Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Verdiepende gespreksvoering

No description
by

Patrick van Koulil

on 21 April 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Verdiepende gespreksvoering

5
Verdieping in gespreksvoering
periode 2.3 & 2.4
motiverende gespreksvoering
Les 1
motiverende gespreksvoering
Les 2
motiverende gespreksvoering
Les 3
Interculturele communicatie
3
1
CONFLICTBEMIDDELING
OORZAKEN VAN CONFLICTEN
Bij conflictbemiddeling is het uitgangspunt een negatieve relatie tussen de twee personen, waar een meningsverschil of conflict tussen bestaat en een neutrale buitenstaander, waar deze twee personen een positieve relatie mee hebben.
(Relatief in balans)
(Niet in balans)
De taak van de bemiddelaar:


1. Signaleert het conflict

2. Bereidt zich voor door beide partijen apart te horen

3. Hij verwoordt het conflict en vraagt of de partijen zich in deze verwoording kunnen vinden.

4. Hij stimuleert het luisteren naar elkaar.

5. Hij probeert de ene partij het standpunt van de andere partij te laten verwoorden.

6. Hij probeert de partijen uit te laten spreken.

7. Hij zoekt en laat zoeken naar oplossingen (in beider voordeel).

8. Hij baseert zich op objectieve criteria.

9. Hij voorkomt ten alle tijden partijdigheid.

10. Zo nodig worden afspraken gemaakt hoe er tijdens de conflictoplossing met elkaar om gegaan wordt.
2
Levert geen positieve bijdrage aan de kwaliteit van het onderwerp.
Conflictmechanismen
Wat gaan we vandaag doen?
Waarom motiverende gespreksvoering?
Cognitieve dissonantie reductie
Rationaliseren?
Hoe zou jij iemand motiveren?
Willen is kunnen
Vier algemene principes
Wat gaan we vandaag doen?
Veroordelen van iemands gedrag
Dissonantie of consonantie
En weerstand dan?

Extrinsieke motivatie v.s. intrinsieke motivatie
Waarom willen mensen wel en ook niet (Ambivalentie)?
les 2
les 1
Wat gaan we vandaag doen?
van beslissingsbalans naar
verandertaal

Willen maar geen vertrouwen
Weerstand en antwoorden
Willen maar wanneer?
Valkuilen
les 3
Waarom veranderen we niet?
Rationeel?
(ook al weten we wat goed voor ons is)
Cognitieve dissonantie reductie
Cognitieve dissonantie reductie
=
Informatie die tegenstrijdig is (en ons dus spanning geeft) proberen in overeenstemming met elkaar te brengen.
vb: iemand die rookt weet dat dit slecht voor hem is, maar praat dit goed door te zeggen:

"Je moet toch ergens dood aan gaan"
"Ik ken iemand die veel meer rookt dan ik en die is ook gezond"
"Ik ken een roker die in de 80 is en ook nog gezond is"
"Als ik niet rook dan ben ik zo gestrest, dat is ook niet gezond"
Hoe zou je iemand motiveren?
Gereedheid
Bereidheid
Vermogen
(klaar zijn)
(willen)
(kunnen)
De drie componenten van motivatie:
Vier algemene principes:
1. druk empathie uit


2. benoem het verschil tussen het huidige gedrag en het gewenste doel



3. meegaan in de weerstand



4. ondersteun persoonlijke effectiviteit
Aanvaarding schept mogelijkheden voor verandering.
Niet de hulpverlener, maar de cliënt moet de argumenten voor verandering aandragen. De verschillen tussen gedrag en doel zien helpt om te veranderen.
Vermijd discussie. Weerstand hoeft niet te worden bestreden. De cliënt is de belangrijkste bron voor antwoorden en oplossingen.
Als de cliënt gelooft dat verandering mogelijk is, is dat een belangrijke motivator. Als hulpverlener gelooft in het vermogen van de ander om te veranderen, wordt dat een self-fulfilling prophecy.
Willen = kunnen
Waarom werkt veroordelen niet?
Reclasseringswerker: Wat hebt u deze week gedaan?
Cliënt: Nou, niet zoveel eigenlijk.
R: Zou u niet eens een baan gaan zoeken?
C: Ja, daar ben ik wel mee bezig geweest
R: Hoe serieus was dat?
C: Ik ben ermee bezig geweest, ja? Ik heb twee sollicitatiebrieven weggedaan.
R: Goed zo. Waar naar toe?
C: Eén naar een benzinestation en één naar de supermarkt bij mij in de buurt. Hoor eens, ik zou veel makkelijker een baan kunnen vinden, als ik mijn rijbewijs terugkreeg en als ik hier niet elke week hoefde te komen.
Consonantie
Dissonantie
Weerstandsgedrag van de client is hoogstens een signaal van dissonantie in de relatie tussen hulpverlener en client.
Motivatie
Intern
Extern
v.s.
(bijvoorbeeld straffen en belonen)
(eigen gewin)
Voorbeeld 1:
Een man gaat zijn kinderen met de auto ophalen van de bibliotheek. Het giet pijpenstelen. Hij merkt dat zijn sigaretten op zijn en ziet vanuit zijn ooghoeken zijn kinderen nat regenen en rijdt er voor bij. Dan realiseert hij, dat hij door zijn verslaving zijn kinderen in de steek laat. Zo wil hij geen vader zijn! En stopt definitief met roken.

Voorbeeld 2:
Er zijn pubers die eindeloos van hun ouders gehoord hebben, dat ze hun kamer moeten opruimen of douchen en een schoon T shirt aantrekken en dit pas doen als ze een vriend of vriendinnetje krijgen.
Intrinsieke motivatie:
Ambivalentie
Het ingewikkelde is dat mensen wel willen en ook weer niet. Dat komt omdat de oude situatie en de nieuwe beiden hun voordeel hebben.
Weerstand!
1. in discussie gaan
2. interrumperen
3. ontkennen
4. negeren
In twijffel trekken, niet serieus nemen, vijandigheid.
Erdoorheen praten, onderbreken.
Beschuldigen, het oneens zijn, excuses maken, onkwetsbaar zijn, bagatelliseren, pessimisme, tegenzin, onwil om te veranderen.
Onoplettend zijn, geen antwoord geven, geen reactie geven, uitwijken.
van beslissingsbalans...
...naar verandertaal
Voorwaarden om de beslissingsbalans om te laten slaan:
1. druk empathie uit



2. benoem het verschil tussen het huidige gedrag en het gewenste doel



3. meegaan in de weerstand



4. ondersteun persoonlijke effectiviteit
De hulpverlener moet empatisch zijn, onvoorwaardelijke acceptatie van gevoel tonen en echtheid.
De hulpverlener moet de client sturen naar het zelf waarnemen en benoemen van het belang van verandering: dus het verschil tussen huidige toestand en doel
(discrepantie)
Beweeg meet met weerstand
(consonantie).
Niet pleiten voor verandering (dat geeft: "ja, maar")
De cliënt en de hulpverlener moeten beiden geloof hebben in de verandering
(selffulfilling prophecy).
Verandertaal:
taal die wijst op anders te willen leven door nadelen van het huidige leven te benoemen of wensen voor de toekomst.
Hoe lok je nu verandertaal uit?
Voorbeelden:
Je kunt beginnen met een vraag als: Beschrijf een dag uit je leven
Waarover maak je je het meeste zorgen?
Wat is het ergste wat je zou overkomen als je zo doorgaat?
Hoe was je voor dat dit begon?
Hoe zou je wereld er over 5 jaar uit zien als het je zou lukken om te veranderen?
En als je niets zou veranderen?
Wat vind je belangrijk in jou leven?
Hoe rijm je dat met het leven dat je nu leidt?
Verandertaal
Weerstandstaal
nadelen van huidige situatie
voordelen van verandering
bedoeling om te veranderen
optimisme over verandering
voordelen van huidige situatie
nadelen van verandering
bedoeling om niet te veranderen
pessimisme over verandering
valkuilen
vraag en antwoord
(alleen gesloten vragen)
partijdigheid
(vasthouden aan eigen normen)
deskundigheid
(cliënt wordt passief)
etiketteren
(U bent alcoholist!)
voorbarige thematisering
(te vroeg het thema bepalen)
schuldvraag
(wie krijgt nu de schuld?!)
En nu?
De wil om te veranderen is gegroeid, de discrepantie is vergroot.
Herlabelen
Interculturele communicatie
Interculturele communicatie
Wat gaan we vandaag doen?
F, G en M cultuur
Vijf basiswaarden binnen elke cultuur
les 1
Casussen:
Casus 1: Geen kaartje kopen
Casus 2: Arbeidsbemiddeling
Casus 3: Kritische vragen
Wat gaan we vandaag doen?
Ontstaan van interculturele conflicten
Conflictvormen/doelen per cultuursysteem
Niveaus van interculturele conflicten
Macht in interculturele conflicten
les 2
Casussen:
Casus 4: Afzeggen afspraak
Casus 5: Taalbarrière
Casus 6: Nieuwe baan
Wat gaan we vandaag doen?
Gevolgen van migratie
Voorwaarden voor effectieve interculturele communicatie
Hoe om te gaan met verschillende culturen als hulpverlener
les 3
1. Hoe wordt er over de medemens gedacht
2. Relatie van de mens tot de natuur (en het bovennatuurlijke)
3. Tijdelijke kijk op de tijd
4. Opvattingen over menselijk handelen
5. De relatie van mens tot mens
5 basiswaarden in cultuursystemen
Positief of negatief?
Wat telt: heden, verleden of toekomst?
Spontaan of efficiënt?
collectivisme v.s. individualisme?
Beheerst de mens de natuur of is de mens ondergeschikt?

Neem de casussen door en beantwoordt in tweetallen de volgende vragen:

1. Welke culturen kom je tegen in de casussen (F, G, M)?
2. Hoe verklaar je de basiswaarden vanuit de verschillende culturen?
3. Welke knelpunten kom je daar in tegen?
4. Wat zouden jullie in de casussen anders hebben gedaan/kunnen doen en wat is dan het te verwachten effect volgens jullie?
Eer
Goede naam
Behagen v/d groep
Elementaire behoeften
F-cultuur
Zelf-ontplooiing
Waardering en erkenning
Sociaal contact
Veiligheid en zekerheid
G-cultuur
Elementaire behoeften
(Maslow)
(Pinto)
Ontstaan van interculturele conflicten
Conflictdoelen en vormen
Niveaus van interculturele conflicten
1. basisniveau
2. niveau van regelgeving
3. niveau van interpretatie
4. oppervlakkig niveau
Op grond van de eigen cultuur beoordeelt men elkaar en elkaars gedrag.
Andere (praktische) invulling geven aan dezelfde normen en waarden.
Verschillende interpretaties van situaties of gedragingen.
Conflicten waar op geen enkele manier diepliggende verschillen in cultuur aan ten grondslag liggen.
Gevolgen van migratie
fase 1:
bedoeling en verwachting

fase 2:
juichstemming of teleurstelling

fase 3:
verwarring

fase 4:
groeiend inzicht

fase 5:
opmaken van de balans; aanpassing of verzet

fase 6:
aanpassing

fase 7:
terugblikken; tevreden of spijt
Een conflict is een instrument om tegenstellingen (openbaar) op te lossen.
Conflicten toedekken om posities niet in gevaar te brengen.
Voorwaarden voor effectieve communicatie
1. Technische voorwaarde
2. Cognitieve voorwaarde
3. Interpretatieve voorwaarde
4. Affectieve voorwaarde
Beide partijen moeten elkaar verstaan.
Beide partijen moeten aan de gebruikte woorden dezelfde interpretatie toekennen:
Beide partijen moeten op een voor elkaar aanvaardbaar intellectueel niveau dienen te communiceren:
De gebruikte taal moet bij beide partijen dezelfde emoties oproepen en dezelfde emotionele betekenis hebben.
Sigmund Freud
Anna Freud
De afweermechanismen van Sigmund Freud
De afweermechanismen van Anna Freud
Tegen zichzelf keren
Overdekking door het tegendeel
Verdringing
Sublimatie
Regressie
Verdringing
Reactievorming
Isolering
Ongedaanmaking
Projectie
Introjectie
Sublimatie
Rationalisatie
Terugtrekking
Conflictmechanisme 1: Niet ingaan op kritiek
Conflictmechanisme 2: Tegenstelling tegenover de kritiek zetten
Conflictmechanisme 3: Weer een tegenstelling inbrengen
Conflictmechanisme 4: Op de persoon spelen
Conflictmechanisme 5: Weglopen
Conflictmechanisme 6: Oorlog
Conflictmechanismen
Essentiële levensgebeurtenissen
Rouw en verliesverwerking
6
Essentiële levensgebeurtenissen
Relaties, intimiteit en seksualiteit
Essentiële levensgebeurtenissen
Relaties, intimiteit en seksualiteit
4
Essentiële levensgebeurtenissen
Rouw en verliesverwerking
Blijde gebeurtenissen
Minder leuke gebeurtenissen
Omgaan met emoties
Rituelen
- Inleiding
- Blijde gebeurtenissen
- Minder leuke gebeurtenissen
Ernstige ziekte
Overlijden
Scheiding
Andere verlieservaringen
- Omgaan met emoties
- Rituelen
Essentiële levensgebeurtenissen -
Rouw en verliesverwerkin
g
-Verwerken van verlies
-Fasentheorie Elisabeth Kübler-Ross
-Takentheorie J. William Worden
-Copingstrategieën
#over mijn lijk
-Begeleiding bij verliesverwerking
-rouwverwerking bij kinderen
Essentiële levensgebeurtenissen -
Rouw en verliesverwerking
-Inleiding
-Vriendschap
-Intimiteit
-Kenmerken per leeftijdsfase
-Ongewenste intimiteit
Essentiële levensgebeurtenissen
Relaties, intimiteit en seksualiteit
-Seksualiteit
-Seksuele ontwikkeling
-Voorlichting
Essentiële levensgebeurtenissen -
Relaties, intimiteit en seksualiteit
Familie als hulp en ondersteuning

1. Bron van Informatie


2. Ondersteuners in begeleiding
Familie kan belangrijke informatie verschaffen over gebeurtenissen, voor- en afkeuren van de cliënt, karakter en humeur, angsten e.d.
Communicatie en afstemming met familieleden (mantelzorgers) is soms essentieel voor het slagen van de hulpverlening. Hoe handig zou het niet zijn als een cliënt overal op dezelfde manier begeleiding krijgt!
Familie als bron van conflicten

1. Visie op begeleiding


2. Loslaten van de zorg
Soms lijkt het wel alsof ouders overal op tegen zijn. Als jullie vinden dat je strenger moet optreden tegen de cliënten, dan vinden ouders het tegenovergestelde. Wanneer jullie de cliënt meer los willen laten vinden ouders een strengere aanpak weer beter.
Het loslaten van de zorg voor je kinderen is al lastig genoeg. Wanneer dit kind altijd extra zorg nodig heeft gehad is dat ook extra moeilijk. Als ouder heb je snel genoeg door dat zorg binnen een instelling anders is als zorg die thuis gegeven wordt.
Is contact met familie storend of niet?
Wanneer het contact met familie als storend wordt ervaren is de kans groot om tot het volgende te komen:

-familie buitenspel zetten
-familie de schuld geven
-familie niet serieus nemen
-eigen idealen doordrukken
-de familierol overnemen
-te weinig weerwoord geven
-dingen beloven die niet waargemaakt kunnen worden
Valkuilen
Hoe houd je goede communicatie?
(met familie)
Tips voor gesprekken met familie:
1. Ga in de schoenen van de familie staan.


2. Vraag de familie naar hun verwachtingen


3. Betrek de familie (waar mogelijk) bij de zorg


4. Trek de cliënt niet los van zijn/haar familie


5. Zorg dat je op de hoogte bent.


6. Wees binnen de juiste grenzen open en eerlijk
Wees empathisch. Probeer je in te leven in de situaties, gevoelens, kritiek die de familie uit.

Doe dit zo snel mogelijk (voordat een conflict kan ontstaan).


Is er (terecht) kritiek? Geef dit toe en vraag in hoeverre zij in sommige situaties willen bijdragen.

Autonomie is belangrijk, maar trek de cliënt nooit los van zijn/haar familie!

Ook voor zaken die voor jou als begeleider minder belangrijk zijn (hygiëne, financiële bijdrage, wachtlijsten e.d.)
Wat moet je doen als bemiddelaar?
De fasentheorie van Elisabeth Kübler-Ross:
theorie over het verliesverwerkingsproces bij mensen dat in fasen verloopt:
• fase 1: ongeloof, ontkenning
• fase 2: boosheid
• fase 3: onderhandelen
• fase 4: heroriëntatie
• fase 5: verwerking
Takentheorie J.William Worden:
theorie over het verliesverwerkingsproces bij mensen
dat vier taken kent:
• aanvaarden van het verlies
• verwerken van de pijn
• aanpassen van het leven zonder degene die er niet meer is
• alles emotioneel een plek geven en verder leven
Omgaan met eigen emoties:
Ken je eigen gevoelsleven
Accepteer je eigen emoties
Weet hoe je op emoties reageert
Weet hoe je ongewenste reacties kunt beïnvloeden
Omgaan met emoties van cliënten:
Ken het gevoelsleven van de cliënt
Respecteer de emoties van een cliënt
Weet hoe de cliënt zijn emoties uit
Weet hoe je ongewenste reacties kunt beïnvloeden
Rouwverwerking bij kinderen
copingstrategieën
Christenen
Katholieken
Protestanten
De pinkstergemeente
Islam
Hindoeïsme
Jodendom
Boeddhisme
Ondersteuning bij de verwerking
verjaardagen
feestdagen
zwangerschap en geboorte
huwelijk
diploma
ernstige ziekte
overlijden
andere verlieservaringen
echtscheiding
1.Maak een inventarisatie van gebeurtenissen die over het algemeen als ingrijpend worden ervaren.


2.Waarom is het voor een sociaal agogisch werker belangrijk om over ingrijpende gebeurtenissen te kunnen praten?


3.Wat is tot op heden de meest positieve gebeurtenis in jouw leven? Leg uit waarom dit zo is.


4.Neem je eigen doelgroep als uitgangspunt en geef aan welke levensgebeurtenissen één of meerdere cliënten hebben meegemaakt of meemaken.
#opdracht
Beschrijf hoe jij de cliënt (zie onderstaande casussen) zou begeleiden.

1.Piet is een verstandelijk beperkte man van 45 jaar. Zijn broer woont op Aruba en heeft Piet uitgenodigd om bij zijn huwelijk aanwezig te zijn. Piet heeft nog nooit gevlogen en vindt het erg spannend.

2.Meike is bijna 18 jaar en zal binnenkort de residentiële instelling mogen verlaten om zelfstandig op kamers te gaan wonen. Ze verheugt zich erg op het feit dat ze straks haar eigen woning zal hebben.

3.Mevrouw de Vries heeft vijf jaar geleden haar man verloren. Het is vandaag de overlijdensdatum van haar man. Ze is de hele dag al wat neerslachtig en trekt zich terug op haar kamer.
#opdracht
Wat is een belangrijke (of essentiële) gebeurtenis?
Wat zijn emoties?
Invloeden op het verwerkingsproces:
• de aard van de relatie die iemand met de overledene had;
• hoe groot het trauma (de wond) was;
• de persoonlijkheid;
• levensovertuiging;
• cultuur;
• de reacties uit de omgeving.
Veel voorkomende gevoelens na het overlijden van een naaste zijn:
• shock;
• ontkenning en ongeloof;
• pijn;
• woede;
• vlakheid;
• vermoeidheid;
• schuldgevoelens;
• opluchting.
Aandachtspunten voor de omgang met de nabestaande:

• Ga niet uit van je eigen ervaringen en de manier waarop jij verliezen verwerkt. Richt je op wat de ander verbaal of non-verbaal aangeeft. Vraag wat hij nodig heeft en geef niet ongevraagd advies.

• Behandel iemand niet alsof het ineens een andere persoon is en ben niet overdreven voorzichtig.

• Houd degene die het verlies geleden heeft ook over een langere periode goed in de gaten. De behoeften kunnen veranderen.
• Ontkenning (de nabestaande denkt dat hij de overledene steeds ziet).
• Loslaten (het verlies is verwerkt).
• Herinneringen levend houden (nog lang aspecten van de overledene in anderen zien, dit is geen ontkenning maar heeft te maken met herinneringen).
• ‘Praten met de overledene’
• Vluchten (vluchten in drukke bezigheden: werken, reizen, het huis veranderen).
• Gedoseerd toelaten van het verdriet. (zij spreken bijvoorbeeld af dat zij zich op bepaalde tijden terugtrekken en zich aan het
verdriet overgeven).
• Vrienden en familie opzoeken.
• Rigoureuze veranderingen in het leven aanbrengen.
• Externe ondersteuning (professionele ondersteuning).
• Het geloof of de levensovertuiging.
• Beleef je eventuele eigen verliezen en verdriet niet opnieuw waar de nabestaande bij is. Besteed daar op andere momenten aandacht aan.

• Laat iemand zijn eigen emoties volgen en stuur daar niet in. Wil hij huilen, laat hem dan huilen. Roep geen emoties op maar reageer op de emoties.

• Let goed op of iemand gezelschap wil of alleen wil zijn, wil praten of juist zwijgen, behoefte heeft aan een arm om hem heen of juist niet.

• Forceer jezelf niet en vermijd het gebruik van clichés als ‘het gaat straks wel beter’. Dat kan ergernis oproepen. Als je niet weet hoe je moet reageren, zeg dat dan gewoon.

• Vraag of iemand wil dat je helpt met bijvoorbeeld boodschappen doen, even erbij komen zitten, de kinderen verzorgen, enzovoort. Doe dan een concreet voorstel en stel geen algemene vraag.
Als kinderen hun verlies niet kunnen verwerken, blijkt dat uit hun gedrag en uit bepaalde klachten. Als de volgende klachten of het volgende gedrag aanhoudt, heeft een kind hulp nodig:

• het moeilijk blijven vinden om over het verlies te praten;
• ontwikkelen van agressief gedrag, fobieën of angsten;
• eetproblemen of slaapproblemen;
• lichamelijke klachten als hoofdpijn en buikpijn;
• concentratieproblemen en problemen met leren;
• teruggetrokken gedrag en zichzelf isoleren;
• zichzelf verwijten maken en schuldgevoelens ontwikkelen;
• zelfdestructief gedrag en soms zelfs doodsverlangen.
Vriendschap
functies van vriendschap:
voorzien in een elementaire sociale behoefte

ervaringen, gevoelens, belangstelling delen

identiteit ontwikkelen of bevestigen

ontspanning
'sociaal netwerk'
Vriendschap,
intimiteit
en leeftijd
Wat is vriendschap?
Vriendschap:
een gelijkwaardige verbondenheid tussen twee of meer mensen op basis van structurele wederzijdse belangstelling en sympathie.
Wat is een relatie?
Relatie:
een min of meer structurele betrekking tussen twee of meer mensen.
vertrouwelijkheid
Vier gebieden van intimiteit:

lichamelijk
geestelijk
combinatie van geestelijk en lichamelijk
seksueel
"Intimiteit is ongewenst als de cliënt dat zo ervaart."
Ongewenste intimiteit:

gedrag waarmee het persoonlijke levensgebied van een persoon betreden wordt en dat door die persoon als ongewenst, vervelend, hinderlijk of bedreigend wordt ervaren.
doelen
het hebben van kennis over het eigen lichaam, de seksuele functies, het lichaam van de andere sekse, seksuele identiteit, veranderingen in de puberteit, seks met jezelf en met een ander
het ontwikkelen van een positieve houding tegenover seksualiteit en eigen seksuele gevoelens (seks is prettig en normaal)
het kennen en eigen maken van adequaat gedrag in relationele en seksuele contacten (behoeften aangeven, grenzen stellen, mogelijkheden weten)
het aangereikt krijgen van waarden en normen en regels
weten welke ondersteuning nodig is.
opdracht
Je gaat in een groepje een rollenspel voorbereiden waarbij er één cliënt speelt en de ander groepsleider. Besluit van te voren uit welke doelgroep de cliënt is.

als onderwerp van het gesprek kies je één van de volgende vragen:
1. "Ik wil verkering, kun je me helpen?"
2. "Hoe moet ik eigenlijk vrijen?"
3. "Hoe weet ik nou of ik zin heb in seks?"
4. "Ik wil geen kindje. Dat gebeurt niet als ik ongesteld ben hè?"
5. "Hij doet me pijn. Wat doe ik verkeerd?"
Beoordeling
De observatoren van de andere groepjes beoordelen het volgende:

a.Was de persoonlijke beleving van de cliënt uitgangspunt?
b.Op welk doel (-en) richtte het gesprek zich?
c.Is het niveau aan de cliënt aangepast? (tempo, woordgebruik, ingewikkeldheid)
seksualiteit
= uiting op het gebied van het geslachtsleven
seksualiteit en cultuurverschillen
de leeftijd waarop vrijen is toegestaan;
de vraag of seks vóór het huwelijk is toegestaan;
het toestaan van seks met meer partners dan de partner met wie iemand getrouwd is;
acceptatie van andere vormen van seksualiteit dan heteroseksualiteit;
acceptatie van andere seksuele uitingsvormen dan geslachtsgemeenschap;
de functie van seksualiteit in een mensenleven
op welke leeftijd seksuele gevoelens ontstaan is niet duidelijk;
in eerste instantie zijn deze gevoelens gericht op eigen lichaam en geest;
doktertje spelen?
seksuele ontwikkeling bij kinderen
tot in de jaren '70 werd er niet gesproken over seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking
tegenwoordig zijn er organisaties die zich hier specifiek mee bezig houden
in de meeste gevallen zijn de seksuele behoeften op zichzelf gericht
seksualiteit en verstandelijke beperking
seksuele voorlichting en opvoeding
in Nederland is het gebruikelijk dat kinderen voorlichting krijgen door opvoeders uit het eerste milieu (gezin);
veel ouders vinden dit echter lastig en laten dit liever aan school over.
Periode 2.3
Periode 2.4
motiverende gespreksvoering
interculturele communicatie
conflictbemiddeling
rouw en verliesverwerking
relaties, intimiteit en seksualiteit
Drie keer een afsluitende opdracht!
Je zou toch denken dat:
•Een hartaanval genoeg is om te stoppen met roken en vet eten.
•Het blijven zitten zorgt dat je denkt: dit niet nog een keer.
•In de gevangenis komen betekent, dat je een legale baan zoekt.
•Dat je na een coma zorgt dat je je suikerziekte wel goed onder controle probeert te hebben.
Dan gaan we dit denken toch doorbreken door bij de ander te benadrukken, wat goed voor hem is en slecht om hem over de streep te trekken?
•Wat was de meest motiverende actie naar jou ooit?

•Wat was de minst motiverende actie naar jou?
Opdracht 4
Wat is jouw voorbeeld waarbij je eindelijk deed, wat je al eerder had moeten doen of laten?
Opdracht 5
Maak groepjes van drie. Kies een ambivalentie in je leven. Kies een serieus iets dat speelt (dus niet: wat moet ik vanavond eten), waarvan je weet dat het een dilemma is: beide kanten hebben voor- en nadelen. Eén vertelt. Eén luistert. Eén observeert.

De observant luistert goed of de luisteraar voor alle kanten begrip op brengt.
Voelt de verteller zich niet begrepen, dan schuift hij zijn stoel naar achteren.

Voelt hij zich weer begrepen, dan schuift hij weer naar voren.

Nabespreken en wisselen.
Opdracht 7
Als je iemand probeert te veranderen, dan kun je daar zelf zeer gemotiveerd voor zijn, omdat je het beste met iemand anders voor hebt, maar soms ook omdat je last/ irritaties hebt van het gedrag dat je zo graag veranderd ziet.

•Bij wie op je BPV kom je het meeste weerstand tegen
•In welke situatie is dat
•Vertel eerlijk hoe jij reageert als je bij een cliënt van jou weerstand voelt.
Hoe lok je verander taal uit? Enkele voorbeelden:

•Je kunt met een vraag beginnen als Beschrijf een dag uit je leven.
•Waarover maak je je het meeste zorgen?
•Wat is het ergste wat je zou overkomen als je zo doorgaat?
•Hoe was je voor dat dit begon?
•Hoe zou je wereld er over 5 jaar uit zien als het je zou lukken om te veranderen?
•En hoe als je niets zou veranderen?
•Wat vind je belangrijk in het leven?
•Hoe rijm je dat met het leven dat je nu leidt?
•Welke problemen kom je tegen door …?
•Het feit dat je hier bent en hierover wil praten geeft aan dat je in ieder geval voor een deel wil, dat er verandering komt. Wat zijn voor jou de belangrijkste redenen om te veranderen?
Cliënt: “Ik heb het zo vaak geprobeerd en het is me niet gelukt”

hulpverlener: “U wil zo graag veranderen, dat u het al verschillende keren geprobeerd heeft”.
•Hoe zou u deze verandering aanpakken?
•Wat zou een goede eerste stap zijn?
•Welke hindernissen voorzie je en hoe zou je hiermee om kunnen gaan?
•Waar haal je het vertrouwen vandaan dat je het kunt?
•Wanneer is het in het verleden gelukt om tot moeilijke beslissingen te komen? Hoe is dat gegaan? (meerdere voorbeelden vragen). Welke vaardigheden waren daarvoor nodig?
•Welke sterke kanten in je zelf kunnen je helpen?
•Wie in je omgeving kunnen je helpen? Welke hulp wil je dan precies? Hoe zou je dat kunnen vragen?
•Samen brainstormen om tot oplossingen te komen. Hou je dan wel aan de regels van de brainstorm: eerst goede en gekke ideeën verzamelen en pas later beoordelen.
G-cultuur
G
G
G
G
G
G
G
G
F
F
F
F
F
F
F
Cultuur:
Cultuur gaat over aangeleerd gedrag
Cultuur wordt van generatie op generatie doorgegeven
Cultuur is dynamisch
M
M
M
M
M
M
M
M
M
F
M
+/- 7000 verschillende culturen
F
Afrika, Azië
Latijns Amerika, Zuid-Europa, Oost-Europa
Noord-Amerika, Noordwest-Europa, Australië
M
G
gebrek aan effectieve communicatie
vormen van non-verbale communicatie
presentatie van de boodschap
het overtreden van normen
Ja = Ja
1. technische voorwaarde
2. cognitieve voorwaarde
3. interpretatieve voorwaarde
4. affectieve voorwaarde
eerbied voor ouderdom
geringe individuele vrijheid
angst voor schaamte
veel lijfstraffen
nadruk op hiërarchie
volgzaam, afwachtend
groepsgericht, sterke familieband
dienst en wederdienst
duidelijke scheiding van taken tussen mannen en vrouwen
verheerlijking van de jeugd
grote mate van individuele vrijheid
angst voor schuld
veel onderhandeling, discussie, uitleg
nadruk op gelijkheid
mondig, zelfstandig
individu-gericht
vrijwilligerswerk
geen scheiding taken tussen mannen en vrouwen
F-cultuur
G-cultuur
Opdracht 2:
Neem de casussen door en beantwoordt in tweetallen de volgende vragen:

1.Op welk niveau speelt het conflict zich af en wat voor doel heeft het?
2.Welke oorzaken kan je aanwijzen voor het ontstaan van dit conflict? Speelt ‘macht’ hier een rol?
3.Wat zou je reactie op dit moment zijn naar de hoofdpersoon in de casus?
4.Verklaar je keuze vanuit je eigen normen en waarden
Hoe geef ik een Nederlander een hand?
(1) U loopt met een bijna gestrekte arm op de ander af, u glimlacht.
(2) Bij het geven van de hand moet u uw elleboog buigen, dus niet gestrekt houden.
(3) U moet uw réchterhand geven. Als die bijv. in een mitella zit, dan moet u zich excuseren.

(4) U moet uw hand verticaal houden, anders denken ze dat u dominant bent of ondergeschikt.
(5) Daarna moet u met de ‘oksel’ van uw duim stevig botsen tegen de oksel van de andere duim.

(6) Knijp stevig in de hand van de ander. Hoe stevig? In een inburgeringscursus duurt het drie weken voor u dat ‘goed’ doet.
(7) U schudt éénmaal stevig vertikaal, er komen dan vanzelf twee naschudjes bij. Langer vasthouden mag absoluut niet.

(8) Tijdens het schudden moet u de ander in de ogen kijken.

(9) En u moet dan ook ontspannen knikken en glimlachen.

(10) Tot slot: u moet uw duim stevig in het zachte
vlees van de ander drukken. Dat is als het ware de punt achter de zin. De ander voelt dan dat u het méént!
Uit: DOE MAAR GEWOON, 99 tips voor het omgaan met Nederlanders.
Hans Kaldenbach.
-technische apparatuur moet goed zijn
-de afstand mag niet te groot zijn
-er mag niet teveel ruis zijn
-ze moeten elkaars taal begrijpen
-beide partijen moeten dezelfde/voldoende kennis van het onderwerp hebben.
-één woord kan meerdere associaties oproepen
-de associaties die opgeroepen worden beïnvloeden de communicatie.
-zowel verbaal (in woorden)
-als non-verbaal (in gebaren, uitdrukkingen, stemgebruik)
-vaak is het onbewuste non-verbale communicatie
-bewustwording van eigen affectieve interpretaties is dus erg belangrijk.
Wat verwacht je in het land van aankomst? Positief of negatief?
Komen de verwachtingen overeen?
Wat eerder geleerd is blijkt niet altijd te kloppen.
Bewust zoeken naar nieuwe informatie
Het is duidelijk welke aanpassingen er nodig zijn...
Bewust aanpassen aan de keuze van fase 5
Was het de moeite waard?
Wat kan je hier als hulpverlener aan doen?
Wat kan je hier als hulpverlener aan doen?
Wat kan je hier als hulpverlener aan doen?
Wat kan je hier als hulpverlener aan doen?
Wat is het beste om te doen?
aanpassen...
(vanuit de andere cultuur denken)
...of niet
(bij de eigen cultuur blijven)
CONFLICTBEMIDDELING
KENMERKEN VAN EEN CONFLICT
WELKE OORZAKEN ZIJN ER?
DE
BALANSTHEORIE
VAN HEIDER
CONFLICTMECHANISMEN
KENMERKEN VAN EEN CONFLICT
CONSTRUCTIEF
Levert een positieve bijdrage aan het onderwerp waar het om gaat (sfeer, product, dienstverlening, kwaliteit van het werk).
DESTRUCTIEF
Dit kunnen zowel individuen als groepen zijn.
PARTIJEN
Verschillende meningen die elkaar uitsluiten.
MENINGSVERSCHILLEN
KENMERKEN VAN EEN CONFLICT
1. verschillende visies
2. emoties
3. machtsverschillen
4. gebrekkige communicatie
5. verdeling van middelen
Relaties zijn in evenwicht als tussen 3 personen overal een positieve relatie bestaat (3 keer een +'je) of relatief in balans als er 2 negatieve relaties bestaan en 1 positieve
(Evenwicht)
CONFLICTBEMIDDELING
Spanning tussen 3 personen
BALANSTHEORIE
De taak van de bemiddelaar:

1. Signaleert het conflict
2. Bereidt zich voor door beide partijen apart te horen
3. Hij verwoordt het conflict en vraagt of de partijen zich in deze verwoording kunnen vinden.
4. Hij stimuleert het luisteren naar elkaar.

5. Hij probeert de ene partij het standpunt van de andere partij te laten verwoorden.
6. Hij probeert de partijen uit te laten spreken.
7. Hij zoekt en laat zoeken naar oplossingen (in beider voordeel).
8. Hij baseert zich op objectieve criteria.

9. Hij voorkomt ten alle tijden partijdigheid.
10. Zo nodig worden afspraken gemaakt hoe er tijdens de conflictoplossing met elkaar om gegaan wordt.
Groepsleider Paul wil de ouders Mieke en Johan ondersteunen bij hun opvoeding van Joke. De ouders hebben grote onenigheid over de aanpak van hun moeilijke dochter. Johan vindt Mieke te slap. Mieke vindt Johan weer veel te streng. Er vallen onderling harde woorden en beide zijn tijdens een onderling conflict het huis uitgelopen.
VOORBEELD 1
Mieke en Johan vinden het echter ook heel pijnlijk, dat er gekeken wordt naar hun fouten en tekortkomingen. Ze kunnen tot een gelegenheidsbondje komen tegen Paul en uitdragen: “Wat weet hij van onze problemen af? Hij snapt er niets van. Hij heeft niet eens zelf kinderen, laat staan ervaring met iemand als onze Joke. Waar bemoeit hij zich mee. Dit lukt nooit”
VOORBEELD 2
Mieke vraagt het volgende aan Paul: “Fred blijft dan op zaterdag eindeloos in zijn bed liggen, terwijl de kinderen het huis op de kop zetten en ik dan boodschappen moet doen. Het is toch niet raar om wat betrokkenheid van een vader te vragen?” Paul reageert niets vermoedend empathisch met “Ja.”
CONFLICTBEMIDDELING
CONFLICTBEMIDDELING
CONFLICTBEMIDDELING; WAT IS JOU TAAK?
FAMILIE
ALS OPLOSSING/ PROBLEEM; HOE PAK JE DIT AAN?
-Seksualiteit
-Seksuele ontwikkeling
-Voorlichting
Begeleiding bij seksualiteit
Full transcript