Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Leesvaardigheid

No description
by

steffie zeetsen

on 23 September 2016

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Leesvaardigheid

Buitenkant van de tekst
Leesstrategieën
Opbouw van een tekst
De opbouw van de alinea
Elke alinea bestaat uit een aantal delen:

1.
kernzin
: geeft het belangrijkste van de hele alinea weer
2.
Toelichting/ uitwerking
: alle andere zinnen van de alinea
Bugklas 1VH, 2015
Leesvaardigheid
Titel
Tussenkopje
Alinea's
Bron
Theorie
Titel: Kan aangeven waar de tekst
over gaat.
Onderwerp: Het belangrijkste van de tekst
in 1 of een paar woorden.
Tussenkopje: Geeft aan waar volgende
alinea's over gaan.
Alinea: stukje tekst waarin over
hetzelfde deelonderwerp
wordt gesproken.
Deelonderwerp: verschillende kanten van het
onderwerp bespreken.
Leesstrategie
Elk leesdoel heeft zijn eigen strategie.
Zoekend lezen
(informatie opzoeken)
Gericht op zoek gaan naar informatie. Voorbeeld: als je vragen wilt opzoeken in een tekst.
Oriënterend lezen
(eerste indruk van tekst krijgen)
Je leest: titel, inleiding, tussenkopjes, slot, vetgedrukte woorden en bekijkt plaatjes.
Globaal lezen
(hoofdzaken uit tekst halen)
Je leest: eerste en laatste zinnen van elke alinea.
Grondig/ intensief lezen
(tekst helemaal begrijpen)
Je leest de hele tekst aandachtig en probeert deze te begrijpen.
Studerend lezen
(tekst leren)
Je wil de tekst onthouden.
Kritisch lezen
(tekst beoordelen)
Je kijkt of de informatie in de tekst in jouw ogen klopt en volledig is.
Hoe vind je het onderwerp van een tekst?
1. Bekijk de tekst:
kijk naar de titel.
Kijk naar de illustraties.
Let op anders gedrukte woorden (vet/ cursief/ groot).
2. Lees de eerste alinea.
3. Geef antwoord op de vraag: Waarover gaat deze
tekst?
LET OP!! Het onderwerp bestaat uit 1 of een paar woorden!!
De opbouw van een tekst
Elke tekst bestaat uit drie delen:

1. inleiding (eerste alinea)

2. middenstuk (alinea's over de
deelonderwerpen)

3. slot (laatste alinea)
Kernzin:
- Staat meestal vooraan in de alinea. Soms ook achteraan.
- Geeft eigenlijk een korte samenvatting van de alinea.
Toelichting/ uitwerking:
- De kernzin wordt toegelicht of uitgewerkt.
- Er worden voorbeelden gegeven, etc.
Elke alinea heeft dus 1 kernzin! Deze geeft het deelonderwerp van de alinea weer in een hele zin!
Kernzinnen en toelichting
Moeilijke woorden in een tekst?
Stappenplan:
1. Heb ik het woord nodig om de tekst te begrijpen?
Ja, punt 2, 3, 4
Nee, gewoon doorlezen

2. Kan ik de betekenis raden door naar de context te kijken?

3. Lijkt het woord op een woord dat ik wel ken?

4. Vraag het iemand of zoek het op in een woordenboek.
Leesstrategieën
Een tekst helemaal begrijpen
1. Oriënterend
2. Globaal
3. Grondig/ intensief
4. Eigen woorden
Grondig lezen:
Wat is het onderwerp van de tekst?
Wat zijn de deelonderwerpen van elke alinea?
Wat hebben de alinea's met elkaar te maken?
Welke zinnen zijn moeilijk? Lees ze nog eens.
Welke woorden zijn moeilijk? Probeer de betekenis te vinden.
Inleiding, middenstuk en slot
Inleiding:
lezer kennis laten maken met onderwerp
lezer nieuwsgierig maken
vaak 1 alinea, soms meer
Middenstuk:
verschillende deelonderwerpen in alinea's beschrijven
Slot:
tekst afronden door:
conclusie geven (een gevolg noemen van wat is gezegd) let op het woordje: DUS
samenvatting geven
Signaalwoorden
Woordjes die je laten zien dat er een verband is tussen:
- woorden
- zinnen
- alinea's
Voorbeelden:
- Want, en, ten eerste, ten tweede, omdat, daardoor, vervolgens, dus, ook, kort samengevat, etc.
er zijn er heel veel
Vragen beantwoorden
Stappenplan
1. lees de tekst orienterend
2. lees de tekst globaal
3. lees de tekst grondig
4. lees vluchtig door de vragen
5. start bij de eerste vraag
6. Wat voor vraag is het?
- meerkeuzevraag
- open vraag
Meerkeuzevragen:
lees heel goed de vraag
lees het stukje tekst nog eens goed door
wat is volgens jou het juiste antwoord?
lees de antwoorden
staat jou antwoord ertussen? Kies dat antwoord.
als het er niet tussen staat:
kies het antwoord dat er het meest op lijkt
lees de vraag en het antwoord nog eens door. Klopt je antwoord?
Ja, naar de volgende vraag.
Je twijfelt? Zet een uitroepteken en kijk er later nog eens naar.
Open vragen
lees de vraag goed door
vraag jezelf af wat ze willen weten
lees het stukje tekst nog eens goed door
moet je in eigen woorden antwoorden of moet je citeren?
bedenk het antwoord en schrijf het op
herhaal een stuk van de vraag in je antwoord
denk aan hoofdletters, punten en komma's
begin liever niet met 'dat', 'omdat', etc.
Controleer de vraag en je antwoord.
Citeren of eigen woorden
Citeren:
- iets letterlijk overnemen uit de tekst
- eerste 2 woorden .... laatste 2 woorden (regelnr. of alineanr.)
Eigen woorden:
- je mag het niet letterlijk overnemen uit de tekst. Een paar woorden mag wel.
- soms staat er een max aantal woorden bij dat je voor je antwoord mag gebruiken.
Tekstsoorten
Soorten non- fictieteksten:
schoolboektekst
nieuwsbericht
krantenartikel
tijdschriftartikel
recept
handleiding
reclametekst
betoog:
ingezonden brief
recensie
Kenmerken schoolboektekst
in weinig woorden veel informatie
informatie is onbekend of moeilijk
informatie over ingewikkelde dingen
er wordt vaktaal gebruikt
wil de lezer iets leren
Gebruik leesstrategie om de tekst te begrijpen!
Informatie opzoeken
inhoudsopgave:
voor of achter in het boek
geeft overzicht van hoofdstukken (verwijzing met bladzijdes)

register/ index:
achter in het boek
lijst met trefwoorden (begrippen)
alfabetische volgorde
Hoofdzaken en bijzaken
Tektdoelen en publiek
Elke schrijver wil een bepaald doel bereiken met zijn tekst.
5 tekstdoelen:

informatie geven:
iets nieuws vertellen
overtuigen:
redenen geven om je gelijk te halen
overhalen of aansporen:
zodat iemand iets wel of niet gaat doen
mening geven:
je eigen mening geven en onderbouwen
amuseren of vermaken:
iets grappigs, boeiends of bijzonders vertellen
Hoofdzaak: het belangrijkste in een tekst.

Bijzaken: minder belangrijke dingen in een tekst, zoals voorbeelden en toelichtingen
Hoofdgedachte
Dit is het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt samengevat in 1 zin!
Zo vind je de hoofdgedachte:
1. je zoekt het onderwerp van de tekst.
2. je stelt jezelf de vraag wat het belangrijkste is wat de schrijver over het onderwerp zegt. Je maakt hier 1 zin van.
Tip! Vaak staat hoofdgedachte in titel, inleiding of slot.
soms is de inleiding een korte samenvatting van de tekst.
inleiding bevat een vraag/ mening en in slot staat het antwoord/ conclusie.
in het slot staat het belangrijkste samengevat.
Zoek de hoofdgedachte
A. Niet alle gevangen hebben hetzelfde dagprogramma.

B. Om half twaalf gaan alle gevangen terug naar hun cel.

C. Het programma van Ad begint om half acht. Dan staat hij op en eet hij een boterham.

D. Iedereen van zijn werkzaal begint op dat moment en ze werken door tot half twaalf.
Zoek de hoofdgedachte
A. Eigenlijk ben je niet allergisch voor de huisstofmijt zelf, maar voor hun poep!

B. Je kunt allergische reacties op de huismijtpoep voor een deel voorkomen, door regelmatig je beddengoed te vervangen en vaak je slaapkamerraam open te zetten.

C. Een huisstofmijt is zo klein dat je hem met het blote oog niet eens kunt zien.

D. De meeste mensen die allergisch zijn, hebben last van een neusallergie.
Publiek
de lezers van een tekst
Breed publiek
(algemeen onderwerpen)

vb. alle jongeren,
alle volwassenen
klein, gespecialiseerd
publiek
(je weet al wat van het onderwerp)

vb. vaktijdschrift, etc.
een persoon/ kleine groep
(speciaal gericht aan iemand)

vb. brief van school of brief van je sportclub
Verwijswoorden
Tekst zonder verwijswoorden
maken een tekst beter leesbaar
verwijzen naar:
andere woorden
andere woordgroepen
andere zinnen
Tekst met verwijswoorden
Opdracht:
Vervang de naam voor een juist verwijswoord.
Nieuwsbericht
Kenmerken:
objectief en waarheidsgetrouw
er staan feiten in die je kunt controleren
Opbouw:
titel
ondertitel
naam schrijver
plaatsnaam
lead = eerste alinea met hoofdzaken
middenstuk met alinea's
aanvullingen op middenstuk (vaak weggelaten)
slot (afronding) ontbreekt vaak
Artikelen
krantenartikel en tijdschriftartikel
Kenmerken:
gaan in op achtergronden van nieuws
geven uitleg en toelichting
subjectiever (vaak persoonlijke meningen)
langer dan nieuwsbericht (tijdschriftartikel kan zelfs aantal bladzijdes zijn)
lees je om een eigen mening te vormen over iets
Betoog
= tekst waarin iemand zijn mening geeft over iets
schrijver doet uitspraak/ bewering en licht deze toe met argumenten (redenen).
schrijver geeft dus aan waarom hij iets vindt.
is altijd subjectief!
Mening = visie, kijk, opinie, standpunt
Voorbeelden:
ingezonden brief in krant (ingezonden stuk)
recensie (bespreking van boek, film, cd of tentoonstelling)
Kernzin en toelichting uitleggen a.d.h.v. alinea 2.
Opbouw toelichten
a
b
Full transcript