Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Inleiding in de biologie

No description
by

Steven Koelewijn

on 10 November 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Inleiding in de biologie

Inleiding in de biologie
Inleiding in de biologie
Samenvatting meest belangrijke begrippen (concepten) thema 1
BvJ 4Havo

Basisstof 3:
Hoofdthema's in de biologie.
Je moet in een context de hoofdthema's van de biologie kunnen herkennen en uit kunnen uitleggen dat deze hoofdthema's op verschillende organisatieniveaus een andere betekenis hebben.
Basisstof 4:
Ordening van organismen.
Je moet in een context de grote lijnen van het ordeningssysteem van organismen kunnen beschrijven en de takken van de biologie kunnen noemen die zich hier mee bezighouden.
Basisstof 1:
Wat is biologie?
Biologie= studie of leer van het leven.
In de biologie bestuderen we dan ook organismen=levende wezens.
Belangrijke begrippen 1
Levensverschijnselen: voortplanting, stofwisseling, groei, ontwikkeling, beweging, waarnemen en reageren op prikkels.
dood: een organisme vertoont geen levensverschijnselen
Levenloos: iets dat nooit geleefd heeft.
individu: een enkel organisme
levensloop (van een organisme): start met de geboorte en eindigd met de dood.
Levencyclus: een soort heeft een levencyclus met daarin verschillende stadia van groei en ontwikkeling

Belangrijke begrippen 2
Soort: organismen behoren tot een soort als ze zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen.
DNA: langgerekt dubbelstrengs molecuul dat genetische informatie bevat in de vorm van een code.
Stofwisseling: alle chemische reacties in een organisme
Enzymen: moleculen die de chemische reacties van stofwisselingsprocessen versnellen (katalyseren)
Belangrijke begrippen 3
Biologie speelt een belangrijke rol bij grote vraagstukken van de toekomst. bijvoorbeeld op het gebied van:
voeding en voedselzekerheid
gezondheid
duurzame ontwikkeling
energie en veiligheid.

Belangrijke begrippen 2
Weefsel: groep cellen met dezelfe vorm (bouw) en functie.
Orgaan: deel van een organisme ,bestaande uit meerdere weefsels, dat een belangrijke functie voor het organisme vervult. b.v. blad van plant, tand, long etc.
Orgaanstelsel: een aantal organen die samenwerken aan een bepaalde taak. B.v. zenuwstelsel, wortelstelsel (plant)
Organisme: een levend wezen (individu).


Belangrijke begrippen 3
Populatie: groep individuen van dezelfde soort binnen een bepaald gebied die zich onderling voortplanten.
Levensgemeenschap: alle populaties die in een bepaald gebied samen leven.
Ecosysteem: een min of meer begrensd gebied waarbinnen de abiotische en biotische factoren een eenheid vormen.
Biosfeer: (systeem aarde) geheel van alle ecosystemen op aarde.
Emergente eigenschap: een eigenschap die op een lager organisatie niveau nog niet aanwezig was. Bijv. Vliegen op het organisatieniveau organisme.
Belangrijke begrippen 3
Interactie: biologische eenheden reageren op andere biologische eenheden en op abiotische factoren.
reproductie: het vermeerderen van biologische eenheden b.v. door celdeling, voortplanting van organismen of splitsing van populaties.
Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen (uitsterven) heeft geleid tot de huidige verscheidenheid aan soorten.
Biodiversiteit: verscheidenheid aan soorten.
Belangrijke begrippen 1:
Zelfregulatie: Biologische eenheden zoals cellen, organismen en ecosystemen zijn in staat zichzelf te handhaven door zelfregulatie.
Op het niveau ecosysteem vind zelfregulatie plaats door een energiestroom en een kringloop van stoffen. Autotrofe organisme leggen zonlicht vast in chemische energie d.m.v. fotosynthese en de heterotrofe organismen (en ook autotrofe organismen) verbruiken de chemische energie die door autotrofe organismen is vast gelegd.
Belangrijke begrippen 2:
Zelforganisatie: hierdoor zijn biologische eenheden in staat zichzelf te organiseren tot "biologische eenheden van een hogere orde" waardoor er nieuwe structuren ontstaan met emergente eigenschappen.
In de door zelforganisatie ontstane structuren van biologische eenheden is ordening waar te nemen.
In de geordende structuur van biologische eenheden is een verband te zien tussen vorm en functie van biologische eenheden. B.v. Stroomlijnvorm van waterdieren.
Belangrijke begrippen 4:
Evolutie:
Is gebaseerd op verscheidenheid aan genotypen, natuurlijke selectie en reproductieve isolatie.
Genetische variatie (verscheidenheid aan genotypen) ontstaat door geslachtelijke voortplanting en mutaties in het DNA.
Natuurlijke selectie: de best aangepaste individuen van een soort overleven.
Reproductieve isolatie: er vindt gedurende een lange tijd geen voortplanting plaats tussen individuen van verschillende populaties van dezelfde soort.
1
2
Belangrijke begrippen 1:
Taxonomie: de tak van de biologie die zich bezighoudt met het ordeningssysteem en de regels daarvoor opstelt.
Systematiek: De tak van de biologie die zich bezighoudt met het indelen van organismen volgens dit ordeningssysteem.
Bij de systematiek probeert met de evolutionaire verwantschappen zo goed mogelijk weer te geven door het vergelijken van DNA van organismen.
Het DNA van soorten die zich uit dezelfde voorouder hebben ontwikkeld vertoont overeenkomst.
Belangrijke begrippen 3:
Enkele criteria die bij de indeling in de domeinen en rijken wordt gebruikt zijn:
celtype (prokaryoot / eukaryoot)
aantal cellen (eencellig / meercellig)
de aanwezigheid van een celwand
voedingswijze (autotroof / heterotroof)

Een rijk wordt verder ingedeeld in steeds kleinere taxa (groepen).

Protisten zijn een groep nog niet ingedeelde organismen. De meeste zijn eencellig.
Belangrijke begrippen 2:
Organismen worden ingedeeld in 3 rijken:
Bacteriën
Archaea
eukaryoten

Bacteriën en archaea zijn prokaryoten.

Eukaryoten worden onderverdeeld in 3 rijken:
dieren
planten
schimmels

Basisstof 5:
Natuurwetenschappelijk onderzoek.
Je moet in een context kunnen beschrijven hoe natuurwetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd
Belangrijke begrippen 1:
Twee typen van onderzoek opzet.
Beschrijvend onderzoek: de onderzoeker verzamelt observaties (data) die tot een conclusie kunnen leiden. b.v. het bestuderen van plantenweefsel onder de microscoop of het in kaart brengen van menselijk DNA.
Onderzoek gebaseerd op een hypothese.
Belangrijke begrippen 2:
Onderzoek gebaseerd op hypothese.
Observatie: een natuurverschijnsel wordt waargenomen.
Probleemstelling (vraagstelling). op grond van de waarneming wordt een probleem geformuleerd.
Hypothese: een eenduidige verklaring voor het natuurverschijnsel.
Experiment: proeven worden uitgevoerd en data (gegevens) worden verzameld. Kan m.b.v. alleen observaties i.p.v. experiment (groepen vergelijken). Experimenteergroep en controlegroep = (blanco proef)
Resultaten (tabellen en grafieken)
Conclusie (terugkoppeling naar hypothese).
Basisstof 6: Onderzoeksaanpak.
Je moet in een context de kwaliteit van een onderzoek kunnen beoordelen.
Belangrijke begrippen 1:
Er is gewerkt met voldoende aantallen
De experimenteergroep verschilt slechts met 1 factor (variabele) van de controlegroep. Alle andere omstandigheden zijn bij beide groepen gelijk.
Steekproef: een selectie uit de groep die men wil onderzoeken. Deze moet representatief zijn (een goede afspiegeling van de te onderzoeken groep).

Belangrijke begrippen 2:
Goed onderzoek is betrouwbaar:
Toevallige fouten: onder verschillende omstandigheden worden verschilende resultaten behaald.
Toevallige fouten worden zoveel mogelijk vermeden. Daardoor zijn de resultaten van het onderzoek reproduceerbaar.
Goed onderzoek is valide:
Systematische fout: er wordt steeds dezelfde fout gemaakt waardoor men niet meet wat men wilde meten.
Systematische fouten worden zoveel mogelijk vermeden. Daardoor wordt gemeten wat men wilde meten.
Belangrijke begrippen 1
Molecuul: bouwsteen van stoffen. (bestaat uit atomen). DNA is een voorbeeld van een belangrijk molecuul dat de erfelijke informatie voor een organisme bevat.
Cel: bouwsteen van een organisme. Het is de kleinste biologische eenheid die zichzelf kan delen. Organismen bestaan uit 1 of meer cellen.
Organel: deel van een cel dat naar bouw en functie apart is te onderscheiden. Meestal omgeven door een membraan. bv. celkern, vacuole.

Basisstof 2:
Organisatieniveaus in de biologie
Je moet in een context de organisatieniveaus van de biologie kunnen benoemen en kunnen uitleggen dat op elk hoger organisatieniveau emergente eigenschappen ontstaan.
Filmpje verschil plantaardige - dierlijke cel
Full transcript