Introducing 

Prezi AI.

Your new presentation assistant.

Refine, enhance, and tailor your content, source relevant images, and edit visuals quicker than ever before.

Loading…
Transcript

Vraagstelling

Leereenheid 4

Soorten vragen

Je kan vragen volgens 3 categorieën opdelen:

  • volgens graad van denkactiviteit

  • volgens vorm van het verwachte antwoord

  • volgens inhoud van de vraag

1. Soorten vragen

Iedere vraag kan je binnen deze drie categorieën plaatsen.

Graad van denkactiviteit

"In welke maateenheid wordt temperatuur uitgedrukt?"

Graad van denkactiviteit

"Bekijk de weerkaart van België met de luchtdrukgebieden. Welk weer kan je verwachten in de Kempen op basis van deze kaart?"

"Wat voor weer is het vandaag?" (lln. kijken naar buiten en beschrijven wat ze waarnemen)

Reproductief

"In welke maateenheid wordt temperatuur uitgedrukt?"

reproductief

Leerlingen moeten bepaalde informatie herkennen of zich herinneren. De vragen zijn gericht op het reproduceren van opgeslagen kennis. Ze worden ook vaak kennis-of geheugenvragen genoemd. Het zijn 'weet-vragen', je weet het of je weet het niet.

"Wat voor weer is het vandaag?" (lln. kijken naar buiten en beschrijven wat ze waarnemen)

Maar ook gemakkelijke waarnemingsvragen behoren tot deze categorie van vragen.

Extra voorbeelden

  • "Wat is de formule voor het berekenen van de oppervlakte van een driehoek?"
  • (tijdens een experiment) "Wat zie je gebeuren?"
  • "Welk dier heeft de langste poten, een haas of een konijn?"
  • "Wat is het kookpunt van water?"

extra voorbeelden

Enkele opmerkingen

enkele opmerkingen

Vaak ga je deze vragen gebruiken om de voorkennis van leerlingen op te frissen. Ze gaan de denkvragen (productieve vragen) vooraf.

Beperk je in je lessen niet tot dit soort vragen maar zet leerlingen ook verder aan het denken met productieve vragen!

Productief

"Bekijk de weerkaart van België met de luchtdrukgebieden. Welk weer kan je verwachten in de Kempen op basis van deze kaart?"

productief

Productieve vragen of denkvragen zetten kinderen meer aan tot echt denken. De kennis die opgeslagen is in het geheugen volstaat niet om een antwoord te geven op de vraag. Leerlingen moeten nog extra denkactivteiten uitvoeren zoals: interpreteren, toepassen, analyseren, synthetiseren, evalueren/beoordelen, combineren, creëren, argumenteren, ....

Extra voorbeelden

extra voorbeelden

  • "Wat is de kerngedachte in deze tekst?" (synthetiseren)
  • (voor de start van een experiment) "Wat denk je dat er zal gebeuren als de fles wordt verwarmd?" (analyseren)
  • "Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?" (toepassen)
  • "Welk schilderij spreekt jou het meest aan?" (beoordelen)
  • "Hoe kan dit verhaal eindigen?" (construeren)
  • "Welk personage in het verhaal treft het meeste schuld? En waarom vind je dat?" (argumenteren)

Enkele opmerkingen

Bij een denkvraag heb je meestal ook kennis nodig die in je geheugen is opgeslagen, maar het vergt nog extra denkactiviteiten. Dit is bijvoorbeeld zo bij toepassingsvragen:

  • "Wat is een lijdend voorwerp?" (= reproductieve vraag)
  • "Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?" (=productieve vraag want je gaat je kennis toepassen)

enkele opmerkingen

Het hangt soms ook van de voorkennis van leerlingen af of een vraag al dan niet een reproductieve vraag of productieve vraag is.

  • "Wat is de grootste waterverslinder in huis?"

Dit kan een denkvraag zijn als leerlingen dit nog niet besproken hebben in de klas. Als dit reeds aan bod kwam, wordt het een reproductieve vraag."

Vorm van het verwachte antwoord

"Wat vind jij het gezelligste weerstype?"

Vorm van het verwachte antwoord

"In welke maateenheid wordt temperatuur uitgedrukt?"

"Hoe gaat onze omgeving eruitzien als de aarde maar blijft opwarmen?"

"Wat is een pluviometer?"

gesloten vragen

"In welke maateenheid wordt temperatuur uitgedrukt?"

"Wat is een pluviometer?"

gesloten

Bij een gesloten vraag is het antwoord op de vraag min of meer voorspelbaar, het staat vast. De antwoorden zijn vaak ook kort. Invul-of aanvulvragen, meerkeuzevragen, juist/fout-vragen, ... behoren ook tot deze categorie.

Enkele opmerkingen

Gesloten vragen kunnen zowel productief als reproductief zijn. vb. Wat is de kerngedachte in deze alinea?" (=gesloten productief)

Hoe heet de koning van België (=gesloten reproductief)

enkele opmerkingen

Let op voor gesloten ja/neen-vragen. Ze lokken weinig denkactiviteit uit. Als lln. gokken hebben ze 50% kans dat hun antwoord juist is. Je kan ze vaak op een meer denkactiverende wijze formuleren.

extra voorbeelden

  • "Waarom is deze figuur een vierkant?"
  • "Waarover gaat dit boek?"
  • "Wat zijn de kleuren van de regenboog?"
  • "Hoeveel dagen zitten in een jaar?"
  • "Hoe loopt de parabel van de verloren zoon af?"

extra voorbeelden

Open vragen

"Wat vind jij het gezelligste weerstype?"

"Hoe gaat onze omgeving eruitzien als de aarde maar blijft opwarmen?"

open

Bij open vragen ligt het antwoord niet vast. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk. De antwoorden kunnen ook uitgebreider zijn.

Bedenking

Meestal zijn open vragen ook productief van aard en lokken ze bijgevolg voldoende denkactiviteit uit.

opmerking

Extra voorbeelden

extra voorbeelden

  • "Welke vakantieactiviteit vind je een aanrader voor de andere leerlingen?"
  • "Wat is volgens jou een mogelijke oplossing om armoede in ons land te verminderen?"
  • "Hoe kan je dit monster nog akeliger maken?" (beeldende opdracht)
  • "Wat betekent 'vriendschap' voor jou?"

Inhoud van de vraag

(lln. krijgen website KMI) "Welk weer voorspelt men voor volgende week maandag?"

Inhoud van de vraag

"Hoe heb je dit (weersvoorspelling van volgende week maandag) gevonden op de website?"

Productgerichte vragen

(lln. krijgen website KMI) "Welk weer voorspelt men voor volgende week maandag?"

productgericht

Productgerichte vragen peilen naar het eindresultaat van het denkproces, het eindproduct. Het merendeel van de vragen die we stellen zijn productgericht.

Extra voorbeelden

  • "Hoe laat is het op deze klok?"
  • "Hoe schrijf je 'hij antwoordt'?"
  • "Hoe kan je waterverspilling tegengaan?"
  • "Hoeveel is 3/4 van 12?"

extra voorbeelden

Procesgerichte vragen

"Hoe heb je dit (weersvoorspelling van volgende week maandag) gevonden op de website?"

procesgericht

Procesgerichte vragen peilen naar de werkwijze, de redenering die de lln. volgde om tot het eindproduct (antwoord) te komen.

Opmerking

Procesgerichte vragen zorgen ervoor dat leerlingen hun denkproces verwoorden. Ze zijn een absolute must in het onderwijs. De lkr. kan nagaan of de redenering van de lln. juist is en leerlingen leren ook van elkaar.

opmerking

Extra voorbeelden

  • "Hoe ben je tot deze oplossing gekomen?"
  • "Hoe heb je dit gevonden?"
  • "Waarom denk je dat dit een goede oplossing is?"
  • "Hoe ben je te werk gegaan?"

extra voorbeelden

Regels bij formulering

Hou deze regels in het achterhoofd wanneer je een vraag formuleert.

2. Regels bij formulering

Taalkundig en vakinhoudelijk correct

"Hoe noemt de president van Frankrijk?" (heet)

"Welk getal staat in deze breuk boven de breuklijn?" (breukstreep)

taalkundig en vakinhoudelijk correct

Je bent een taalvoorbeeld voor de lln. Je vragen moeten taalkundig en vakinhoudelijk dan ook correct geformuleerd worden.

Let hierbij ook op het gebruik van de juiste vraagwoorden.

Niet: voor wat, aan wat, tot wat, met wat

Wel: waarvoor, waaraan, waartoe, waarmee

Eenvoudige, duidelijke vraagzin

"Wie kan eens zeggen welke factoren meespelen bij de beslissing om in de buurt van een vulkaan te gaan wonen?"

(beter: "Waarom gaan mensen in de buurt van een vulkaan wonen?")

eenvoudige vraagzin

Maak je vraag niet te complex. Probeer ze in zo'n kort mogelijke en eenvoudige zin te formuleren.

Geen pseudovragen

"Zullen we opruimen?" (beter: "Nu ruimen we op.")

"Wat is dit toch met jullie?"

geen pseudovragen

Pseudovragen zijn vragen waar je geen antwoord op verwacht, ze zijn doelloos. Voor leerlingen is het verwarrend of ze er al dan niet op moeten antwoorden.

Soms hebben lkrn. de neiging om instructies (zoals bij opruimen) in vraagvorm te geven. Deze moet je in bevelvorm formuleren. Lln. hebben niet de keuze of ze deze willen volgen of niet.

Suggestieve vragen

"Vinden jullie het jongetje in het verhaal ook zo brutaal?"

geen suggestieve vragen

Suggestieve vragen laten weinig denkruimte voor de lln. Het antwoord wordt in de vraag al gedeeltelijk prijsgegeven.

Dubbelzinnige of verwarrende vragen

"Waar ligt Vlaanderen?" (Verwacht je het antwoord: In België, in Europa, in West-Europa, ten noorden van Wallonië, ten Zuiden van Nederland, of moeten ze dit aanwijzen op een kaart?)

geen verwarrende vragen

Ook 'waarom-vragen' kunnen soms dubbelzinnig geïnterpreteerd worden: vraag je naar een oorzaak of een doel?

Dit is ook zo bij 'wanneer-vragen': vraag je naar een bepaalde dag, een uur of een maand?

Enkelvoudige vragen

"Hoe, waar en wanneer vond de beeldenstorm plaats?"

enkelvoudige vragen

Vermijd meervoudige vragen. Lln. weten niet op welke deelvraag ze eerst moeten antwoorden.

Concrete, specifieke vragen

"Wat weten jullie over Europa?"

"Vertel eens iets over de vakantie."

concrete vragen

Deze vragen zijn te open, te algemeen. Ze geven geen richting aan de les. Stel concrete vragen zodat je het verdere verloop van de les zelf in de hand hebt.

(Wanneer je bij de start van een nieuw thema met de lln. eerst wil brainstormen over het thema kan je vraag wel wat algemener zijn.)

Vragen op niveau: geen te moeilijke of te gemakkelijke vragen

(eerste les over het trapezium) "Hoe heet deze figuur?"

vragen op niveau

Vraag niet iets dat de kinderen niet kunnen weten en waar ze moeten naar raden. Te moeilijke vragen ontmoedigen. Te gemakkelijke vragen hoeven ook niet, deze zijn overbodig. Lln. ervaren ze als naïef of belachelijk.

Vermijd ja/nee-vragen

"Is dit een een paardenbloem?"

beter: "Welke bloem is dit?"

vermijd ja/neen-vragen

Ja/nee-vragen lokken weinig denkactiviteit uit. Meestal kan je ze ook op een andere manier stellen zodat lln. meer aan het denken worden gezet.

Soms kan je het niet vermijden om een ja/nee-vraag te stellen. Maar vaak wordt deze dan gevolgd door een bijvraag die vraagt om een argumentering.

bv. "Zullen in 2040 de schoolboeken nog bestaan?" ... "Waarom denk je dat?"

Afwisseling in vraagstelling

afwisseling in vraagstelling

Stel niet steeds hetzelfde type van vragen, dit wordt na een tijdje saai.

  • wissel af in vraagwoorden
  • wissel af in vraagsoort (reproductief/productief; open/gesloten; product/procesgericht)
  • doe een beroep op de verschillende zintuigen (gezicht, gehoor, smaak, tast, reukzin)
  • spreek verschillende functies/domeinen aan (verbeelding, geheugen, sociaal inzicht, logisch redeneren, ...)
  • ...

Vermijd zou-vragen

"Wat zou dat kunnen betekenen?"

beter: "Wat betekent dat?"

geen zou-vragen

Bovenstaande vraag is niet hypothetisch bedoeld. (iets dat nog moet bewezen worden) Het antwoord op deze vraag staat al vast. Maak er dan ook geen 'zou-vraag' van.

Is je vraag toch hypothetisch? Dan mag je er wel een 'zou-vraag' van maken.

Vb."Stel dat er geen regels werden opgelegd bij het bouwen van huizen, wat zou er dan gebeuren?"

Organisatie van het vragen stellen

3. Organisatie

1. Alvorens de vraag te stellen, zorg dat je de aandacht van iedere leerling hebt.

2. Richt je tijdens het stellen van de vraag tot de hele klasgroep, niet één lln.

3. Duid pas een lln. aan nadat de vraag volledig werd gesteld.

4. Voorzie een korte denkpauze. Geef iedereen de kans om er even over na te denken.

5. Stel eenzelfde vraag niet meerdere keren na elkaar. Lln. moeten leren om onmiddellijk te luisteren naar de vraag.

6. Duid niet telkens dezelfde lln. aan.

7. Laat lln. uitspreken wanneer ze de vraag beantwoorden en let op voor de pedagogische echo (het herhalen van het antwoord van de leerling) Leer lln. te luisteren naar elkaar.

Reageren op antwoorden

Vang antwoorden van lln. steeds positief op. Je hoeft een fout antwoord niet om te buigen naar een juist antwoord. Je mag zeggen dat het niet klopt, maar blijf waarderend in je houding.

4. Reageren op antwoorden

Enkele technieken

enkele technieken

  • Spiegelen: Merk je aarzeling in het antwoord van de leerling? Spiegel dan dat wat je ziet. De lln. voelt zich zo meer begrepen. vb. "Ik merk dat je aarzelt, dat je niet zeker bent van je antwoord, ..."

  • Doorvragen/nader verklaren: Dit doe je wanneer het antwoord te vaag blijft of wanneer je wil weten of de lln. het juist heeft begrepen.

  • Toespitsen: Je gaat de vraag vereenvoudigen of hints geven als lln. niet tot het juiste antwoord komen.

  • Vragen en antwoorden doorspelen: nodig lln. uit om elkaars antwoorden aan te vullen om zo samen tot het beste antwoord te komen. (zoveel mogelijk lln. betrekken)

Stelt een lln. een vraag en medelln. kunnen deze beantwoorden? Maak dan van dat moment gebruik om ook de andere lln. te betrekken en laat hen de vraag beantwoorden.

  • Samenvatten: Als een antwoord erg uitvoerig is, kan je best voor medelln. het nog eens samenvatten.

Criteria voor antwoorden van lln.

criteria voor antwoorden

Ook lln. moeten leren om antwoorden te formuleren. Antwoorden voldoen best aan volgende criteria:

  • Duidelijkheid

  • Nauwkeurigheid

  • Toepasselijkheid: lln. antwoordt op de vraag.

  • Bewijskrachtig: lln. moeten kunnen verantwoorden hoe hij/zij tot het antwoord kwam.

  • Overeenstemmend met complexiteit van het probleem: lln. leren genuanceerd te antwoorden. Reageer op rigide, radicale, eenzijdige uitspraken.

En oefenen maar....

Oefeningen

Zijn onderstaande vragen correct geformuleerd? Verbeter indien nodig.

Oefening 1

  • Was Toetanchamon een farao?

  • Dit is een voorbeeld van een anagram, nietwaar?

  • Vertel mij iets over de regenworm.

  • Welke oorzaken zouden aan de basis liggen van de Franse Revolutie?

  • De Eiffeltoren staat in Pa….?

  • Aan wat kan je zien dat grootmoeder droevig is?

  • Hoe zou je omgeving er gaan uitzien als de aarde blijft opwarmen?

  • Zijn de figuren vierkant of rond?

  • De man op de foto heeft een dikke jas aan en draagt een muts. Zou het warm of koud zijn?

  • (Lkr. heeft i.f.v. een W.O.-les een vis mee naar de klas gebracht.) Lkr: “Wat heb ik hier meegebracht?”

  • (tijdens groepswerk) Lkr: “Wanneer gaan jullie nu beginnen aan de opdracht?”

Met het vierde leerjaar hou je binnenkort een gesprek over de voorbije coronaperiode. Bedenk enkele vragen die aan volgende criteria voldoen:

Oefening 2

1 gesloten reproductieve vraag

1 gesloten productieve vraag

1 open productieve vraag

1 procesgerichte vraag

Deze prent gebruik je in een les over het verkeer. Bedenk enkele vragen die je bij de prent kan stellen.

Bedenk:

1 gesloten reproductieve vraag

1 gesloten productieve vraag

1 open productieve vraag

Oefening 3

Learn more about creating dynamic, engaging presentations with Prezi