Lastige gevallen(2):

Onderstaande woorden staan in het meervoud en de rest van de zin past zich daarbij aan. (in het Nederlands staat alles in het enkelvoud.

clothes, thanks, wages, stairs (=trap),
contents (=inhoud), environs, surroundings (=omgeving), belongings (=eigendom), scales (=weegschaal), stairs (=trap), outskirts (=randgebied v/e stad), customs (=douane), savings (=spaargeld), earnings (=inkomen), premises (=pand/terrein), brains, looks.
scissors, pyjamas, pants, tights, shorts, trousers, jeans, spec(tacle)s (=bril), glasses, compasses (=passer)

Mijn spijkerbroek is rood, waar is hij?
My jeans
are
red, where
are

they
?
Die pyjama is rood, hij is van mij!
Those
pyjamas
are
red,
they are
mine!

Lastige gevallen(3):
Bij onderstaande woorden geldt:
Deze woorden kunnen een enkelvoud of meervoud-betekenis hebben,
De zin past zich bij dat enkelvoud/meervoud aan>

means (=middel[en]), works (=fabriek[en]),
series (=serie[s])
Chinese Japanese Portugese (=enkel-, en meervoud)
politics (=politiek),
statistics (=statistiek), economics (=economie:wetenschap),

Deze fabrieken zijn erg oud.===>
These
works
are
very old.
Deze fabriek is erg oud.
This
works
is
very old.
Die Chinees is klein, die Japanners niet. That Chinese is small, those Japanese
are
not.
Economie is een moeilijk vak. Economics
is
a difficult subject.
"Friends" is een serie die 10 jaar duurde. Friends
is
a series that ...
"Friends" and "Breaking Ba'd"
are
good series.




Lastige gevallen(4):

Bij de volgende woorden denk je meestal aan het geheel. Dan gebruik je enkelvoud.
Echter, soms denk je meer aan de individuen: dan gebruik je meervoud.

audience (=publiek), family (=gezin!!), government, crew (=bemanning), club, class, team

Ons gezin (afz. leden) staat vroeg op. ==>My family
are
early risers.
Dit gezin komt niet op de reunie==> This family
is
not coming...
De bemanning heeft het schip ontruimd.==>
The crew
has
evacuated the ship. (de bemanning als geheel)
Our team
has
won.
The people in the audience
were
enthousiastic.



Back to Basics
Even terug naar
Klas 1 & 2
Vragende en Ontkennende (=met ‘not’) zinnen…

hebben in het Engels altijd 2 ww.,
als er nog maar 1 ww. is, dan haal je er do/does/did bij:

vragend ontkennend
I go. Do I go? I don’t go.
He sleeps. Does he sleep? He doesn’t sleep.
(let op alleen het 1e ww. krijgt een –s bij he/she/it, nooit het 2e ww.)
We will go. Will we go? We will not go.
He can run. Can he run? He cannot run.
In deze onderste 2 zinnen geen extra do/does er zijn al 2 ww

Vaak staan er meer werkwoorden bij elkaar. Het laatste werkwoord noemen we dan het hoofdwerkwoord, de andere werkwoorden heten 'hulpwerkwoorden'
Hulpwerkwoorden zijn speciaal:

*Ze krijgen geen –s bij he/she/it zinnen (andere ww. wel)
He plays. It goes. Maar: He will go. She may swim.

*In vragende/ontk. zinnen krijgen ze niet extra do

Can he play? He must not go. Does he play?

*Hulpww. hebben vaak veel betekenissen:
Can= kan, mag (Can I go out?)
May= mag, misschien(He may be late again tonight)

Er zijn regelmatige werkwoorden en onregelmatige

Regelmatig:
hele ww. ---- verl.tijd ---- voltooid deelw.
to work ---- worked ---- h. worked
Een regelmatig ww. eindigt op –ed in de verleden tijd en bij voltooid deelwoord.

Onregelmatig:
to go ---- went ---- h. gone
To sleep ---- slept ---- h. slept
De vormen van de onregelmatige ww. moet je uit je hoofd leren (doen!!)
via WRTS
mbt Word




Bij he/she/it (‘shit’-zinnen) eindigt het 1e ww. in de tegenw. tijd op een –s
I sleep -he sleeps We go -She goes
They have -It has You hurry -He hurries

http://www.btb.wrts.nl
http://braaktbj.home.xs4all.nl/WordDocs/ONREGELMATIGE%20WERKWOORDEN%20ENGELS%20IN%20GROEPEN.doc
Have/has/had en voltooid deelwoord staan altijd bij elkaar:
voor een voltooid d. staat have/has/had, na have/has/had komt altijd een voltooid deelw.

(
he has done, we have gone
: in het nederlands moet je soms ‘zijn’ gebruiken met een volt.d. (zie laatste voorbeeld hieronder, in het Engels niet!!)

Ik ben geweest. =I have been.
Zij zijn gebleven.=They have stayed.

Na alle andere hulpww. volgt het hele ww.(=de 1e vorm)
(hulpww. zijn ww. waar altijd nog andere werkwoorden achter staan)

He may* go. They can stay. She must* come.
I will see him. It could swim. We have to fly.**

Uit de zinnen hierboven kun je nog meer afleiden:
*hulpww. krijgen geen –s bij he/she/it
** na ‘have to’ (=moeten) komt geen volt.d. maar het hele ww.


Je kunt veel werkwoordvormen afkorten door een apostrof ( ‘ ) te gebruiken. De ‘ geeft aan dat er op die plek iets is weggelaten.*

Dus: plak de woorden aan elkaar en vervang de 'o' van 'not' door

have not = haven’t (de ‘o’ is weggelaten)
do not = don’t
did not = didn’t
must not = mustn’t (t middenin hoor je niet maar staat er wel!)
cannot = can’t (‘can not’ bestaat niet!!)
will not = won’t
would not = wouldn’t
is not = isn’t

*(net als in het Nederlands: des morgens= 's morgens des Heerenberg= 's Heerenberg
zijn= z'n zo een= zo'n
'
Lastige gevallen
Manual
gebruiks- aanwijzing
Bij het witte blaadje helemaal
links begin je.
Als het onderwerp meer 'deel '-
onderwerpen heeft staan die verder naar rechts
Soms valt er nog meer te vertellen over een ('deel'-)onderwerp, soms zijn er uitzonderingen.
Dat alles vind je hier dus:
verder naar beneden.
Op de gele blaadjes onderaan vind je wat oefenzinnen over het onderwerp dat erboven staat.
Kies nu een van de onderwerpen door naar het bewuste boekje te zoomen
Choose: I work/I was working

1 Please help me; I (try) to move this heavy cupboard.
2 On Saturdays I often (work) in a supermarket.
3 Every evening she (watch) the news on TV.
4 He usually (go) to school by bike.
5 Where is Rashid? He (do) his homework.
6 They never (stay) in the same hotel.
7 Sometimes I (go) to school by bus.
8 She (like) dancing.
9 Slow down, please. You (drive) too fast.
10 He (brush) his teeth twice a day.
11 I (speak) English and German.

Kies uit: I worked/I was working.
Voorbeeld: The Titanic [travel] to N. Y. when it [hit] ice. [to hit-hit-hit]
Vul in: was travelling - hit

1 I [cut] myself while I [shave].
2 He [run] in the garden when he [fall] over.
3 The young man [drive] his sports car when he [have] an accident.
4 While I [write] a letter the telephone [ring].
5 The train [go] through a tunnel when it suddenly [stop].
6 She [wash] her hair when the doorbell [ring].
7 They [walk] to school when it [start] to rain.
8 Mr Walker just [leave] his office when a man [attack] him.
9 They all [laugh] when I [get] in.
10 The boy [do] his homework when his friends [call].
11 She [hear] strange sounds while she [water] the plants.
12 They [play] tennis when she [hurt] her knee.
13 Columbus [discover] America when he [sail] in the Santa Maria.
14 He [see] an accident happen when he [drive] on the motor¬way.
15 I [drop] my bag when I [run] to the busstop.

Kies onvoltooid verleden tijd of voltooid tegenwoordige tijd [I worked/have worked]
1 Last week we went/have gone to Amsterdam.
2 First we visited/have visited my cousin Jack.
3 Jack lived/has lived there for many years now.
4 His little house was/has been built in 1920.
5 Jack lived/has lived in his house for almost three years now.
6 After visiting Jack we went/have gone shopping.
7 In one shop we met/have met an old friend of mine.
8 She worked/has worked in that shop for many years.
9 She sold/has sold many shoes during those years.
10 At about six o'clock we had/have had dinner at a little restaurant.

1 We hebben deze hond al lange tijd.
2 We hebben hem vijf jaar geleden gekocht.
3 Ik heb een boek over honden gelezen. Het is een goed boek.
4 Gisteren heeft mijn tante ons bezocht.
5 Ze woont al vele jaren in Amsterdam.
6 Ze heeft ons net opgebeld.
7 Ze is haar sleutels gisteren kwijtgeraakt, we hebben ze nog steeds niet teruggevonden.
8 Het is niet de eerste keer dat ze iets kwijt is.
9 Vorig jaar heeft ze haar hond verloren in Amsterdam.
10 Ze heeft nog geen nieuwe hond gekocht.

Verleden tijd of voltooid verleden tijd? [I worked/had worked]
1 It [rain] for an hour already, when we [go] out.
2 When Peter [enter] the room, I [leave] already.
3 The house [burn] down, when the firemen [arrive].
4 When Willie [get] home, we [go] to bed already.
5 She [start] laughing, when he [shut] the door.
6 They [not speak] to him, until he [say] that he [be] sorry .
7 He [realize] that he [forget] to say goodbye.
8 He [begin] to read after we [open] our books.
9 I [lose] my railway ticket shortlv after I [buy] it.

1. Look at the sky; it (rain) soon!
2. We (go) back to school on the first Monday in September.
3. John (leave) us tomorrow morning.
4. The ship (arrive) on Saturday according to plan.
5. He told me he (buy) a new car.
6. They (come) for lunch next Friday.
7. We (stay) in London for a year to learn English well.
8. Our train (leave) at 7.23 pm.
9. Who (lay) the table tonight?
10. My father (drive) us to town this afternoon.
11. He (play) tennis on Monday afternoon.
12. The football match (start) at eight o'clock.
13. Tomorrow (be) Saturday.
14. I (clean) my moped tomorrow.
15. I feel terrible; I (be) sick!

1 You will be ill if you [eat] so much.
2 I [go] if I had known the 'Zwarte Cross' is such fun.
3 If my car not [break] down, I should have caught the train.
4 If she were older, she [have] more sense.
5 If you [read] that book carefully, you would understand it.
6 If the children [be] good, they can stay up late.
7 I [buy] that hat if it were not so dear.
8 ...he come, tell him I had to leave. [Mocht...]
9 If they had waited, they [find] me.
10 I'm sure she will do well if she [go] to the University.
11 If he [propose] marriage be wise enough to refuse! [Mocht hij...]
12 I shouldn't have thought it possible unless I [see] it.
13 I'm sure my sister would go out with you if you [ask] her nicely.
14 We [enjoy] the play better if it had not been so long.
15 They would do it if they [can].

Vul in >if of >when .
1 ... she had applied for the job, she would have got it.
2 Come and see us ... you are in London.
3 ... we had hurried, we would not have missed the bus.
4 ... I get home, I will go straight to bed.
5 I m going shopping; ... you want anything, I can get it for you.
6 ... he is sleeping, he is always snoring.
7 ... you had listened to me, this would not have happened.
8 ... the sun rises, the birds begin to sing.

1 I have stopped to write/writing things down. My hand hurts!
2 During our walk I stopped to take/taking some photographs.
3 I hope you won't forget to bring/bringing your tennis racket.
4 I shall never forget to visit/visiting London last year.
5 When he saw Irma he stopped to ask/asking her if she would like
to go/going to the cinema with him that evening.
6 Irma stopped to mow/mowing the grass and accepted his
invitation.
7 You must remember to buy/buying a new suit tomorrow morning.
8 Do you remember to buy/buying that second hand car of yours?
9 Would you like to listen/listening to some records with me?
10 I like to listen/listening to records when I get home from school.
11 Does your father allow to smoke/smoking in the dining room?
12 My parents do not allow me to smoke/smoking.
13 Does your Sister like to lie/lying on the beach in the sun?
14 Yes, but I don't think she would like to lie/lying on the beach
now.It is pouring with rain.
15 Did you remember to invite/inviting her this time? You forgot to
invite/inviting her last time!

1 Smoking/to smoke can cause lung cancer.
2 She likes to work/working in the garden.
3 Please stop to shout/shouting.
4 This town is worth visiting/to visit.
5 Would you mind to open/opening the door?
6 I would like having/to have a drink.
7 I have finished to read/reading.
8 Would you like to sail/sailing tomorrow?
9 I am looking forward to meet/meeting you.
10 It is no use to ask/asking her.
11. Luke said he enj oyed to work/working with animals.
12. He didn't have any objections to do/doing dirty work.
13. Carlson said: 'After lunch we'll go to sell/selling some chickens.'
14. 'Have you got the time to go/going with us?'
15. Going/to go to markets is always interesting so Luke accepted Mr Carlson' s offer.
16. Later Luke thanked the Carlsons for to be/being so kind to him.
17. He didn't feel like to drive/driving in the dark so he went straight home.




1. I waited nervous/nervously for her arrival.
2.The results of his exam are very bad/badly.
3. Boys, please be quiet/quietly!
4. I am terrible/terribly sorry.
5. The match was cancelled because of the heavy/heavily rain.
6. He speaks perfect/perfectly French.
7. He speaks French perfect/perfectly.
8. We thanked her kind/kindly for the lovely evening.
9. I had to get up early/earlily this morning
10. He simple/simply couldn't take his eyes off her.
11. What colourful/colourfully clothes you are wearing!
12.This shop is reasonable/reasonably cheap/cheaply.
13.The car was total/totally destroyed in the accident.
14. Everybody was surprised/surprisedly to hear the news.
15. This restaurant is extreme/extremely good
16. They entered the building [noisy].
17. The weather has not changed [noticeable].

1. I got up (late) this morning.
2. Don't work too (hard).
3. We visit this supermarket (weekly).
4. You look (tired).
5. Why did she have to leave so (quick)?
6. As a filmstar she was quite (famous).
7. He (immediate) ordered two more pints of beer.
8. The orchestra plays very (good/well).
9. John is a (hard) worker.
10. How are you today? I'm very (good/well), thank you.
11. He will soon return from his (daily) walk.
12. Why is he always so (unfriendly)?
13. Their financial situation is not very (good/well)
14. (Hard/Hardly) any people know how rich he is.
15. The shopkeeper smiled at me (friendly)

1. Where did we leave ... coats?
2. You will need ... umbrella. It's going to rain.
3. Our cat couldn't find ... toy mouse.
4. I think they spoil ... children; look at the presents they've got!
5. My mother has ... own car
7. They saw I had no umbrella so they gave me ... .
8. I shall need your car. Mother is using ... today.
9. This isn't … book. That big book is ... .
10. Will you lend her … pen? She has lost ... .
11. They have seven children. All these toys are ... .
12. This is my friend Alfred. All these games are ... .
13. My sister and I collect stamps. This collection is ... .
14. He and his girl friend have a little cottage. It's ... .
15. I have a cat, a dog and a rabbit. They're all ... .

1 The dog lay down and started to scratch -.
2 Please, don't turn - round before I tell you to.
3 l've already told you more than I heard - .
4 He did not quite realize - what had happened.
5 Tom and Mary, please, make - at home.
6 Don't behave - like a child!
7 You should not live for - alone.
8 Our friends want to settle - in Australia.
9 We saw the Queen - on television, not her son.
10 Let us hide - behind those bushes over there.
11 Did they paint the house - ?
12 The bird made a nest for - in our garden.
13 How do you feel - this morning?
14 The child hasn't moved - since it was put to bed.

Vul in: who [whose, whom], which, that. Soms zijn er 2 mogelijkheden;
Als je niets in hoeft te vullen zet het dan tussen haakjes:
1 My friend James,...... works at the ministery of education, has studied law.
2 The person .... gave me this information was quite friendly.
3 He is the boy ..... we were talking about.
4 My brother Kevin, .... is a bookkeeper, married last week.
5 The whale, ..... is the largest mammal, is threatened with extinction.
6 The coat .....I bought last year, is still in fashion.
7 Mrs Peterson, .....you saw here last week, has three daughters.
8 They love their dog, ......is ten years old now.
9 Would you recognize the boy ...... did it?
10 That is the woman.....he was speaking to.
11 Charles Dickens, ......is famous for his novels, was also a great performer.
12 The letter,......arrived this morning, was addressed to Bill.
13 The letter ......arrived this morning [dus niet die van gisteren] was addressed to
Bill.
14 That man is a tyrant of ...... we are all afraid.
15 The only thing he wants is fight, .......I don't like at all.
16 The boy, ....... I had seen a few times before in the morning train, did not want to
talk with me.
17The boy ........I had helped with his work gave me a present at the end of term.
18 The woman ......husband gave me the information was more friendly.
19 The person from ....... I had got the information was very kind.
20 My father, ......... I have not seen for a long time, is a famous film star.

1 Walk ... way, please. [deze]
2 ... are apples, ... are oranges. [dit...dat]
3 Would you like an apple? I've just bought ... [deze]
apples.
4 Don' t take ... book, take ... one. [dat...deze]
5 She hates ... man! [die]
6 I found ... letter on the floor. [deze]
7 ... book is the one I have been looking for, not ...
one. [dit...die]
8 What are ... men[=mannen] doing there? [die]
9 ... clothes are ours, ... over there belong to someone
else. [deze..die]
10 Give me ... books, please. [die]

Zet de onderstreepte woorden vooraan: [inversie]
1 People seldom have occasion to file complaints.
2 We had hardly arrived when we had to go back.
3 He not only speaks Russian, he writes it as well.
4 We cannot do anything until he thinks fit to reply.
5 They little thought that the truth would be discovered.
[little=geen flauw vermoeden hebben van]
6 I have never met such a funny character before.
7 We never saw a fiercer looking dog
8 We had hardly entered the house when the telephone rang.
9 Sharon believed me only then.
10 She never helps us.
11 They must seldom do their work all over again.
12 I have hardly ever seen her parents.
13 I seldom heard such nonsense.
14 He no sooner saw us than he turned his face in another
direction. [=nauwelijks...of]
15 The most difficult sums hardly ever had to be done.

1. My mother goes for a walk on Sundays [often].
2. The trams are full in this town [usually].
3. They have heard of it [never].
4. The student on my left makes mistakes [always].
5. The student on my right answers correctly [never].
6. My friend stays long [never].
7. I am going for a walk [just].
8. She has come in [just].
9. I travel by train [usually].
10. Mary can swim now [nearly].
11. She knows what to say about it [scarcely].
12. I can't understand [quite].
13. The porter was able to carry my luggage [hardly].

1Ik heb zelden zo=n spannende film gezien.
2 We zijn gisteren naar een popconcert in Rotterdam
geweest.
3 Ik heb hem vorige week op een examenfeest gezien.
4 Ik sta gewoonlijk om half acht op.
5 Ik ga zondag naar een voetbalwedstrijd.
6 Hij heeft het boek in 2001 geschreven.
7 Ze vertrokken onmiddellijk.
8 Het vliegtuig landde om tien uur op Miami airport.
9 Ik heb je e mail gisteren ontvangen.
10 Ga je morgen naar de bioscoop?
11 Hij werd in 1990 in Marokko geboren.

1 Many people here own cats. [Onze buren ook.]
2 They like most animals. [Ik ook.]
3 But I don't like mice and rats. [M'n zus ook
niet.]
4 She's afraid of their long tails. [Zijn moeder
ook.]
5 Such animals don't eat a lot. [Muizen ook
niet.]
6They must be kept in cages. [Konijnen ook.]
7 Some people never go to a zoo. [Mijn oom
ook niet.]
8 Little children are fond of the monkeys. [De
meeste ouders ook.]
9 Not all monkeys like peanuts. [Wij ook niet.]
10 This monkey doesn't like bananas. [Die aap
ook]

1. Jack isn’t at home, ... he?
2. We must go, ... we?
3. She can’t swim, ... she?
4. They were late, ... they?
5. He can stay here, ... he?
6. It has been a fine day, ... it?
7. I am not late, ... I?
8. He has a dog, ... he?
9. We are early, ... we?
10. Boys don’t like to wash. ... they?
11. You’ll be back soon, ... you?
12. I shall phone her, ... I?
13. You were watching TV, ... you?
14. She hasn’t had any breakfast, ... she?
15. We had been working hard, ... we?
16. You won’t go alone, ... you?
17. He shouldn’t be there, ... he?

1 Can you do that exercise? [ No ]
2 Should we invite Mrs Taylor? [ Yes ]
3 Has any of you ever seen this flower? [No ]
4 Did Jim ask Janet as well? [ Yes ]
5 Can't you finish your work in time? [ Yes ]
6 Was I really all that late? [ Yes ]
7 Was the hotel expensive? [ No ]
8 May we smoke in here? [ No ]
9 Has she got three children? [ Yes ]
10 Will the factory close down? [ No ]
11 Does he know how to ride a horse? [Yes]
12 Do we have to to ask Betty and David? [No ]
13 Has she got a car of her own? [ Yes ]
14 Is your car fast? [ No ]
15 Didn't they have a dog years ago? [ Yes ]

Vul in: a/an of niets.
1 He is ... actor and his wife is ... writer.
2 These tomatoes are thirty pence ... kilo.
3 The hospital is ... old building.
4 This is ... important day.
5 He wanted to be ... computer programmer.
6 He is always in ... hurry.
7 We stayed in this town for half ... day.
8 I go out once ... week.
9 I wrote ... e mail to ... English boy.
10 When he was 37, the prince became ... King.

1. We never go to ... school in July.
2. He is having ... lunch at that little restaurant.
3. ... winter of 1943 was very cold.
4. ... school is a very old building.
5. ... prices are going up again.
6. What did you have for ... breakfast?
7. He watches ... TV every evening.
8. The Soviets were the first to sent a man into ... space.
9. She plays ... violin in an orchestra.
10. ... last week ... winter started.
11. A friend of mine is in ... hospital.
12. ... life is short!
13. ... apples are not very cheap this year.
14. ... apples you bought were big.

1. Zes kopjes koffie.
2. Het dak van ons huis.
3. De stem van Kevin.
4. Het geluid van zijn gitaar.
5. De schoenen van de jongens.
6. Een vriendin van Caroline.
7. De kleur van jouw haar.
8. Een vlucht van acht uur.
9. Het geld van Paul.
10. Het einde van het verhaal.
11. Een vakantie van drie weken
12. Ze haalden snel de jassen
van hun vaders op. (to fetch)
vb: He said:"I like her." -> He said that he liked her.
1 He said:"They have moved twice in 4 years."
2 He said:"She hasn't arrived yet."
3 He said:"We have been working for a long
time now."
4 He said:"We were working in the garden."
5 He said:"I told her everything."
6 He said:"My father always sang this song."
7 She said:'This test is easy.'
8 He explained: 'I will tell us.'
9 She admitted:'I have never been here before.'
10 They said:'You may come along'
11 They said:'We won't be able to help you'
12 He told us: 'My father married her in 1972.'
Geef het meervoud
van de volgende woorden.
1 baby
2 country
3 monkey
4 watch
5 kiwi
6 cargo
7 potato
8 euro
9 tomato
10 calf


11 shelf
12 bus
13 negro
14 disco
15 ox
16 valley
17 loaf
18 wife
19 lady
20 key 2
21 fox
22 wolf
23 toy
24 glass
1 Police [has/have] found , 300 [jeans/Pairs of jeans] with false labels.
2 She wore 56 [earrings/pairs of earrings] at once to set up a new
record .
3 Seven deer [was/were] flown to a wildlife park.
4 [This/These] scissors [is/are] rather sharp.
5 How [is/are] business?
6 The gasworks [is/are] close to our home.
7 The cattle [is/are] grazing in the field.
8 Who gave you [this/these] information?

Vertaal
9 Wolven doodden deze Vietnamezen 15 mijl van hun dorp.
10 Ze namen deze weegschaal en wogen die eigendommen van de
agenten.
11 Ze kocht 2 spijkerbroeken en een pyjama.
12 Deze serie postzegels is duurder dan de dieven moeten hebben
gedacht.
13 Ik ben niet goed in statistiek dus heb ik haar om advies gevraagd.
14 Ik heb niet de middelen om deze meubels te kopen.
15 Na twee uur verlieten ze de conferentie om een sigaret te roken.
16 Hoeveel dollar moest je voor dit advies betalen?


1 Er wordt hen morgen een verhaal verteld. They ...
2 Er wordt niet van je verwacht dat je komt. You..
3 Er wordt niet van haar verwacht dat ze komt. She...
4 Er werd mij niet verteld dat je zou komen. ....
5 Men zegt dat hij daar gezien werd. It is said...

1 The cats (to feed / not) yet.
2 My pen (to use) too much. It doesn t write anymore.
3 The next meeting (to hold) tomorrow.
4 The creepy guy (to see) in the park since last week.
5 The document (to sign) in January 2001.
6 My jewels must (to steal)! The box is empty!
7 No trace of the criminal could (to find).
8 The books (just / to send) by mail.
9 Meals can (to take) whenever you like.
10 This law should (to change).
11 his bank (to be robbed) twice lately.
12 Patients (to wash) every day.
13 The job must (to finish) today.

1 They were taken to hospital.
2 He bought a bike that had been stolen.
3 Have you been invited?
4 The book will be translated into English.
5 A cinema is a place where films are shown.
6 When I was on holiday, my camera was stolen.
7 All flights have been cancelled.
8 My room is cleaned every week.
9 Many houses have been damaged by the
hurricane.
10 He was attacked by a shark.

1 Ze waren uitgenodigd.
2 De terrorist werd gedood.
3 De auto was gestolen.
4 Hij was geslaagd voor zijn rij examen.
5 Hij is te laat gekomen.
6 Het vliegtuig is gekaapt. (hi-jacked)
7 De bus is net vertrokken.
8 Deze weg wordt niet vaak gebruikt.
9 De vergadering zal morgen gehouden
worden.
10 Er zijn veel wedstrijden afgelast.
(cancelled)

1 You are (thin) than when I last saw you.
2 She was the (intelligent) girl of the class.
3 He is not only (handsome) but also (clever) than
his brother.
4 This summer was the (wet) summer of the
century.
5 These strawberries are (sweet) than those.
6 Polperry is one of the (attractive) fishing villages
in Cornwall.
7 Playing computer games is often (interesting)
than doing homework.
8 If you work much (hard), you will certainly pass
your exam.
9 This is the (funny) joke I have ever heard.

1 Dit was de gelukkigste dag van haar leven.
2 De toets was moeilijker dan ik had verwacht.
3 De tas was zwaarder dan ik dacht.
4 In de wereld is Engels een belangrijker taal dan
Nederlands.
5 Het leger had de modernste wapens.
6 Het was de heetste dag van de zomer.
7 Ik dacht dat de toets eenvoudiger zou zijn.
8 Deze rivier is de vuilste rivier in Europa.
9 Ze kocht de duurste ring in de winkel.
10 Kun je niet beleefder zijn?
11 Zijn mooiste schilderijen hangen in dit museum.
12 Je moet veel voorzichtiger zijn.

1 Zij heeft nog minder geld dan ik.
2 Hij is veel zieker dan gisteren.
3 Is zij de kleinste van de twee?
4 Zij is altijd gekleed naar de laatste mode.
5 Het weer is veel slechter dan de vorige
week.
6 Er is weinig hoop dat hij nog ooit terugkomt.
7 Ik vind dit het minst interessante deel van
het boek.
8 In plaats van beter schrijft hij steeds
slechter.
9 Mozarts laatste symphonie wordt de Jupiter
genoemd.
10 Zij brengen het grootste gedeelte van het
jaar in Frankrijk door.

Kies uit: can, could, be able to, been able to
1 My girl friend ..... dance well.
2 I thought she ..... sing, too.
3 That's right, but she has not ..... sing since last
Thursday.
4 When will she ..... sing again?
5 Well, the doctor said she will ..... sing next Saturday.
6 She hoped that she would ..... try some new songs
tonight.
7 .... you let me hear those songs now?
8 Sure, but I wonder if you will ..... understand the
words.
9 Why? I have always ..... sing along after hearing the
song a few times.
10 Sure, but even my teacher ..... not understand some
words last week.

1 Hij hàd ons best kunnen helpen toen we de band niet konden
repareren.
2 Je had me aan haar verjaardag moeten herinneren, nu moet ik
er morgen heen.
3 Hij moet de oudste van deze 2 broers wel zijn, hij is zoveel
groter.
4 Ze weet zeker dat hij dat moet hebben gehoord.
5 Hij had ons misschien kunnen vertellen hoe het gebeurd is.
6 Omdat hij zo vroeg was had hij haar al over het ongeluk
kunnen vertellen.
7 Ze zei dat we mochten komen.
8 We konden gisteren de trein halen, maar moesten hard lopen.
9 Ik kon maar 10% van de prijs van die fiets afkrijgen.
10 Moesten jullie veel boeken lezen dit jaar?
11 Moet jij wachten tot die kamer vrij is?
12 Jij mag morgen naar Artis.
13 Hij moet de hele tijd wel hebben gerookt, wat een rook!
14 Hij zei dat hij ons moest helpen.

1 Waarom mochten zij niet naar de film?
2 Mag ik hier roken? Neen, dat mag niet.
3 Zij mogen volgend jaar samen op vakantie.
4 Hij is nog steeds boos omdat hij niet naar de disco heeft
mogen gaan
5 Dit mag je natuurlijk aan niemand vertellen.
6 a Als je eerder was gekomen was het misschien niet gebeurd.
b Dat kan wel waar zijn, maar ik mocht niet weg.

1 Oom was boos omdat hij op tante had
moeten wachten.
2 Jonge mensen moeten (=behoren) veel
slapen.
3 Meneer Campbell had niet zoveel Whiskey
moeten drinken.
4 Het was duidelijk dat we vroeg zouden
moeten vertrekken.
5 U hoeft niet op de gasten te wachten.
6 We mochten om 8 uur vertrekken.
7 Ik hàd je kunnen waarschuwen maar vergat
het.
8 Ik weet niet of ik dit zal kunnen vergeten.
9 Ze zullen nooit met ons mee mogen gaan.
10 Hij zou me kunnen helpen, maar wil niet!

1 This year my cousin (study) biology at university.
2We (arrive) at our hotel just before midnight.
3They (go) to Scotland last year as well..
4When I switched on the light I (see) two mice running away.
5 He (work) at a school in Manchester.
The thieves (try) to open the safe but they weren't successful.
We used to live in Africa but now we (have) a house in Italy.
Last Saturday we (go) shopping in that new shopping centre.
I (fall) off a ladder when I was cleaning the windows.

1 Is hij op tijd gekomen?
2 Hij is naar Australie gevlogen.
3 Ze zijn niet weg gegaan.
4 He has to (work) harder.
5 Next year he will (work) at a school in Manchester
1 Speelt hij gitaar?
2 Kan hij gitaar spelen?
3 Vliegt hij over de Noordzee?
4 Mag hij over de Noordzee vliegen?
Maak de volgende zinnen vragend.
Voorbeeld:He bought a new shirt. Did he buy a new shirt?
1 The film began at three o clock.
2 The dog will bite her.
3 He cooks every Sunday.
4 She was ill.
5 He can speak English.
6 He writes newspaper articles.
7 They are from Spain.
8 She plays the piano.
9 He should wear spectacles.
10 It was raining.
11 He has been in NY 3 times.
12 He had an accident.

Maak korter mbv '
1 has not =
2 should not=
3 could not=
4 were not=
5 are not=
Full transcript