Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

VMBO-GT 4 hfd 1 t/m 7

VMBO GT 4: Hoofdstuk 1 t/m 7
by

Eric de Jong

on 22 March 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of VMBO-GT 4 hfd 1 t/m 7

Hoofdstuk 1
1.2 Sta je samen sterker?
functies van geld:
ruilmiddel
rekenmiddel
spaarmiddel
geld
chartaal

giraal
vreemde valuta: formules en berekeningen!
(pag. 42)
sparen
rente: berekeningen pag 11
inflatie
spaarmotieven
beleggen
lenen
kredietvormen: berekeningen pag 53
persoonlijke lening
doorlopend krediet
kopen op afbetaling
huurkoop
hypothecaire lening
inkomensvormen
arbeid
bezit
overdrachtsinkomen
uitgaven
dagelijkse
vaste lasten
incidentele uitgaven
budgetteren/begroting
sparen
reserveren
Hoofdstuk 1
1.1 Waar blijft je geld?
behoeften
primaire behoeften
secundaire behoeften
middelen
schaars
schaarse goederen
marktonderzoek
consumentengedrag
doelgroep
marketing
vier P's
soorten reclame
consumentenorganisaties
consumerpower
geschillencommissie
keurmerk
koopovereenkomst

consumentenrecht

handelingsbekwaam

Colportagewet

Wet produktaansprakelijkheid

Warenwet
woningmarkt
voorlopig koopcontract
transportakte
kadaster
k.k.
v.o.n.
huren
huurtoeslag
huurcommissie
rechten?
Hoofdstuk 3
Kies je voor zeker?
verzekeren
premie
polis
verzekeringsvoorwaarden
tussenpersoon
berekening van de premie: pag 67
AVP
inboedel
opstal
onderverzekerd: berekening
pag 71 en 72
geindexeerde verzekering
oververzekerd
Autoverzekering
WA-verzekering
cascoverzekering
no-claimkorting
zorgverzekeringen
nominale premie
naturapolis
restitutiepolis
zorgtoeslag
inkomensafhankelijke premie
Hoofdstuk 4
Hoe wordt er gewerkt?
collectieve sector
particuliere sector
privatiseren
overheid
bescherming burgers
goederen en diensten
beinvloeding gedrag burgers en bedrijven
gelijkmatiger inkomensverdeling
subsidies en accijnzen
verzorgingsstaat
stelsel van sociale zekerheid: schema pag 101!
sociale voorzieningen
sociale verzekeringen
volksverzekeringen
werknemersverzekeringen
sociaal minimum
rijksbegroting
Wet Werk en Bijstand
Prinsjesdag
Miljoenennota
Belastingen
BTW: bereking pag 109!
accijns
motorrijtuigenbelasting
inkomstenbelasting
loonbelasting
vennootschapsbelasting
prioriteiten stellen
vrije goederen
zelfvoorziening
commerciële reclame
ideële reclame
Reclame Code Commissie
consumentenrecht => wetten
Hoofdstuk 1
1.3 Kun je genoeg kopen?
Inflatie <=> Deflatie
Koopkracht
Consumentenprijs-
indexcijfer (cpi)
Indexcijfer
basisjaar
Vraag 34
Nominaal inkomen (euro's)

Reëel inkomen (koopkracht van je inkomen)
Prijscompensatie
Vraag 35 en 36
Vraag 37 en 39
1.4 Spaar jij het milieu?
Milieuschade
Milieubewust gedrag
Stroometiket
Milieuorganisaties
Milieukeurmerk
Hoofdstuk 1
Directe ruil
Indirecte ruil (geld)
Hoofdstuk 2

Kom je er mee uit?
Saldo
D = Debet = negatief = min = rood
C = credit = positief = plus
Examenopgaven
E5, 6, 7, 8, 10, 11, 13, 14

SO hoofdstuk 1
17 september!
voorkennis klassikaal lezen
pag.38
2.1Hoe betaal jij?
vraag 4
Chartale en girale
geldhoeveelheid
vr.5, 6, 7 en 8
provisie of transaktiekosten
van de bank
vraag 9, 10, 11 en 12
de rol van banken
2.2 Heb jij overzicht?
NIBUD
Vraag 22
2.3 Spaar je genoeg?
Spaarmotieven
rente
bepaald doel
voorzorg
Rente (interest)
spaarrekeningen
- spaardeposito
- beperkende voorwaarden
inflatie
Vraag 29 en 31
vraag 32
2.4 Geld lenen kost geld!
leenmotieven
consumptief krediet
wanneer eigenaar?
vraag 37, 38, 39, 41, 43
zie Kader4
basisverzekering
aanvullende verzekering
H 3.4 Hoe woon je?
Exameneenheid
Arbeid en bedrijfsleven
Produceren
in enge zin (formeel)
in ruime zin (informeel)
Productiefactoren:
- natuur
- arbeid
- kapitaal
- ondernemerschap
H 4.1 Wie produceert dat?
kapitaalintensief

arbeidsintensief
Kringloop economie (zie plaatje p 101)
Bedrijfskolom
toegevoegde waarde
H 4.2 Wat kost het milieu?
welvaart
milieuschade
milieuproblemen
maatschappelijke kosten
maatschappelijk verantwoord ondernemen
rol overheid:
subsidies
milieubelasting (ecotaks)
regels of wetten
voorzieningen
voorlichting
convenanten
vr.14 en 15
"de vervuiler betaalt"

verwijderingsbijdrage
H 4.3 Waar werk jij?
Productiesectoren:
primaire sector
secundaire sector
tertiaire sector
quartaire sector
vacature
bedrijfstak
of
branche
organigram
Arbowet
Arbeidstijdenwet
Arbeidsinspectie
H 4.4 Is alles goed geregeld?
Arbeidsovereenkomst
- bepaalde tijd
- onbepaalde tijd
- proeftijd
- ontslag
CAO= Collectieve Arbeidsovereenkomst
algemeen verbindend verklaren
Primaire arbeidsvoorwaarden
Secundaire arbeidsvoorwaarden
arbeidsmotieven
vr.41
vr.44
Herh.opg.H 10, 12, 13, 14, 15, 17
5.
Hoofdstuk 5
Aan de slag!

5.1 Hoeveel kost het?
Verkoopopbrengst
Omzet = prijs x hoeveelheid
Inkoop
Brutowinst
Inkoop
Bedrijfskosten
Nettowinst

Marktaandeel:

Omzet bedrijf
Totale omzet productgroep

alles exclusief BTW
vr.3, 4
Bedrijfskosten:
alle kosten die je maakt
om te produceren
naast de inkoopwaarde
technische levensduur
vs.
economische levensduur
restwaarde
afschrijving =

aanschafprijs - restwaarde
economische levensduur

vr.8 en 9
vr.11
inkoopprijs
+ brutowinstmarge (%)
verkoopprijs
+ BTW
consumentenprijs
vr.13
BTW (omzetbelasting)
laag tarief
hoog tarief
vr.15
21%
Inkoop
21%
21%
Verkoop
Inkoop
Te vorderen BTW
Af te dragen BTW
betaalde BTW, dus terugvragen

Ontvangen BTW, dus af te dragen
Per saldo dus betalen aan de belastingdienst
5.2 Kun je meer produceren?
Productiecapaciteit
overbezet
onderbezet

technologische
ontwikkelingen
mechanisatie
automatisering
vr.17
vr.19 en 20
Arbeidsproductiviteit
productie per persoon
in een bepaalde tijd
Hoe arbeidsproductiviteit
verbeteren? (pag.136)
Uitvoerende functie
Leidinggevende functie
Bedrijfstijd
o.a. arbeidsverdeling
vr.23
vr.24
vr.25 en 26
5.3 Heb je werk?
vraag naar arbeid = werkgelegenheid

Vraag naar arbeid komt van de werkgevers!!

Aanbod van arbeid komt van werkenden
en werkzoekenden!!
arbeidsmarkt
verborgen werkgelegenheid
beroepsbevolking =
* inwoners 15 tot 65 jaar
* die werken of
* actief op zoek zijn naar werk
* voor ten minste 12 uur per week
dus werkzame en werkloze
beroepsbevolking!!
vr.27
vr.29
conjuncturele
werkloosheid
structurele
werkloosheid
vr.30
vr.31
frictiewerkloosheid

seizoenwerkloosheid

regionale werkloosheid
vr.33
werkloosheidspercentage
werkloze beroepsbevolking
totale bevolking
x 100%
vr.34
tijdelijk of
langdurig
werkloos
UWV WERKbedrijf

geregistreerd werkloos

verborgen werkloosheid
vr.38
5.4 Is er werk?
economie

bestedingen

investeringen

werkgelegenheid
consumentenvertrouwen
loonmatiging
gevaar van loonstijging
middelen van de overheid
vr.45 (44)
Mavo vr.40
(VMBO vr.39)
arbeidsdeelname
of
arbeidsparticipatie
hoe verbeteren?
en waarom?
scholing
kinderopvang
deeltijd (parttime)
flexibel werken (flexwerkers)
arbeidstijdverkorting (ATV)
ondernemingsklimaat
Voorbeeld BTW:

IPad € 500,- incl.BTW
(consumentenprijs of bruto-verkoopprijs)

Welk BTW-tarief?

Wat is de prijs exclusief BTW
(netto-verkoopprijs)?


€ 500
121
x 100 = € 413,22
€ 500
121
x 100 = € 413,22
bestedingen stimuleren
door verlaging loonbelasting
BTW verlagen
vr.48 (47)
Herh.opg. H1, 2, 3, 4, 5, 7, 8
H10, 12, 14, 16, 21, 24
Examenopg. E1, 2, 5, 7, 8, 9, 14, 15
(VMBO E1, 2, 3, 4, 7, 9, 10, 14, 18)
6.
Kan de overheid dat regelen?
6.1 Wat doet de
overheid voor ons?
Particuliere sector
Collectieve sector
marktwerking
Collectieve
goederen
Privatiseren
Subsidie
Accijns
Overheid:
- Rijk
- provincies
- gemeenten

EU = Europese Unie
vr.2
vr.3
vr.4, 5 en 6
vr.9
vr.11
vr.12
6.2 Waar gaat ons geld naartoe?
gemeenten
Rijk
burgers
bedrijven
schoolgebouwen

uitkeringen
etc.
vr.15 en16
Rijksbegroting -> Prinsjesdag -> minister van Financiën -> Parlement (Eerste en Tweede Kamer)

Miljoenennota = toelichting van de regering op de Rijksbegroting
Directe belastingen

Indirecte belastingen
(kostprijsverhogende belastingen)
BTW
(Belasting Toegevoegde Waarde)
of omzetbelasting
vr.23
6.3 Hoe sociaal zijn we?
Verzorgingsstaat
sociale zekerheid
volksverzekeringen
werknemersverzekeringen
sociale voorzieningen
voor alle inwoners
voor het volk
AOW
ANW
voor mensen
in loondienst
WW
WIA
aanvullend
geen premie
WWB
AKW
Wajong
Sociaal minimum
7.
De overheid en
ons inkomen

7.1 Groeit de economie?
BBP (Bruto Binnenlands Product)
totale waarde van de productie
Economische groei
Nationaal inkomen
Inkomsten-
belasting
Vennootschaps-
belasting
Werkloosheid
en dus
werkloosheids-
uitkeringen
Begrotingstekort
Staatsschuld
EU-landen
begrotingstekort < 3% van het BBP
en
staatsschuld
< 60% van het BBP
vr.4
vr.5
vr.8 en 9
vr.10 en 11
7.2 Hoeveel belasting
betaal je?
Brutoloon
- loonheffing
Loonbelasting
premies volks-
verzekeringen
Nettoloon
Inkomen
inkomstenbelasting
loonheffing is een voorheffing
van de inkomstenbelasting
loonheffing > inkomstenbelasting = geld terug
loonheffing < inkomstenbelasting = bijbetalen
aanslag
Inkomstenbelasting:
Box 1
Box 2
Box 3
Box 1: belastbaar inkomen
uit werk en eigen woning
inkomen uit werk = loon
of netto winst uit eigen bedrijf
inkomen uit eigen woning =
eigenwoningforfait =
% waarde woning
(hypotheekrente aftrekbaar)
WOZ (waarde onroerende zaak)
- premies werknemers-
verzekeringen
Vr.13
vr.15
aftrekposten
Schijvenstelsel
NB tarieven zijn gewijzigd!
vr.19 en 20
progressief tarief
(progressief stelsel)
vr.21
ET Hoofdstuk 5 en 6
Deel 1:
- 3 opgaven
- bij 1b ontbreekt het woord "krijgt":
"Dan KRIJGT hij er bij verkoop nog € 100 voor."
Totaal 7 vragen
deel 2:
- bij 4 staan 7 begrippen;
je kunt er maar 6 gebruiken (niet alle)
Box 2: belastbaar inkomen
uit aanmerkelijk belang
Box 3: belastbaar inkomen
uit sparen en beleggen
7.3 Krijg je
nog iets terug?
Box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleen
heffingvrij vermogen
vr.23
Hoeveel belasting over box 3?

denkbeeldige opbrengst van 4%
daarover 30% belasting

oftewel: 0,04 x 0,30 = 1,2%
belastbaar vermogen
vr.24
heffingskorting
na berekenen belasting box 1 en box 3
vr. 27
berekende belasting (loonheffing) lager dan de heffingskorting? => terugvragen bij de
Belastingdienst
7.4 Is het eerlijk verdeeld?
Belasting => verplichte bijdrage => overal voor te gebruiken door overheid
Retributie => betaling aan de overheid voor een goed of dienst
Profijtbeginsel:
je betaalt omdat
je gebruik maakt
Draagkrachtbeginsel:
progressief tarief
("de sterkste schouders")
<=>
motorrijtuigenbelasting
houderschapsbelasting
bpm
solidariteitsbeginsel:
de sterken helpen
de zwakken
nivellering
denivellering
8.
Hoe groot is jouw wereld?
8.1 Hoezo internationaal?
Import <=> export

doorvoerhandel
of
wederuitvoer
vr.2
Handelsbalans=
overzicht exportwaarde en
importwaarde van goederen
vr.3
Betalingsbalans
Dienstenbalans=
ontvangsten en betalingen
voor diensten
+
=
Nationaal inkomen=
inkomen van alle inwoners
Importquote

Exportquote
Open economie
Gesloten economie
Internationale
concurrentiepositie
wisselkoersen

Amerikaanse dollar
vr.10
8.2
Hebben we baat bij de EU?
Europese interne markt:
vrij verkeer van goederen en diensten
vrij verkeer van personen
vrij verkeer van kapitaal
vr. 13 en 14
Harmonisatie:
gelijktrekken van regels voor alle lidstaten
vr.15 en 16
Landbouwbeleid:
veel subsidies
veel kritiek
Europese Monetaire Unie
eurozone
8.3
Kunnen we vrij handelen?
Protectiemaatregelen:
invoerrechten heffen
contingentering of importquota
exportsubsidies geven
vr.22 en 25
Vrijhandel
in de EU
vr.26
Welke landen horen bij de Europese Unie (EU)?
Sinds 1 juli 2013 bestaat de EU uit 28 landen (lidstaten).

Lidstaten van de Europese Unie (jaar van toetreding)
België (1952)

Bulgarije (2007)

Cyprus (2004)

Denemarken (1973)

Duitsland (1952)

Estland (2004)

Finland (1995)
Frankrijk (1952)

Griekenland (1981)

Hongarije (2004)

Ierland (1973)

Italië (1952)

Kroatië (2013)

Letland (2004)
Litouwen (2004)

Luxemburg (1952)

Malta (2004)

Nederland (1952)

Oostenrijk (1995)

Polen (2004)

Portugal (1986)
Roemenië (2007)

Slovenië (2004)

Slowakije (2004)

Spanje (1986)

Tsjechië (2004)

Verenigd Koninkrijk (1973)

Zweden (1995)

Kandidaat-lidstaten van de EU
Er zijn 6 kandidaat-lidstaten van de EU. Dit zijn landen die al bezig zijn de EU-wetgeving in het nationale recht te verwerken:

IJsland;
Turkije;
Montenegro;
Macedonië;
Servië;
Albanië.
Bosnië-Herzegovina en Kosovo zijn potentiële kandidaat-lidstaten. Dit zijn landen die nog niet voldoen aan de voorwaarden voor het EU-lidmaatschap.
Internationale
arbeidsverdeling
vr.28
World Trade Organization
(WTO)
protectiemaatregelen
vr.30
vr.31
opkomende
economieën
8.4
Eerlijk zullen we alles delen?
Welvaart =
als bewoners in een land in hun behoeften kunnen voorzien
Nationaal inkomen
per hoofd van de bevolking
en
informele productie
verdeling welvaart
prijspeil
voorzieningen
ontwikkelings-landen

ruilvoet (pag.233)

monocultuur
buffervoorraden => prijzen stabiel
vicieuze cirkel
noodhulp
structurele hulp
ontwikkelings-
samenwerking
fairtrade
vr.34
vr.36
vr.38
vr.39
vr.41
Herhalingsopgaven:
H1, 2, 4, 5, 7, 8, 10,
11, 17, 19, 20, 22, 24
Examenopgaven:
E1, 2, 3, 5, 7, 10,
14, 15
Full transcript