Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

het Hulpverlenende gesprek

sociale vaardigheden SAW4 periode 2.1 en 2.2
by

Patrick van Koulil

on 15 October 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of het Hulpverlenende gesprek

het Hulpverlenende gesprek
sociale vaardigheden
1
Aandachtgevend gedrag
&
kleine aanmoedigingen
Aandachtgevend gedrag
1. oogcontact
2. lichaamstaal
3. verbaal volgen
Gericht op de ogen van de hulpvrager
op een natuurlijke wijze (niet gefixeerd...)
Gemakkelijk zitten (ontspannen)
toegenegen
open en betrokken
de 'stijl' vinden waar je het prettigst bij voelt.
“Volgen” in het algemeen
op natuurlijke wijze aan sluiten bij wat de hulpvrager zegt

geen nieuwe onderwerpen aan snijden!
eigen gedachten opzij zetten en geen oplossing zoeken!

kan de vorm aannemen van een kleine aanmoediging, een open vraag, één of meer woorden op vragende toon, of één van de andere vaardigheden
Kleine aanmoedigingen
Uitbreiding van aandachtgevend gedrag
het laten merken van interesse
De Methode
Samenwerkingsmodel
VISIE
Onvoorwaardelijke
acceptatie
Accurate empathie
Echtheid
Het counselingsmodel
Het diagnose-recept model
Het samenwerkingsmodel
Fasen
Practicum
Verbatim
verkennen

nuanceren

oplossen
beiden gaan op zoek naar de oplossing

beiden hebben hun eigen deskundigheid

niet van te voren duidelijk wie van de twee de beste oplossing zal aandragen
Rollenspel
2
Vragen stellen
3
Parafraseren van inhoud
4
Reflecteren van gevoel
5
Samenvatten
6
Concretiseren
7
Rol verduidelijken
8
Hardop denken
De hulpvrager kan zelf oplossen.
De hulpvrager gebruikt hulpverlener voor het logisch ordenen of om stoom af te blazen.
De hulpverlener als belangrijke deskundige.
uitsluitend gebruik van sturende technieken
gerichte, gesloten vragen, waarmee de hulpverlener het probleem voor zichzelf analyseert
open vragen
“Wat houdt je bezig?”
“Wat is er precies gebeurd?”
“Waar zou u over willen praten?”
“Hoe gaat het op uw werk?”
“Wat denk je aan het probleem te gaan doen?”
“Kunt u eens vertellen hoe uw dagindeling eruit ziet?”
voorbeelden
“Hoe?”
“Wat?”
“Kun je iets vertellen over…….?”
voorbeelden
Bij gesloten vragen laat de hulpverlener de cliënt weinig ruimte om een antwoord te formuleren met eigen inbreng. De cliënt hoeft alleen een kort antwoord te geven of kan toe met ja of nee.
gesloten vragen
Voorbeelden van gesloten vragen:
“Gaat het goed met je?”
“Heb je dat al lang?”
“Ben je getrouwd?”
“Ga je vaak naar je ouders?”
“Was je moeder boos toen je terugkwam?”
“Ben je meteen naar hem toegegaan toen je dat hoorde?”
“Waarom”-vragen

-De “waarom”-vraag kan, vooral in het begin van een contact, bedreigend overkomen. De cliënt wordt als het ware ter verantwoording geroepen.

-De “waarom”-vraag veronderstelt een logische verklaring voor iemands gedrag, terwijl problemen vaak emotioneel zijn en niet altijd logisch verklaard kunnen worden.

-De cliënt weet vaak de oorzaken van zijn gedrag of problemen niet. Vaak is dat ook juist het probleem. De cliënt ernaar vragen bevestigt dan juist het probleem in plaats van de cliënt te ondersteunen of inzicht te geven.
doorgaan of nieuw onderwerp?
-De
cliënt wordt beperkt
in zijn uitingen.
Beperkingen van gesloten vragen
-De verzamelde informatie is relevant. Afdwalen van het doel moet vermeden worden.

-Er worden geen suggestieve vragen gesteld.
-Er wordt geen waardering gegeven (mee eens, niet mee eens).
-Er worden geen voorbarige conclusies getrokken.
-Er wordt geen eigen mening naar voren gebracht. (Dat had ik nooit gedaan. Je had dat en dat moeten doen.)

-Er wordt maar één vraag tegelijk gesteld.
-De geïnterviewde wordt zo min mogelijk onderbroken.
verkennende fase
1. de cliënt helpen zijn gedachten onder woorden te brengen

2. de problemen verhelderen
‘Geld lenen’ (JZ)

Hulpverlener:
groepsleiding op een woongroep voor jongeren met gedragsproblemen
Cliënt:
een jongen van 17
Je bent een jongen (17) en je woont op een woongroep voor jongeren met gedragsproblemen. Om het weekend mag je een dagje naar huis toe. Normaal gesproken vind je dat erg leuk, maar dit keer heb je er niet zoveel zin in. De vorige keer heb je namelijk geld ‘geleend’ van je moeder, zonder dit te vragen. Ze moest plotseling weg en liet jou alleen in huis achter. Je mag wel eens vaker wat geld lenen en had gedacht dat ze het nu ook niet zo erg zou vinden. Je bent bang dat ze er achter is gekomen dat ze geld mist en dat ze erg boos op je wordt. Wat moet je nu doen? Met deze vraag kom je bij de groepsleider.
(In eigen woorden weergeven van het belangrijkste van hetgeen de cliënt gezegd heeft).
-De cliënt merkt dat er naar hem geluisterd wordt. Het kan verfrissend en stimulerend zijn om wat hij verteld heeft in duidelijke bewoordingen terug te horen.

-De hulpverlener probeert datgene wat de cliënt verteld heeft, nog scherper, nog preciezer weer te geven.
-De hulpverlener kan nagaan of hij de cliënt goed begrepen heeft.

-Een parafrase geeft richting aan een gesprek.
Doelen
Cliënt: “We waren dus op vakantie in Frankrijk. Ik was daar met mijn vrouw, de kinderen en een bevriend echtpaar. Maar op een gegeven moment ging er van alles mis.
Mijn vrouw zeurde
de hele tijd aan mijn hoofd,
we kregen ruzie
met die andere mensen en tot overmaat van ramp werd onze
zoon ziek
. Ik geloof dat ik
van die vakantie vermoeider ben geworden
dan van het werk.”

Hulpverlener: “Als ik het goed begrijp, zijn er op uw vakantie een heleboel
onprettige dingen
gebeurd, zelfs zo dat u er helemaal
niet
van
uitgerust
bent.”?

Cliënt: “Ja, inderdaad en……….”.
voorbeeld van een parafrase:
De hulpverlener moet de woorden van de cliënt teruggeven en niet zijn eigen ideeën over hoe het zit of wat er moet gebeuren!
Veronderstellende toon
(tentatief)
-Verdieping van het probleem.

-Andere aspecten worden belicht, dan die welke aan de oppervlakte liggen (bijvoorbeeld:"Waar bent u bang voor").

-In deze fase kunnen ook tegenstrijdigheden naar voren worden gebracht, waar de hulpvrager mee geconfronteerd wordt.

-Het is ook mogelijk, dat de hulpverlener door zijn vragen en opmerkingen een ander licht op de zaak laat schijnen.
probleemnuancerende fase
‘Optreden’ (GZ)

Hulpverlener:
ambulant begeleider van Henk
Cliënt:
moeder van een man met een verstandelijke beperking
Je bent de moeder van Henk (27). Henk heeft een lichte verstandelijke beperking, maar kan wel zelfstandig wonen. Hij krijgt hierbij hulp van een ambulant begeleider (de gespreksleider in dit gesprek). Henk is altijd al gek geweest van Nederlandstalige muziek en hij zingt zelf ook.

Afgelopen zomer heeft een neef van Henk een filmpje hiervan gemaakt en die is op youtube al heel vaak bekeken. Sterker nog: Henk is in de omgeving af en toe wat aan het optreden. In het begin leek je dit wel leuk voor hem, maar nu krijg je steeds meer twijfels. Je vind het eigenlijk maar niks dat hij nu regelmatig in zo’n kroeg staat te zingen. Je hebt het idee dat de mensen alleen maar komen om Henk uit te lachen (zo goed kan hij toch ook niet zingen?). Hij heeft het zelf, vanwege zijn beperking, niet door. Hij denkt dat hij echt populair is. Wat moet je hier nu mee als moeder? Je besluit het probleem voor te leggen aan zijn ambulant begeleider.
letterlijk: weergeven of spiegelen van gevoel
Doelen van de vaardigheid reflecteren van gevoel:
-De cliënt merkt dat zijn gevoelens geaccepteerd worden en aandacht krijgen.

-Door de acceptatie, die de hulpverlener uitstraalt kan de cliënt zich veilig voelen om gevoelens, die hij zelf maar moeilijk accepteert, gemakkelijker te durven ervaren en te uiten.

-Reflecteren van gevoel is een controlemiddel voor de hulpverlener of hij de gevoelens van de cliënt juist ingeschat heeft.

Cliënt: “Ik weet echt niet wat ik na het MBO moet gaan doen. Er zijn zoveel mogelijkheden.”

Hulpverlener: “Klopt het dat je een keuzeprobleem hebt?”
“Volgens mij zit je vol twijfel, Is dat zo?”
Voorbeeld van het verschil tussen parafraseren van inhoud en reflecteren van gevoel:
(parafrase)
(gevoelsreflectie)
Aandachtspunten:
“op dezelfde golflengte zit” als de cliënt.

-De door de cliënt geuite gevoelens moeten met ongeveer dezelfde intensiteit gereflecteerd worden.

-De reflectie moet in overeenstemming zijn met de aard van de geuite emotie.

-Een gevoelsreflectie hoeft niet altijd in een vragende vorm te worden gegeven. B.v. als iemand zichtbaar erg boos is, kun je beter zeggen: “Dat is balen!”
In deze fase wordt gekeken welke concrete stappen er ondernomen kunnen worden om tot een oplossing te komen.

Deze fase kan weer onderverdeeld worden in:
planningsfase
(wat zou het probleem oplossen)
actiefase
(welke stappen moet je ondernemen)
evaluatiefase
(evt. hoe is het gegaan, hoe kijk je er naar?).
probleem(oplossende) fase
Je bent een man van 78 en woont in de buurt van een verzorgingshuis. Elke woensdag en vrijdag ga je naar de dagopvang voor ouderen zodat je vrouw, die nog wat fitter is, ook wat tijd voor zichzelf heeft. De laatste tijd merk je dat je wat veranderd bent. Je hebt steeds minder zin om het huis uit te gaan en als je weg gaat wil je het liefste direct weer terug naar huis. Je vrouw wil nog wel van alles maar van jou hoeft het niet meer zo. Het ergste is nog dat je soms ook vergeet dat je een afspraak hebt. Je bent erg bang dat je dement aan het worden bent. Soms vergeet je je huissleutels, soms vergeet je je portemonnee. Je vrouw weet hier allemaal niets van en je durft het haar ook niet te vertellen. Toch blijft het in je hoofd ‘spoken.’ Je weet niet zo goed wat je hier allemaal mee kan doen.
‘Vergeetachtig’ (SD)

Hulpverlener:
activiteitenbegeleider in een verzorgingshuis
Cliënt:
oudere man van 78
Een (vrij) grote hoeveelheid informatie van de cliënt overzichtelijk en begrijpelijk verwoorden.
-De hulpverlener kan nagaan of hij de cliënt goed begrepen heeft.

-De hulpverlener ordent het gesprek door een overzicht van de hoofdzaken te geven.

-De cliënt wordt gestimuleerd tot verdere exploratie van zijn gedachten en gevoelens.
Doelen van een samenvatting
- Als de hulpverlener de behoefte heeft, na een lange en/of verwarde woordenstroom van de cliënt, de zaken zowel voor de cliënt als voor zichzelf op een rij te zetten.

- Als een cliënt klaarblijkelijk alles verteld heeft wat voor hem van belang is.

- Aan het eind van een gesprek, wanneer hulpverlener en cliënt behoefte hebben aan overzicht en tot overeenstemming moeten komen over de verdere gang van zaken.

- Aan het begin van een volgend gesprek, om de draad van het gesprek weer op te pakken.
Momenten, waarop een samenvatting gegeven kan worden:
Afsluiten
Het (correct) afronden van een hulpverlenend gesprek.
-Begin tijdig met de afronding van het gesprek.

-Zorg ervoor dat je slotzinnen duidelijk zijn en een duidelijke afronding betekenen.

-Formuleer eventuele afspraken duidelijk en puntsgewijs.

-Breng tijdens de afsluitende opmerkingen geen nieuwe gespreksstof ter tafel (ook niet vanuit de cliënt).

-Soms is het goed om de cliënt te vragen wat voor hem de belangrijkste indrukken of afspraken uit het gesprek zijn.
Aandachtspunten voor het
afsluiten van het gesprek:
Concretiseren houdt in: de cliënt zo nauwkeurig en precies mogelijk over de problemen te laten vertellen.
Dit concretiseren is een samengestelde vaardigheid
, dat wil zeggen dat alle voorafgaande vaardigheden:
luisteren, aanmoedigen, open en gesloten vragen, parafraseren, reflecteren en samenvatten
er toe kunnen bijdragen dat het concretiseren plaatsvindt.
Het kan zijn dat de problemen van de cliënt nog te vaag of te abstract zijn. Daarvoor zijn een paar redenen:

-Veel mensen hebben de neiging om verhalen en problemen van anderen te snel te begrijpen, vanuit hun ervaringen met “vergelijkbare problematiek”.

-Cliënten hebben vaak de neiging om hun problemen in vage en abstracte bewoordingen te verpakken. Vaag blijven is soms veiliger.

-Mensen zijn niet gewend om zich erg genuanceerd uit te drukken. “Alles gaat mis”, “Zo is een mens nu eenmaal” etc.
Concretiseren kan betrekking hebben op de volgende aspecten:

-De situatie
(het probleem)

-Het gedrag van de cliënt in de situatie.

-De gedachten van de cliënt over de situatie.

-De reacties van anderen in de situatie.

-Wat ging er vooraf aan de situatie?

-Wat gebeurde er na de situatie?
Cliënt: “Het gaat slecht met me”
Hulpverlener: “Wat gaat er dan slecht? Kun je er iets meer van vertellen?

Cliënt: “Het gaat slecht op mijn werk”
Hulpverlener: “Wat gaat er slecht op je werk?”
Cliënt: “Ik kan niet goed met mijn baas opschieten”
Hulpverlener:
“Dat lijkt me vervelend voor je(reflectie).
Kun je een voorbeeld noemen?”
Cliënt: “Hij laat me zo weinig verantwoordelijkheid; hij loopt de hele dag op me te vitten”
Hulpverlener: “Wat bedoel je met weinig verantwoordelijkheid? ”
Cliënt: “Bijna alles wat ik doe, controleert hij”
Hulpverlener: “En dat vitten, hoe uit zich dat?”
Cliënt: “Nou, hij heeft steeds weer wat op te merken, dat de dozen niet goed opgestapeld zijn en dat ik de administratie niet goed bijhoudt; ik word er gek van!”
Voorbeeld van concretiseren:
Verbata; Meest gemaakte fouten
2. Parafrase
3. Open of gesloten vragen
1. Gevoelsreflectie
De vaardigheid van de hulpverlener om in het gesprek of in de relatie tussen hem en de cliënt opduikende onduidelijkheden of misverstanden tijdig te onderkennen, het belang er van te beseffen en deze onduidelijkheden of misverstanden in het gesprek ter sprake te brengen.
Wanneer speelt deze onduidelijkheid?
De cliënt vindt het moeilijk om over problemen te praten.
De cliënt springt van de hak op de tak.
Het gesprek draait in een cirkel rond
De cliënt verwacht van de hulpverlener een snelle en pasklare oplossing voor zijn problemen.
De cliënt stuurt aan op een meer persoonlijk (“gewoon”) contact met de hulpverlener.
6.Je vriend wil dat je een keertje gaat praten omdat ze je zo gesloten vinden. Zelf vind je dat niet zo erg: spreken is zilver en zwijgen is goud. Omdat hij zo aandrong heb je toch maar een afspraak gemaakt.

7.Je bent verliefd op de hulpverlener geworden, hoopt dat van de andere kant ook zo is. Je wilt in ieder geval een afspraakje.

8.Kan de hulpverlener jou niet even vertellen wat de beste oplossing is voor … (je relatie, je vervolgstudie, hoeveel geld je voor kleren uit moet geven, wat de zin van het leven is enz.)

9.Je springt van de hak op de tak. Van alles haal je erbij.

10.Je vindt het erg moeilijk om over je probleem te praten. Bedenk zelf een reden:
-Schaamte, bang om veroordeeld te worden
-de hulpverlener kan het misschien niet aan en je bent bang dat hij je probleem mee naar huis neemt
-bang dat hij over je gaat praten
-enz.
De duidelijkheid tot stand te brengen of te herstellen.
Doel
De vaardigheid van de hulpverlener om zijn gedachten, voorzover deze nuttig zijn in het gesprek, op een voor de cliënt duidelijke wijze te verwoorden
Hulpverlener:
“Je hebt me verteld over je vrijetijdsbesteding en dat je graag alleen in de natuur wandelt. Nu zei je net dat je weinig contact hebt met de mensen op je werk, omdat ze je niet liggen.
Ik vraag me af of dat aan die mensen ligt of dat jij niet zo gemakkelijk contact krijgt met mensen.
Hoe zie je dat zelf?”
Voorbeeld 1:
Doelen:
-Het laat de samenwerking soepeler verlopen.

-Het werkt angst-reducerend.

-Er gaat een voorbeeldwerking van uit.

-Het helpt om pijnlijke situaties in een gesprek te voorkomen.
Rol verduidelijking of hardop denken?
Meta-gesprek
Nuttig zijn:
gedachten die de cliënt duidelijk maken hoe de hulpverlener tot zijn conclusies komt
waarom hij iets vraagt of overstapt op een ander gespreksonderwerp
wat er in zijn hoofd omgaat als hij voor zich uit zit te kijken.
Niet nuttig zijn:
allerlei privé-gedachten van de hulpverlener over negatieve kanten van de cliënt.
In beide vaardigheden bespreken hulpverlener en cliënt een moeilijkheid tijdens het gesprek.
Bij hardop denken blijven beide bezig binnen het onmiddellijke gesprek. Het is geen meta-gesprek. Als het zou gaan over hun relatie of
over de manier van praten
met elkaar zou het pas “rol verduidelijken” worden
1.Je bent erg teleurgesteld dat je geen kaartje hebt ontvangen voor je verjaardag. De hulpverlener weet je geboortedatum toch en hoe belangrijk zij/ hij voor jou is!

2.Je nodigt de hulpverlener uit op je verjaardag.

3.Je hebt ruzie met je ouders. Ze begrijpen je niet. Wil de hulpverlener niet maandagavond op bezoek komen om met ze te praten. (pas op 2 valkuilen: de hulpverlener moet het oplossen en ook buiten zijn gewone tijd)

4.Je vindt het maar niks om zo te praten. Je voelt je een stuk meer ontspannen op een terrasje met een drankje erbij. Kan de volgende afspraak niet daar geregeld worden? Dan maar wat korter vanwege de reistijd. Jij trakteert.

5.Je partner vindt dat je zo weinig zin in sex hebt. Eens in de twee weken vrijen is toch veel te weinig. Je wil dat bij je hulpverlener controleren. Hoe vaak vrijt hij/ zij?
?
Gevoelsreflectie
Hulpverlener:
ik zie aan je dat het praten over je vader veel je nog veel verdriet geeft. (klopt dit?)
Hulpverlener:
vervelend voor je.
Hulpverlener:
ik kan me voorstellen dat het niet leuk is.
goed:
niet goed:

Wanneer sommige mensen naar je probleem luisteren voel je je volkomen
geaccepteerd
....

Die mensen hebben zo'n
belangstelling
, dat je vanzelf meer verteld...
Carl Rogers
"Bijna iedereen heeft de kracht om zijn eigen problemen op te lossen."
"Soms kan het zijn dat iemand anders hem helpt om zich bewust te worden van zijn echte verlangens en gevoelens."
OBJECTIEF!
OBJECTIEF!
Aan welke
voorwaarden
moet je volgens Rogers voldoen als
hulpverlener
?
1.
De gevoelens van de hulpvrager onvoorwaardelijk accepteren.
2.
De hulpverlener brengt accurate empathie over.
3.
De hulpverlener is zich bewust van zijn eigen gevoelens.
"Ik merk dat ik wat geïrriteerd begin te worden, omdat ik het gevoel heb, dat u om de hete brij heen draait".

VOORBEELD
- Studentenproblemen:
b.v. nog weinig vrienden hebben, twijfel over studiekeuze, angst voor toetsen, slechte resultaten, eenzaamheid, vrijwilligerswerk, machteloosheid.

- Relatieproblemen:
met partners, huisgenoten, ouders, broers of zussen, vrienden, collega’s, autoriteitsfiguren.

- Keuzeproblemen:
welke vervolgopleiding, welk soort werk, trouwen/samenwonen/scheiden, kinderen krijgen, studeren of werken, verhuizen.

- “Ego”-problemen:
te verlegen zijn, opvliegend, lui, bang, afhankelijk, impulsief, laf, defensief, dik.
- Diversen: werkloosheid, generatieconflict, verloren idealen, seksualiteit, financiële problemen, criminaliteit.

Onder de
luistervaardigheden
vallen:
• aandachtgevend gedrag,
• verbaal volgen,
• gebruik van stiltes,
• het stellen van vragen,
• het parafraseren van inhoud
• het reflecteren van gevoel
• het concretiseren
• het samenvatten

Onder
regulerende vaardigheden
vallen:
• het openen van het gesprek
• het bespreken van het doel van het gesprek
• het bespreken van de rolverdeling in het gesprek
• hardop denken
• het afsluiten van het gesprek

Verbaal:
hum, hum; ja, ja, oh; en toen? of de herhaling van 1 of 2 woorden
Non-verbaal:
natuurlijke gebaren, hoofdknikjes, vragend kijken en het naar voren bewegen van het lichaam.
-Gesloten vragen zijn
vaak suggestief
, omdat ze voortkomen uit een vast idee van de hulpverlener (b.v. cliënt:
“Ik slaap zo slecht de laatste tijd”
. Hulpverlener:
“Komt dat omdat u het te druk hebt?”
).
-Een derde nadeel is het effect dat het stellen van gesloten vragen heeft op het verloop van het gesprek (de cliënt voelt zich
minder verantwoordelijk
voor wat er besproken wordt).
open vragen
E-in vragen
E-ex vragen
(Doorvragen op dat wat de cliënt heeft verteld)
(Vragen stellen uit eigen referentiekader)
De cliënt vertelt jou dat ze ontevreden is over het gesprek dat ze onlangs met haar leidinggevende heeft gevoerd.

De
E-in vraag
is: “ Vertel eens, waar ben jij ontevreden over?”
De
E-ex vraag
is: “ En vertel eens….heb je tegen je leidinggevende gezegd dat je ontevreden bent?”.
De cliënt vertelt jou dat ze zich fysiek niet goed voelt en al wekenlang slecht slaapt.

De
E-in vraag
is: “ hoe zou het kunnen komen dat je zo slecht slaapt”?
De
E-ex vraag
is: “gebruik je ook slaappillen’?
In deze fase wordt gekeken welke concrete stappen er ondernomen kunnen worden om tot een oplossing te komen.

Deze fase kan weer onderverdeeld worden in:
planningsfase
(wat zou het probleem oplossen)
actiefase
(welke stappen moet je ondernemen)
evaluatiefase
(evt. hoe is het gegaan, hoe kijk je er naar?).
probleem(oplossende) fase
Cliënt:
"het gaat de laatste tijd niet helemaal goed met me. Ziet u, ik ben een halfjaar geleden gepensioneerd en sindsdien is het met mij bergafwaarts gegaan. Ik voel me zo lusteloos, ik verveel me zo, heb nergens zin in..."
Hulpverlener:
"hm..., hm..."
Cliënt:
"Ja, nu ik geen werk meer heb, weet ik niet meer hoe ik de dagen moet doorkomen. Mijn vrouw kan er ook niet langer tegen dat ik zo loop te mopperen. Bovendien, als ik terugkijk op mijn werk, vraag ik mij af: is dat nou alles wat je hebt kunnen presteren? Zij toont geen greintje begrip voor me. En nu wil ze nog verhuizen, omdat we de huur niet meer kunnen opbrengen; maar ik ben zo aan mijn huisje gehecht. Soms denk ik: ik wilde dat het maar afgelopen was."
Hulpverlener:
"Als ik u goed begrijp spelen er een aantal dingen door elkaar heen. Ik wil proberen die eens op een rijtje te zetten."
Cliënt:
"Ja inderdaad, zo zit het wel zo'n beetje, geloof ik..."
Hulpverlener:
"Sinds u gepensioneerd bent, verveelt u zich nogal en eigenlijk vindt u ook dat u toen u nog werkte meer had moeten presteren. Daar komt nog bij dat de relatie met uw vrouw nu niet meer soepel verloopt. En in de derde plaats wil zij ook nog eens verhuizen. Al die dingen samen maken u steeds lustelozer; u ziet er geen gat meer in.... klopt dat?"
(de hulpverlener kondigt zijn samenvatting aan)
Hoe kan je nu verder in dit gesprek?
Een stilte (de cliënt zal zijn problemen verder exploreren)
De hulpverlener geeft zelf richting
Hulpverlener:
"Er zijn dus eigenlijk drie verschillende dingen, hé? Uw vroegere werk, uw vrouw en het verhuizen. Ik wilde voorstellen eerst eens wat langer door te praten over het eerste wat u noemde: dat u eigenlijk vindt dat u te weinig gepresteerd heeft. Kunt u daar iets meer van zeggen?"
alternatief:
Hulpverlener:
"Dat zijn drie dingen, hè? Over welke van die drie zou u het eerst verder willen praten?"
Hulpverlener:
"Kunt u eens iets noemen wat bijvoorbeeld moeizaam gaat?"
Cliënt:
"Tja, wat me nog wel het meeste dwars zit, is dat het met mijn vrouw zo moeizaam gaat allemaal."
(selecteren van een gespreksthema)
Hulpverlener:

“Ja, nu val ik even stil, ik weet niet goed hoe we verder zullen gaan. U wilde met uw baas gaan praten over die problemen en dat leek me goed, maar nu hoor ik u zeggen dat die baas dat niet wil. Hoe komen we daar nu verder mee?'

Cliënt:
(licht triomfantelijk) 'Ja, dat is het hem nou net, niks aan te doen dus.

Hulpverlener:
'Nou dat gaat me wat te snel. Laten we eens zien, we hebben het contract met uw baas nog niet zo precies besproken. Op wat voor manier hebt u eerder al eens, misschien over andere zaken, met uw baas gepraat? Hoe gaan die gesprekken? Misschien zit daar een opening.
Voorbeeld 2:
Hulpverlener:
“Als ik het goed begrijp, zijn er op uw vakantie een heleboel onprettige dingen gebeurd, zelfs zo dat u er helemaal niet van uitgerust bent.”?
Parafrase
Open vragen
Hulpverlener:
Wat voor oplossing heb je zelf voor ogen?
Hulpverlener:
Heb je zelf een idee hoe je dit wil gaan oplossen?
goed:
niet goed:

goed:
Susanne
Susanne (23 jaar) heeft een auto-ongeluk gehad met hersenbeschadiging als gevolg. Ze zit nu in een rolstoel. Na een periode in een revalidatiecentrum is, bezoekt ze een activiteitencentrum. Er is eigenlijk weinig wat haar boeit. Hout- en textielbewerking zeker niet, maar ook tuinonderhoud. Bloemen verzorgen is iets voor oudjes en groenten kun je gewoon in de winkel kopen. Alleen vrijdagmiddag laat ze iets van enthousiasme zien als ze mee helpt taart bakken. Haar vriend heeft haar verlaten, omdat hij zich veel te jong voelt om de rest van zijn leven met een gehandicapte door te brengen. De groepsleiding heeft haar gevraagd om te helpen regisseren bij een toneelvereniging van verstandelijk gehandicapten, omdat ze zelf lid was van een toneelvereniging. Het lijkt haar niks om met “van die halve idioten te werken”. Ze heeft geklaagd bij haar zus, dat ze haar op het revalidatiecentrum niet voor vol aanzien.
Je hebt een gesprek met haar zus.

Henk
De ouders van Henk (24) verwachten meer van hun kind, dan dat hij kan. Zij willen dat hij zelfstandig gaat wonen. De orthopedagoog van de instelling heeft al proberen duidelijk te maken, dat dit bij Henk er vanwege zijn intelligentie niet in zit. De ouders proberen het nu bij jou als groepsleider: “Stimuleren jullie hem wel genoeg. Als ik hier kom, dan zijn jullie altijd aan het koffie drinken”
Hou een gesprek met de vader van Henk.

Casussen voor deze week:
Full transcript