Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Gedragsproblemen

Thema 30
by

Leonie

on 14 June 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Gedragsproblemen

Thema 30 gedragsproblemen
Beroepscontext: als onderwijsassistent kom je ook in aanraking met problematisch gedrag en je wordt mogelijk ingezet bij activiteiten die de leerling ondersteunen in het ombuigen van gedrag. Je hebt kennis en inzicht nodig in wat voor gedragsproblemen je kunt tegenkomen.
30.2 Teruggetrokken gedrag
30.3 Angstig gedrag
30.4 Faalangstig gedrag
30.5 Regressief gedrag
30.6 Onverschillig gedrag
30.7 Oneerlijk gedrag
Voordat je kunt spreken van problematisch (teruggetrokken) gedrag, stel je een aantal dingen vast. Je onderzoekt of het gedrag structureel optreedt, je stelt vast of het gedrag algemeen is of situatiegebonden, je onderzoekt of het een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de leerling, of het kind er last van heeft, of andere kinderen er last van hebben en of er interne of externe factoren aan te wijzen zijn voor het gedrag van een kind.
Hoe ga je met teruggetrokken leerlingen om?
Om te beginnen heb je g
eduld
nodig. Het is belangrijk dat je het ve
rtrouwen v
a
n de leerling w
int.
(
In het thema Vertrouwensrelaties kun je informatie vinden die je hierbij kunt gebruiken.)
Z
org dat je dagelijks even persoonlijk contact hebt, in de vorm van een opmerking, een vraag of iets dergelijks.
St
el open vragen z
odat de leerling kan praten.Ook is het belangrijk dat je het con
tact tussen de leerling en zijn medeleerlingen st
imuleert.Geef pos
itieve aandacht als
de leerling contact heeft gemaakt met andere leerlingen. Stimuleer het zelfv
ertrouwen. Dat
kun je doen door hardop te vertellen dat ‘Frank vandaag uitstekend gewerkt heeft, knap hoor!’
Stel de leerling af en toe een vraag waarvan je zeker weet dat hij het antw
oord kent.
Vr
aag regelmatig zijn
mening over
wat er zo ter sprake komt.
Een bepaalde mate van angst is functioneel en nodig voor elk kind. Angst beschermt ons tegen te gevaarlijke ondernemingen. Angst hangt samen met leeftijd, is vaak gericht op bepaalde dingen of situaties, heeft soms wel en soms niet een duidelijke oorzaak.
Faalangst is een zo sterke onzekerheid bij te leveren prestaties dat het de huidige en toekomstige ontwikkeling van de leerling bedreigt en hem ongelukkig maakt.
Hoe ga je met angstige leerlingen om?

Allereerst bepaal je of er een
concrete aanleiding
is voor de angst.
Bij verlies:

je geeft de leerling
ruimte om te vertellen
wat het verlies met hem doet.
Bij scheiding: je kunt het kind wat
extra warmte
geven met
aandacht voor het verdriet
(wat er altijd bij moet zijn). Blijf met
waardering over beide ouders
spreken.
Bij sociale angst: hanteer de aanpak zoals beschreven bij teruggetrokken gedrag.
Hoe ga je met faalangstige leerlingen om?

De beste manier om faalangst te voorkomen is natuurlijk een
goed groepsklimaat
en een gezond en krachtig leerklimaat.
Bij een faalangstige leerling ga je
behoedzaam
en
rustig
te werk.Je bouwt langzaam een v
ertrouwensrelatie
op. Dat betekent dat je voorlopig niets verwacht
m
aar wel iets geeft.
Je maakt regelmatig een v
riendelijke opmerking,
een opmerking waar b
elangstelling
uit blijkt. Je zorgt dat de leerling niet hoeft te reageren.
Je verwacht voorlopig g
een actieve bijdrage
in het contact, maar werkt zelf consequent door aan
e
en opbouw van contact.Je checkt altijd even of de leerling nog wat ex
tra uitleg n
odig heeft.
Je geeft
korte taken
en
controleert regelmatig
hoe het werk verloopt.
Wat de resultaten betreft noem je consequent wat er
goed
is gegaan.
Regressief gedrag is het terugvallen naar gedrag dat hoort bij een vroegere ontwikkelingsfase, meestal als gevolg van:
• concrete angst, • ziekte, • een verlieservaring.
De reactie, terugval naar een eerder ontwikkelingsstadium, geeft aan dat de leerling grote behoefte heeft aan geruststelling en troost. Je geeft hem dus de kans om veel in je omgeving te zijn. Je eist tijdelijk wat minder van de
leerprestaties, maar je eist wel iets. Het is belangrijk dat de leerling zich bewust blijft van de wereld om hem heen.
Tip: lees in het boek de uitingsvormen per onderwerp.
Als een leerling onverschillig gedrag vertoont, kun je niet zien wat de gebeurtenissen met hem doen. Onverschilligheid is meestal een houding, reëel of irreëel of verzet kan zijn. Een leerling die onverschillig gedrag als overlevingsstrategie hanteert, probeert iets onaangenaams te vermijden. Een positieve reden voor onverschillig gedrag kan zijn het voorkomen van ruzie.
Oneerlijk gedrag is niet een keertje liegen of jokken. Oneerlijkheid als vorm van opvallend of afwijkend gedrag is ernstiger. Globaal komt dit in twee vormen voor: als fantasiewereld om zichzelf te beschermen of als leugens met het doel een ander te schaden.
Hoe ga je om met leerlingen die druk gedrag vertonen?
Adviezen:
Geef de leerling de ruimte om zich op een andere manier uit te leven.
Geef de leerling de ruimte om zich in een andere ruimte uit te leven.
Stel duidelijke grenzen.
Beperkt vrije situaties.
Geef het kind andere taken.
Pas de opdrachten aan de spanningsboog van het kind aan.
Geef het kind ook verantwoordelijkheid voor rust in de klas.
Beloon positief gedrag.
Negeer negatief gedrag.
Accepteer het gedrag als een feit.
Wat kunnen mogelijk bedreigende oorzaken zijn voor de ontwikkeling van een kind?
Oorzaken:
Ouders die gaan scheiden/ in scheiding liggen of net gescheiden zijn.
Een familielid die ernstig ziek is.
Een familielid die is komen te overlijden.
Niet gewaardeerd worden door de omgeving.
Geen luisterend oor thuis hebben.
Onzekerheid van het kind.
Weinig zelfvertrouwen hebben.
De geboorte van een broertje of zusje.
Te hoge eisen die worden gesteld aan het kind.
Full transcript