Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Veldonderzoek

No description
by

Anabel De Ridder

on 10 September 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Veldonderzoek

Thema1: Veldonderzoek
1. Determineren en inventariseren
3.Invloed van biotische en abiotische factoren
- Deze invloed kan een reden zijn waarom bepaalde organisme in een gebied voorkomen of niet.
DOEL?

- aantal en verscheidenheid aan organismen bepalen
- verspreiding in een bepaald gebied in kaart brengen
- leefkwaliteit van de omgeving bepalen
SOORT EN GESLACHT
planten VS dieren
- gemeenschappelijke erfelijke kenmerken
- voortplantings gemeenschap
Wetenschappelijke naam
Geslachtsnaam + soortnaam
Determineren
Opdracht= organismen in soorten thuis brengen door naar uitwendig waarneembare kenmerken.

middel= zoek kaarten en determineer tabellen.
Inventariseren van soorten
- aantallen noteren + verspreiding in kaart brengen.
- middel = vangen en terug zetten (petflessen)
nut?
indicatorsoorten?
transect?
Habitat en ecologische niche
HABITAT
ECOLOGISCHE NICHE
ABIOTISCHE EN BIOTISCHE FACTOREN
2. Habitat en ecologische niche
HABITAT
Belangerijke termen:
- verspreidingsgraad: mate waarin een soort verspreid voorkomt.
- habitat: plaats waar organisme voorkomt en die voldoet aan de eisen die dat organisme stelt om te kunnen overleven en zich voort te planten. (verblijfplaats van wel bepaalde soort of individu)
- biotoop: gebied waar een levensgemeenschap zich kan ontwikkelen en voortplanten.
ECOLOGISCHE NICHE
= rol van een organisme in een bepaald gebied ( meestal i.v.m. voedsel).

=> rol kan vervult worden door dat een soort specifieke aanpassingen heeft.

=> door de versch. niches kunnen de organismen in het zelfde biotoop samen leven, en zijn ze niet steeds concurenten.
habitat VS biotoop
vb. De pissebed
Biotoop= Het bos
Habitat= humusrijke vochtige bodem
Voorbeelden:
planten= versch. wortel lengte ( voedsel concurentie)
pimpelmees (licht) verzameld eten aan uiteinden van de takken van bomen. koolmees= (zwaarder) vangt incsecten in de kruin van de boom.
dagen nacht roofvogels. (uil en sperwer)
- door deze te onderzoeken kan men de habitat of ecologische niche van een soort ontdekken.
De 2 factoren op grote weegbree
Tredplant= planten anti betreding gevoelig.(wegberm)
aanpassingen van grote weegbree aan betreding en verdichte bodem?
- bladeren rozet tegen grond gedrukt
- groeipunt rozet: vlak boven grond, tussen bladstelen
- stevige bladen (taaie parallellebladnerven)
- wortels die goed in verdichte bodem kunnen doordringen.
aanpassingen voor verspreiding: - windbestuiving - kleine/plakkerige zaadjes
HABIT: langs wegen, zonnige plaatsen, plaatsen die veel betreden worden.
ECO N; voedsel: zaad voor vogels, bladeren voor konijnen
De 2 invloeden op grote brandnetel
= stikstofminnende plant= no3- nodig om eiwitten aan te maken.
wortels pakken nitraat-(NO3-) en ammoniumionen (NH4+) op uit grond.
Hoe meer nitraat hoe sterker de plant ten koste van anderen= winnaar van concurrentie.
aan de rand van weide, akker of gracht. : vb. maïsveld bemesting loopt via drainage weg naar gracht via regen.
composthopen, stortplaatsen: dierlijk en plantaardig afval.
Waardplant voor atalantarups, ...
Habit. : matig vochtige standplaats met stikstofrijke bodem
ECO N: waardplant van een aantal vlindersoorte,
BIOLOGIE
Mevr. De Ridder
= de binominale naam
vb. Tyrannosaurus rex
Thema 2: Zoetwateronderzoek
1. Abiotische invloeden
1. watertemperatuur
Beïnvloedt organismen in zoetwaterplas:
bep. max. hoeveelheid oplosbaar zuurstofgas in het water.
- max. fysische oplosbrh. van zuurstofgas daalt bij stijgende tempr.
- omgeving-en watertempr. kunnen diversiteit a. soorten in zoetwater beperken. ( te weinig opgelost Ogas)

beïnvl. voortplanting en groeisnelheid van organismen
- milde tempr dieren= snellere stofwissl + grotere groeisnelheid (larven/eitjes)
- planten= meer fotosynthetiserende micro-organismen.

Besluit:
Watertempr. beïnvloed:
- diversiteit aan soorten in het water. (fysische oplosbaarheidO)
- het aantal individuen binnen een soort. (effect op voortpl.en groeisnelh.)
2. Diepte van het water
Bepaalt de vegetatiezones:

1) Oeverzone: aan rand, bodem is vochtig, planten(grote/veel bladeren)
2) Moeraszone: ondiepe zone, wortels constant onderwater, stengels boven wateropp., lange holle stengels met lange bladen.
3) Open water: diepe zone, planten onderwater of net boven( drijfbladen),
- op het wateropp: nemen water en mineralen op via bladeren of worteltjes die gewoon in het water hangen.
- onder water:
drijfbladeren: wortelstokken met lange bladstelen, uiteinde= drijfbladeren (fotosynthese wateropp)
zo,nder drijfblade. = zuurstofplanten: fotosynth. onderwater=> voldoende licht, bladgroenk. in buitenste lagen stengels, bladen slipvormig of gevederd.
3. Lichtsterkte
Helderheid van water bepaalt biodiversiteit van water.
(onderwaterplanten zonder drijfplanten)
- hoe groter de lichtgrens (= hoe dieper) hoe meer biodiversiteit er zal zijn in het zoete water.

lichtgrens= diepte waarop je een helderheidsschijf nog kunt zien. ( tot daar kunnen de lichtstralen door het zoete water dringen)
DIEPTE:
STROMING & BODEMSTRUCTUUR
- troebelwater door fijnkorrelige bodem. zwevende bodemdeeltje => troebel water.
! stilstaand water = probleem geen zonlicht.
Stromend water (wind/beekjes) = zuurstofconc. kan hoog
genoeg zijn voor grote biodiversiteit.
2. BIOTISCHE INVLOEDEN
1. VOEDSELconcurrentie
2. concurrentie om LICHT
3. concurrentie om ZUURSTOFGAS
Zuurstof producenten als biotische invloed.
Aangepaste ademhalingsorganen aan het watermilieu bij ongewervelde dieren
3. Bepaling van de biotische index (zoetwaterplas)
interpretatie van biotische index
Door te kijken naar de waarde in de biotische index tabel. p.43 handboek


van turflijst naar bepalingslijst
- Duid per soort aan hoeveel S.E. je er van vindt d.m.v. kruisjes!
- noteer het totaal aantal S.E. bij elke soort.
- Omcirkel hoogste indicatorgroep met min. 1 geturfd organisme.
- omcirkel het aantal eenheden voor die indicatorgroep.
- 1 rechte lijn in het water oever-openwater
- zowel vijverwater als bodemslip
- vangst 1 emmer daarna plastieken tijlen verdelen per soort
- aanduiden hoeveel van welk op invetarisatielijst.
! werk met ondubbelzinnige systematische eenheden S.E.
Inventarisatie macro-intervertebraten
= ordent de bio-indicatoren (beestjes) van gevoelig naar minder tolerant.
- omcirkel op bepalingslijst het totaal aantal S.E. van bij de inventarisatie.
- omcirkel op bepalingslijst de hoogste indicatorgroep (turflijst)
- kijk naar het gemeenschappelijk nummer.
Hoe de biotische index bepalen?
p.42 wat is de biotische index?
Full transcript