Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Voornaamwoorden klas 2

No description
by

Wies Verbeek- van Baar

on 7 April 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Voornaamwoorden klas 2

Voornaamwoorden
Gebruik je in plaats van
een zelfstandig naamwoord.
Persoonlijk voornaamwoord
Lijken op de persoonlijke voornaamwoorden, maar let op de 'w' die er bijkomt in 2e pers. enk:
bezittelijk voornaamwoord
Hiermee wordt verwezen naar een woord of stukje tekst.
Staat VOOR een zelfstandig naamwoord of in de plaats van een zelfstandig naamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Leiden een vraagzin in
Vragende voornaamwoorden
Betrekkelijk voornaamwoord
Verwijst naar iets vaags (personen of dingen)
Onbepaald voornaamwoord
Stan vond dat
hij
het complimentje had verdiend.
ik/mij/me
jij/jou/je/u
hij/hem/zij/haar/het
wij/ons
jullie
zij/ze/hen
Oefening
Henk is vrachtwagenchauffeur
... rijdt op een wagen met een aanhanger.
Soms rijdt een bijrijder met ... mee, die kan het van ... overnemen als ... moe is.
Dan kan ... naar zijn bed achterin de cabine. Samen kunnen ... op die manier veel kilometers maken.
mijn/m'n
jouw/je/uw
zijn/haar
ons/onze
jullie
hun
Geeft aan van wie iets is.
Het staat altijd voor een zelfstandig naamwoord
jouw
fiets
zijn
huis
mijn
computer
Oefening
1. Dat boek is niet van
jou
.
2.
Mijn
kamer is een grote bende terwijl
zijn
kamer erg schoon is.
3. Moet
ik

u
tegen
jou
zeggen?
4. Van
onze
ouders moet
ik

mijn
kamer schoonmaken.
5.
Ik
wil
jouw
schrift houden, want
jij
hebt nog steeds
mijn
nieuwe spelcomputer.
6. Laten
jullie
dan wel aan
ons
weten wat
jullie
er van vinden?
7. In een brief werd aan
hen
meegedeeld dat
hun
huis werd afgebroken.
8. Heb
je

het
begrepen?
Onze gymleraar geeft altijd van
die
zware warming-upoefeningen.
die
dit
dat
zulke
deze
dergelijke
zo'n
Oefening
1. Als Joanne met dergelijke slechte cijfers thuiskomt, zal haar moeder niet blij zijn.
2. Wie doet nou zulke dingen?
3. Waar heb je deze schaar gevonden?
4. Is dat nieuw?
5. Ik vroeg of dit een nieuw boek was, want het lag op dezelfde plank.
6. Nadat Joey me die foto's had laten zien, kon ik het pas geloven.
7. De grammatica- en spellingscontrole verbetert zo'n fout niet.
Wie
heeft dat gedaan?
Op
wat voor
school zit je zusje?
Er zijn maar 4 vragende voornaamwoorden:
wie
wat
welke
wat voor (een)
Oefening
1.
Wie
vindt
zo'n
uitstapje nou niet leuk?
2.
Dit
moet je toch voor
die
datum inleveren?
3.
Wat voor een
scooter heeft je vriend?
4.
Welke
opdracht moeten we maken?
5.
Deze
bomen hebben een rood lint:
wat
betekent dat?
6. Met
zulke
vieze kleren ga je toch niet uit?
Verwijst naar een woord dat
ervoor
staat: het ANTECEDENT
De verhalen
die
ik voor Nederlands moest schrijven
die
dat
wie
wat
hetgeen
welk
Oefening
1. Ik vind de opdracht die we hebben gekregen niet moeilijk.
2. Niet iedereen heeft naar Lingo gekeken op die avond dat deze site werd genoemd.
3. Het programma dat ik iedere maandagavond kijk, is heel erg grappig.
4. De schrijfster van het boek dat ik heb gelezen, heeft alles zelf meegemaakt.
5. De krant die ik iedere morgen lees, komt de laatste tijd wel erg laat.
6. De krantenbezorger die de krant bezorgt, verslaapt zich erg vaak.
7. Het prachtige boek dat ik gelezen heb, heet Alleen op de Wereld.
8. Het geleende boek dat ik nog terug moet geven, ligt al weken op de tafel.
9. De lastige test die ik gisteren gemaakt heb, is nog niet nagekeken.
Niemand
praat met Piet.
Men
zegt altijd wel iets.
Ik heb wel
iets
gehoord.
iets (wat)
niets
iemand
niemand
alles
men
wat elk
ieder(een)
Oefening
1. Niemand wil nog pannenkoeken eten.
2. Kunt u mij iets vertellen?
3. Iedereen weet dat het een belangrijke dag is.
4. Iemand moet dat toch hebben gezien!
5. Hij had werkelijk alles gegeven in die laatste minuut.
6. Men vindt toch dat de trainer ontslagen moet worden.
7. Ik dacht dat ik wat hoorde.
8. Gelukkig was er niets aan de hand.
9. Ik heb je wat gegeven.
10. Ik doe alles om te zorgen dat ik op tijd ben.
benoem alle blauwe woorden
1.
Men
wist daar
niets
van.
2.
Hij
zag
iets

wat
de rest niet zag.
3. Met
wie
zat
zij
daar te kletsen?
4. Wat
jij
daar beweert, is onzin.
5.
Wat
vindt
je
vader van
zijn
verhaal?
6.
Mijn
moeder ergert zich gruwelijk.
7.
Je
bekijkt
het
maar.
8. Wie
dat
zegt, is niet goed wijs.
9. Daarna mocht
hij
pas
zijn
handen wassen.
10.
Wij
kunnen ons
dat
maar moeilijk voorstellen.
11. De jongen met
wie

je
sprak, heeft
dat
verhaal niet verteld.
12.
Men
kan moeilijk volhouden dat
deze
regel voor
iedereen
geldt.
13. Mag
ik
ook
wat
?
14. Zou
die
matroos
het
wel leuk vinden?
15.
Wat
doe
je
daar?
Hen of Hun?
Hen = Lijdend voorwerp
= Na een voorzetsel


Hun = Meewerkend voorwerp
= Bezit van iets
Weer hebben drie Nederlanders eenmedaille gewonnen. Ik heb hen gisteren op het podium zien staan.

We hebben het hun verteld.
We hebben het aan hen verteld.
Onthoud!
Het
kan

een onbepaald vnw zijn.
kan een persoonlijk vnw zijn.
kan ook een lidwoord zijn.

Wat
kan een onbepaald vnw zijn.
kan een betrekkelijk vnw zijn.
kan ook een vragend vnw zijn.

Wie
kan een vragend vnw zijn.
kan een betrekkelijk vnw zijn.

Dat/Die
kan een aanwijzend vnw zijn.
kan een betrekkelijk vnw zijn.

Vul in: Hen, Hun of Zij
Ik heb ... gisteren zien schaatsen.
... hebben drie medailles gewonnen.
Wil je dat eens aan ... vragen?
Weet je al of je ... ook aanmoedigt?
Als ik tijd heb, zal ik het ... vragen.
Wij zijn als Nederlanders super trots op .....
Vul de tekst in met alleen maar persoonlijke voornaamwoorden.
Benoem de blauw gedrukte woorden. Kies uit persoonlijk voornaamwoord of bezittelijk voornaamwoord.
Schrijf alle aanwijzende voornaamwoorden op.
Benoem de blauw gedrukte woorden. Kies uit aanwijzend voornaamwoord of vragend voornaamwoord.
Schrijf alle betrekkelijke voornaamwoorden op.
Schrijf alle onbepaalde voornaamwoorden op.
Kan onderwerp (ik, jij, hij, wij, jullie, zij) zijn of lijdend/meewerkend voorwerp (mij,jou,hem,ons,jullie,hen/hun)
wederkerend
voornaamwoord
Hoort bij wederkerend werkwoord: zich schamen, zich wassen, zich vervelen.
Verandert mee met onderwerp.
IK was ME
Jij wast JE
Hij wast ZICH
Wij wassen ONS
JULLIE wassen JE
ZIJ wassen zich
1
(Zij wast de baby: NIET wederkerend)
Wederkerig
voornaamwoord:
ELKAAR
1.Zij raken elkaar aan.
2.De meisjes vinden elkaar aardig.
LET OP: waarom, waardoor, waar,
wanneer, hoe enz. zijn BIJWOORDEN
Ingesloten antecedent: het woord waar het naar verwijst staat er niet bij. bv: wat je zegt = dat watje zegt of wie het niet weet = degene die het niet weet
Full transcript