Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Inleiding in de psychologie en psychiatrie

No description
by

on 10 March 2016

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Inleiding in de psychologie en psychiatrie

Inleiding in de
Psychologie
Psychiatrie
&
Les 1, 2 en 3
Les 1:
Wat is psychologie
Indelingen in de psychologie
Behaviorisme > Pavlov & Skinner
Les 2:

Humanistische psychologie
Les 3:
Cognitieve psychologie
Systeemtheorie
Les 4, 5, 6, 7 & 8
Les 4:
Geschiedenis van de psychiatrie
DSM IV
Les 5:

Opname
Soorten behandeling / TBS
Indeling psychiatrische stoornissen
Les 6:
Psychische stoornissen; angst, stemming en overige
Les 7:
Psychische stoornissen; psychotisch, persoonlijkheid en organisch
Les 8:
Psychofarmaca
Psychosomatiek
Afweermechanismen
Inhoud les 1
Wat is psychologie?
Indelingen in de psychologie
Behaviorisme:
Pavlov
Skinner
Lesdoelen les 1:
Na afloop van de les weet d
e

de
elnemer....
wat psychologie bestud
eert
en welke indelingen er bestaan
wat het behaviorisme
inh
oudt en welke psychologen hierbij h
ore
n
1. Sporten heeft vrijwel hetzelfde effect op een mens als antidepressiva
2. Bij een psycholoog kom je op een sofa te liggen en luistert de psycholoog vooral naar de persoon die op de sofa spreekt
3. In Nederland zoeken jaarlijks zo’n 90.000 mensen hulp bij een eerstelijnspsycholoog
4. Vrouwen met een eetstoornis hebben een laag zelfbeeld en weinig zelfvertrouwen
5. Je moet afreageren als je boos bent, dat maakt je rustiger
6. Vrouwen hebben vaker last van depressie dan mannen
7. Mannen hebben minder vaak last van een drugsverslaving dan vrouwen
8. Zielenknijper is een ander woord voor psycholoog

?
Wat is psychologie?
Psyche
= Geest / Ziel
Logos
= De leer over... Logica, leerstelling
2 Griekse woorden:
Een wetenschap waarbij zowel het gedrag van mensen wordt bestudeerd, als de gevoelens die mensen hebben bij het ervaren van hun gedrag en de omstandigheden waarin dat plaatsvindt.
Gedrag bestaat uit drie onderdelen:
A. Objectief waarneembaar
B. Reactie van een persoon op een prikkel
C. Eigen ervaring van de persoon op het eigen gedrag
Hoe kun je als wetenschapper meer over gedrag van mensen te weten komen?
- Door te experimenteren met dieren
- Door mensen te testen
(welke testen ken je?)
- Door het gedrag van mensen te observeren
- Door onderzoek
Opdracht:
Maak de opdracht uit de reader!
1. Psychologie betekend letterlijk ...........

2. De psychologie is een .......... waarbij zowel het ......... van mensen wordt bestudeerd als de .......... die mensen hebben bij het ervaren van hun ..........
en de ............ waarin dat plaatsvindt

3. Objectief waarneembaar gedrag is gedrag dat ............ op dezelfde manier kan ...........

4. Een wetenschapper kan meer over gedrag van mensen te weten komen door te ........... met dieren en door mensen te ........... of te .............

Indelingen in de psychologie :
Er zijn verschillende indelingen in de pscyholgie. Een wetenschapper richt zich op een bepaald aspect en bestudeert dat:
A. Basisvakken
Ontwikkelingsleer (hoe ontwikkelt iemand?)
Functieleer (gedrag: waarnemen/emoties/denken)
B. De praktijk
Onderwijspsychologie
Arbeidspsychologie
Organisatiepsychologie
Reclamepsychologie
C. Theorieën
Psychoanalyse
Humanistische psychologie
Behaviorisme

Behaviorimse
Ivan Pavlov
Burrhus Skinner
Filmpje:
Filmpje:
De stroming in de psychologie die de opvatting heeft dat je alleen het waarneembare gedrag moet bestuderen.
Uitgangspunten:
- Verband tussen gedrag van mensen en dieren
- Leerprocessen staan centraal
- Mensen zijn blanco : Tabula Rasa
- Mag opgeknipt worden in kleine delen
- Ontstaat vanuit wetmatigheden

Belangrijke grondleggers:
- Pavlov
- Skinner
- Watson
(niet in deze workshop meegenomen)
Anno 2015:
- Straffen
- Belonen
Experiment met honden > leerprocessen bij dieren en mensen
Aangeboren reflexen (bijv. zuigreflex)
Voorbeeld:
Kinderen huilen niet als ze voor het eerst een verpleegkundige met een vaccinatie (injectienaald) zien. Maar de eerstvolgende keer kan het kind al gaan huilen als ze alleen al de dokter of de naald zien.
Operant conditioneren
Uitgangspunten:
- Associatie tussen gedrag en het gevolg daarvan
- De persoon die iets leert is actief
- De persoon die iets leert, leert handelingen d.m.v. belonen

Voorbeeld:
Een moeder is samen met andere mensen of in een druk winkelcentrum (Prikkel). Het kind begint te krijsen (Reactie). Het kind krijgt een ijsje (Consequentie)
Prikkel
Reactie
Consequentie
Klassiek conditioneren
De verschillen tussen Klassiek en Operant conditioneren
1- persoon die iets leert is actief
2- bouwt voort op reflexen
3- associatie tussen gedrag en het gevolg van gedrag
4- het leren van gevoelens
5- bekrachtiging volgt op het gedrag (namelijk de beloning)
6- associatie tussen twee stimuli
7- het leren van handelingen
8- het geleerde gedrag zit al in het gedragsrepertoire
9- persoon die iets leert is passief
10- de bekrachtiging voor het gedrag (de ongeconditioneerde stimuli)




Opdracht:
Geef aan of onderstaande uitgangspunten horen bij
klassiek
of
operant
conditioneren
Samenvatting en evaluatie van de les
- Wie kan er een samenvatting geven?

- Wat vonden jullie van de les?
- Welke theorie is lastig?
- Welke vragen hebben jullie nog?
Huiswerk:
Cliënt & omgeving; thema 2.5
LB 3.1
Methodisch begeleiden; thema 4.8
Les 2

Humanistische psychologie
Lesdoelen les 2:
De deelnemer kan na afloop van de les:

in eigen woorden vertellen wat de humanistische psychologie inhoudt
benoemen wat het verschil is tussen het humanisme en behaviorisme
Inhoud les 2:
Theorie psychoanalyse
Theorie humanistische psychologie
Op
dracht 1
Ener
gizer
Opd
racht 2
Afsl
uiting van de les
Humanistische psychologie
Het goede leven is een proces, niet een staat van zijn. Het is een richting, niet een doel. (Rogers, 1961)
o.a. een 'protest' tegen het behaviorisme en psychoanalyse
de mens wordt gezien in zijn volledigheid; een creatief, groeiend, betekenisgevend en waarderend wezen. Het wordt tijd om de mens serieus te nemen.
Grondleggers
Abraham Maslow
Carl Rogers
Uitgangspunten:
- Subjectiviteit staat centraal (Wat hij denkt en voelt (individuele beleving))
- De mens is altijd in ontwikkeling (niet alleen het 1e levensjaar)
- Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven
- De ervaringen worden in het hier en nu geplaatst
- De mens wordt als een totaliteit (holistisch) beschouwd (behaviorisme let op leerprincipes en psychoanalyse let op het onbewuste)

1.
Echtheid

(bewust zijn van eigen gevoelens en deze eventueel uitspreken als dit ten goede komt aan de cliënt)
2.
Onvoorwaardelijke positieve acceptatie

(niet al het gedrag goedkeuren, maar wel de gevoelens van de cliënt / RESPECT)
3.
Empathie
= inlevingsvermogen
(medelijden is niet hetzelfde.)
De wil om het te begrijpen

3 uitgangspunten houding van een hulpverlener (Roger)
Motivatietheorie / behoeftepiramide Maslow
Piramide (Maslow)
Opdracht 1:
De motivatie om iets te doen komt voort uit behoefte
Bespreek met elkaar in groepjes van 4 personen.
Welke houdingseis van Rogers lijkt jou het lastigst wanneer: Waarom?

A. Je cliënt incest heeft meegemaakt
B. Je cliënt zijn eigen kind slaat
C. Je je ergert aan je cliënt omdat hij de hele tijd op zijn stoel zit te wiebelen.
D. Je cliënt zijn best niet doet om weer werk te krijgen
E. Je cliënt liegt
F. Je naar huis moet en haast hebt

Terugblik vorige les
Wat is er vorige week behandeld?
Opdracht 2:
Je hebt in de afgelopen 2 lessen drie ‘scholen’ gezien: behaviorisme, psychoanalyse en de humanistische psychologie.

A. Beschrijf per school wat je ‘trekt’ aan die school. Wat vind je positief van die zienswijze?
B. Beschrijf per school wat je heel raar vindt en waar je je niet in kunt vinden.
C. Heb je nog vragen over een bepaalde school?
D. Beschrijf wat jij belangrijk vindt bij een theorie. Bijvoorbeeld: dat ze de mens als geheel zien of dat ze uitgaan van objectiviteit. Kun je aangeven waarom je dat belangrijk vindt?

Afsluiting van de les
Zijn de lesdoelen gehaald?
Wie kan er een samenvatting van de les geven?
Huiswerk:
Lees Client en omgeving: thema 2.5:
Behaviorisme/constructivisme/cognitivisme
Theorie over hulpverlening
Psychoanalyse
Grondlegger:
Sigmund Freud
Uitgangspunten:
Onderbewuste
Lusten
Dromen
Verschillende fases (ontwikkelingspsychologie)
Hiërarchie van de menselijke motivatie
Les 3
Cognitieve psychologie - Constructivisme - Systeemtheorie
Lesdoelen
De deelnemer kan na afloop van de les:

de cognitieve psychologie, het constructivisme en de systeemtheorie onderzoeken en uitleggen aan de groep
Inhoud van de les
Ice-breaker
Groepsopdracht
Presentaties
Afsluiting van de les
Groepsopdracht

STAP 1:
Jullie worden in drie groepen verdeeld (A, B en C)
- Elke groep krijgt een andere opdracht:
Groep A: Cognitieve psychologie
Groep B: Constructivisme
Groep C: Systeemtheorie
- Geef antwoord op de vragen en bereidt een presentatie voor van maximaal 15 minuten
- Zorg dat iedereen evenveel aan het woord is
- Maak het leerzaam en interactief voor/met de groep!!!

STAP 2:
Presenteer je opdracht aan de groep

Afsluiting van de les
- Hoe was het om op deze manier
met de theorie bezig te zijn?
- Was het leerzaam?

- Wie kan er een samenvatting van de les geven?

Huiswerk:
Cliënt en omgeving: thema 18.4 lezen
ICE BREAKER
Om even op te warmen....

Maak de opdracht!


Les 4
Geschiedenis van de psychiatrie
Lesdoelen
Aan het einde van de les kan de deelnemer....
benoemen hoe psychiatrie is ontstaan
benoemen wat het verschil is in de psychiatrie tussen vroeger en nu
Inhoud van de les
Wat is het verschil tussen een
psychiater en een psycholoog?
Hoe wordt er aangekeken tegen mensen met een psychiatrische stoornis?
Psychiatrie: tot 1850
Mensen waren bezeten: demonen en geesten
Kerk had een grote invloed
Duiveluitdrijvingen (exorcisme) en bedevaarten
Psychiatrie: Vanaf 1841
Er kwam een krankzinnigenwet:
opleidingen tot verpleger
behandelingen voor krankzinnigen
Psychiatrie: Vanaf 1900
Maatschappelijke veranderingen: tegen kinderarbeid en kiesrecht en daarbij ook interesse voor behandeling en begeleiding in de psychiatrie

Medisch model:
Patiënt krijgt behandeling gericht op genezing
Patiënt is ziek
Patiënt ligt in bed
Patiënt krijgt medicatie
Shocktherapie
Dompelbaden
Psychiatrie: Na 1945
Sociale wetenschappen ontwikkelingen zich; psychiatrie gaat daar steeds meer bij horen, redenen daarvoor:
Medische experimenten op gevangenen tijdens de 2e wereld oorlog
Opvatting van de nazi's: psychiatrische patiënten waren 'ondermensen' en mochten gedood worden
Psychiatrische ziektebeelden die te maken hadden met de oorlog
Sociologie en Psychologie ontwikkelde snel
Democratisering had invloed op grote instellingen waar patiënten verbleven
Psychiatrie: Rond 1980
Zorg werd steeds individueler
Patiënt niet meer buiten de maatschappij
Aandacht voor preventie
Deskundigheidsbevordering
Experiment vorige week
Introductiefilmpje
Theorie: geschiedenis van de psychiatrie
Individuele opdracht
Video over psychiatrie
Groepsopdracht
Afsluiting
Introductiefilmpje
Opdracht 1
1. Iedereen heeft psychisch (geestelijk) wel eens een probleem, maar dan heb je nog geen psychiatrische ziekte. Wat is volgens jou het onderscheid tussen psychische problemen die iedereen wel eens heeft en een psychiatrische aandoening?
2. Ken je enkele psychiatrische ziekten? Welke?
3. Denk je dat mensen kunnen genezen van een psychische aandoening? Waarom denk je dat?
4. Waar kunnen mensen met psychische problemen terecht?
5. Er is verschil tussen een psycholoog en een psychiater. Leg uit wat dit verschil is?
6. Denk je dat mensen met een psychische stoornis gewoon in de maatschappij kunnen functioneren? Wanneer wel/ wanneer niet?
7. Waar denk je aan bij:
Psychosociale factoren;
Aanlegfactoren;
Organische factoren;

Video:
Opdracht 2


1 ...
2 ...
3 ...
4 ...
5 ...

6 ...
7 ...
8 ...
9 ...
10 ...
Brainstorm in duo's over de onderwerpen die jullie belangrijk vinden om naar te kijken als er een psychiatrische diagnose gesteld moet worden:
Afsluiting van de les
- Waar gingen de afgelopen 4 lessen over?
- wat is nog lastig?

Huiswerk:
- Lees thema 18.4 cliënt en omgeving


SW1b start: presentie Duygu, Selin & Rumeysa
Vanavond:
'Anita wordt Opgenomen' wordt maandag 16 februari om 22.05 uur uitgezonden op NPO 1
Tot na de vakantie!
Experiment van vorige week:
Les 5
DSM - Diagnose - Crisisopname
Lesdoelen
Aan het einde van de les kan de deelnemer:
benoemen wat de DSM inhoudt
benoemen hoe een diagnose tot stand komt en wat de risico's zijn bij het stellen van een diagnose
een beeld vormen over een opname binnen de psychiatrie
aangeven wat er bij een crisisopname komt kijken
Inhoud van de les
Theorie:
'Diagnose in de psychiatrie'
Documentaire:
etiketkinderen
Theorie:
Risico's van diagnosticeren en crisisopname
Opdracht:
crisisopname (of huiswerk)
Afsluiting van de les
Diagnose in de psychiatrie
Het doel van diagnosticeren is classificeren. Daardoor is er duidelijkheid over:

- hoe de symptomen eruit zien
- welke symptomen bij welk ziektebeeld horen
- hoeveel symptomen er aanwezig moeten zijn om een bepaald syndroom of ziektebeeld te hebben

DSM (lV-TR)
Diagnostic and statistical Manual of Mental Disorders
Amerikaans handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen
Hoe werkt de DSM?
Er wordt gediagnostiseerd volgens 5 assen:
(er wordt op 5 manieren gekeken om het probleem ('flexibel') vast te kunnen stellen)
1. Klinische stoornis
2. Persoonlijkheidsstoornissen
3. Lichamelijke ziekten
4. Psychosociale omgevingsfactoren
5. Algehele beoordeling van het
functioneren (GAF)

As l
As 1 is de hoofdas die de diagnose bevat van het probleem, meestal de reden waarom het contact met de hulpverlener is gemaakt.

Voorbeeld:
- Stemmingstoornis
- Angststoornis
As ll
As 2 geeft aan wat er al langer speelt, waar is het in de ontwikkeling mis gegaan, welke kenmerken van stoornissen zijn aanwezig. In deze as kan ook de hoofddiagnose staan.

Voorbeeld:
- verstandelijke beperking
- narcistische trekken

Persoonlijkheidsstoornissen
Klinische stoornis
As lll
As 3 geeft lichamelijke factoren of ziekten aan. Lichamelijke afwijkingen kunnen samenhangen met de stoornis of bepalend zijn voor de behandeling.

Voorbeeld:
- Wisselende schildklierwerking (kan leiden tot depressie (=te laag) of anorexia (=te hoog))
- Korsakov (door gebruik van drugs/medicijnen)


Lichamelijke ziekten
As lV
psychosociale omgevingsfactoren
As 4 behandelt de omgevingsproblemen die de diagnose en behandeling kunnen beïnvloeden

Voorbeeld:
- echtscheiding
- overlijden echtgenoot
- werkeloos geworden
As V
Algehele beoordeling van het functioneren
As 5 beoordeelt het globale functioneren met een cijfer (op een schaal van 0 tot 100), hoe goed iemand nog kan functioneren in zijn omgeving.

Voorbeeld:
0 = nihil
100 = perfect


Voorbeeld:
as 1 : stemmingsstoornis (296.23) / alcohol abusus (305.00)
as 2 : afhankelijke persoonlijkheidsstoornis (301.6)
as 3 : leverstoornissen
as 4 : verlies van werk
as 5 : GAF = 35
Meneer X:
Dus...
Op iedere as wordt gekeken hoe iemand scoort
Er is altijd sprake van scores op meerdere assen
En...
Iedereen kan zich wel in één of meerdere kenmerken herkennen
Wanneer de symptomen hem/haar belemmeren in het normaal functioneren kun je pas spreken van een stoornis.
Documentaire: Etiketkinderen
Waar komt de groei van de psychiatrie vandaan?
Risico's van diagnosticeren
1. De persoon die gediagnosticeerd wordt is afhankelijk (psychiater / afdeling)
2. De manier van diagnosticeren is afhankelijk van westerse ideeën (cultuur)
3. De diagnose gebruiken als rechtvaardiging voor het gedrag
4. Niet altijd begrip voor de omgeving (systeemtheorie)
Crisisopname
- Als iemand een gevaar is voor zichzelf of een ander
- Vaak maakt de omgeving zich zorgen
- Patiënt ziet niet altijd in dat er sprake is van een psychiatrische ziekte
- De rechter beslist

- Doel:
diagnose stellen
bestrijden van de crisissituatie
passende behandeling zoeken

Opdracht (huiswerk) les 5:
Zoek uit:
Wanneer mag een crisisopname wettelijk plaatsvinden?
Welke weg moet hiervoor bewandeld worden?
Welke personen zijn erbij betrokken?
Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?
Hoe lang mag een crisisopname duren?
Wat wordt er bedoeld met de mogelijkheid om een klacht in de te dienen?
Wat zegt de wet over crisisopnames?
Afsluiting van de les:
- samenvatting van de les
- Zijn de lesdoelen gehaald?
- Wat is nog lastig?

Huiswerk:
- Maak de opdracht van deze les en lever dit in op N@tschool
> zet erbij dat het de opdracht van les 5 is
Les 6
Indeling psychische stoornissen
Lesdoelen
De deelnemer kan de categorieën benoemen waarin de psychische stoornissen zijn onderverdeeld
Lesinhoud
Ideëenraamwerk
Theorie:
'Psychische stoornissen
Angststoornissen
Stemmingsstoornissen
Overige stoornissen
Video: Anita wordt opgenomen
Afsluiting van de les
Ideeën raamwerk
Theorie: psychische stoornissen
Angststoornissen
Stemmingsstoornissen
Overige stoornissen
Video: 'Anita wordt opgenomen
http://www.npo.nl/anita-wordt-opgenomen/16-02-2015/KN_1665592
Afsluiting van de les
- Vragen n.a.v. deze les?
- 'Sneeuwballenevaluatie van de les'
Zes categorieën in psychische stoornissen:
Angststoornissen
Stemmingsstoornissen
Overige stoornissen

Psychotische stoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen
Organische stoornissen

Deze les
les 7
Problemen op het gebied van impulsen en zelfbeheersing. De meest bekende zijn:
Seksuele stoornissen
Eetstoornissen
(anorexia nervosa / boulimia nervosa)
Stoornissen in de impulsbeheersing
(kleptomanie, pyromanie, Gilles de la Tourette)
Heeft ermee te maken hoe iemand zich voelt, wat hij/zij denkt en hoe gebeurtenissen beleeft worden. Drie soorten stemmingstoornissen:
Depressie
Manie
Bipolair
Stemmingsstoornissen
Angststoornissen
Depressie:
Somberheid, onzekerheid en lusteloosheid

Manie:
Veel energie en druk, gevoel alles aan te kunnen

Bipolair
(manisch/depressief):
Afwisseling tussen normale, depressieve en manische periodes
Angst = normaal/natuurlijk

Maar hier wordt het leven beheerst door angst en bezorgdheid. Hoe gaan zij daarmee om?
- Vermijden (bijv. bij fobie)
- Controleren (dwanggedachte en dwanghandelingen)

Drie categorieën:
Paniek / Fobieën / Posttraumantisch stressstoornis
Lichamelijke klachten met een psychische oorsprong:
- Conversie: in werkelijkheid is er niets
- Hypochondrie: bang om een ernstige ziekte te hebben
- Somatisatiestoornis: opgenomen worden wegens aandoeningen die niet bestaan
- Nagebootste stoornissen: zelf veroorzaakt
- Simulatie: doet alsof hij/zij ziek is om voordeel te krijgen.
Les 7
Les 8
4 flappen:
- Stemmingsstoornissen
- Angststoornissen
- Eetstoornissen
- Seksuele stoornissen
- Elk groepje start met één flap.
- Na 3 minuten de flap doorgeven
- Elk groepje vult elke flap aan

- Wanneer iedereen elke flap heeft aangevuld, geeft elk groepje een samenvatting van de flap waarmee gestart werd.
Indeling psychische stoornissen
Lesdoelen
Lesinhoud
Psychotische stoornis
Psychose
Wanen
Hallucinaties
De controle kwijt zijn over...

- zichzelf
- eigen gedrag
- eigen handelen

Contact met de werkelijkheid veranderd of is verstoord
Psychose kan chronisch (terugkerend) of kortdurend zijn
Kortdurend: n.a.v. chronische ziekte of vergiftiging

Oorzaak:
stress - zorgen - conflict - schokkende gebeurtenis
Wanen:
ziekelijke overtuigingen
Bijv.
achtervolgingswaan

Hallucinaties:
waarnemingen (horen, ruiken, voelen, zien) die er niet zijn
Bijv.
stemmen horen / de duivel zien
Persoonlijkheidsstoornissen
Wanneer iemand meer afwijkt (persoonlijkheid / karakter) anderen en hier moeilijkheden door krijgt of door de omgeving als storend ervaren wordt.
Drie groepen persoonlijkheidsstoornissen:

A.
Beperkingen in sociale relaties
Paranoïde-, schizoïde en schizotypsiche persoonlijkheidsstoornis
B.
Problemen met impulsen en gevoelens, wat conflicten met anderen oplevert
Antisociale-, bordeline-, theatrale-, en narcistische persoonlijkheidsstoornis
C.
Mensen die overmatig precies, angtig, onzeker of geremd zijn, waardoor contact met anderen moeilijk is
Ontwijkende-, afhankelijke- en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis
Organische stoornissen
De oorzaak is een lichamelijke aandoening, ook als dat een hersenziekte is.
- Stoornissen door alcohol en drugs
- Stoornissen door lichamelijke oorzaken als Parkinson en hersentumoren
- Stoornissen bij ouderen, zoals verschillende soorten dementie
Vragen over de hele workshop
Stap 1:
Stap 2:

Stap 3:
Stap 4:


Schrijf 5 vragen op over de theorie (wat je nog lastig vindt)
Zoek de antwoorden op je vragen
Stel in groepjes van 4 je vragen en bekijk of iemand het antwoord weet
Geef het antwoord op je vraag
Afsluiting van de les
Wie kan er een samenvatting van de les geven?
Zijn er nog vragen?
Na afloop van de les kan de deelnemer....

in eigen woorden benoemen wat psychotische stoornissen zijn
in eigen woorden benoemen wat persoonlijkheidsstoornissen zijn
in eigen woorden benoemen wat organische stoornissen zijn
leervragen over de workshop formuleren
Terugblik vorige week
Theorie: psychotische stoornissen + filmpje
Theorie: persoonlijkheidsstoornissen + filmpje
Theorie: organische stoornissen + filmpje
Vragen over alle theorie formuleren
Lesdoelen
Na afloop van de les kan de deelnemer.....

benoemen wat psychofarmaca is
een mening vormen over 'pillen' of 'praten'
benoemen wat psychosomatiek is
globaal benoemen welke afweermechanismen er zijn
Lesinhoud
Theorie: Psychofarmaca
Opdracht 1: Psychofarmaca
Documentaire 'Kijken in de ziel' + kijkopdracht
Opdracht 2: Categoriseren afweermechanismen
Theorie: Afweermechanismen
Theorie: Psychosomatiek
Vragen over de workshop
Afsluiting en evaluatie workshop
'Pillen of praten?'
Psychofarmaca
Opdracht 1: psychofarmaca
Beantwoord individueel onderstaande vragen:

1. Ken je iemand in je omgeving die psychofarmaca gebruikt of gebruikt heeft? Wat heb je gezien bij deze persoon?
2. Wanneer vind je dat je een pil mag gebruiken?
3. Stel je voor: je hebt hoofdpijn. Wanneer besluit jij om een paracetamol te nemen?
4. Stel je voor: je zit niet lekker in je vel. Wanneer zou je hulp in schakelen? Hoe zou je je daarover/ daarbij voelen?
5. Waarom moet je als SMD’er basale kennis hebben van psychofarmaca?

Bekijk de film en beantwoord onderstaande vragen:
A. Schrijf alle moeilijke woorden op die je hoort en die je niet begrijpt.
B. Geef antwoord op onderstaande vragen:
1. Wat valt je op aan de werkwijze van de psychiater die met daklozen werkt? (hij neemt de boodschap serieus en legt ook uit wat nog mogelijke andere oorzaken zijn)
2. Wat betekent het in de praktijk dat de psychotherapie en de biologische psychiatrie naar elkaar zijn toegegroeid? (beide behandelingen zijn belangrijk. Als psychiater wil je beide behandelingen gebruiken en tot je beschikking hebben)
3. Wat is biologische psychiatrie? (hoe het stofje van het medicijn in je hersenen werkt)
4. Wat voor zelfhelend vermogen heeft het praten bij een depressie?
5. ‘Kahn ziet het brein teveel als machine’ is veelgehoorde kritiek. Welke school van de psychologie kun je hieraan koppelen? (behaviorisme)
6. Wat kan misgaan bij praten? (mensen volledig uit balans brengen)
7. Wat voor afweermechanisme noemt de vrouwelijke psychiater? (vermijden)
8. Wat verbaasd je over wat je hoort tijdens deze documentaire?

http://tvblik.nl/kijken-in-de-ziel/pillen-of-praten
Afweermechanismen
Een 'trucje' dat iemand helpt om om te gaan met conflicten die zich binnen hem/haar afspelen of conflicten die tussen hem/haar en zijn omgeving afspelen
Daarmee wordt angst gedoseerd en de persoonlijkheid in evenwicht gehouden.
!! Je bent je daar niet bewust van !!
!! Komen in combinatie met elkaar voor !!
8 Afweermechanismen
1. Verdringing
2. Reactievorming
3. Isolering
4. Verschuiving
5. Ontkenning
6. Regressie
7. Identificatie
8. Projectie
Categoriseer de 8 afweermechanismen:
Psychosomatiek
Psychosomatische reactie:
Een lichamelijke reactiewijze waarbij organen die je normaal niet bewust kan beïnvloeden een tijdelijke verandering ondergaan (als gevolg van emotie of stress)

Bijv.: Diarree, blozen of zweten
Psychosomatiek
Psychosomatische ziekte:
Beschadigingen aan organen die psychosomatisch reageren.
Bijv.: Astma of een maagzweer
!! Dit kan alleen door een voortdurende psychische belasting (situatie van bedreiging of hopeloosheid) en een speciale gevoeligheid of gebrek in een orgaan.
Welk onderwerp uit deze bijeenkomst vond je het meest interessant?
Welk onderwerp is lastig? Waarom?
Vragen over de gehele workshop?

Evaluatie van de gehele workshop.

Evaluatie van de les:
Psychofarmaca
= geneesmiddelen die werken op het psychisch welbevinden
!! Net als andere geneesmiddelen nooit 100% effectief
Drie hoofdgroepen binnen psychofarmaca:
1. Kalmerende middelen / slaapmiddelen (angststoornissen)
2. Antipsychotica (psychotische stoornissen)
3. Antidepressiva (stemmingstoornissen)
Opdracht 2:
Duur: 22 minuten
Voorbeelden
Verdringing:
"Ik heb het nooit erg gevonden om met Kerst alleen te zijn

Reactievorming:
Haatgevoelens naar de partner zo verdrongen hebben dat zich het tegenovergesteld uit in zorgzaamheid

Isolering:
Wel kunnen praten over iets ergs wat iemand heeft meegemaakt zonder diepere emoties te tonen

Verschuiving:
Een kind dat boos op zijn ouders is maakt speelgoed kapot
Voorbeelden
Ontkenning:
Iemand die de kerstdagen vaak alleen is en dat heel vervelend vindt maakt zichzelf wijs dat hij het juist fijn vindt om alleen te zijn met Kerstmis

Regressie:
Een pubermeisje dat het op een nieuwe school erg moeilijk heeft en thuis tussen haar poppen en knuffels op bed gaat liggen duimen

Identificatie:
Bijv. bij een gijzeling: i.p.v. angst en haat richting de gijzelaar je juist identificeren (als gelijke) met de gijzelaar

Projectie:
Jij hebt een hekel aan iemand maar je zegt tegen diegene: 'Jij hebt de pest aan mij hè?"




Planning workshop
Full transcript