Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Alle woordsoorten in kaart!

No description
by

Tim Bijl

on 12 October 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Alle woordsoorten in kaart!

Alle woordsoorten in kaart gebracht!
De / het / een.
De lidwoorden staan (bijna) altijd voor een zelfstandig naamwoord.

De
jongen geeft
het
meisje
een
suikerspin cadeau.
Lidwoorden (lw)
Mensen / dieren / dingen / planten / Namen
Zelfstandige naamwoorden (znw)
Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord, daarom staat het er ook vaak voor.
De
groene
tas van Kim.

Let op
: bij een koppelwerkwoord staat het bnw ook wel eens na een znw.
De tas van Kim is
groen
.
Bijvoeglijk naamwoord (bnw)
- Hulpwerkwoorden (HWW)
- Zelfstandige werkwoorden (ZWW)
- Koppelwerkwoorden (KWW)
De werkwoorden:
Met mensen wordt hier bedoeld: agent, leraar, badmeester, bakker, meneer, mevrouw, opa, oma, etc.
Namen herken je vaak aan de hoofdletter(s).
Benoem lw en znw.
1. Heeft Femke een boek aan Mayke gegeven?
2. Laat oma een verhaal uit het boek van Merel voorlezen!
3. Komt de moeder van Thomas uit het dorpje in de buurt, of uit de stad?
4. Sohrab heeft een prijs gewonnen in de categorie 'Kletsmajoor'.
5. Maikel kreeg de naam ' Frits' van de leerkracht.
Deze woorden kun je vinden met behulp van de korte zinnetjes:
- .... de kast.
- .... het feestje.
- .... de weg.
Voorzetsel (vz)
Benoem lw, znw, bnw.
1. Silke heeft een lange tijd voor een rode fiets gespaard.
2. Kim rijdt graag op een wit of een bruin paard.
3. Precious heeft een sterke grip op de drukke klas.
4. Lonne heeft met enorme inspanning de zware wedstrijd gewonnen.
5. De leerkracht heeft grote moeite met het verzinnen van zinnen.

Benoem: lw, znw, bnw en vz.
1. Op het feest heeft Silke een groot glas Champagne (van Jip en Janneke) gedronken!
2. Pip is een leuke naam voor een baby!
3. Na het grote feest gaat Sterre met de taxi naar huis.
4. Zet die beker op de kast!
5. Vera heeft voor de oude mensen een heerlijke taart gebakken.

Hulpwerkwoorden:
De hulpwerkwoorden geven
GEEN
handeling aan.

Hulpwerkwoorden komen alleen voor in zinnen met 2 of meer werkwoorden.

Zijn er meerdere werkwoorden in de zin? Dan is de persoonsvorm
ALTIJD
een hulpwerkwoord!
Zelfstandige werkwoorden
Een zelfstandig werkwoord geeft een handeling aan.

Het zelfstandig werkwoord is het
belangrijkste
werkwoord in de zin!

Staat er een voltooid deelwoord in de zin, is dit het zelfstandig werkwoord!

Is er maar 1 werkwoord? Dan is het dit ZWW!
Koppelwerkwoorden
Het koppelwerkwoord is het belangrijkste werkwoord in de zin.

Is er een voltooid deelwoord? Dan is dat een KWW.

Het KWW koppelt een deel van de zin aan het onderwerp.

Het KWW is een vervoeging van: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, dunken, heten en voorkomen
Ik
heb
een auto gekocht.

Wij
zijn
nog nooit in Spanje geweest!
Ik
geef
je meteen de beurt!
Hij heeft nauwelijks fouten
gemaakt
.
Hij is altijd een leerkracht
geweest
.
Je prestaties
worden
beter!
Zij
blijft
zonder twijfel mijn lievelingstante.
Benoem lw, znw, bnw, vz en ww's:
1. Op de feestjes is zij de gangmaker.
2. Hij is op Ibiza geweest voor een concert.
3. Luuk geeft een knap meisje een lief compliment.
4. Alma is een naam voor echte vrouwen!
5. Zou je aan mij een koek willen geven?
6. Op de markt staat een grote kraam met lekkere snoepjes!
7. Peter doet met Marieke aan een intensieve sport.
8. Tijdens school mag niemand op een mobiele telefoon spelen.
9. In het huis is mama de baas, in de auto is papa de baas.
10. Chantal Janssen is een van de beroemdste Limburgers.
- Zegt iets over een werkwoord, een ander bijwoord, of een bijvoeglijk naamwoord. Bijvoorbeeld:
heel
groot kind /
snel
lopen /
erg hard
geslagen bal.
- Het geeft een tijd/plaats aan.
Gisteren/vandaag/buiten.
- Vragende bijwoorden:
hoe
, etc.
- Onbepaalde bijwoorden: i
ets, niets, iemand, niemand, etc.

Bijwoorden
Benoem lw, znw, bnw, vz en ww's:
1. Op de feestjes is zij de gangmaker.
2. Hij is op Ibiza geweest voor een concert.
3. Luuk geeft een knap meisje een lief compliment.
4. Alma is een naam voor echte vrouwen!
5. Zou je aan mij een koek willen geven?
6. Op de markt staat een grote kraam met lekkere snoepjes!
7. Peter doet met Marieke aan een intensieve sport.
8. Tijdens school mag niemand op een mobiele telefoon spelen.
9. In het huis is mama de baas, in de auto is papa de baas.
10. Chantal Janssen is een van de beroemdste Limburgers.
- De persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar een persoon, een groep personen, of voorwerpen.

- Ze komen voor als onderwerp, lijdend voorwerp, of meewerken voorwerp.

- Bijvoorbeeld: ik/je/hij/zij/wij/het/jullie/etc.
Persoonlijke voornaamwoorden
Benoem lw, znw, bnw, vz en ww's:
1. Op de feestjes is zij de gangmaker.
2. Hij is op Ibiza geweest voor een concert.
3. Luuk geeft een knap meisje een lief compliment.
4. Alma is een naam voor echte vrouwen!
5. Zou je aan mij een koek willen geven?
6. Op de markt staat een grote kraam met lekkere snoepjes!
7. Peter doet met Marieke aan een intensieve sport.
8. Tijdens school mag niemand op een mobiele telefoon spelen.
9. In het huis is mama de baas, in de auto is papa de baas.
10. Chantal Janssen is een van de beroemdste Limburgers.
Benoem lw en znw.
1. LW = een ZNW = Femke, boek, Mayke.
2. LW = een / het ZNW = oma, verhaal, boek, Merel.
3. LW = de / het ZNW = moeder, Thomas, dorpje, buurt, stad.
4. LW = een/de ZNW = Sohrab, prijs, categorie, Kletsmajoor.
5. LW = de ZNW = Maikel, naam, Frits, leerkracht.

Benoem lw, znw, bnw.
1. LW = een ZNW = Silke, tijd, fiets BNW =
Silke heeft een lange tijd voor een rode fiets gespaard.
2. Kim rijdt graag op een wit of een bruin paard.
3. Precious heeft een sterke grip op de drukke klas.
4. Lonne heeft met enorme inspanning de zware wedstrijd gewonnen.
5. De leerkracht heeft grote moeite met het verzinnen van zinnen.
Full transcript