Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Thema 15, Uithoudingsvermogen

Trainingskunde, thema 15
by

Aad Zuurbier

on 25 November 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Thema 15, Uithoudingsvermogen

Wat is
uithoudingsvermogen

2 begrippen bij uithoudingsvermogen:
Uithoudingsvermogen
Trainingsmethoden
Concreet waarneembare fysieke trainingseffecten in de volgende systemen:
Het cardiovasculaire systeem
het respiratoire systeem
het vasculaire systeem
de stofwisseling
het neuromusculaire systeem
(cc) photo by Metro Centric on Flickr
(cc) photo by Franco Folini on Flickr
(cc) photo by jimmyharris on Flickr
(cc) photo by Metro Centric on Flickr
Het vermogen van de sporter om weerstand te bieden aan psychische en fysieke vermoeidheid bij aanhoudende belasting en/snel kunnen herstellen na dergelijke belastingen
fysiek uithoudingsvermogen
geestelijk uithoudingsvermogen
Verschillende soorten uithoudingsvermogen
1. capaciteit voor uithoudingsvermogen; de totale voorraad aan energierijke stoffen

2. Vermogen voor uithoudingsvermogen; de enerie die per tijdseenheid uit de capaciteit kan worden vrijgemaakt
De voorraden (energie)
Capaciteit
Hoeveel energie haal je uit de voorraad
Vermogen
Trainingsadaptatie
De ontwikkeling van het uithoudingsvermogen
outlook
De optimale HF voor training
glycogeen
Energie
Capaciteit
Vermogen
Anaëroob a- lactisch
Anaëroob lactisch
Aëroob
De totale voorraad ATP en
CP in de spiercellen
De voorraad glycogeen in spieren en lever, waaruit energie met lactaat kan worden vrijgemaakt
De voorraad glycogeen en vetten die met behulp van O2 kunnen worden omgezet in energie.
De verbruikte hoeveelheid ATP en CP per sec. of min.
De snelheid waarmee een hoeveelheid lactaat kan worden geproduceerd.
De energie die per sec. of min. wordt geleverd door de aërobe processen.
VO2-max
de maximale hoeveelheid zuurstof die men per min kan innemen. Hoe hoger de VO2-max, des te meer zuurstof de spiercellen ter beschikking staat.
trainingsomvang; de hoeveelheid trainingsarbeid per training, per dag, per week. Men drukt dit uit in uren, kilometers of het totaal aantal kilogram. Ook de trainingsfrequentie draagt bij aan de trainingsomvang
Trainingsintensiteit; de zwaarte van de training uitgedrukt in km/u, HF, mmol lactaat of % van de capaciteit
1.
2.
3.
1. - anaëroob a-lactisch uithoudingsvermogen
- anaëroob lactisch uithoudingsvermogen
- Aëroob uithoudingsvermogen

2. - basisuithoudingsvermogen
- krachtuithoudingsvermogen
- snelheidsuithoudingsvermogen

3. - algemeen uithoudingsvermogen
- specifiek uithoudingsvermogen
Anaëroob a-lactisch; het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij snelheid en nagenoeg max. intensiteit (kort uhv)
Anaëroob lactisch; het vermogen om ondanks hoge intensiteit en snelheid de productie van lactaat te beperken, dan wel om het lactaat tijdens het sporten gedeeltelijk af te breken en af te voeren (middellang uhv)
Aëroob; het vermogen om weerstand te bieden aan een algehele vermoeidheid die ontstaat in hart, longen en spieren bij langdurige inspanning (lang uhv)
Opwarmen en oriënteren

Opdracht 1

Het doel van deze opdracht is dat je voorkennis over uithoudingsvermogen opfrist.

Beantwoord de volgende vragen.

1 Wanneer spreek jij van een goed uithoudingsvermogen?
2 Heb je een goed uithoudingsvermogen als je een marathon kunt lopen? En als je een schaakpartij van vijf uur kunt volhouden?
3 Op welke manieren kun je je uithoudingsvermogen vergroten?
Geef de juiste betekenis van de volgende begrippen door:
• het begrip in eigen woorden te formuleren;
• een voorbeeld te geven waarbij je het begrip toepast.



4 uithoudingsvermogen (uhv)
5 capaciteit voor uithoudingsvermogen
6 vermogen voor uithoudingsvermogen
7 trainingsomvang
8 trainingsintensiteit
9 anaeroob a-lactisch uithoudingsvermogen
10 anaeroob lactisch uithoudingsvermogen
11 aeroob uithoudingsvermogen
12 basisuithoudingsvermogen
13 krachtuithoudingsvermogen
14 snelheiduithoudingsvermogen
15 adaptie
16 hematocriet
17 duurmethode
18 intervalmethode
19 spiercapalarisatie
20 herhalingsmethode
21 simuleren
22 tempotraining
23 fartlek
Hier volgt een rijtje afkortingen. Waarvan is het een afkorting en wat wordt ermee bedoeld? (Zie ook thema 8 Inspanningsfysiologie).

24 VO2
25 O2
26 ATP
27 CP
28 ADP
29 P
30 E
31 C
32 H2O
33 CO2
34 HF
35 HMV
36 LDL
Beantwoord de volgende vragen. Ze gaan over paragraaf 15.2 t/m 15.4.

37 Noem drie verschillende soorten vermoeidheid.
38 Met welk doel moet een sporter de capaciteit voor uithoudingsvermogen verbeteren en het vermogen voor uithoudingsvermogen verbeteren?
39 Anaeroob a-lactisch uithoudingsvermogen, anaeroob lactisch uithoudingsvermogen, aeroob uithoudingsvermogen:
• wanneer komen ze in actie;
• bij welk van de drie speelt zuurstof een rol;
• bij welk van de drie ontstaat melkzuur;
• welk wordt ingezet bij spelsporten;
• bij welk van de drie breek je vetten af;
• hoe werken deze drie systemen op elkaar in bij een 800 meterloop?
40 Wanneer train je basisuithoudingsvermogen en wanneer specifiek uithoudingsvermogen?
Lees paragraaf 15.5 en 15.6. Beantwoord de vragen.

41 Wat wordt bedoeld met VO2-max?
42 Wat wordt bedoeld met trainingsadaptie?
43 Lees de belangrijkste veranderingen/adapties in paragraaf 15.3 door. Welke waren helemaal nieuw voor je?
44 Wat is een sporthart?
45 Wat houdt een verhoogd hematocriet in?
46 Lees de gegevens over het VO2-max in paragraaf 15.6. Wat verwacht jij dat jouw VO2-max is?
47 Waarom is een 800 meterloop voor kinderen heel belastend?
48 Is het goed of slecht om op jonge leeftijd het uithoudingsvermogen te trainen? Leg uit.
Lees paragraaf 15.7 en beantwoord de vragen.

49 Op welke vorm van duurtraining zijn de volgende uitspraken van toepassing?
• ontstaan van een sporthart;
• geringe verbranding van vetten;
• wordt gebruikt als hersteltraining;
• verbeterde spiercapalarisatie;
• heet ook wel intensieve duurtraining.
50 Welke twee toepassingen zijn er van de intervalmethode?
51 Wat zijn de effecten van de intervalmethode? Noem er vier.
52 Wat is het verschil tussen de herhalingsmethode en de intensieve interval?
53 Wat doet een sporter tijdens de wedstrijdmethode en met welk doel?
54 Welke effecten heeft heuveltraining?
Lees paragraaf 15.9 en beantwoord de vragen.

55 Je valt af. Noem drie mogelijke oorzaken voor het afvallen.
56 Welk effect heeft inspanning op je bloeddruk? Hoe komt dat?
57 Getrainde afstandslopers hebben meer bloed. Wat heb je daar aan?
58 Inspanning leidt tot een wijziging in vetconcentraties. Welke wijziging? Is dat gunstig?
Lees paragraaf 15.8.

59 Bereken jouw HF training volgens de methode die in deze paragraaf wordt uitgelegd.
Basisuithoudingsvermogen: het vermogen van de sporter om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belastingen met lage bewegingssnelheden, waarbij aërobe energielevering een belangrijke rol speelt.
Krachtuithoudingsvermogen: het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belasting met geringe krachtsinspanning.
Snelheidsuithoudingsvermogen:
het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belasting met submaximale bewegingssnelheden.
Algemeen uithoudingsvermogen is eigenlijk hetzelfde als basisuithoudingsvermogen. Maar dan afgezet tegen specifiek uithoudingsvermogen. Bv hardloper/ fietser
Hf in rust en inspanning, zuurstof behoefte hart, hartgrootte neemt toe, hartspier wordt dikker, betere doorbloeding hartspieren.
O2 opname/O2 transport, longoppervlak groter, doorlaatbaarheid O2 wordt groter, haarvaten uitbreiding, economischere ademhaling
bloedvolume neemt toe, minder dik en stroperig, hematocriet, toename alkali neutraiseert melkzuur, kalium- calciumconcentratie neemt toe, nieuwe zijvaten, skeletspieren krijgen betere doorbloeding.
meer mitochondrien, aërobe glucosegebruik neem ttoe, energievoorraden worden groter, lichaamsvet neemt af, oxidatieve enzymen actiever.
sperkracht neemt toe, fysiologische dwarsdoorsnede van de type I vezels neemt toe, passieve bewegingsapparaat past zich aan.
De VO2-max is de maximale hoeveelheid O2 die bij maximale inspanning kan worden opgenomen. Op dit maximale inspanningsniveau kunnen we dat 2 tot 10 minuten volhouden.
De volhoudtijd wordt sterk bepaald door het overschrijden van de aërobe drempel. (lactaatvorming)
jeugdigen goed vermogen zich aan te passen aan aërobe belastingen. Moeten alleen vaak sporten op anaëroob niveau
duurmethode
intervalmethode
herhalingsmethode
wedstrijd- of testmethode
Duurmethode
Methode waarbij de sporter continue langdurige belasting ondergaat:
1. duurtraining 1- extensieve duurtraining
2. duurtraining 2
3. duurtraining 3- intensieve duurtraining
Intervalmethode
trainingsmethode waarbij trainingsbelasting en herstel planmatig worden afgewisseld.
intensieve intervaltraining
extensieve intervaltraining
Herhalingsmethode
Methode waarbij trainingsintensiteit afgewisseld wordt met lange pauzes waarin volledig herstel plaatsvindt.
De volhoudtijd wordt sterk bepaald door het overschrijden van de anaërobe drempel. (lactaatvorming)
Jeugdigen passen zich goed aan aan aërobe belastingen.
Effecten die door duurtraining 1 ontstaan:
verbeterde en grotere verbranding van vetten
besparing van de voorraad glycogeen in de slow-twitch vezels
ontstaan van sporthart
toename van longinhoud, ademminuutvolume en ademvolume
er ontwikkelen meer haarvaatjes binnen de spieren; verbeterde spiercapilarisatie.
De effectenvan duurtraining 2;
een geringere verbranding van vetten, omdat ook glycogeen als onderdeel van het energiesysteem wordt gebruikt
ontstaan van een sporthart, zodat een groter hartvolume bij aërobe inspanningen.
toename longinhoud, ademminuutvolume en ademvolume
verbeterde spiercapilarisatie
Effecten die ontstaan door duurtraining 3;
grotere voorraad en groter gebruik van de glycogeen in de slow-twitch vezels
toename longinhoud, ademminuutvolume en ademvolume
verbeterde spiercapilarisatie
lactaat kan iets beter worden verdragen (verhoogde tolerantie)
enigzins verminderde productie van lactaat bij een zelfde inspanning
Full transcript