Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

VMBO 4 en de Staatsinrichting van Nederland

H1 t/m H3
by

Maxim Arnoldy

on 14 September 2016

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of VMBO 4 en de Staatsinrichting van Nederland

Nederland krijgt een koning:
De Republiek
16e eeuw Nederland is een onderdeel van het Spaanse Koninkrijk rijk
1555 Filips II is Koning
1566 Nederlanden komen in opstand
Leider van de opstand is Stadhouder Willem van Oranje
1648 Nederland is een zelfstandige staat
Republiek bestuurt door de Staten Generaal
De Stadhouder is baas van leger en vlood maar heeft veel invloed binnen de staten Generaal
16 eeuw Gouden eeuw
De Franse tijd:
1789 Franse Revolutie
Volk wil democratie en wil deze idealen verspreiden
1795 Nederland word binnen gevallen door de Fransen
De Stadhouder vlucht
Nederland word een Democratie met een grondwet
1796 Napoleon aan de macht/ schaft de democratie af
1806 Napoleon maakt zijn broer Lodewijk Napoleon koning van de Nederlanden
1810 Napoleon vertrouwt zijn broer niet en Nederland word onderdeel van Frankrijk/ is dus geen zelfstandig land meer
Koninkrijk der Nederlanden:
1813-15 Napoleon word verslagen
1813 De zoon van de laatste Stadhouder keert terug en word de eerste Koning van Nederland
Willem I
Koninkrijk der verenigde Nederlanden: België en Nederland
Constitutionele monarchie/ de koning moet zich aan de grondwet houden
Het parlement controleert de koning
Het Koninkrijk der Nederlanden
Feminisme/ Pacificatie/ verzuiling
Feminisme:
19e eeuw vrouwen zijn ondergeschikt aan de man/ Vrouw moet gehoorzaam zijn/ geen eigen financiën/ geen ouderlijk gezag/ mogen niet werken (alleen als je arm of arbeider was moest je wel)/ geen opleiding volgen/ seksueel passief
1890 Constipatie bewegen het feminisme/ Eerste Feministische Golf
Feministen willen: gelijke rechten voor man en vrouw/ recht op een opleiding/ recht op werk/ gelijke seksuele normen voor man en vrouw/ vrouwen kiesrecht
Wilhelmina Drucker
Aletta Jacobs (eerste vrouwelijke arts)
1910 vrouwen beweging groeit
1918 passief vrouwen kiesrecht
1919 algemeen vrouwen kiesrecht
Politiek in Nederland en Europa
Interbellum en crisis:
1922 eerste verkiezingen/ confessionelen zijn de grote winnaars
Confessionelen overheersen alle kabinetten in het interbellum (soms werd er samen gewerkt met de liberalen/ socialisten werden buiten de regering gehouden wegens de revoluties waar ze geen afstand van doen)
1930 SDAP zweert de revolutie af en is totaal voor de parlementaire democratie
1930 economische crisis VS word wereld crisis/ beurskrach
Gevolg grote armoede in de VS/ eist geld terug van Europese landen en stopt leningen (dawsplan)
Economie in Europa stort in vooral Duitsland word hard getroffen
Gevolg: anti democratische stromingen krijgen veel aanhang/ totalitaire ideologie
Nationalistische en Communistische partijen maken veel gebruik van propaganda
ook in Nederland groeit de invloed van de communisten (CPN) en nationalisten (NSB)
Totalitaire partijen krijgen toch weinig aanhang
komt door: de verzuiling (kiezers zijn trouw aan hun partij)/ Premier Colijn leider van de ARP en regering is een sterke leider (Nederlanders zijn dus niet opzoek naar een sterke leider zoals in Duitsland wel het geval was)
1939 begin WOII
1940 Nederland word bezet/ parlement en rechtstaat word opgeheven/ koningshuis en de regering vlucht om verzet te leiden
Nederland komt onder leiding van de nazi's/ NSB leider Mussert staat onder controle van Seyss-Inquart de rijkscommesaris
Politieke stromingen
Liberalisme:
vrijheid/ Liberté
vrijheid van het individu/ vrijheid van meningsuiting
vrijheid van godsdienst/ maar godsdienst mag geen invloed hebben op het bestuur of rechtspraak/ secularisatie: scheiding van kerk en staat
vrijheid van economie/ economie zonder regels/ winst gaat voor
Verlichtingsidealen
Democratie/ de regering is verantwoording schuldig aan een gekozen volksvertegenwoordiging
census kiesrecht/ rijke burgers hebben geld (dus een bijdrage aan de maatschappij) en een opleiding dus het recht te stemmen
De macht van de Koning moet beperkt worden
De grondwet moet de burger beschermen tegen de overheid
Weinig wetten en regels/ volk moest vooral met rust gelaten worden/ alleen wetten ter bescherming van bezit
vooral voor en door de rijken
H1 t/m H3
Staatsinrichting van Nederland
Machtige koning en liberaal verzet:
Koning Willem I heeft veel macht: kan de ministers aanstellen en ontslaan/ baas over leger en vloot/ financiële zaken hoeft hij niet te verantwoorden
Parlement: 1e en 2e kamer hebben bijna geen macht/ worden aangesteld door de koning dus niet onafhankelijk/ komen uit de rijke families/ is dus geen echte volksvertegenwoordiging
Het volk heeft geen invloed/ geen democratie
1825 politieke stroming: het Liberalisme/ willen meer vrijheid
burgerlijke vrijheden: Vrijheid van meningsuiting/ persvrijheid/ vrijheid van godsdienst/ economische vrijheid
Eisen democratie/ de regering moet gecontroleerd worden
Liberalen zijn vaak rijke burgers/ hoge burgerij
1830- 39 België komt in opstand
Willem I geeft zeer veel geld uit/ Nederland dreigt failliet te gaan
Kritiek neemt toe/ Willem I treed af
Willem II neemt het over
De grondwet van 1848
Na 1815 komen in alle Europese landen vooral conservatieven aan de macht
Zij willen geen verandering en terug naar de tijd van voor de Franse Revolutie
Gevolg: koningen aan de macht die de macht niet willen delen met een parlement
mensen zijn vrijheden niet vergeten/ opkomst van het liberalisme
1848 in heel Europa breken opstanden uit en eist de bevolking vrijheid en inspraak
Koning Willem II verandert van conservatief naar liberaal en geeft de liberale leider van Nederland/ Thorbecke de opdracht om een nieuwe grondwet te schrijven
Grondwet van 1848:
Koning heeft beperkte macht maar is onschendbaar/ mag niets doen zonder toestemming van de ministers
De minister heeft ministeriële verantwoordelijkheid en moet zich verantwoorden tegenover het parlement/ zonder toestemming van het parlement mogen ze niets doen
2e kamer controleert de regering/ 1e kamer controleert de 2e kamer
2e kamer word rechtstreeks gekozen/ de 1e kamer getrapt via de provinciale staten
er is census kiesrecht: alleen rijke mannen die belasting betalen mogen stemmen
Het Parlement:
2e kamer/ 150 leden
1e kamer/ 75 leden
controlerende bevoegdheden: recht van enquête/ recht van interpellatie/ recht van budget
2e kame heeft ook wetgevende bevoegdheden: recht van initiatief/ recht van amendement
De Nederlandse rechtstaat:
Grondrechten rechten die vast gelegd zijn in de grondwet en die de regering en iedere burger moet respecteren
In een rechtstaat bestaat onafhankelijke rechtspraak
Vrijheidsrechten/ klassieke grondrechten gaan uit van belangrijke vrijheden van mensen/ beschermen mensen tegen de overheid beginnen dus altijd met het woord vrijheid van/ meningsuiting/ godsdienst/ onderwijs
Sociale grondrechten zorgen voor bescherming door de overheid/ de overheid moet hier dus voor zorgen beginnen altijd met de woorden recht op/ bestaanszekerheid/ werk/ onderwijs
Liberalisme in de 19e eeuw:
Industriële revolutie zorgt voor het ontstaan van een nieuwe samenleving/ meeste mensen leven in steden/ nieuwe groep rijke burgers/ de burgerij
welvaart betekent ook meer invloed dus macht
Na 1850 overheersende politieke stroming is het liberalisme
er zijn geen politieke partijen want alleen liberalen zaten in de volksvertegenwoordiging
Districtenstelsel zorgde er voor dat de kiezers de kandidaten persoonlijk kende
Kamerleden diende het algemeen belang/ dus geen partij nodig
ratio, feiten en argumenten waren doorslaggevend (politici mochten geen beloftes doen aan kiezers en geen afspraken maken onderling)
er werd alleen rustig gedebatteerd
liberalen waren het meestal wel met elkaar eens
1880 komen er pas liberale tegenstellingen door de sociale kwestie
rechts/ conservatieve liberalen: overheid moet niet ingrijpen/ arbeiders zijn zelf verantwoordelijk voor hun situatie
links liberalen: de overheid moet mensen helpen die buiten hun schuld niet voor zichzelf kunnen zorgen
1890 Liberale Unie probeert links en rechts te verenigen/ rechts wil niet
1901 Links Liberale politieke partij/ Vrijzinnige- Democratische Bond
Confessionelen:
Confessionelengaan uit van politiek vanuit christelijke ideeën
katholieken en protestanten (hebben eigen politieke partijen)
behoudend houden niet van veranderingen
concerfatief (niet progressief)
willen het graag houden bij het ouden
de maatschappij heeft een duidelijke indeling voorMan- Vrouw
gezin is belangrijk
ze gaan er vanuit dat de overheid in laatste instantie ingrijpt/ bevolking moet eerst bij familie of kerk aankloppen voor hulp
komen op voor de zwakkeren in de samenleving
Overheid moet onderhandelen tussen werknemer en werkgever
zitten Rechts/ Links/ Midden

Confessionelen in de19e eeuw:
katholieken en protestanten hebben het gevoel politiek achter gesteld te worden
Liberalen vinden dat godsdienst niet opschool of in de politiek thuis hoort/ geloof moet gezien worden als wijze les niet als iets echts
vrijzinnige/ ontwikkelde protestanten vinden dit OK conservatieven/ volk moet er niet veel van hebben
Beginnen politieke partijen
Abraham Kuyper
ProtestantKomt op voor de gewone gelovigen, kleine luyden 
God vrezende mensen die niets van vernieuwing willen weten
Kuyper begint de antirevolutionaire partij (ARP)
1879 ARP A. Kuyper/ eerste politieke partij van NL. 
politiek moet volgens de regels van de bijbel handelen
anti- verlichting: niet de mens maar God staat centraal
willen dat speciale scholen (christelijke scholen) ook betaald worden door de overheid niet alleen de openbare scholen
dit heet de schoolstrijd
katholieken en protestanten gaan samenwerken
Katholieken stonden aan Liberale kant omdat zij voor godsdienstvrijheid zijn maar zien nu meer in samenwerking met de protestanten
Katholieken willen emanciperen
mag nu ook van de paus (rerum novarum)
richten politieke partijen op
Herman Schaepman leider van de Katholieken
Door verstedelijking zijn veel gelovigen van hun geloof gevallen
door politieke partijen op te richten kunnen ze de situatie meer in de hand houden
opkomen voor de rechten van Katholieken
1917: protestanten, katholieken maken een afspraak met de socialisten
steunen de socialisten met het algemeen mannen kiesrecht als zij steun geven aan de schoolstrijd
1917: algemeen mannen kiesrecht in gevoerd en einde van de schoolstrijd
Christelijke scholen worden betaald door de ove
Socialisme:
Gelijkheid/ eerlijke kansen voor iedereen
Economische kansen/ gelijkheid/ regels en wetten moeten hiervoor zorgen
verlichtings idealen
er moeten sociale wetten zijn die de armste in de samenleving beschermen tegen armoede/ uitbuiting/ de overheid moet zijn burgers beschermen
vooral voor de arbeiders
God bestaat niet/ kerk maakt misbruik van de armen/ armen zijn te veel afhankelijk van de kerk
openbare scholen onderwijs zorgt ervoor dat de armen/ arbeiders zich kunnen opwerken
algemeen mannen kiesrecht/ iedereen moet mogen stemmen/ eerlijker/ vakbonden staken om
verschil tussen rijk en arm moet kleiner/ rijken moeten meer belasting betalen dan de armen
Karl Marx: wereld revolutie/ de arbeider de laagste klassen zal de macht grijpen en de klasse samenleving zal verdwijnen
1919 Socialisme splitst in 2 delen:
sociaal democraten: willen een verandering via democratie
communisten: verandering via revolutie (geweld mag)
De sociale kwestie:
Door de Industriële revolutie was de sociale positie van arbeiders verzwakt/ slechte woon- en werkomstandigheden.
Deze waren zichtbaarder geworden door de urbanisatie/ slechte woningen/ harde werkomstandigheden/ zonder bescherming (verzekering) tegen ongevallen/slechte hygiënische omstandigheden op werk en in woongebieden.
Arbeiders wilden meeprofiteren van de economische groei
ambachtslieden raakte door industriële revolutie hun werk kwijt en gingen zich organiseren in vakbonden (belangen verenigingen van arbeiders)
Nederland heeft vooral socialisten
strijden voor algemeen mannen kiesrecht
Domela Nieuwenhuizen
SDB(socialistische democratische bond)
partij wordt steeds radicaler
dreigen met geweld
anarchisten
Troelstra wil dit niet
wil socialisme op democratisch manier
1884 richt SDAP op 
strijden voor algemeen mannen kiesrecht
door samenwerking met de Christenpartijen lukt dit in 1917
Verzuiling:
19e eeuw ontstaan van emancipatie bewegingen
Socialisten komen op voor arbeiders/ confessionelen komen op voor protestanten en katholieken
Om sterker te staan organiseren zij zich/ zo kunnen ze de achter ban beter steunen maar ook controleren/ eigen politieke partijen, verenigingen, vakbonden, scholen
Er ontstaat een verzuilde samenleving: een samenleving is verdeeld naar politieke en godsdienstige idealen
Parlementsleden zijn niet meer zelfstandig maar verbonden aan een partij/ partijprogramma
politiek veranderd/ verkiezingen veranderen/ partijen doen beloftes aan het volk
pacificatie:
1917 pacificatie: aanpassing van de grondwet van 1848
algemeen mannen kiesrecht
passief kiesrecht voor vrouwen/ wel gekozen worden maar niet zelf kiezen
einde schoolstrijd
districtenstelsel afgeschaft
evenredige vertegenwoordiging/ aantal zetels is afhankelijk van de hoeveelheid mensen die je gekozen hebben
1918 verkiezingen (er komt zelfs een vrouw in de 2e kamer)
1919 actief vrouwenkiesrecht/ algemeen kiesrecht
1922 vrouwen naar de stembus
Nederland is een volwaardige parlementaire democratie
Wederopbouw:
Na WOII ligt Europa in puin
begin van de wederopbouw/ economisch herstel/ infrastructuur/ industrie/ omgaan met verlies
Koude oorlog zorgt er voor dat de wereld verdeed is in 2 ideologieën
De VS: Democratisch/ kapitalistisch
De USSR (sovjet unie): communistisch
Nederland staat aan de kant van De VS/ krijgt Marschall hulp
Nederland word weer een parlementaire democratie en een rechtstaat (Nederlanders wisten na WOII dat je zuinig moet zijn op democratie en vrijheidsrechten)
Onder invloed van de koude oorlog verliest de CPN snel aan populariteit
Tijdens WOII zijn mensen erg solidair
SDAP word de PvdA en hoopt een doorbraak partij te worden/ een partij zonder zuil maar voor iedereen
Confessionelen verzetten zich hier tegen en roepen hun achter ban weer op terug te keren naar hun christelijke zuilen/ gevolg doorbraak mislukt/ Nederland is weer verzuild
1948 oprichting van de VVD (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie)
Verzuiling is een feit
ontzuiling:
tot de jaren 60 zijn er weinig politieke veranderingen/ confessionelen zijn de baas en bepalen met wie ze kunnen samen werken
volk is braaf/ gehoorzaam/ gezag staat in hoog aan zien/ gezag is autoritair/ zedelijk
Jaren 60: grote sociale-culturele veranderingen
Komt door: groeiende welvaart/ ontstaan van de consumptie maatschappij/ jongeren gaan lager naar school en zijn hoger opgeleid/ individualisme
gevolg: kritiek op gezag neemt toe/ jongeren gaan zich verzetten tegen de bestaande oorden/ ouders/ autoriteit
Jongeren gaan protesteren: dragen uitdagende kleding/ lang haar/ Rock & Roll/ ik heb drank en drugs/ nozem/ hippie
Jongeren worden ook politiek bewust: ontstaan van de protest beweging Provo
Ontstaan van meer actie groepen die ludieke acties houden
1966 Nieuwe jongeren partij: D66/ wil meer democratie en een referendum
2e feministische golf: vrouwen (dolle Mina"s) willen gelijkheid aan de man/ recht op gelijke behandeling/ baas in eigen buik/ 1969 vrouw is wettelijk gelijk aan de man
Jongeren gaan nauwelijks naar de kerk/ ontkerkelijking
Jongeren voelen zich niet meer verbonden tot 1 groep
1967 confessionelen verliezen voor het eerst sinds 1918 de verkiezingen
einde van de verzuiling
gevestigde partijen in het nauw:
vanaf de jaren 70 krijgen de confessionelen het steeds zwaarder/ verliezen steeds meer stemmen door de ontzuiling
De kiezer is niet meer trouw aan zijn zuil/ de zwevende kiezer bepaald op basis van de inhoud (in het slechtste geval op gevoel) welke politieke partij bij hem past/ dit kan per verkiezing anders zijn
katholieken en protestanten gaan samenwerken om de macht te behouden
1977 Christen-Democratisch Appel (CDA)
CDA blijft 15 jaar de baas
1994 voor het eerst dat Socialisten en Liberalen samen werken (VVD/ PvdA/ D66) paars 1
2001 (aanslagen in de VS) einde aan politieke rust
populisme komt op/ politiek van uit een gevoel/ het idee dat overheden misbruik maken van het "gewone" volk
angst voor islam neemt snel toe/ populistisch politieke figuren/ Fortuyn/ Wilders spelen hier op in
SP komt op voor de zwakkeren omdat ze zien dat de kleinste groep rijken het steeds beter krijgt
Polarisatie/ tegenstellingen nemen toe
Gevestigde politieke partijen vinden het lastig om in te spelen op de snelle veranderingen (genuanceerd verhaal is lastiger dan one liners schreeuwen of onredelijk zijn)
Vanaf 2012 herstellen de gevestigde partijen zich
Bestuur van Nederland:
Nederland: veel meningen dus veel politieke partijen
politieke partijen hebben een partij programma
1X 4 jaar Burgers kiezen een volksvertegenwoordiging
Volksvertegenwoordiging/ parlement/ 1e en 2e kamer
2e kamer:
150 leden/ gekozen door het volk
maakt wetten (recht van initiatief)/ keurt wetten goed of af/ wijzigt wetten (recht van amendement)
controleert de regering: recht van interpellatie/ recht van enquête/ recht van budget
1e kamer:
75 leden/ gekozen door de provinciale staten (die wel gekozen worden door het volk)
keurt wetten goed of af
controleert de 2e kamer
de Regering & het Kabinet:
De regering: de Koning + alle ministers/ ondertekenen de wetten
Het kabinet: De minister president + alle ministers + staatssecretarissen/ dagelijks bestuur van het land
ministeries: de minister + alle ambtenaren/ ministerie van onderwijs/ buitenlandse zaken/ binnenlandse zaken/ financiën
De minister heeft ministeriële verantwoordelijkheid/ hij is verantwoordelijk voor alles wat er binnen zijn ministerie gebeurt
na de verkiezingen word er gekeken door de informateur welke partijen kunnen samen werken/ regeerakkoord
partijen moeten samen 2/3 meerderheid hebben in de kamer om de regering te mogen vormen
Formateur vormt de regering/ koning keurt het goed/ Regeerakkoord
Wanneer regeerakkoord geschonden word/ kabinetscrisis/ het kabinet valt/ nieuwe verkiezingen
Full transcript