Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Benoemen van bijzinnen II

No description
by

Heleen Ogier

on 7 April 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Benoemen van bijzinnen II

Om een onderwerpzin te kunnen benoemen, moet je eerst de hoofdzin ontleden. Onderwerpzin
Denise showde haar moeder de kleren die zij die ochtend
gekocht had.
(Wat showde Denise? De kleren die zij die ochtend gekocht had)

Evelien vertelde dat ze volgende week op vakantie gaat.
(Wat vertelde mijn vriendin? Dat ze volgende week op
vakantie gaat)

'Ik ga volgende week op vakantie', vertelde Evelien.
(Wat vertelde Evelien? Ik ga volgende week op vakantie)

Haar collega's willen weten wie er meegaan met het
personeelsuitje.
(Wat willen haar collega's weten? Wie er meegaan met het personeelsuitje) Lijdendvoorwerpszin Een voorzetselvoorwerpszin wordt aangekondigd door een voorlopig voorzetselvoorwerp (vvzv), een combinatie van ‘er’ met een voorzetsel. Voorzetselvoorwerpszin Je kunt een heel zinsdeel vervangen door 'aan/voor hem, aan/voor haar' etc. Meewerkendvoorwepszin Bespreek in tweetallen huiswerk (blz. 242, opdr. 18 Opdracht in e les/
huiswerk
Onder gezegdezinnen verstaan we bijzinnen die de functie
van een naamwoordelijk deel van het gezegde vervullen:

1 Johan is altijd gebleven wie hij was.
2 Charlotte wordt nu eenmaal nooit wat haar vader zich gewenst had.
3 Zij is die zij is, dat verander je nu eenmaal nooit!

Er zijn drie vormen van gezegdezinnen:
[a] Gezegdezinnen die ingeleid worden door een voegwoord; de mogelijkheden zijn
hier beperkt. Voorbeeld:
- Alles werd weer zoals het vroeger geweest was.


[b] Beknopte bijzinnen met verplicht om;Voorbeelden:

- In die jurk is ze om te stelen.
- Dat is niet om aan te zien.


[c] Zinnen met ingesloten antecedent;
Voorbeelden:

- Lodewijk wordt wat hij altijd gewild heeft.
- Mijn Duits is niet meer wat het geweest is. Gezegdezin Bijzinnen benoemen Begint de hoofdzin met 'het'? Dan heb je kans dat 'het' het voorlopig onderwerp is.
De bijzin heeft dan de functie van onderwepzin. Het verbaast me niet dat Jordy en Ayla een stel zijn. Verbaast het me niet, dat..... Kijk naar de plaats van 'het'. Staat het direct voor of achter de pv en kan er geen woordgroep achter, dan is 'het' onderwerp.

Dit zijn twee zinnen. In de tweede zin is dat lijdend voorwerp.

Je kunt hier ook één zin van maken: Ik heb Elfi dat gevraagd. Dat blijft lijdend voorwerp, maar omdat de eerste zin is weggelaten, snapt niemand
meer wat je bedoelt. Dat kunnen we oplossen door de zin weer uit te breiden:

Ik heb Elfi gevraagd, of ze uit een boek voor wil lezen.

Wat valt op? Het lijdend voorwerp is verdwenen en vervangen door een zin.
Die zin is dus in de plaats gekomen van het lijdend voorwerp. Je kunt die zin
ook weer vervangen door het lijdend voorwerp dat, ook al snapt niemand dan
wat je bedoelt. Daarom noemen we deze zin een lijdend voorwerpszin.

In betekenis is er niets veranderd: we hebben alleen van de twee losse zinnen
één zin gemaakt, die (vandaar de komma) toch uit twee zinnen bestaat. Elfi leest voor uit een boek. Ik heb haar dat gevraagd. Let op: als woordsoort is het voorlopig voorzetselvoorwerp een bijwoord. Jorik vertrouwt op je hulp bij de verhuizing (vzv).

Jorik vertrouwt erop (vvzv) dat je hem helpt bij de verhuizing (vzv-zin)

Jorik rekent er (vvzv) helemaal op (vvzv) dat je hem helpt bij de verhuizing (vzv-zin). Noteer uit onderstaande zinnen o, voorlopig-o, o-zin, lv, voorlopig-lv, lv-zin, vzv, voorlopig-vzv, vzv-zin.

1 Cindy’s gespiek bij aardrijkskunde is het gesprek van de dag.
2 Dat Cindy bij aardrijkskunde gespiekt heeft, is het gesprek van de dag.
3 Het is het gesprek van de dag, dat Cindy gespiekt heeft bij aardrijkskunde.
4 Jordy berustte in het verlies van zijn mooiste knikker.
5 Jordy berustte erin dat hij zijn mooiste knikker verloren had.
6 Ik zal je je leugens over je cijfers vergeven!
7 Dat je gelogen hebt over je cijfers, zal ik je vergeven!
8 Ik zal het je vergeven dat je over je cijfers gelogen hebt!
9 Dominiques ontslag uit het ziekenhuis morgen is nog niet zeker.
10 Het is nog niet zeker of Dominique morgen uit het ziekenhuis ontslagen wordt.
11 De spelers spraken nog lang over de gewonnen wedstrijd tegen de koploper.
12 De spelers spraken er nog lang over dat ze de wedstrijd tegen de koploper gewonnen hadden. In de les/
huiswerk voor
maandag 11/3:

Zin 1 t/m 12 maken. blz. 235 t/m 242 Meewerkendvoorwepszinnen beginnen altijd met "(aan/voor) wie...." Karel geeft cadeaus aan wie hij maar aardig vindt.

Wie hij maar aardig vindt, geeft Karel cadeaus. Je kan ook zeggen: Noteer uit onderstaande zinnen o, voorlopig-o, o-zin, lv, voorlopig-lv, lv-zin, vzv, voorlopig-vzv, vzv-zin.

1 Cindy’s gespiek bij aardrijkskunde is het gesprek van de dag.
2 Dat Cindy bij aardrijkskunde gespiekt heeft, is het gesprek van de dag.
3 Het is het gesprek van de dag, dat Cindy gespiekt heeft bij aardrijkskunde.
4 Jordy berustte in het verlies van zijn mooiste knikker.
5 Jordy berustte erin dat hij zijn mooiste knikker verloren had.
6 Ik zal je je leugens over je cijfers vergeven!
7 Dat je gelogen hebt over je cijfers, zal ik je vergeven!
8 Ik zal het je vergeven dat je over je cijfers gelogen hebt!
9 Dominiques ontslag uit het ziekenhuis morgen is nog niet zeker.
10 Het is nog niet zeker of Dominique morgen uit het ziekenhuis ontslagen wordt.
11 De spelers spraken nog lang over de gewonnen wedstrijd tegen de koploper.
12 De spelers spraken er nog lang over dat ze de wedstrijd tegen de koploper gewonnen hadden. Wijs de lijdend-voorwerpszinnen én de onderwerpszinnen aan.

(1) Joop beweerde dat hij niet graag detectiveromans las.
beweerde en las = PV. las staat achteraan, dus bijzin.
Joop beweerde dat > dat = LV, dus dat…las is een lijdend-voorwerpszin.

(2) Mag ik u vragen of u een vuurtje voor me heeft?
(3) Wat Wim die avond mankeerde weet ik werkelijk niet.
(4) Wat Wim die avond mankeerde was niemand duidelijk.
(5) Hij zei, dat hij Spijt het beste boek van Carry Slee vond.
(6) Richard wist het niet zeker of hij Marlies zijn nieuwe auto al had laten zien.
(7) Dick vond het blijkbaar vermakelijk dat Jenny zo goed schaatsen kon.
(8) Ik wist wel dat je zou komen!
(9) Waarom Japie naar Friesland gegaan was, wist niemand.
(10) Waarom Japie naar Friesland gegaan was, is altijd onopgehelderd gebleven. Wijs de gezegdezinnen én de onderwerpszinnen aan.

(1) Dit boek is niet geworden wat de auteur ervan verwacht had.
Is en had = PV. had staat achteraan, dus bijzin.
Dit boek is 'iets' niet geworden > Wat = nw. deel van het gezegde, dus wat...verwacht had = gezegdezin.

(2) Dat is nou precies wat ik bedoelde.
(3) Die nieuwe uitgave van de werken van Kneppelhout is niet wat we ons ervan voorgesteld hadden.
(4) De vaderfiguur is waarom het in feite gaat in de eerste Anton Wachter-romans.
(5) Hij schijnt geworden te zijn wat hij als kind al wilde.
(6) Dat de criticus zich vergist had bleek pas later.
(7) Het schijnt dat je nogal onder de indruk bent van die film.
(8) Wat hij altijd verlangd had, bleek nu eindelijk werkelijkheid geworden.
(9) Hij schijnt het te zijn die we nodig hebben.
(10) Het was moeilijk te zeggen wie van ons beide gelijk had.
Full transcript