Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Duitse werkwoorden

No description
by

Marjan de Weerd

on 12 August 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Duitse werkwoorden

schwimmen
Mein Onkel schwimmt jeden Montag.
Deutsche Verben
Duitse werkwoorden
Deutsche Verben
lopen
Ik loop naar de kamer.
werkwoorden
drinken
Annabel drinkt een kopje thee.
wonen
Wij wonen in Drenthe.
worden
Hij wordt vandaag 12 jaar.
Wat zijn werkwoorden?
laufen
Ich laufe zur Schule.
trinken
Annabel trinkt eine Tasse Tee.
wohnen
Wir wohnen in Drenthe.
werden
Er wird heute 12 Jahre alt.
zwemmen
Op maandag zwemt mijn oom.
Werkwoorden worden ook wel '
doe-woorden
' genoemd.
Ze geven aan wat iemand doet, of wat er gebeurt.
'doe-woorden'
Hoe zien die eruit?
Hoe vervoeg je een werkwoord?
(vervoegen = aanpassen)
Als eerste zoek je de stam van het werkwoord
De stam vind je zo:
hele werkwoord - en
het hele werkwoord = wohnen
de stam >
wohnen - en
>
wohn

In het Nederlands vervoeg je een werkwoord op deze manier:
ik > stam ik help
jij > stam +
t
jij help
t
hij/zij/het/u > stam +
t
hij/zij/het/u help
t

wij > stam +
en
(hele werkwoord) wij help
en
jullie > stam +
en
(hele werkwoord) jullie help
en
zij > stam +
en
(hele werkwoord) zij help
en

und jetzt auf Deutsch
we nemen het werkwoord wohnen
> zoek eerst de stam
wohnen
stam = wohn-
ich (ik) stam +
e
wohn
e
du (jij) stam +
st
wohn
st
er (hij)
sie (zij,ev) stam +
t
wohn
t
es (het)

wir (wij) stam +
en
(hele werkwoord)
ihr (jullie) stam +
t
wohn
t
sie (zij, mv) stam +
en
(hele werkwoord) wohn
en
Sie (u)
wohn
en
Hoe kan je dit nou onthouden?
Tja, bedenk daarvoor een ezelsbruggetje
Bijvoorbeeld:
maak er een liedje van
ich een
e
du
st
er,sie,es een
t
wir
en
ihr een
t
sie en Sie
en
of denk aan een verjaardag:
e
en
st
uk
t
aart
en

t
hee
en
zo
Und jetzt: üben!
Viel Erfolg!
Full transcript