Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Frans werkwoorden

voor Frans examen van juf Yasmine de franse werkwoordstijden
by

Amber Cuypers

on 25 February 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Frans werkwoorden

Frans werkwoorden
impératif
Verleden
Passé récent
imparfait
passé composé
plus-que-parfait
Heden
Indicatif présent
Wanneer?

Gebruik ja wanneer je een bevel wilt geven. Er komt geen persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij, zij,...) aan te pas: wandel!, drink!, geef!, ...
Als je tegen 1 persoon spreekt, schrijf je de impératif in het enkelvoud (je), bij meerdere personen of in de beleefdheidsvorm gebruik je het tweede meervoud (vous).
Ook voor een aansporing gebruik je een impératif présent: laten we wandelen, laten we drinken, laten we geven, ...
Hoe? :
Enkelvoud
: indicatif présent van de 1ste persoon enkelvoud (je-vorm)
Meervoud
: indicatif présent van de 2de persoon meervoud (vous-vorm)
Aansporing
: indicatif présent van de 1ste persoon meervoud (nous-vorm)
Wanneer ?
de indicatif présent gebruik je als je gewoon wilt aangeven wat je nu doet: ik wande, hij drinkt, zij geven, ...
Hoe?
werkwoorden op -er
infinitief zonder 'er' (=stam van de indicatif présent)
+
uitgangen e- es- e- ons- ez- ent
bv: je chant
e
tu chant
es
il chant
e
nous chant
ons
vous chant
ez
ils chant
ent
werkwoorden op -ir: type finir
infinitief zonder 'r'
+
uitgangen s-s-t =>enkelvoud
infinitief zonder 'r' + ss
+
uitgangen ons-ez-ent =>meervoud
bv: je fini
s
tu fini
s
il fini
t
nous finis
sons
vous finis
sez
ils finis
sent
werkwoorden op -ir : type sentir
infinitief zonder 'medeklinker' en zonder 'ir'
+
uitgangen s-s-t => enkelvoud
infinitief zonder 'r' + ss
+
uitgangen ons- ez- ent =>meervoud
bv: je sen
s
tu sen
s
il sen
t
nous sent
ons
vous sent
ez
ils sent
ent
werkwoorden op -re
infinitief zonder 're'
+
uitgangen s-s-/-ons-ez-ent
bv: je entend
s
tu entend
s
il entend
nous entend
ons
vous entend
ez
ils entend
ent
indicatif présent
impératif
bv:
Payer
paie! (taal!: enkelvoud)
Payons! (aansporing: laten we betalen)
Payez! (betaal!: meervoud/beleefdheid)
Passé récent
Wanneer?
Gebruik je voor een feit in het verleden dat pas gebeurd is. In het Nederlands zou je er het woordje 'net' voor tussenvoegen: ik ben net gaan wandelen, hij heeft net gevonden, ...
Hoe ?
De passé récent bestaat uit 2 werkwoordsvormen:
een hulpwerkwoord= de indicatif présent van 'venir' + de
de infinitief van het werkwoord
vb:
je
viens de
manger
tu
viens de
manger
il
vient de
manger
nous
venons de
manger
vous
venez de
manger
ils
viennent de
manger
imparfait
Wanneer ?

Gebruik je als je een gewoonte in het verleden of iets met een bepaalde duur in het verleden weergeeft: ik wandelde, hij dronk, zij gaven, ik maakte (elke dag) een fietstochtje,....
Hoe?
nous-vorm van de indicaif présent zonder 'ons'
+
uitgangen van de imparfait: ais-ais-ait-ions-iez-aient
vb:
je travaill
ais
tu travaill
ais
il travaill
ait
nous travaill
ions
vous travaill
iez
ils travaill
aient


passé composé
Wanneer?
Gebruik je voor een actie of een momentopname in het verleden: ik heb gewandeld, hij heeft gedronken, zij hebben gegeven,...
hoe?
de passé récent bestaat uit 2 werkwoordsvormen:
de indicatif présent van 'être' of 'avoir' (hulpwerkwoord)
de participe passé van het werkwoord (voltooid deelwoord)
Participe présent:
regelmatige werkwoorden op -er =>'er' valt weg en 'e' komt in de plaats
regelmatige werkwoorden op ir=>'ir' valt weg en 'i' komt in de plaats
regelmatige werkwoorden op -re => 're' valt weg en 'u' komt in de plaats
vb: j'
ai
parl
é
tu
as
parl
é
il
a
parl
é
nous
avons
parl
é
vous
avez
parl
é
ils
ont
parl
é

je
suis
part
i(e)
tu
es
parti
(e)
il
est
part
i
nous
sommes
part
i(e)s
vous
êtes
part
i(e)s
ils
sont
part
is

j'
ai
entend
u
tu
as
entend
u
il
a
entend
u
nous
avons
entend
u
vous
avez
entend
u
ils
ont
entend
u
!! let op bij être!! akkoord met het onderwerp!!
jongen: niets bij het participe passé: il est monté
meisje: 'e' bij het participe passé: elle est montée
2jongens: 's' bij het participe passé: ils sont montés
2meisjes: 'es' bij het participe passé: elles sont montées
1jongen en 1 meisje =>jongen wint: ils sont montés

=> wanneer met être?
alle werkwoorden van het verhaaltje van être (huis/berg)
alle wederkerende werkwoorden met 'se': se laver, se promener, se rappeler,...
plus-que-parfait
wanneer?
Gebruik je om een duur of een gewoonte uit te drukken die in het verleden al voorbij was: ik had gewandeld, hij had gedronken, zij hadden gegeven
Hoe?
De plus-que-parfait bestaat uit 2 werkwoordsvormen:
de imparfait van être of avoir
+
het participe passé van het werkwoord (voltooid deelwoord)
vb: j'
avais
bu
tu
avais
bu
il
avait
bu
nous
avions
bu
vous
aviez
bu
ils
avaient
bu
ik had gedronken, zij hadden gedronken

j'
étais
rentré(e)
tu
étais
rentré(e)
il
était
rentré(e)
nous
étions
rentré(e)s
vous
étiez
rentré(e)s
ils
étaient
rentré(e)s
ik was teruggekomen, zij waren teruggekomen
!! let op bij être!! akkoord met het onderwerp !!
toekomst
futur proche
futur simple
futur proche
Wanneer
Gebruik je als je iets wilt aangeven dat je gaat doen in de nabije toekomst, redelijk snel dus: ik ga wandelen, hij gaat dringen, zij gaan geven, ...
Hoe?
de futur proche bestaat uit 2 werkwoordsvormen:
indicatif présent van 'aller' (hulpwerkwoord)
infinitief van gegeven werkwoord (hoofdwerkwoord)
bv: je
vais
nager
tu
vas
nager
il
va
nager
nous
allons
nager
vous
allez
nager
ils
vont
nager
voorwaarde
conditionnel présent
conditionnel passé
conditionnel présent

Futur simple
wanneer?
Gebruik je om iets te vertellen dat je zal doen: ik zal wandelen, hij zal drinken, zij zullen geven,...
Hoe?
werkwoorden op -er + werkwoorden op -ir
infinitief
+
uitgangen: ai,as ,a ,ons, ez, ont
vb: je changerai
tu changeras
il changera
nous changerons
vous changerez
ils changeront

j'avertirai
tu avertiras
il avertira
nous averitrons
vous avertirez
ils avertiront
werkwoorden op -re
infinitief zonder 'e'
+
uitgangen: ai,as,a,ons,ez,ont
je vendrai
tu vendras
il vendra
nous vendrons
vous vendrez
ils vendront
wanneer?
Gebruik je om een voorwaarde uit te drukken: ik zou wandelen, hij zou drinken, zij zouden geven, ...
hoe?:
infinitief (stam van de futur simple)
+
uitgangen van de imparfait: ais, ais, ait, ions, iez, aient
vb: je donner
ais
tu donner
ais
il donner
ait
nous donner
ions
vous donner
iez
ils donner
aient

conditionnel passé
Wanneer?
Gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen: ik zou gewandeld hebben, hij zou gedronken hebben, zij zouden gegeven hebben, ....
Hoe?
De conditionnel passé bestaat uit 2 werkwoordsvormen=
de conditionnel présent van être of avoir
+
het participe passé van het werkwoord (voltooid deelwoord)
vb:
j'aurais
donné
tu
aurais
donné
il
aurait
donné
nous
aurions
donné
vous
auriez
donné
ils
auraient
donné
ik zou gegeven hebben, zij zouden gegeven hebben

vb: je
serais
allé(e)
tu
serais
allé(e)
il
serait
allé(e)
nous
serions
allé(e)s
vous
seriez
allé(e)s
ils
seraient
allé(e)s
ik zou gegaan zijn, zij zouden gegaan zijn,
!! let op bij être!! akkoord met het onderwerp !!!
Aanvoegende wijs
subjonctif présent
Subjonctif présent
Wanneer?
gebruik je in de bijzin na bepaalde werkwoorden of na bepaalde voegwoorden + in versteende uitdrukkingen
wanneer het werkwoord in de hoofdzin het volgende uitdrukt
een gevoel (blijdschap, woede, angst, spijt)
een wil, wens noodzaak
een twijfel,
(on)mogelijkheid
na de volgende voegwoorden
avant que
pour que
afin que
de sorte que/ de façon que/ de manière que
bien que
quoique
pourvu que
à moins que
à condition que
jusqu'à ce que
sans que
Hoe? :
1ste, 2de en 3de persoon enkelvoud (je, tu, il) + 3de persoon meervoud (ils)
3de persoon meervoud (ils-vorm) van de indicatif présent zonder 'ent'
+
uitgangen van de subjonctif présent: e- es- e -ent
1ste en 2de persoon meervoud(nous, vous)
1ste persoon meervoud (nous-vorm) van de indicatif présent zonder 'ons'
+
uitgangen van de subjonctif présent: ions-iez
je rencontr
e

tu rencontr
es
il rencontr
e
nous rencontr
ions
vous rencontr
iez
ils rencontr
ent

je finiss
e
tu finiss
es
il finiss
e
nous finiss
ions
vous finiss
iez
ils finiss
ent
uitzonderingen
je sois
tu sois
il soit
nous soyons
vous soyez
ils soient
j'aie
tu aies
il ait
nous ayons
vous ayez
ils aient
je fasse
tu fasses
il fasse
nous fassions
vous fassiez
ils fassent
je puisse
tu puisses
il puisse
nous puissions
vous puissiez
ils puissent
je sache
tu saches
il sache
nous sachions
vous sachiez
ils sachent
Einde
Full transcript