Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Smv theorie PL (2e opzet)

Werkdoc 2
by

Lies Em

on 7 April 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Smv theorie PL (2e opzet)

George Alexander Kelly
Psychoanalyse
Behaviourisme
Cognitivisme
Humanisme
Carl Ransom Rogers
(1902-1967)
Maslow

Hans Jürgen Eysenck
(1916 - 1997)
Burrhus Frederic Skinner
(
Radicaal Behaviourisme
Inzicht in delen => inzicht in
geheel
Maar zijn gestaltdenkbeelden werden door veel anderen heftig aangevallen. De gestaltgedachten spoorden niet met het zoals dat in bepaalde mate geadopteerd was door het structuralisme, functionalisme, behaviorisme en ook associationisme. Verder gingen Köhlers denkbeelden over inzicht en probleemoplossing in tegen de opvattingen van William James en John Watson over 'ingesleten' netwerken van automatische reflexen.
Biologische traittheorie
Vier fundamenteel verschillende visies tussen theorieën:

Focus / behandeling gericht op algemene kenmerken of specifieke verschillen ?
Focus / behandeling gericht op ervaringen uit het verleden of gedragingen in het heden ?
Wordt gedrag beïnvloed door stabiele kenmerken van de persoon of door de omstandigheden? Waarop richt zich behandeling ?
Focus / behandeling gericht op biologische factoren (met medicatie) of ander gedrag (therapie)
Sigmund Freud (1856 - 1939), grondlegger Psycho-analyse (onbewuste processen en weerstandsmechanismen) Achtergrond informatie:
Studie Zoölogie / Fysiologie (Wenen), onderzoek naar neurologische verklaringen voor afwijkend gedrag.
Aanstelling als neuro(psycho)loog Universiteit Wenen, onderzoekt effect cocaïne
1885 Parijs ontmoeting met neuroloog Pierre Charcot, onderzoeker hysterie. Charcot toont met demonstraties aan dat onder hypnose hysterische aanvallen kunnen worden opgewekt. Dat brengt Freud op het idee van psychogene ipv fysiologische oorzaken van ziektebeelden, Charcot inspireert Freud tot gewaagde theorievormingen. Kern van Freud's verklaring van de hysterie is dat hieraan psycho-trauma's op het gebied van de menselijke seksualiteit ten grondslag liggen. Zijn in oktober 1886 gehouden voordracht „Über männliche Hysterie“ wordt slecht ontvangen bij het artsenpubliek.
1889 bezoek aan Hippolyte Bernheim in Nancy, die onderzoek doet naar de zogenaamde posthypnotische suggestie. Hieruit concludeert Freud dat er een onderbewustzijn moet bestaan dat verantwoordelijk is voor het grootste deel van het menselijk handelen.
Mede naar aanleiding van casus Anna O. publiceren Breuer en Freud samen de Studien über Hysterie (1896). Daar wordt ook het idee van het Unbewusste (onbewuste) in gepostuleerd. In deze studie wordt de hysterie nog psychologisch verklaard, maar later distantieert Breuer zich hiervan. Breuer zoekt een eenheid in het klinische denken en gaat hysterie weer fysiologisch verklaren.
Uiteindelijk stopt Freud met het gebruik van hypnose als therapeutisch middel. In plaats daarvan laat hij zijn patiënten vrij associëren, om inzicht te krijgen in de bewustzijnsinhouden van zijn patiënten en de veronderstelde psychogene oorzaak van hun lichamelijke klachten bloot te leggen. Freud gaat hierbij uit van een 'niet-willen-weten' van de seksuele oorsprong van deze klachten. Het was volgens hem aan de arts om de patiënt tot inzicht te brengen in de oorzaak van de neurose, desnoods op dwingende wijze. Dat dit weerstand oproept betekent volgens Freud dat patiënten de oorzaak van het trauma niet willen weten.
In 1899 verschijnt "Die Traumdeutung", over de relatie tussen het onbewuste en de inhoud van dromen. Vaak wordt het verschijnen van Die Traumdeutung beschouwd als de grondlegging van de psychoanalyse. In dromen zouden verborgen boodschappen van het onderbewustzijn zitten: dromen zijn verkapte vervullingen van onbewuste wensen. Door dromen te analyseren kon men dus dingen over het onbewuste te weten komen
Freud trekt met zijn ideeën jonge artsen aan die geïnteresseerd zijn in zijn opvattingen over de psychologische oorzaken van afwijkend gedrag. Dit leidt tot het ontstaan van de psychoanalytische beweging. Er ontstaan ook conflicten. Bekende collega-psychiaters van Freud, Jung en Adler, die veel met Freud corresponderen, nemen na 1910 afstand van diens pas opgerichte internationale psychoanalytische vereniging, en werken hun eigen varianten van de psycho-analyse uit/
Theorie Driften, ca. 1900;
Sigmund Freud ziet geest en lichaam als een geheel van energiestromen. Die energiestromen noemde Freud "driften" (Triebe). Deze driften werken doorgaans ongemerkt, en zijn "primair". Zo onderscheidde Freud een levensdrift (Eros), de primaire drang tot zelfbehoud (voortzetting van de soort, liefde voor jezelf en voor de anderen). In zijn latere werk meent Freud ook een doodsdrift (Thanatos) te kunnen onderscheiden, het streven naar een spanningsloze toestand (oceanisch gevoel). De seksuele driften noemde hij libido.
Es, Ich, Uber-ich
Deze driften zijn in het begin ongestuurd en ongeremd. Freud noemde dit het Es. De mens leert deze driften te beheersen door zich aan te passen aan de verwachtingen van anderen. Het is het Ik, of ego in het Latijn, het bewuste deel van het psychische apparaat, dat leert om die driften te beheersen. De opvoeding en de cultuur dwingen deze aanpassing af, en geven de voorbeelden waar het bewuste zich op kan richten. Het deel van het psychisch apparaat dat deze voorbeelden internaliseert is het über-ich (super-ego of geweten).
Deze indeling van de menselijke geest doet enigszins denken aan de leer van Plato. Hij beschrijft dat de mens bestaat uit het onderlichaam (verlangens) dat door de borst in bedwang moet worden gehouden. De perfecte mens leeft uit het hoofd, dat daar weer boven staat.
Psychotrauma's
Lichamelijke stoornissen herleidt Freud tot verstoringen in de psychische energiehuishouding van de mens. Traumatische gebeurtenissen, bijvoorbeeld de vermeende aanblik van seksuele omgang tussen de ouders (zie de Wolvenman), worden door het psychisch apparaat verdrongen. Een verdrongen traumatische herinnering, die Freud vanaf het postuleren van zijn drifttheorie toeschreef aan de fantasie van de patiënt, verdwijnt niet uit het psychisch apparaat, maar komt terecht in een deel van de geest die Freud het onbewuste noemde. De energie die niet meer toegankelijk is voor het bewuste, en dus ook niet rationeel gestuurd kan worden, zoekt een uitweg, en uit zich in lichamelijke symptomen. Door de patiënt in therapeutische sessies ongestuurd te laten vertellen, kon de therapeut deze verdrongen inhouden van het onbewuste op het spoor komen. Door deze bewust te maken, wordt de energie weer rationeel beheersbaar, waardoor de klacht verdwijnt.
Bewust en onbewust.
Freud zag het onbewuste als cruciaal voor de psychoanalyse. Volgens Freud bestaat de menselijke geest uit een ingewikkeld web van gebeurtenissen en processen waarvan slechts een deel voor het bewustzijn toegankelijk is. De geest is als het ware opgedeeld in twee afdelingen, min of meer onafhankelijk van elkaar. Het onbewuste bestaat uit de aangeboren driften, maar ook de verdrongen wensen en traumatische ervaringen. Daarnaast bevat het ook sluimerende gedachten, herinneringen, kennis, beelden, die zonder veel problemen wel tot inhoud van het bewustzijn kunnen worden gemaakt.
Psychoseksuele ontwikkeling.
Oorspronkelijk ging Freud ervan uit dat de psychopathologie van zijn patiënten werd veroorzaakt door seksueel misbruik tijdens de vroege kindertijd. Om redenen die niet zijn opgehelderd kwam Freud rond 1903 terug op deze "verleidingstheorie", die dus eigenlijk een "misbruiktheorie" was. In plaats hiervan stelde hij nu dat de herinnering aan het misbruik op de fantasie van de patiënt zelf berust, voortkomend uit de eigen seksuele en gewelddadige driften, wat leidde tot de formulering van zijn Oedipuscomplex. Dit complex zou tot angsten en trauma's kunnen leiden (zie 'Kleine Hans'). Freud stelde dat kinderen een psychoseksuele ontwikkeling doormaken, welke theorie tegenwoordig wordt betwist; (orale fase, anale fase, fallische fase, latentiefase en tot slot de genitale fase). Hiermee kon hij zijn verdringingsthese, de hoeksteen van zijn psychoanalytische theorie, in stand houden.
Invloed van Freud
Psychotherapie en populaire cultuur
Doordat een aantal (vrouwelijke) leden van de bourgeoisie zich aangetrokken voelden tot de psychoanalyse en zich lieten behandelen, groeide de psychoanalyse en kreeg deze veel internationale allure. De psychoanalyse kan gezien worden als een van de eerste vormen van de moderne psychotherapie.
Freud's idee van verdringing als oorzaak van psychische problemen is wijd verbreid geraakt, en maakt deel uit van het collectieve denken over de werking van de geest.
De naam van Freud heeft in het dagelijkse taalgebruik een bekende klank; de meeste mensen kennen bijvoorbeeld de zogenaamde freudiaanse verspreking, als voorbeeld van wat Freud zelf een fehlleistung noemde.
Invloed op de kunst
De psychoanalyse van Freud had invloed op de surrealistische beweging in 1924. André Breton, grondlegger van het surrealisme, was erg geboeid door dromen en de Traumdeutung en de psychoanalyse van Freud. In schilderijen en films van het surrealisme werd een onderbewuste, een droomomgeving geschilderd. Eén van de bekendere kunstenaars, die veel de zogeheten Freudiaanse symboliek in zijn werk gebruikte, was Salvador Dalí. In een van zijn bekendste werken, De volharding der herinnering, bijvoorbeeld, duiden de slappe, uitgelopen uurwerken en objecten op impotentie.
Kritieken
Freuds invloed op zowel de psychologie als de psychiatrie is groot geweest. Velen beschouwen hem als een belangrijke pionier, zelfs al zijn de inzichten tegenwoordig veranderd. Zijn ideeën komen niet of nauwelijks meer aan bod in de academische psychologie. Vanaf het midden van de twintigste eeuw kwam de psychoanalyse langzaamaan steeds sterker onder vuur te liggen.
Gebrek aan falsificeerbaarheid
Wetenschapsfilosofen, zoals Karl Popper, hebben erop gewezen dat psychoanalytische hypothesen niet falsificeerbaar zijn, hetgeen een essentiële voorwaarde is om van een echte wetenschap te kunnen spreken.[3]
Adolf Gruenbaum stelt dat dit falsificeerbaarheidsprincipe tot betekenisloze uitspraken leidt en dat Freuds theorieën wel degelijk falsificeerbaar zijn:
"Popper elevated the falsifiability of a hypothesis to being the necessary and sufficient condition of its scientific status. But that criterion is much too broad, because it licenses ludicrous propositions like "The moon is made of green cheese" to qualify as "scientific" by being falsifiable. Moreover, Popper erroneously indicted Freudian psychoanalytic theory as unfalsifiable, although it is demonstrably falsifiable." [4][5]
Selectieve waarneming en misinterpretatie
Freud gebruikte selectief en (volgens sommigen) tegen beter weten in alleen die waarnemingen die binnen zijn theorie pasten.
Gruenbaum deelt deze fundamentele kritiek op Freuds psycho-analyse:
"Freud and his followers rely primarily on the productions of patients in analytic treatment as evidence for their theoretical edifice. And psychoanalytic theory is replete with causal hypotheses purporting to explain normal and abnormal human conduct. But their clinical evidence does not provide cogent observational support for these core hypotheses, thus leaving their support remarkably weak[4]."
Gruenbaum heeft zijn bezwaren uiteengezet in een boek over de filosofische grondbeginselen van de psychoanalyse, dat nog steeds een grote rol speelt in de discussies over Freud[6]
De Nederlandse historicus Han Israëls heeft de werkwijze van Freud en zijn volgelingen sterk gekritiseerd. Hij stelt dat Freud a priori opvattingen had over de oorzaken van psychische problemen, en die op zijn patiënten projecteerde. Hij beschrijft de casus-Schreber uit 1911, en laat zien hoe Freud selectief verbanden legde die geen bewijs vormen voor zijn stellingen, met uitsluiting, zonder onderbouwing of zelfs maar overweging, van mogelijke andere verklaringen[7]
Fundamenteel is de kritiek van Richard Webster, die stelt dat hysterie geen psychogene oorzaak had, maar veroorzaakt werd door minieme hersenbeschadigingen en epileptische aanvallen, die met de wetenschap van eind 19e eeuw niet te verklaren waren[2]. Charcots idee van psycho-trauma's, naar analogie van lichamelijke trauma's, werd door Freud overgenomen, maar berustte dus op een misinterpretatie van medische problemen. Ook de door Breuer ontdekte 'Sprechtherapie' kan beschouwd worden als een misinterpretatie. De geclaimde genezing van Anna O. vond niet plaats; ze is integendeel nog jarenlang nadien behandeld in psychiatrische instellingen[2].
Kindertrauma's als fantasie of als feit
Voormalig psychoanalytica Alice Miller stelt in haar boeken de geldigheid van de psychoanalytische theorie en praktijk van Freud radicaal ter discussie en wijst die af, omdat de klassieke psychoanalyse naar haar mening de toegang belet tot de ware oorzaken van traumatische herinneringen uit de kindertijd. Deze trauma's berusten volgens haar niet op de fantasie, maar op feitelijke uitoefening van macht en fysiek, seksueel en psychisch geweld van volwassenen. Miller was een sterke opponent van Freuds ideeën over de kinderlijke seksualiteit als bron van de neurose. Zij stelde dat herinneringen aan seksueel misbruik niet een product zijn van de fantasie, voortkomend uit de eigen driften van patiënten, zoals Freud stelde, maar dat dergelijk misbruik in de realiteit veel voorkomt en dat het een verwoestend effect heeft. Het reële misbruik wordt stelselmatig genegeerd in Freud's psychoanalytische theorie, aldus Miller, wat leidt tot het verantwoordelijk stellen van de patiënt voor zijn eigen psychopathologie en het buiten schot laten van degenen die het trauma werkelijk veroorzaakten. Miller verwierp de validiteit van Freuds drifttheorie, waaronder het Oedipuscomplex.[8] Zij schreef over Freud: "Wanneer een mens de loochening van de werkelijkheid een grote wetenschappelijke stap noemt en een school sticht die haar leerlingen steunt in hun blindheid, dan is dat geen particuliere aangelegenheid meer. Het is een vergrijp jegens de belangen van de mensheid, ook al wordt het onbewust bedreven.[9]
Verdrongen herinneringen
Het idee van 'verdrongen herinneringen' heeft geen wetenschappelijke onderbouwing, menen sommigen. In de jaren 1990 is het onderwerp geweest van debat, met name in de VS, toen ouders beschuldigd werden van seksueel misbruik van hun kinderen[10][11].
Weerstand
Freud's interpretatie van de problemen van zijn patiënten, door hem duiding genoemd, werd lang niet altijd geaccepteerd door zijn patiënten. Freud noemde dit 'weerstand', verzet van de patiënt tegen genezing. Feitelijk komt het er op neer dat Freud de autonomie en het beoordelingsvermogen van zijn patiënten niet respecteerde, en zijn eigen visies en standpunten opdrong[2][12]
Effectiviteit van psychoanalyse
In Nederland worden psycho-analytische behandelingen sinds kort niet meer vergoed, omdat er geen wetenschappelijk bewijs is voor de effectiviteit van psychoanalyse. Er zijn vele alternatieven voorhanden waarvan de effectiviteit wel aantoonbaar is, en die aanzienlijk efficiënter, want minder tijdrovend zijn.
Trivia
Toen Freud door de Gestapo gedwongen werd om zijn woonplaats Wenen te verlaten, moest hij een document ondertekenen dat de Gestapo hem goed behandeld had. Dit deed hij met het onderschrift "Ik kan iedereen de Gestapo aanbevelen."[13]Jim Morrison, zanger van The Doors, was een bewonderaar van Freud. Hij bezong het Oedipuscomplex en wilde met zijn muziek en gedichten de "deuren naar het onderbewustzijn" openen

Persoonlijkheidsonderzoek sinds de Oudheid
Wie is de mens / Wie ben ik?
Wat drijft de mens / mij?
Klassiek
Hippocretes en Galenus
Persoonlijkheidsleer

Psychoanalyse - Sigmund Freud (1856 - 1939)
Centrale begrippen: onbewuste conflicten en weerstandsmechanismen uit vroege psychoseksuele ontwikkeling
Sigmund Freud (1856 - 1939) ontdekt via observaties / gesprekken dat veel klachten zijn gebaseerd zijn op (verborgen) emotionele conflicten.





Neoanalysitische benadering - Carl Jung & Alfred Adler
Doorontwikkeling van psychoanalyse
methodes: introspectie , apperceptieve testen, vrije associaties
een belangrijke en interessante visie op het Id: men zou deze kunnen vergelijken met het menselijk genoom, wat als het ware de oerdriften van een mens beheerst. Deze visie maakt de psychoanalyse gedeeltelijk biologisch. Verder kan men in deze visie, het Superego vergelijken met de frontale kwab, waarin "het geweten" huist.







Behaviorisme

Actuele ontwikkelingen
Thema's:
bestaan onbewuste processen
verdringing emotionele ervaringen ('energieën') die
door de psyche uit het bewustzijn worden verdrongen naar het onbewuste, waar ze
blijven bestaan. Deze energieën zoeken een uitweg en veroorzaken pathologische fysieke symptomen (b.v. hysterie)
belang van seksuele en agressieve drijfveren bij menselijke handelingen
mens beheerst door impulsen

Driftenleer
Mens als wezen dat primair streeft naar lustbeleving.
Het menselijk handelen wordt gedreven door driften, een aangeboren drang naar bevrediging van die lusten die resulteren in het voldoen aan bepaalde levensbehoeften, zoals eten en voortplanting.
Werking van een drift
Drie momenten in de werking van een drift:
De bron van de drift; ligt in het fysiochemisch evenwicht van het organisme. Wanneer door ontbering van iets, dat nuttig is voor het zelfbehoud (bijvoorbeeld voedsel), er een fysiologische onevenwichtstoestand komt, ontstaat behoefte.
Het doel van de drift; bevrediging van de behoefte (zoals honger stillen). De bevrediging van de behoefte leidt tot spanningsreductie en wordt als lustvol ervaren.
Het object van de drift; iets (persoon of zaak) uit de buitenwereld dat tot bevrediging kan leiden. Het driftobject kan veranderen van de ene levensperiode tot de andere. Driftobjecten zijn ook in grote mate afhankelijk van milieubeïnvloeding: ze kunnen dan ook verschillen van cultuur tot cultuur.
Soorten driften
Sigmund Freud onderscheidt twee tegengestelde en complementaire driften die vanaf de geboorte werkzaam zijn:
De levensdrift of libido, gericht op behoud van de soort en op zelfbehoud. De mens ervaart echter geen levensdrift (eros). Wel de psychische variant ervan: de seksualiteit. In de eerste fase van zijn theorievorming spreekt Sigmund Freud van libido sexualis. In een later stadium tempert hij zijn pan-seksualisme en spreekt van libido als een op leven gerichte ongedifferentieerde energie.
De doodsdrift. De mens ervaart evenmin doodsdrift (thanatos). Wel de psychische variant ervan: de agressie. Deze agressie is primair tegen de persoon zelf gericht en zou secundair tegen de buitenwereld zijn gericht.
Structuur psyche:

Topografisch model, 3 bewustzijnniveau's:
voorbewuste (bevat kennis en herinneringen, gemakkelijk terug te halen)
bewuste (datgene waar we aan denken, echte redenen van gedrag)
onbewuste (verborgen, verdrongen seksuele driften: Eros (levensdrift) en Thanatos (doodsdrift)

Structureel model, onderscheid tussen Es, Ich en Uber-Ich:
Het Es (id), het primitiefste deel van de psyche, geleid door het primair procesdenken / lustprincipe (ook wel het oerinstinct genoemd) (volledig in het onbewuste)
Het Ich (ego), het kind past zich aan de omstandigheden aan (realiteitsprincipe2) en leert dat bevrediging soms uitgesteld moet worden (v.a. 4 jaar) (in voorbewuste, bewuste of onbewuste)
Het Über-ich (superego), of het geweten (idealen). In deze fase enerzijds internalisering van de sociale normen van (de ouders en) de maatschappij, anderzijds driftverzaking, die een verstrengeling van het superego tot gevolg heeft (soms in voorbewuste, in bewuste of voorbewuste).
Freud had een dynamisch concept van de psyche, waarin deze verschillende delen in opeenvolgend fasen in het leven van een kind ontwikkeld werden.

Persoonlijkheidsontwikkeling, psychoseksuele ontwikkelingsfasen:
Orale, passieve fase (eerste 18 levensmaanden). Onopgelost conflict => afhankelijke, conformistische en goedgelovige persoonlijkheid
Anale, actieve / controlerende fase (1-2 jr). Onopgelost conflict => 2 persoonlijkheidstypes: 1. ordelijk, net, strakke regelmaat; 2.rebellerend tegen ouders ,koppig, uitdagend. Afhankelijkheid van moeder, angstig bij afwezigheid, internalisatie moeder als symbool perfectie.
Fallische fase
jongens -> primitieve seksuele gevoelens -> moeder; zijn jaloers op vader en rivaliseren met hem => castratie-angst (Oedipus-complex). Onopgelost conflict => fallische persoonlijkheid: koud, promiscue persoon, die vrouwen of mannen alleen gebruikt ter bevrediging van lust.
meisjes ->primitieve seksule gevoelens in eerste instantie => moeder; ontdekken dan dat ze inferieur zijn aan mannen => penisnijd => richten zich op vader -> krigen kind wordt substituut voor castratie (Elektra-complex). Onopgelost conflict: meisje gedraagt zich als man gedragen: uitdagen + flirten, maar niet geïnteresseerd in sex.
latentie fase, periode van relatieve psychoseksuele rust (ca. 6 jaar), kind richt zich op vriendschappen met andere kinderen van eigen sekse
genitale fase (puberteit): korte terugkeer naar Oedipus of Elektracomplex, in eerste instantie voorliefde voor oudere persoon andere geslacht tot partner zelfde leeftijd is gevonden.
Verzameling kenmerken die gedrag, gedachten en gevoelens van een individu bepalen, stabiel in tijd & in uiteenlopende situaties.
Bijzondere positie vakgebied persoonlijkheidsleer
binnen de psychologie: theorie verklaard op basis van visies van bekende psychologen
Hoe komt dat?
1. De aard van de theorie
Een filosofische benadering past beter bij grote en uitgebreide theorieën, die een breed en samenhangend mensbeeld bieden, dan een empirische benadering.
De laatste past beter bij kleine, concrete vraagstukken.
2. Verschuiving onderzoeksfocus:
19e eeuw: studies naar universele kenmerken - > algemene persoonlijkheidstheorieën
20e eeuw: studies naar verschillen -> theoriën persoonlijkheidsverschillen. Invloed individualisering maatschappij + nieuwe onderzoeksmethodieken (meten van eigenschappen, zoals IQ, wordt mogelijk).
3. De oorspronkelijke inzichten van de grondleggers hebben grote invloed gehad op de manier waarop mentale stoornissen werden behandeld. Ze zijn ontstaan vanuit de klinische praktijk en bedoeld om een denkkader voor (psycho)therapie te bieden.
Drie redenen:
Structuralisme
deel werkversie, eigen doelen
1e generatie: klassiek behaviorisme

1913, officieel geboortejaar van het behaviorisme met manifest John Watson: 'Psychology as the behaviorist views it'. Hiermee zet hij zich af tegen de contemporaine psychologie die grotendeels steunt op introspectie en zich richt op de studie van het bewustzijn en het mentale leven.
In de plaats kwamen
gedrag en experimenteel onderzoek, met nadruk op observeerbaarheid en objectiviteit.
Het klassiek behaviorisme is gegroeid uit het functionalisme - dat zich afzette tegen het structuralisme, maar zich toch bleef richten op mentale processen - en uit de opkomende vergelijkende psychologie, waarbij dieronderzoek belangrijk werd.

Eerste behavioristen wijdden zich grotendeels aan dieronderzoek. Het klassieke behaviorisme wordt S-R-behaviorisme genoemd (S = stimulus = prikkel; R = respons = reactie).
Het was een mechanistisch behaviorisme dat op zoek ging naar de wijze waarop stimuli gedrag konden uitlokken en hoe dat beïnvloed kon worden. De leerprocessen werden
conditionering
genoemd. Deze visie werd zeer sterk beïnvloed door de
reflexfysiologie
van Ivan Pavlov (die zichzelf nooit een behaviorist heeft genoemd) en anderen. Naast
Watson
was onder meer
Edward Thorndike
een belangrijke vroege behaviorist.

Mensbeeld:
negatief
mens in de grond irrationeel
Impulsen -> (zelf)destructie)

Mensbeeld:
positief
mens streeft naar het goede
zelfactualisatie -> ontplooiing
destructief gedrag is gevolg van incongruentie tussen ware zelf en geconstrueerde zelf o.i.v. ongunstige condities
Thema's:
Zelfactualisatie:
organisme neigt tot in standhouding van zichzelf (fysiologisch, veiligheid, contact, waardering, groei)
zich te actualiseren / te verbeteren
realisatie aangeboren capaciteiten -> zelfontplooiing
hoe meer groei, hoe gedifferentieerder, onhafhankelijker, sociaal verantwoordelijker
Femenologische realiteit: mensen leven in een subjective wereld, die enkel door hen zelf erkend kan worden. Bewuste ervaringen (percepties, interpretaties en gevoelens) vormen kern persoonlijkheid
Positieve aanvaarding (warmte, liefde, waardering) onmisbaar voor ontwikkeling congruentie actuele en ideale zelf.
Geïnternalieerde waarderingscondities leiden tot een geweten (ideale zelf)
Zelfwaardering
Situationisme:
Antwoord op theorie Big Five, dat uitgaat van een persoonlijkheid die stabiel is in verschillende situaties, en voorspellend is voor nieuwe situaties. Dit blijkt in de praktijk niet zo te zijn.
Extreem tegenhanger van de trait aanpak is het situationisme, dat uitgaat van het feit dat de
situatie
volledig bepalend is voor gedrag, en dat hetzelfde gedrag niet gemeten kan worden over verschillende situaties.

Interactionisme:
Tegenwoordig hangen de meeste psychologen toch een combinatie aan, het
interactionisme,
dat uitgaat van het feit dat een persoonlijkheid gedeeltelijk gedrag verklaart en dat de situatie een ander deel bepaalt. De Big Five is toch wel een voor veel mensen toegankelijke theorie, wat ook een deel van de populariteit verklaart.
De theorie van de big five wordt ook veel gebruikt bij bijvoorbeeld sollicitatieprocedures, om te kijken of iemand geschikt zou zijn voor een baan. Een veelgebruikte test hiervoor is de NEO-PI, waarbij NEO staat voor de eerste 3 van de 5 dimensies. Kritiek hierop is dan ook dat de test een momentopname is, en niet voorspelt hoe echt gedrag in echte situaties is.

Positieve psychologie
biologisch (erfelijkheid, hormonen, neurotransmitters)
cognitief (denkprocessen, informatieverwerking)
energiebalans
norm boven waarde (hst 11)
Nog vragen?
Structuralisme
(hst 1, p. 9, hst 13) (...)
Onstaat 1879 vanuit structuralistische taalkunde (De Saussure)
Theoretische benaderingswijze en intellectuele stroming binnen de sociale wetenschappen / hedendaagse filosofie.
Verzamelnaam interdisciplinaire methodes en onderzoeksprogramma's die stellen dat er uitgebreide onbewust functionerende culturele symboolsystemen bestaan die het alledaagse in grote mate bepalen en deze willen onderzoeken.
Bloeitijd: jaren zestig en zeventig 20e eeuw.
Thema's:
blauwdruk / structuur bewustzijn in kaart brengen / meten
aandacht, observatie, denken en sensatie
Inzicht in geheel =>inzicht in de functie van de delen

Gestaltpsychologie

In navolging van Max Wertheimer experimenten over waarneming van beweging.
Door een gedwongen verblijf op Tenerife tijdens WO I voert hij op een Duits proefstation daar een reeks experimenten uit met mensapen (chimpansees).Hij observeert onder meer dat het dier soms de structuur van een probleem begrijpt en handelt naar dat inzicht. Na de oorlog keerde hij terug naar de Berlijnse Universiteit. Daar verwerkte hij de verkregen resultaten en inzichten in een serie lezingen, waarop hij het boek The mentality of apes (1948) baseert (oorspronkelijk: Intelligenzprüfungen an Menschenaffen). Belangrijkste conclusie: het is van groot belang inzicht en begrip te hebben bij het oplossen van problemen.

Bekend is hij van de introductie van het idee van het 'plotselinge inzicht'. Hij stelt dat de oplossing van een probleem vaker het resultaat is van een plotselinge flits van inzicht in plaats van een leerproces van vallen en opstaan.

Köhl ontwikkelt het isomorfisme (leer van de gelijke vorm).
Hij wil aantonen dat 'gestaltvelden', die bij natuurkundige processen in scheikunde, elektriciteit en biologie een rol spelen, analoog van vorm zijn aan gestaltvelden die van invloed zijn op hersenprocessen. In 1920 verschijnt daarover van zijn hand een boek. Bekend werd zijn introductie van de idee van het 'plotselinge inzicht'. Hij stelde daarmee dat de oplossing van een probleem vaker het resultan artikel over beweging. Het isomorfisme ontpopt zich als een fysiologische tegenhanger van het eeuwenoude concept van de S-R (stimuli-reactie) koppelingen van de zenuwcellen.

Köhler streed voor de gedachte dat een proces niet verloopt via toevallig gekoppelde verbindingen (sinnlose Und-verbindungen) en associaties in gedrag en hersenen, maar dat de kwaliteit van een geheel meer is dan de som der delen, sterker nog, dat de kwaliteit van het geheel de karakteristieken van de delen (Gestaltqualität) bepaalt. Hoe een deel functioneert hangt af van de plaats en rol in het geheel. Het verloop van het hele veldproces wordt van binnenuit, vanuit een samenspel van functie en vrijheid, georganiseerd.

Vanuit inzicht in het geheel zoinzicht in de functie van de delen verkregem moeten worden, in plaats van andersom, zoals de behavioristen bepleitten. Köhler bracht naar voren dat orde niet een door machines geforceerde toestand hoeft te zijn, maar kan ontstaan uit de onderlinge dynamiek en verdeling van ordelijke krachten. Hij wist velen te overtuigen van zijn denkbeelden door het gebruik van aansprekende voorbeelden uit het dagelijks leven.

Maar zijn gestaltdenkbeelden werden door veel anderen heftig aangevallen. De gestaltgedachten spoorden niet met het mechanische, machineachtige mens- en wereldbeeld, zoals dat in bepaalde mate geadopteerd was door het structuralisme, functionalisme, behaviorisme en ook associationisme. Verder gingen Köhlers denkbeelden over inzicht en probleemoplossing in tegen de opvattingen van William James en John Watson over 'ingesleten' netwerken van automatische reflexen.

Vanuit het isomorfisme ontwikkelde Köhler in de jaren veertig en vijftig ideeën over wat hij 'figural aftereffects' noemde, irreële waarnemingen of illusies van waarnemingen.

Ondertussen werkte hij gestaag door aan de uitwerking van de gestaltprincipes. In 1929 verscheen zijn boek Gestalt Psychologie.

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog nam Köhler openlijk stelling tegen het nationaalsocialisme. In 1934 moest hij vluchten en emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Daar ontving hij een aanstelling als lector op Harvard, maar verhuisde al in 1935 naar het Swarthmore College, dat hij jarenlang trouw bleef. Hier schreef en publiceerde hij verder over gestaltpsychologie. Dat resulteerde in twee systematische studies: The Place of Value in a World of Facts (1938) en Dynamics in Psychology (1940).

Na zijn pensionering vestigde hij zich in New England, en hield kantoor op Dartmouth College. Hij had nu ook tijd in te gaan op uitnodigingen voor spreekbeurten en gastdocentschappen in Europa. Köhler stond bekend als een strijdvaardig, gedisciplineerd en perfectionistisch wetenschapper.

Waarnemingspsychologie
Semantiek
paar = stelletje
huizen ad weg = straat
noten aan elkaar = melodie
Functionalisme
Mogelijkheden / beperkingen ('nut') bewustzijn
biologie
gedrag
effect
Behaviourisme
Prof dr JK
forschte mehrere Jahre in den USA (Stanford, Michigan) und am Max-Planck-Institut für psychologische Forschung (München).

Schwerpunkt seiner Forschung ist die willentliche Handlungssteuerung. In seiner Handlungskontrolltheorie hat er verschiedene Strategien beschrieben, mit denen die Zielrealisierung unter schwierigen Umständen gefördert werden kann.

Seine Forschung zur Lageorientierung hat eine Persönlichkeitseigenschaft identifiziert, die durch die Neigung zum Handlungsaufschub und zum Grübeln charakterisiert ist.

Demnach unterscheiden sich lageorientierte Personen von handlungsorientierten durch eine geringere Fähigkeit zur Emotionsregulation.

Mit der PSI-Theorie hat Kuhl versucht, eine umfassende Theorie der willentlichen Handlungssteuerung zu schaffen und Theorien aus vielen psychologischen Teildisziplinen zu integrieren. Kuhl hat ein Diagnoseinstrument entwickelt, die EOS-Potenzialanalyse, mit deren Hilfe Motivation und Selbststeuerungsfähigkeiten erfasst werden können.

Grondlegger systematische, structuralistische taalkunde (semiotiek).
Cours de linguistique générale (1916).

Centraal thema: onderscheid parole <=> langue.
Langue:
systeem / structuur van talige tekens die voor iedereen dezelfde betekenis hebben.
tekensysteem van taal bestaat uit tekens die over het algemeen symbolisch en dus volkomen arbitrair zijn.
Parole:
bestaat uit alle concrete taaluitingen van individuele sprekers.

De Saussure betoogt dat de taalkunde (la langue) als onderzoeksterrein moest nemen en dus niet het aan verandering onderhevige taalgebruik (la parole). Als het parole (taalgebruik) wordt bestudeerd, dan steeds in verhouding tot het tekensysteem.

Langage
Daarnaast introduceert hij het neologisme langage om het algemene taalvermogen van de mens mee aan te duiden. Concrete taaluitingen zijn uiteraard relevant, aangezien zij de basis vormen voor het abstracte taalsysteem (de langue).

Taal, of langage, bestaat voor De Saussure dus in de verhouding langue/parole, zonder een van deze twee te willen verwaarlozen. Taal is onderhevig aan diachrone verandering en betekenisrelaties en dient dus dynamisch te worden opgevat. Zij verandert door de tijd.
Een analyse van de evolutie in betekenis van bepaalde taalelementen door de tijd, noemt men
diachroon.
Een analyse van een taalsysteem op een bepaald moment in de tijd noemt men synchroon
Omwille van de grote veranderlijkheid van taalgebruik (parole) legde De Saussure zich in zijn studie vooral toe op de taalstructuren (langue).
Het pragmatische aspect van taal (parole) ontleedt De Saussure als een boodschap die door een zender gecodeerd wordt — via de parole — en door een ontvanger opnieuw via een algemene structuur - langue - gedecodeerd. De Saussures visie op communicatie was erg mechanisch van aard. Dit vormt een van de voornaamste kritieken op zijn theorieën.

Taal als teken van binaire eenheid
De Saussure maakt een binaire of tweedelige indeling van het teken: signifiant en signifié.
Het teken in zijn geheel (tekeneenheid) verwijst naar een buitentalige referent, naar een object in de werkelijkheid.
Wat de Saussure de betekenaar of significant ("signifiant") noemt, is het concreet gerealiseerde teken (de uiterlijke vorm).
De betekenis of significaat ("signifié") is het mentale concept waarnaar de betekenaar/significant verwijst.
De betekenis van het teken dient te worden onderscheiden van de buitentalige referent. Het is de Saussure niet om de dingen in de wereld te doen, maar om de begrippen die in de langage aanwezig zijn. Betekenaar en betekenis vormen samen als tekeneenheid het basiselement van zijn taalkunde. Deze twee delen van het teken zijn voor hem even onscheidbaar als de twee zijden van een blad papier.

De signifié wordt bepaald door zowel de context, de taalgebruiker, de tijd als de code. Voorbeeld:
Het woord/teken 'socialist' heeft voor de 20e-eeuwse (tijd) Amerikaan genaamd James (taalgebruiker) een heel andere betekenis dan voor een bepaalde Rus genaamd Boris (taalgebruiker) die opgroeide in het communisme (context). Het betekenisverschil komt voor een groot deel doordat ze in een verschillende context leven en hebben geleefd (denk bijvoorbeeld aan de vroegere spanningen tussen Verenigde Staten en de voormalige Sovjet-Unie).


benadering van taal
Signifiant / signifié
Wolfgang Köhler 1887 - 1967)
Kritiek:
kunstmatig, geconstrueerde theorie
(Gellner) het is foutief alle maatschappelijke structuren op te vatten naar analogie van symbolische systemen. Sociaal gedrag wordt ingegeven door een gewoonte of morele regel. Een immorele daad is geheel begrijpelijk voor alle leden van die cultuur, terwijl grote grammaticale blunders tot onbegrip kunnen leiden. M.a.w. sociaal gedrag heeft niet zo'n rigide grammatica als een taal. "[Social behaviour] is often technical: it chooses effective means, not codified symbols. If this is so, much modern structuralism may be inspired by quite the wrong model".
Sociaal gedrag is, i.t.t. elke taal, een bijproduct van twee zaken en niet één zoals taal. Taal wordt enkel gestuurd door culturele conventies en regels. Gedrag wordt ook nog gestuurd door oorzakelijke verbanden in de fysische wereld, die los staan van die conventies. Mijn gedrag kan bepaald worden door het weer, een ziekte of een fysische muur die in mijn weg
1e generatie: klassiek of methodologisch behaviorisme
Watson (Manifest 1913), Pavlov
2e generatie: neobehaviorisme, ca. 1930 - 1950
3e generatie: radicaal behaviorisme, ca. 1930 - ....
Skinner
Diverse stromingen van wisselende grootte en invloed:
klassiek of methodologisch behaviorisme: strikt mechanistische strekking, historisch zeer belangrijk, nog maar weinig aanhangers. Psychologie = empirische, objectieve studie van openbaar observeerbare stimuli en gedrag, of theoretisch kader van begrippen (mediërende variabelen) die gedefinieerd worden in termen van openbaar observeerbare stimuli en responsen (reductionisme). Het klassieke behaviorisme en het neobehaviorisme in enge zin behoren tot het methodologisch behaviorisme.
Radicaal behaviorisme (B.F. Skinner). Ook processen binnen het organisme (covert gedrag) behoren tot het onderzoeksdomein van de gedragsanalyse. Dit is geen mechanistische strekking, maar een pragmatische. Sinds 1960 de hoofdstroming binnen het behaviorisme, nog zeer veel aanhangers.
Teleologisch behaviorisme: kleinere deelstroming van het radicale behaviorisme (hoewel soms gezien als onderdeel van methodologisch behaviorisme. Uitgesproken 'molaire' visie. Gedrag wordt bestudeerd in zeer ruime context. Er wordt gezocht naar patronen in de tijd. Ook interne processen (gedachten, gevoelens) worden beschreven als gedragspatronen. Howard Rachlin is de ontwikkelaar.
Interbehaviorisme: een stroming die tot weinig onderzoek heeft geleid en waarvan Jacob R. Kantor de belangrijkste vertegenwoordiger was.
Psychologisch of paradigmatisch behaviorisme: stroming ontwikkeld door Arthur W. Staats. Deze streeft naar een samenvoeging van de psychologie als geheel tot één groot psychologisch behaviorisme. Hij ontwikkelde theorieën rond basisgedragspatronen om begrippen als 'persoonlijkheid' te benaderen.
Theoretisch behaviorisme: zet zich af tegen het radicale behaviorisme. Deze stroming aanvaardt inwendige processen en toestanden. De ontwikkelaar is J.E.R. Staddon.
De laatste drie stromingen lijken langzaam te verdwijnen. Naast genoemde stromingen zijn er nog meer stromingen (metafysisch behaviorisme, biologisch behaviorisme, biobehaviorisme...), maar hun invloed was of is voorlopig te beperkt.


John B Watson (1878 - 1958)

In 1960/70 wordt via experimenten bewijs gevonden van onderbewuste waarneming (subliminal perception).
Proefpersonen kregen zó snel iets te zien, dat het nauwelijks waarneembaar was. Bij het natekenen bleken ze het toch te hebben waargenomen.
Ook werd ontdekt het fenomeen afweer waarneming (perceptual defense) een proces waarbij de waarnemer afweer heeft tegen de onprettige (anxiety) gevoelens die een stimulus oproepen.
Meer recent is onderzoek gepleegd naar onderbewuste psychodynamische activering (subliminal psychodynamic activation). Hier worden onbewuste wensen gestimuleerd, zonder deze bewust te maken.
Functionalisme
Gestaltpsychologie
?


?
Fernand de Saussure (1857 - 1913)
Gestalt psychologie

(kernwoorden ? )
Humanisme

Psychoanalyse

Kritiek:
overdreven optimistische en simplistische kijk op de mens
onderschatting biologische bijdrage tot de persoonlijkheid
beschouwt alle psychische problemen als gevolg van ingruentie tussen positief gerichte zelfactualisatie en waarderingscondities
Markus & Kitayama (1991) onderscheid tussen zelfstandig zelf en onderling afhankelijk zelf
ongebreidelde zelfactualisatie sluit beter aan bij individualistische cultuur dan bij groepscultuur (Amerikaanse vs Chinese cultuur) (Wang & Conway, 2004)
Thema's
persoonlijkheid bestaat niet
mens is tabula rasa (onbeschreven blad) en resultaat van conditionering en reflexmatig gedrag
Stimulus - Respons (gewenst gedrag belonen, leren door imitatie)
problemen veranderen door gedragingen te veranderen door betere.
doel: niet beschrijving, maar voorspelling
Kritiek
Vooral op oudere vormen van methodologisch / mechanisch behaviorisme.
Op het
vergelijken van mensen met dieren
. Het behaviorisme heeft veel dieronderzoek gedaan om zicht te krijgen op elementaire leerprocessen. Zeer emotionele reacties (vgl m. reacties op Darwins evolutietheorie).
Ontkenning van het tysch menselijke. Het specifiek menselijke, het mentale leven wordt ontkend door het behaviorisme: vrije wil, zelfbewustzijn, denken, voelen, moraal...)
Ook SR niet altijd consistent
Mechanisme en manipulatie: doel van de psychologie is voor sommigen het begrijpen van de mens en niet het
experimenteel onderzoeken.
Het stimulus-respons-denken is te mechanistisch. Een mens is geen robot die programmeerbaar is en gekenmerkt door actie en reactie. De doelstelling van
voorspellen en controleren van gedrag
klinken voor veel tegenstanders als manipuleren van de mens. Toch hebben alle wetenschappen dit doel (ook de biologie en de neurowetenschappen).
Naïef en achterhaald: Critici stellen soms dat de doelen van het behaviorisme zeer nobel waren, maar naïef. Het behaviorisme zou al lang zijn vastgelopen en volledig achterhaald door de opkomst van de cognitieve psychologie.
Cognitieve structuren (geheugen, representaties, schema's ...) zijn nodig om de complexiteit van de mens te kunnen vatten.
Vanuit deze optiek heeft men het soms over het 'naïef behaviorisme'.
Het
probleem van de taal:

strikt wetenschappelijke kritiek kwam van Noam Chomsk
y. In een reactie op een boek van Skinner over taal, stelde hij dat het
behaviorisme geen afdoende verklaring kan bieden voor het ontstaan van taal en het productieve ervan: mensen produceren voortdurend nieuwe zinnen, redeneringen ... Deze kunnen onmogelijk via operante conditionering verkregen worden
Filosofische kritiek: Wilfrid Sellars b.v. stelt dat het behaviorisme onvoldoende rekenschap kan afleggen aan ons gewoon taalgebruik rond mentale toestanden (met termen als gedachte, intentie, gevoel) zonder dit enorm te reduceren.
Ontbreken van
introspectie
Circulariteit:
kritiek van auteurs als Roderick Chisholm en Graham Geach is vooral gericht op het filosofisch of logisch behaviorisme en stelt dat uitspraken over gedrag, die als doelstelling hebben een adequate behavioristische beschrijving van het mentale te zijn, telkens zelf vervallen in het gebruik van mentale termen en dus circulair zijn: de analyse van mentale toestanden in gedragstermen, vervalt zelf weer in mentale termen.
Onderlinge kritiek: er is heel wat onderlinge strijd tussen behavioristische denkers. De grootste verwijten zijn vaak die van 'mentalisme'.
Conditioneringstechnieken bleken slechts toepasbaar op relaief eenvoudige en geïsoleerde fobieën of bij herhaalde onaangepaste gedragingen van ernstig gestootde pati:ënten

Cognitieve psychologie
Thema's:
Probleemoplossend vermogen
Informatieverwerking
Zelfontdekkend leren
Mens bekijkt zicchzelf volgens dichotome persoonlijke constructies -> subjectieve wereld. Moeilijkheden / misverstanden ontstaan bij verkeerde constructies.

Klausubel:
receptief leren (leerlingneemt hapklare brokken tot zich
Bruner

Pavlov (1849 - 1936)
klassieke conditionering / voorwaardelijke reflex
Mensbeeld:
mechanisch, machineachtig mens- en wereldbeeld,
persoonlijkheid bestaat niet
Dank voor jullie aandacht
Invloed:
Psychoanalyse tot ver in de jaren 50 populair (invloed
op films (Hitchcock), schilderijen (Dali)
Kritiek:
geen empirisch onderzoek
deductieve methode, hypotheses niet weerlegbaar
vooral filosofische waarde
langdurige therapie
sociale klasse
autoritaire rol van therapeut

Bandura
Michel

Kelly
Julian Rotter (.... - ....)
Interne locus of control (beloning of straf afhankelijk van gedrag). Voorzorgsmaatregelen bij naderend onheil.
Externe locus of control (geen verband tussen gedrag / gevolgen). Geen voorzorgsmaatregelen. Hulpeloos
gevoel bij tegenslag.

Vier onderdelen:
1: Onderzoek gericht op overeenkomsten in persoonlijkheid
2: Onderzoek op verschillen tussen mensen
3: Huidig onderzoek
4: Persoonlijkheidsstoornissen
Psychologie - Marc Brysbaert
Samenvatting

[vraag aan publiek]
[vraag aan publiek]

Overeenkomsten
Operante conditionering





Ga naar: navigatie, zoeken



Geheugen (psychologie)


Sensorisch geheugen

Iconisch geheugen
Echoïsch geheugen

Kortetermijngeheugen

Werkgeheugen

Langetermijngeheugen

Declaratief geheugen
Episodisch geheugen
Semantisch geheugen
Niet-declaratief geheugen
Procedureel geheugen
Priming
Conditionering
Klassieke conditionering
Operante conditionering

Langetermijngeheugen (neurale basis)


Portal.svg Portaal psychologie





Stickers worden in het onderwijs als bekrachtiger gebruikt, bijvoorbeeld in leerlingenwerk
Operante conditionering of instrumenteel leren is het leerproces waarbij een respons in een bepaalde context gevolgd wordt door een bekrachtiger (Engels: reinforcer) of bestraffer (Engels: punisher). Een bekrachtiger is elke gebeurtenis die de kans vergroot dat dezelfde respons in de toekomst weer zal optreden. Een bestraffer is daarentegen elke gebeurtenis die de kans verkleint dat de respons weer zal optreden. In dierexperimenten is de bekrachtiger vaak voedsel of drank, en de bestraffer een elektrisch schokje. Soms spreekt men ook wel van positieve en negatieve bekrachtigers.



Inhoud [verbergen]
1 Geschiedenis
2 Kenmerken operant gedrag
3 Soorten bekrachtiging en straf
4 Uitdoving en partiële bekrachtiging
5 Procedure 5.1 Skinner-box
5.2 Bekrachtigingsschema's
5.3 Discriminatieve stimulus

6 Neurale basis
7 Toepassing in therapie
8 Gerelateerde onderwerpen
9 Literatuur
10 Externe links


Geschiedenis[bewerken]
Edward L. Thorndike was de feitelijke ontdekker van operante conditionering. E.L. Thorndike maakte gebruik van de zogenaamde puzzlebox.
Een van de belangrijkste leerpsychologen die na E.L. Thorndike de operante conditionering heeft bestudeerd is Burrhus F. Skinner. Met de operante conditionering verschafte Skinner de psychologie een wetenschappelijk model voor het bestuderen van willekeurig gedrag (in tegenstelling tot uitgelokt of reflexmatig gedrag, de klassieke conditionering). Volgens E.L. Thorndike zal mens en dier alles in het werk stellen om heer en meester te worden van een nieuwe situatie, als hij nog niet kan steunen op vroeger opgedane ervaringen om aan zijn behoeften te voldoen. De pogingen daartoe worden probeerhandelingen genoemd, of zoals E.L. Thorndike het noemt trial and error.

Recent onderzoek toont het belang van operante conditionering aan voor zeer complex gedrag, waaronder taal en cognities. Met name de Relational Frame Theory is geënt op operante conditionering[1].

Kenmerken operant gedrag[bewerken]

Bij operante conditionering vergroot de kans op een bepaald gedrag in een bepaalde context door de daaropvolgend bekrachtigende gebeurtenis of prikkel. Dit gedrag is in tegenstelling tot reflexmatige reacties die door een stimulus worden uitgelokt, spontaan van aard. Dit gedrag wordt ook wel operant genoemd. Operant gedrag wordt dus niet uitgelokt, maar voortgebracht (Engels: emitted). Het is bovendien een vorm van gedrag dat een uitwerking heeft op de omgeving. De uitwerking kan bestaan uit een gebeurtenis die dit gedrag versterkt. Bijvoorbeeld het huilen van een baby 's nachts heeft een uitwerking op de ouders. Die kunnen het kind troosten of te eten geven.

Soorten bekrachtiging en straf[bewerken]

Er worden doorgaans twee soorten bekrachtigers en twee soorten bestraffers onderscheiden, die ongeveer hetzelfde effect op het leergedrag hebben:
Positieve bekrachtiging: het aanbieden van een positieve prikkel (bijvoorbeeld voedsel, geven van speelgoed aan kind)
Negatieve bekrachtiging: het achterwege blijven of ophouden van de negatieve prikkel (bijvoorbeeld hard lawaai of stroomstootje)
Positieve straf: het aanbieden van een negatieve prikkel
Negatieve straf: de afwezigheid of ophouden van de positieve prikkel (bijvoorbeeld onthouden van voedsel, een kind zijn speelgoed afnemen als het vervelend is).

Volgens de Engelse onderzoeker Edmund Rolls[2] kunnen veel basisemoties die bij de mens optreden, afgeleid worden uit dit schema. Positieve bekrachtigers zijn bijvoorbeeld geassocieerd met blijheid, negatieve bekrachtigers met opluchting. Positieve bestraffers met vrees, en negatieve bestraffers met frustratie en woede.

Uitdoving en partiële bekrachtiging[bewerken]

Uitdoving (Engels: extinction) is het verschijnsel dat de frequentie van gedrag dat niet meer wordt beloond, geleidelijk zal afnemen. Partiële of intermitterende bekrachtiging wil zeggen dat het gewenste gedrag niet altijd wordt beloond: men beloont bijvoorbeeld maar 80% van de gevallen. In deze situatie zal het gewenste leereffect later optreden (het leerproces duurt langer). Een kenmerk van dit soort van gedrag is dat, als het eenmaal tot stand is gebracht, ook veel langer standhoudt, dus beter bestand is tegen uitdoving. Deze effecten spelen vermoedelijk ook een rol bij gokverslaving. Het gokspel heeft namelijk ook als kenmerk dat er maar zo af en toe een beloning of bonus wordt uitgekeerd.

Procedure[bewerken]

Skinner-box[bewerken]

B.F. Skinner onderzocht dit soort gedrag van proefdieren in zijn Skinner-box. Hierin leert het dier dat het door op een knop te drukken (of tegen een paneeltje te pikken), voedsel toegediend krijgt. Aanvankelijk treedt dit gedrag spontaan op: de rat of duif raakt toevallig het knopje aan. Als daarna voedsel in het etensbakje wordt gedeponeerd, zal een hongerig proefdier er toe neigen dezelfde handeling te herhalen. De kans dat dit specifieke gedrag optreedt, neemt dan toe boven het spontane niveau. Deze wetmatigheid wordt ook wel 'wet van het resultaat' (Engels: Law of effect) genoemd. De reacties van proefdieren worden geregistreerd op een z.g. cumulatieve recorder. Shaping wil zeggen dat men het gedrag van het dier via een aantal tussenstappen vormt, totdat het gewenste gedrag optreedt. Dit kan inhouden dat men eerst gedrag beloont dat lijkt op het gewenst gedrag (zoals kijken in de richting van een responspaneel), en dan geleidelijk de criteria aanscherpt.

Bekrachtigingsschema's[bewerken]

Bij operant conditioneren kunnen verschillende schema's worden aangehouden voor het geven van bekrachtiging:
vast interval (FI: fixed interval): het eerste beoogde gedrag dat gesteld wordt na een vaste periode of interval, wordt bekrachtigd; gedrag dat voordien wordt gesteld, wordt niet bekrachtigd. Bijvoorbeeld: FI5" = bekrachtiging na een vast interval van 5 seconden.
variabel interval (VI): het eerste beoogde gedrag dat gesteld wordt na een periode die wisselt qua duur, maar met een bepaald gemiddelde, wordt bekrachtigd. Bijvoorbeeld VI5" = bekrachtiging na wisselende intervals, met een gemiddelde van 5 seconden.
vaste ratio (FR = fixed ratio): bekrachtiging volgt pas na een vast aantal reacties. Bijvoorbeeld FR5 = bekrachtiging na 5 reacties.
variabele ratio (VR): bekrachtiging volgt na een wisselend aantal reacties met een bepaald gemiddelde. Bijvoorbeeld VR5 = bekrachtiging na een wisselend aantal reacties, met een gemiddelde van 5.

Elke schema roept daarbij een specifiek leerresultaat op.

Discriminatieve stimulus[bewerken]

Een discriminatieve stimulus is een prikkel die wijst op een verhoogde kans op bekrachtiging. Met een discriminatieve stimulus kan het gedrag van een proefdier in een Skinner-box verder onder controle worden gebracht. Een duif kan bijvoorbeeld geleerd worden alleen een respons te geven als een rood lichtje brandt, maar niet bij een groen lichtje. Ook kunnen op die manier verschillende soorten gedrag worden aangeleerd. Bijvoorbeeld om op een knop te pikken als op een schermpje het woord PIKKEN verschijnt, en rond te draaien bij het woord DRAAIEN[3].

Neurale basis[bewerken]

Operante conditionering is gebaseerd op mechanismen die in de hersenen zijn verankerd. Anders dan bij klassieke conditionering spelen hierbij ook gebieden en zenuwkernen die betrokken zijn bij het reguleren van motorische activiteit een rol. Dit zijn de motorische schors, het limbische systeem en het striatum. Ook is bekend dat dopamine het effect van beloning kan versterken. Stoffen die de dopaminereceptoren blokkeren, zullen bijvoorbeeld zelfstimulatiegedrag of een voorwaardelijke reactie van ratten in een instrumenteel leerparadigma onderdrukken.

Toepassing in therapie[bewerken]

Operant conditioneren van gedrag is zeer vaak toegepast om ernstige gedragsproblemen of psychiatrische problemen te bestrijden. De meeste toepassingen hanteren sociale bekrachtiging (een vorm van positieve bekrachtiging). Door het gewenste gedrag te belonen, leert men dan dit te versterken. Een specifieke vorm van toegepaste operante conditionering is de token economy, waarbij bekrachtiging gebeurt via tokens die achteraf kunnen ingeruild worden voor andere zaken. Biofeedback is een andere vorm van operant conditioneren die klinisch relevant blijkt. Hierbij leert iemand gedrag te vermijden waarvan hij of zij zich niet bewust is, zoals bijvoorbeeld bepaalde kleine spiercontracties.

Gerelateerde onderwerpen[bewerken]
Conditionering
Klassieke conditionering
Behaviorisme
Psychologie

Literatuur[bewerken]
Thorndike, E. L. (1901). Animal intelligence: An experimental study of the associative processes in animals. Psychological Review Monograph Supplement, 2, 1-109.
Schultz, Wolfram (1998). Predictive Reward Signal of Dopamine Neurons. The Journal of Neurophysiology, 80(1), 1-27.

Externe links[bewerken]
Journal of the Experimental Analysis of Behavior
Journal of Applied Behavior Analysis





Wikimedia Commons Zie de categorie Operant conditioning van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.

Bronnen, noten en/of referenties
Voetnoten:

1.Omhoog ↑ Hayes, S.C., Barnes-Holmes, D, Roche, B. (2001). Relational Frame Theory: a post-Skinnerian account of human language and cognition
2.Omhoog ↑ E.T. Rolls (2000). Precis of the brain and emotion. Behavioral and Brain Sciences, 2, 177-191.








Operante conditionering





Ga naar: navigatie, zoeken



Geheugen (psychologie)


Sensorisch geheugen

Iconisch geheugen
Echoïsch geheugen

Kortetermijngeheugen

Werkgeheugen

Langetermijngeheugen

Declaratief geheugen
Episodisch geheugen
Semantisch geheugen
Niet-declaratief geheugen
Procedureel geheugen
Priming
Conditionering
Klassieke conditionering
Operante conditionering

Langetermijngeheugen (neurale basis)


Portal.svg Portaal psychologie





Stickers worden in het onderwijs als bekrachtiger gebruikt, bijvoorbeeld in leerlingenwerk
Operante conditionering of instrumenteel leren is het leerproces waarbij een respons in een bepaalde context gevolgd wordt door een bekrachtiger (Engels: reinforcer) of bestraffer (Engels: punisher). Een bekrachtiger is elke gebeurtenis die de kans vergroot dat dezelfde respons in de toekomst weer zal optreden. Een bestraffer is daarentegen elke gebeurtenis die de kans verkleint dat de respons weer zal optreden. In dierexperimenten is de bekrachtiger vaak voedsel of drank, en de bestraffer een elektrisch schokje. Soms spreekt men ook wel van positieve en negatieve bekrachtigers.



Inhoud [verbergen]
1 Geschiedenis
2 Kenmerken operant gedrag
3 Soorten bekrachtiging en straf
4 Uitdoving en partiële bekrachtiging
5 Procedure 5.1 Skinner-box
5.2 Bekrachtigingsschema's
5.3 Discriminatieve stimulus

6 Neurale basis
7 Toepassing in therapie
8 Gerelateerde onderwerpen
9 Literatuur
10 Externe links


Geschiedenis[bewerken]
Edward L. Thorndike was de feitelijke ontdekker van operante conditionering. E.L. Thorndike maakte gebruik van de zogenaamde puzzlebox.
Een van de belangrijkste leerpsychologen die na E.L. Thorndike de operante conditionering heeft bestudeerd is Burrhus F. Skinner. Met de operante conditionering verschafte Skinner de psychologie een wetenschappelijk model voor het bestuderen van willekeurig gedrag (in tegenstelling tot uitgelokt of reflexmatig gedrag, de klassieke conditionering). Volgens E.L. Thorndike zal mens en dier alles in het werk stellen om heer en meester te worden van een nieuwe situatie, als hij nog niet kan steunen op vroeger opgedane ervaringen om aan zijn behoeften te voldoen. De pogingen daartoe worden probeerhandelingen genoemd, of zoals E.L. Thorndike het noemt trial and error.

Recent onderzoek toont het belang van operante conditionering aan voor zeer complex gedrag, waaronder taal en cognities. Met name de Relational Frame Theory is geënt op operante conditionering[1].

Kenmerken operant gedrag[bewerken]

Bij operante conditionering vergroot de kans op een bepaald gedrag in een bepaalde context door de daaropvolgend bekrachtigende gebeurtenis of prikkel. Dit gedrag is in tegenstelling tot reflexmatige reacties die door een stimulus worden uitgelokt, spontaan van aard. Dit gedrag wordt ook wel operant genoemd. Operant gedrag wordt dus niet uitgelokt, maar voortgebracht (Engels: emitted). Het is bovendien een vorm van gedrag dat een uitwerking heeft op de omgeving. De uitwerking kan bestaan uit een gebeurtenis die dit gedrag versterkt. Bijvoorbeeld het huilen van een baby 's nachts heeft een uitwerking op de ouders. Die kunnen het kind troosten of te eten geven.

Soorten bekrachtiging en straf[bewerken]

Er worden doorgaans twee soorten bekrachtigers en twee soorten bestraffers onderscheiden, die ongeveer hetzelfde effect op het leergedrag hebben:
Positieve bekrachtiging: het aanbieden van een positieve prikkel (bijvoorbeeld voedsel, geven van speelgoed aan kind)
Negatieve bekrachtiging: het achterwege blijven of ophouden van de negatieve prikkel (bijvoorbeeld hard lawaai of stroomstootje)
Positieve straf: het aanbieden van een negatieve prikkel
Negatieve straf: de afwezigheid of ophouden van de positieve prikkel (bijvoorbeeld onthouden van voedsel, een kind zijn speelgoed afnemen als het vervelend is).

Volgens de Engelse onderzoeker Edmund Rolls[2] kunnen veel basisemoties die bij de mens optreden, afgeleid worden uit dit schema. Positieve bekrachtigers zijn bijvoorbeeld geassocieerd met blijheid, negatieve bekrachtigers met opluchting. Positieve bestraffers met vrees, en negatieve bestraffers met frustratie en woede.

Uitdoving en partiële bekrachtiging[bewerken]

Uitdoving (Engels: extinction) is het verschijnsel dat de frequentie van gedrag dat niet meer wordt beloond, geleidelijk zal afnemen. Partiële of intermitterende bekrachtiging wil zeggen dat het gewenste gedrag niet altijd wordt beloond: men beloont bijvoorbeeld maar 80% van de gevallen. In deze situatie zal het gewenste leereffect later optreden (het leerproces duurt langer). Een kenmerk van dit soort van gedrag is dat, als het eenmaal tot stand is gebracht, ook veel langer standhoudt, dus beter bestand is tegen uitdoving. Deze effecten spelen vermoedelijk ook een rol bij gokverslaving. Het gokspel heeft namelijk ook als kenmerk dat er maar zo af en toe een beloning of bonus wordt uitgekeerd.

Procedure[bewerken]

Skinner-box[bewerken]

B.F. Skinner onderzocht dit soort gedrag van proefdieren in zijn Skinner-box. Hierin leert het dier dat het door op een knop te drukken (of tegen een paneeltje te pikken), voedsel toegediend krijgt. Aanvankelijk treedt dit gedrag spontaan op: de rat of duif raakt toevallig het knopje aan. Als daarna voedsel in het etensbakje wordt gedeponeerd, zal een hongerig proefdier er toe neigen dezelfde handeling te herhalen. De kans dat dit specifieke gedrag optreedt, neemt dan toe boven het spontane niveau. Deze wetmatigheid wordt ook wel 'wet van het resultaat' (Engels: Law of effect) genoemd. De reacties van proefdieren worden geregistreerd op een z.g. cumulatieve recorder. Shaping wil zeggen dat men het gedrag van het dier via een aantal tussenstappen vormt, totdat het gewenste gedrag optreedt. Dit kan inhouden dat men eerst gedrag beloont dat lijkt op het gewenst gedrag (zoals kijken in de richting van een responspaneel), en dan geleidelijk de criteria aanscherpt.

Bekrachtigingsschema's[bewerken]

Bij operant conditioneren kunnen verschillende schema's worden aangehouden voor het geven van bekrachtiging:
vast interval (FI: fixed interval): het eerste beoogde gedrag dat gesteld wordt na een vaste periode of interval, wordt bekrachtigd; gedrag dat voordien wordt gesteld, wordt niet bekrachtigd. Bijvoorbeeld: FI5" = bekrachtiging na een vast interval van 5 seconden.
variabel interval (VI): het eerste beoogde gedrag dat gesteld wordt na een periode die wisselt qua duur, maar met een bepaald gemiddelde, wordt bekrachtigd. Bijvoorbeeld VI5" = bekrachtiging na wisselende intervals, met een gemiddelde van 5 seconden.
vaste ratio (FR = fixed ratio): bekrachtiging volgt pas na een vast aantal reacties. Bijvoorbeeld FR5 = bekrachtiging na 5 reacties.
variabele ratio (VR): bekrachtiging volgt na een wisselend aantal reacties met een bepaald gemiddelde. Bijvoorbeeld VR5 = bekrachtiging na een wisselend aantal reacties, met een gemiddelde van 5.

Elke schema roept daarbij een specifiek leerresultaat op.

Discriminatieve stimulus[bewerken]

Een discriminatieve stimulus is een prikkel die wijst op een verhoogde kans op bekrachtiging. Met een discriminatieve stimulus kan het gedrag van een proefdier in een Skinner-box verder onder controle worden gebracht. Een duif kan bijvoorbeeld geleerd worden alleen een respons te geven als een rood lichtje brandt, maar niet bij een groen lichtje. Ook kunnen op die manier verschillende soorten gedrag worden aangeleerd. Bijvoorbeeld om op een knop te pikken als op een schermpje het woord PIKKEN verschijnt, en rond te draaien bij het woord DRAAIEN[3].

Neurale basis[bewerken]

Operante conditionering is gebaseerd op mechanismen die in de hersenen zijn verankerd. Anders dan bij klassieke conditionering spelen hierbij ook gebieden en zenuwkernen die betrokken zijn bij het reguleren van motorische activiteit een rol. Dit zijn de motorische schors, het limbische systeem en het striatum. Ook is bekend dat dopamine het effect van beloning kan versterken. Stoffen die de dopaminereceptoren blokkeren, zullen bijvoorbeeld zelfstimulatiegedrag of een voorwaardelijke reactie van ratten in een instrumenteel leerparadigma onderdrukken.

Toepassing in therapie[bewerken]

Operant conditioneren van gedrag is zeer vaak toegepast om ernstige gedragsproblemen of psychiatrische problemen te bestrijden. De meeste toepassingen hanteren sociale bekrachtiging (een vorm van positieve bekrachtiging). Door het gewenste gedrag te belonen, leert men dan dit te versterken. Een specifieke vorm van toegepaste operante conditionering is de token economy, waarbij bekrachtiging gebeurt via tokens die achteraf kunnen ingeruild worden voor andere zaken. Biofeedback is een andere vorm van operant conditioneren die klinisch relevant blijkt. Hierbij leert iemand gedrag te vermijden waarvan hij of zij zich niet bewust is, zoals bijvoorbeeld bepaalde kleine spiercontracties.

Gerelateerde onderwerpen[bewerken]
Conditionering
Klassieke conditionering
Behaviorisme
Psychologie

Literatuur[bewerken]
Thorndike, E. L. (1901). Animal intelligence: An experimental study of the associative processes in animals. Psychological Review Monograph Supplement, 2, 1-109.
Schultz, Wolfram (1998). Predictive Reward Signal of Dopamine Neurons. The Journal of Neurophysiology, 80(1), 1-27.

Externe links[bewerken]
Journal of the Experimental Analysis of Behavior
Journal of Applied Behavior Analysis





Wikimedia Commons Zie de categorie Operant conditioning van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.

Bronnen, noten en/of referenties
Voetnoten:

1.Omhoog ↑ Hayes, S.C., Barnes-Holmes, D, Roche, B. (2001). Relational Frame Theory: a post-Skinnerian account of human language and cognition
2.Omhoog ↑ E.T. Rolls (2000). Precis of the brain and emotion. Behavioral and Brain Sciences, 2, 177-191.
Thorndike (1847 - 1949),
Operante conditionering / instrumenteel leren
S-R+bekrachtiger
B = uiterlijk gedrag en reacties op situaties

BIS/BAS theorie
De BIS (Behaviour Inhibition System, "gedragsvermijdingssysteem") / BAS (Behaviour Approach System, "gedragsbenaderingssysteem") theorie van Gray is gedeeltelijk gestoeld op de belonings- en strafcentra in de hersenen. Doelen, of incentives die we proberen te bereiken, zullen worden beloond door de BAS, en deze incentives zullen we proberen vaker te krijgen. De BIS zorgt dat we gestraft en operant geconditioneerd worden voor dingen die we moeten vermijden. De persoonlijkheidstheorie schuilt in de gevoeligheid van deze twee systemen.
Mensen die impulsief zijn, hebben een hoge BAS en een lage BIS. Mensen die een aanleg voor angst hebben, hebben juist een hoge BIS en een lage BAS.
Empirische ondersteuning voor de BIS/BAS-theorie ligt in het feit dat mensen inderdaad een soort beloningssysteem hebben, namelijk de dopaminerge paden in de hersenen. Dopamine is de neurotransmitter waar onze hersenen ons mee belonen, en waar we een gelukkig gevoel van krijgen. Verder zou serotonine een rol spelen als BIS, maar hier bestaat wat onenigheid over onder de wetenschappers. Verder zou een BIS-syteem kunnen liggen in de rechter frontale kwab, want daar is een verhoogde activiteit gemeten met fMRI terwijl mensen angst of afschuw ervoeren.
Een derde systeem, namelijk het sensatiebenaderingssysteem, is voorgesteld door de psycholoog Marvin Zuckerman. Hij stelt als hersensysteem de neurotransmitter MAO (MonoAmine Oxidase) te gebruiken. MAO reguleert andere neurotransmitters in de hersenen, en zorgt er vermoedelijk voor dat mensen sensatie opzoeken of juist uit de weg gaan. Hiervoor is ook enig empirisch bewijs verzameld in de vorm van onderzoeken naar thrillseekers.



Biologische benadering
Dispositionele benadering van Hans Eysenenck gaat uit van 2 of 3 dimensies: (Psychoticisme), Eztraversie en Neuroticisme (PEN). Grijpt terug op theorie oude Grieken van het bestaan van 4 karaktertrekken, die of teveel of tekort aan lichaamsvloeistoffen afscheiden.
Mensen die laag scoren op zijn dimensie extraversie, zijn introvert, minder dominant en minder snel het middelpunt van de belangstelling op sociale gelegenheden.
Iedereen heeft een zeker uitgangsniveau van geagiteerdheid in het hersengebied, dat bekendstaat als het ascenderende reticulaire activatiesyteem (ARAS) en iedereen heeft een optimum voor activatie in dit hersendeel om goed te kunnen functioneren. Tijdens slaap is het ARAS bijna niet geactiveerd, tijdens een parachutesprong juist wel. Hoe sneller iemand veel activatie heeft in zijn ARAS, hoe lager hij of zij scoort op extraversie. Mensen met een lage score op extraversie zijn sneller voldaan in hun behoefte aan opwinding.
Empirisch bewijs: een deel van Eysencks theorie is bevestigd door de wet van Yerkes-Dodson; introverte mensen hebben minder stress nodig om optimaal te functioneren en andersom. Bovendien is het aangetoond dat thrillseekers (mensen die het gevaar opzoeken, bungeejumpen, parachutesprongen maken en andere extreme sporten beoefenen) vaker extravert zijn.
Voor neuroticisme zoekt Eysenck een soortgelijke verklaring, maar dan in de hersendelen die verantwoordelijk zijn voor de emotieregulatie van de mens. Hiervoor is minder empirisch bewijs gevonden.
Thema''s:
basis persoonlijkheid in de hersenen: werking neurotransmitters (bv. dopamine) en (aangeboren) eigenschappen.
Veel onderzoek naar eigenschappen als affectieve stijl, emotionele stabiliteit en introversie-extraversie.
Neurobiologisch onderzoek (MRI en EEG), in combinatie met vragenlijsten om persoonlijkheid te meten.
Gedragsgenetica: erfelijke bepaaldheid van individuele verschillen in persoonlijkheidseigenschappen en menselijk gedrag.
Neuroticisme-Extraversie
Biologische psychologie: experimenteel onderzoek van menselijke proefpersonen, met als focus de analyse van veranderingen in fysiologische activiteit van het lichaam, als gevolg van manipulatie van bepaalde taakconditities.
Deze fysiologische activiteit kan betrekking hebben op het autonome zenuwstelsel (b.v. hartslag, ademhaling, huidgeleiding, pupildiameter e.d.) maar ook op het centrale zenuwstelsel en de hersenen (b.v. .spieractiviteit) zichtbaar te maken met het elektromyogram of EMG) of hersenactiviteit, zichtbaar te maken met het elektro-encefalogram of EEG). Meer recent wordt gebruikgemaakt van hersenbeeldvormende technieken (zoals fMRI).
Noot: Biologische of cognitieve benadering worden soms samen gebruikt. [uitzoeken]
Persoonlijkheidstheorieën
op basis van verschillen
Indeling persoonlijkheidstypes:
4 temperamenten van Hippocrates en Galenus
temperament gebaseerd op lichaamsbouw - Ernst Kretschmer (1921), William Sheldon (1942)
endomorf
mesomorf
ectomorf
Jung 8 of 16 types
Meyer-Briggs Type Indicator

indeling in
persoonlijkheidstypes
indeling in dimensies
(Dispositionele of trek(ken)benadering)
Persoonlijkheidsdispositie of -trek is een stabiele persoonseigenschap die leidt tot hetzelfde gedrag in verschillende situaties.
Binet
Allport
Cartell (16 types)
Eyseneck (3 types)
Big Five
extraversie
altruïsme
consciënscieusheid
emotionele stabiliteit
openheid voor ervaringen
Mensbeeld:
Kritiek:
Differentiële psychologie, nu persoonlijkheidsleer genoemd (oorspronkelijk onderzoek kinderen & misdadigers)

Persoonlijkheidsverschillen: onderzoek via metingen
vragenlijsten en beoordelingsschalen (kritiek: beperkte validiteit)
objectieve tests (Cartell, 1957)
Impliciete tests b.v. associatietest (IAT)(Greenwald, 1998)
Rol biologie bij persoonlijkheidstrekken?
verschil in opwindingsniveau in rusttoestand tussen intro en extraverten
overerving trekken
tweelingonderzoek
Stabiliteit persoonlijkheidstrekken?
20- 30 jaar en 20-60 jaar:
consciëntieusheid en vriendelijkheid nemen toe,
neuroticisme en openheid voor ervaringen nemen af
extraversie: geen effect

(cross)cultureel onderzoek?
Persoonlijkheidsstoornissen
diagnosticeren
Cluster A: zonderling / excentriek gedrag
Cluster B: theatraal en emotioneel gedrag
Cluster C: angstig en bezorgd gedrag
Meest opvallend:
antisociale stoornis
borderline
Dispositionele benadering
De dispositionele of 'trekken'-benadering vindt haar wortels in de late 19de eeuw, toen Alfred Binet voor het eerst op grote schaal persoonlijkheidstests ontwikkelde en afnam.
Raymond Cattel kwam ook rond die tijd met 16 traits, of trekken, waarop elke mens zou kunnen scoren en wat de persoonlijkheid in zou houden. Hij kwam op deze 16 trekken door middel van een statistische methode, de factoranalyse, waarbij hij keek naar de correlaties tussen verschillende kenmerken of karaktertrekken als "warm", "aardig" en "koel", die mensen gebruiken als ze andere mensen omschrijven, en waarbij hij uitkwam op 16 "supertraits" of dimensies waaronder alle andere karaktertrekken ingedeeld konden worden. Later onderzoek heeft laten zien dat er ook binnen deze 16 dimensies weer onderlinge correlationele verbanden liggen

Kritiek:
Situationisme?[bewerken]

De Big Five is echter nog niet perfect, omdat het uitgaat van een persoonlijkheid die stabiel is in verschillende situaties, en voorspellend is voor nieuwe situaties. Dit blijkt in de praktijk niet zo te zijn. Een extreme tegenhanger van de trait aanpak is het situationisme, dat uitgaat van het feit dat de situatie volledig bepalend is voor gedrag, en dat hetzelfde gedrag niet gemeten kan worden over verschillende situaties. Tegenwoordig hangen de meeste psychologen toch een combinatie aan, het interactionisme, dat uitgaat van het feit dat een persoonlijkheid gedeeltelijk gedrag verklaart en dat de situatie een ander deel bepaalt. De Big Five is toch wel een voor veel mensen toegankelijke theorie, wat ook een deel van de populariteit verklaart.

De big five wordt ook veel gebruikt bij bijvoorbeeld sollicitatieprocedures, om te kijken of iemand geschikt zou zijn voor een baan. Een veelgebruikte test hiervoor is de NEO-PI, waarbij NEO staat voor de eerste 3 van de 5 dimensies. Kritiek hierop is dan ook dat de test een momentopname is, en niet voorspelt hoe echt gedrag in echte situaties is.

Carl Jung
Erich Fromm
Full transcript