Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Geschiedenis Werkplaats 3 en 4

Eerste klas havo/vwo
by

Ienje Den Hertog

on 7 March 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Geschiedenis Werkplaats 3 en 4

Grieken en Romeinen Vanaf de stichting is Rome een koninkrijk.
Dit bevalt echter niet altijd even goed, de koningen trekken vaak teveel macht naar zich toe en in 509 v. Chr wordt Rome een republiek.

Deze werd bestuurd door:
- 2 consuls (consult= advies)
- senatoren (senex= oude man), samen de senaat Tussen 350 en 270 v Chr.
veroveren ze het hele
vasteland van Italië. In een moment van zwakte lukt het de Carthaagse Hannibal om de Alpen over te trekken met 37 olifanten en met deze dieren tot in Rome door te dringen. In 146 v Chr wordt Carthago daarom verwoest. Ook Sicilië, onderdeel van Carthago is veroverd. Door deze expansiedrift van de Romeinen hebben ze een enorm rijk opgebouwd, het Imperium Romanum.
De gebieden worden opgedeeld in provincies, allemaal bestuurd door een gouverneur. De legeraanvoerders wilden uiteindelijk ook profiteren van de enorme macht van het Romeinse Rijk.
Zo ook Julius Ceasar. In 59 v Chr was hij consul en onderwierp Gallië aan de Romeinse heerschappij. Hij deelde in de buit en schreef een boek over de Gallische oorlog, de Bello Gallico. Tijdens een noodsituatie (bijv. oorlog) kon er een dictator voor 6 maanden worden aangesteld. Deze regeerde dan alleen over het Romeinse Rijk.
In 46 v Chr waren er grote problemen in Rome, en Julius Ceasar wist het voor elkaar te krijgen om benoemd te worden tot dictator voor het leven. De senaat ziet Ceasar echter als bedreiging voor de macht en besluit hem in 44 v Chr te vermoorden. Ze worden hierbij geholpen door zijn goede vriend Brutus.
(Et tu, Brutus?) Octavianus, Julius' pleegzoon en neef, nam wraak en kreeg na enkele jaren burgeroorlog in 27 v Chr veel bestuurlijke functies in handen.
Hij werd imperator (machthebber) met de titel Augustus (verhevene). Zelf plaatste hij de naam van zijn oom, Ceasar, nog als titel vóór zijn naam. Hierdoor werd Octavianus (alias Augustus) de eerste Romeinse keizer. In 137 na Chr is het Romeinse Rijk het grootst.
Onder leiding van Augustus ontstond de Pax Romana, een lange tijd van vrede. Het Romeinse Rijk had een landbouwstedelijke samenleving. De boeren waren erg belangrijk voor de mensen uit de stad; de bakker moest bijvoorbeeld. voldoende graan hebben om voldoende brood te kunnen bakken.
Maar de boeren waren ook verplicht om mee te vechten met de veroveringsoorlogen. De familie die achter bleef had het dan moeilijk om het boerenbedrijf draaiende te houden. Vaak moesten ze ten slotte geld lenen of hun land verkopen. Ze trokken dan naar de stad, zoekend naar ander werk. Rijkdom en macht gingen in het Romeinse Rijk ook vaak hand in hand en bovendien bleef het vaak binnen een paar belangrijke families. Zij werden patriciërs genoemd. Eerst hadden de patriciërs alles voor het zeggen. Maar door de enorme uitbreidingen van het rijk, hadden ze de hulp van de plebejers nodig, het plebs.
Deze (vaak soldaten) wilden patriciërs wel steunen in de senaat, maar wilden daar meer rechten en hogere beloningen voor.
Uiteindelijk konden de plebejers tot senator of een andere bestuurlijke functie worden benoemd. Vooral de rijkere plebejers hadden hier voordeel van, want er bleef de eis dat men pas senator mocht worden als men in bezit was van een miljoen sestertiën. De armste mensen werden ook wel proletariërs genoemd, omdat ze alleen hun kinderen bezaten. Om deze volksmassa rustig te houden, zorgde het bestuur voor brood en spelen. De proletariërs konden gratis graan af komen halen en naar voorstellingen, paardenrennen en gladiatorengevechten in het Colloseum. Ten slotte waren er nog de slaven. In Rome alleen al waren er in de 1e eeuw na Chr ongeveer 400.000. Zij waren buitgemaakt op overwonnen volken, of het waren proletariërs die geen andere uitkomst meer zagen dan zichzelf te verkopen.
De hoogopgeleide slaven (vaak Grieken) werkten als leraar, arts, boekhouder of ambtenaar.
Sterke, jonge mannen konden op het land aan de slag, of als gladiator.
Vrouwen werkten ten slotte vaak in het huishouden. Griekenland bestaat uit allemaal kleine stadstaten, die we poleis noemen (enkelvoud polis). Vaak lagen deze rond een hoog, goed verdedigbaar punt, de akropolis. Het land rondom de stad was echter vaak slecht geschikt voor de landbouw. Daarom gingen de Grieken emigreren. Ze stichtten rond de Middellandse Zee kolonies. Deze onderhielden een goede band met hun moederstad.
Naast landbouw hielden de Grieken zich ook bezig met visserij, handel, nijverheid en ambachten. Grieken bouwden enorme tempels voor hun Goden.
Dat ze Grieks zijn, kan je herkennen aan hun zuilen
en de timpaan, de driehoek boven de zuilen. De Atheense samenleving kan je onderverdelen in verschillende groepen. De belangrijkste mensen waren de vrije volwassen mannen die in Athene geboren waren.
Daarna kwamen de vreemdelingen, mensen die niet in Athene geboren waren.
Vervolgens kwamen de vrouwen, zij deden het huishouden en de opvoeding van de kinderen.
En tenslotte waren er de slaven in Griekenland. In die tijd een heel normaal verschijnsel. Wanneer een stadstaat verovert was door een andere, dan werden de inwoners vaak verkocht als slaven. Hier konden dus ook slimme mensen tussen zitten die werkten als ambtenaar of leraar. De poleis hadden verschillende regeringsvormen. Zo was er de monarchie, waarbij een koning via erfrecht op de troon kwam.
Een andere mogelijkheid was de aristocratie, een regering van de besten. Hieruit kon een derde regeringsvorm ontstaan wanneer een van de aristocraten veel macht kreeg, namelijk de tirannie. Een tirannie is dus een regeringsvorm met een alleenheerser, deze hoeft in Griekenland niet per se het volk te onderdrukken. In Athene had men, in tegenstelling tot andere stadstaten, een democratie. Dat betekent dat het volk regeert. In Nederland hebben we ook een democratie, maar omdat we met teveel mensen zijn, hebben wij een indirecte democratie. We geven onze stem aan een vertegenwoordiger in de Tweede Kamer.
In Nederland mag iedereen stemmen. In Athene mochten alleen de volwassen Atheense mannen stemmen. Wanneer men het idee had dat iemand de democratie bedreigde, kon deze weggestemd worden door middel van het schervengericht. Filosofen als Socrates en Plato vroegen zich af of een democratie wel zo goed was. Zij waren van mening dat niet iedereen verstandig genoeg was om een land te besturen. Daarom waren zij meer voorstander van een aristocratie, maar die moest dan wel door de meest verstandige mensen geleid worden. De Romeinen waren zeer tolerant tegenover andere goden. Je kon er nooit teveel hebben, was het idee. Het enige wat andere volkeren hoefden te doen naast het aanbidden van hun eigen goden, was het aanbidden van de belangrijkste Romeinse goden (Jupiter!) en de keizer.

Maar met de Joden wisten ze eigenlijk niet zo goed wat ze er mee aan moesten.
De Joden uit Judea geloofden namelijk maar in 1 God. En ze weigerden iets of iemand anders te aanbidden.
Van 63 v Chr tot 66 na Chr hoefde het land alleen belasting te betalen. Maar in 30 na Chr begon Jezus van Nazareth voor onrust te zorgen. Hij zei dat hij de zoon van God was.
In de Tenach (de boeken van Mozes) stond een voorspelling dat er in tijden van onderdrukking een messias zou komen om het volk te bevrijden. Een aantal joden geloofde dat Jezus deze messias was.

Maar goede vrienden maakte Jezus niet met de meeste joden. Zeker niet met de priesters, die vaak bekritiseert werden door Jezus.
Zij gingen naar de controleur/gouverneur Pontius Pilatus en vertelden dat deze man zich koning van de joden noemde. Hij werd gearresteerd en als een zware misdadiger ter dood gebracht, vastgespijkerd aan een kruis. De volgelingen van Jezus, zijn discipelen, gingen echter verder met het vertellen van de boodschap die Jezus had. Ze geloofden dat je in de hemel kwam als je volgens dezelfde manier leefde als Jezus, die gestorven was om de zonden van de mensen op zich te nemen.

Een van de grondregels van Jezus' boodschap was dat iedereen gelijk was. In de kerken, waar de christenen bij elkaar kwamen, kwamen dan ook veel vrouwen, slaven en armen. Maar net als de joden weigerden de christenen om iets of iemand anders dan hun God te aanbidden. Dit was een probleem voor de Romeinse eenheid.
Zij waren bang dat als niet iedere inwoner van het Romeinse rijk Jupiter zou vereren, dat het rijk dan uit elkaar zou vallen.
Daarom werden de christenen vervolgd. Ze werden gekruisigd, verbrand of voor de leeuwen gegooid. De mensen die op deze manier om kwamen, noemen we martelaren. Pas toen keizer Constantijn in 312 na Chr een droom kreeg waarin hem werd voorspeld dat hij de strijd zou winnen wanneer hij in God zou vertrouwen, werd het makkelijker voor de christenen.
Constantijn liet het christelijke kruis op de banieren bevestigen en won inderdaad de strijd tegen zijn rivaal keizer Maxentius.
Als dank kregen de christenen godsdienstvrijheid. In 380 na Chr ging keizer Theodosius nog verder.
Hij verklaarde het christendom tot staatsgodsdienst. Wanneer je een ambtelijke functie wilde bekleden, moest je dus christen zijn. Algauw werden andere godsdiensten verboden. De godsdienst was in korte tijd erg groot geworden en moest goed worden georganiseerd. De kerk was de overkoepelende organisatie, die in elk gebied een kerkelijk leider plaatste (bisschop).
De bisschop van Rome noemen we de paus. Deze is nog steeds de leider van de rooms-katholieke kerk.
Full transcript