Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Van onderwijservaring naar onderwijspraktijk

No description
by

ellen visser

on 30 March 2016

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Van onderwijservaring naar onderwijspraktijk

Van onderwijservaring naar onderwijspraktijk
Presentatie huiswerkopdracht:
Onderwijservaring & Basisbehoeften
Leerpsychologie
van
volwassenen
Basisbehoeften: Piramide van Maslow
Onderwijservaring:
Basisbehoeften

Basisbehoeften Luc Stevens
TCI Gerard Treffers Communicatie lesdag 2
Onderwijspraktijk
Communicatie-technieken
in de klas
Leerstadia van Maslow
Communicatie-stijlen
platina regel
Groepsvorming:
Forming
Storming
Norming
Performing
Leerstijlen Kolb
Competentie
Competentie in de onderwijspraktijk

Wanneer je het gevoel hebt dat je iets goed doet en daarvoor waardering krijgt ontwikkel je gevoelens van competentie. Als je hier ook nog eens zelf invloed op uit kunt oefenen wordt het leren betekenisvoller. Binnen het onderwijs is het van belang om het gevoel van competentie bij de leerlingen te ontwikkelen door de leerlingen trots te laten zijn op hun eigen kunnen en kwaliteiten.

Competentie
• Sensitief zijn, d.w.z emotionele en didactische steun geven waar dat nodig is.
• Interactie: verbaal/non-verbaal, wederzijds respect/vertrouwen, leerling zien als volwaardige partner, hoge verwachtingen, uitdaging en ondersteuning, leren evalueren, ruimte geven aan verschillen.
• Instructie: volop ontwikkelingsmogelijkheden, gehele handelingsrepertoire moet gericht zijn op versterking van competentiegevoel, geloof en plezier in eigen kunnen versterken, zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky), initiatieven van leerlingen bevorderen, emotionele betrokkenheid zet aan tot leren, effectieve instructie.
• Klassenmanagement: uitdagende leer- en werkomgeving, voorstellen van leerlingen serieus nemen, samenwerken of juist zelfstandig werken, zelfcontrole.

Autonomie
Autonomie in de onderwijspraktijk

Autonomie betekent dus het ‘zelf kunnen’ en ‘zelfstandig zijn’. In het onderwijs is het van belang om dit op verschillende manieren vorm te geven.
Het laten bedenken van eigen aanpakken en oplossingen speelt binnen het gehele onderwijs een grote rol. Het zelf keuzes maken in goed of foute dingen, oplossingen bedenken voor problemen en dingen aanpakken zoals de leerlingen denkt dat het goed is. Als leerlingen zich betrokken voelen bij belangrijke zaken in hun leef- en leeromgeving versterkt dat hun gevoel van autonomie.

Autonomie
• Leerling is mede-eigenaar van het onderwijsleerproces.
• Interactie: initiatieven van leerlingen accepteren, overleggen, niet controleren maar stimuleren, verantwoordelijkheid bij de leerlingen, leren van en met elkaar mogelijk maken, samenwerkingsvormen, uitdagen.
• Instructie: eigen aanpakken en oplossingen laten bedenken, zelfcorrectie, instructie op maat.
• Klassenmanagement: keuzemogelijkheden bieden, zelfcorrectie, leerlingen zelf laten plannen en vorderingen bijhouden, leerlingen laten meebepalen over inrichting.

Relatie
Relatie in de onderwijspraktijk

Erbij horen, welkom zijn, samen mogen/kunnen/willen spelen en werken, dat is relatie. Als leerlingen het gevoel hebben dat ze hier invloed op hebben wordt het gevoel van relatie alleen maar versterkt. Binnen het onderwijs is het belangrijk om aandacht te besteden aan relaties binnen de klas. Er als leerkracht zijn voor de leerlingen is noodzakelijk: vragen beantwoorden, helpen bij problemen en samen een oplossing bedenken, een luisterend oor bieden, enzovoort. Op deze manier bouw je een relatie met de leerlingen op. Een relatie heeft tijd nodig, maar een relatie is wel nodig om tot een goede ontwikkeling te komen.
Het onderling bevorderen van relaties in de klas kan op verschillende manieren, zoals: werken met groepjes of maatjes, leerlingen veel dingen laten overleggen of veel samenwerken. Op deze manieren komen ze in contact met de leerlingen om hun heen..

Relatie
Relatie
• Interactie: omkeerbaar taalgebruik, belangstelling tonen, eigen gevoelens delen, prijzen op afstand en corrigeren van dichtbij, respect, empathie (inlevingsvermogen), eerlijk en open.
• Instructie: veiligheid bieden, bijdrage waardevol vinden, samenwerkend leren bevorderen, interactieve instructie, beschikbaar zijn, sensitief voor signalen en daar responsief op reageren.
• Klassenmanagement: ongedwongen momenten inbouwen, ieder kind zijn eigen plekje, samen werken/spelen/elkaar ondersteunen, gesprekken.

Motivatietheorie
Als je honger hebt, kom je in beweging en je gaat eten zoeken. Gevoelens als honger en kou motiveren heel sterk om eten te zoeken of om iets warms aan te trekken. We noemen eten en warmte basisbehoeften. Basisbehoeften zijn sterk motiverende factoren.

Alle mensen hebben behoeften: behoefte aan vriendschappen, aan woonruimte, kleding enzovoort. Abraham Maslow heeft in de zestiger jaren een motivatietheorie ontwikkeld op grond van de behoeften die iedereen heeft. Hij heeft de menselijke behoefte in kaart gebracht in de vorm van een piramide. De bodem van de piramide is de behoefte die het meest fundamenteel is. De behoefte die daarboven staat, kan pas aan bod komen als de vorige vervuld is.
De basisbehoeften gelden voor iedereen

• de behoeften zijn op elke leeftijd aan de orde
• de lagere behoefte gaat voor
• de hogere behoefte is geen luxe
• hoe hoger de behoefte, hoe meer manieren om hem te bevredigen


Basisbehoeften Maslow in de reclame!
Luc Stevens: Adaptief onderwijs
Relatie, competentie en autonomie
zijn de basisbehoeften van alle leerlingen, jong en oud.

In een model zijn de
basisbehoeften
van de leerlingen gecombineerd met
interventiemogelijkheden
van leraren in alle vormen van onderwijs. In dit model zien we de basisbehoeften van leerlingen (relatie, competentie en autonomie) en de interventies van leraren om aan deze behoeften tegemoet te komen
(interactie, instructie en klassenmanagement)
samengevoegd binnen een omgeving.
Een klas is meer dan de optelsom van alle leerlingen. Iedere groep moet een aantal
fases
door voor hij hecht kan
samenwerken
.

Herken je deze fases in je klas? En hoe kan je daarop inspelen als docent? Vier tips.
Forming:
De klas leert elkaar beter kennen
Bij de start van het schooljaar is de klas nog een verzameling individu’s. Die wordt pas een groep als ze samen ervaringen opdoen, er een ‘groepsgeschiedenis’ komt. Dat vraagt vertrouwen in elkaar en emotionele veiligheid.

TIP: Maak voldoende tijd om met jou en elkaar kennis te maken. Bied veel structuur, hou de touwtjes stevig in handen. Bied duidelijkheid en dus veiligheid.

Norming:
De groep legt de
ongeschreven regels vast
In deze fase komen leden weer meer naar elkaar toe en maken ze samen de groepsrollen en -normen op. Die regels kennen en je eraan houden, biedt veiligheid in een groep. De regels zijn niet altijd ‘constructief’. Soms is de norm ook: luisteren naar degene die het luidst roept. Corrigeer dat als leraar. In deze fase wordt de klassfeer gezet. Leerlingen willen zichzelf kunnen zijn. Ze nemen kleine risico’s. Tonen de andere leerlingen respect, dan stimuleert dat om meer van zichzelf te tonen. De samenwerking loopt steeds vlotter en de groep wordt meer dan de som van de delen.

TIP: Zet in op activiteiten die verdere kennismaking en uitwisseling stimuleren. Zorg ook voor groepsuitdagingen die een grote kans hebben op succes. Niets verbindt een groep zo als een succeservaring.

Storming:
Het botst
In een groep wil iedereen erbij horen.
In deze fase gaan leerlingen verbonden sluiten: ze zoeken gelijkenissen (zelfde sport, zelfde dorp, zelfde kledingstijl). Tegelijkertijd zoeken ze naar de eigen positie in de groep. De ene wil de rol van de leider, de andere zorgt voor humor of blijft graag op de achtergrond, nog iemand anders draagt graag zorg … Dat zorgt soms voor spanningen of conflicten.

TIP: Zorg voor veel contacten. Laat de leerlingen in kleine groepjes werken en varieer de samenstelling. Blijf duidelijk aanwezig. Geef aan hoe je verwacht dat de leerlingen met elkaar omgaan. Geef zelf het goede voorbeeld.

Performing: We kunnen gaan presteren
De leerlingen hebben elkaars talenten en kwaliteiten leren kennen en waarderen. Ze maken zich geen zorgen meer over afwijzing. Ze kennen elkaars verschillen en waarderen ze. Ze vullen elkaar aan, de groep wordt ‘performant’.

TIP: Zorg voor genoeg nieuwe impulsen, nieuwe uitdagingen. Telkens als er iemand bijkomt of vertrekt, verandert de groep en moet die alle fasen (even) opnieuw doorlopen.

Communicatietechnieken
1
Spreektechnieken
: technieken waardoor de zender op een duidelijke en gerichte wijze de boodschap die hij wil brengen, kan brengen.

2
Luistertechnieken
: technieken waardoor de ontvanger de boodschap van een ander individu beter kan ontlokken, aanhoren en begrijpen.

3
Structureringstechnieken
: technieken die onder één of andere vorm (volg)orde brengen in het ideeëngoed dat voorhanden is.

4
Duidingstechnieken
: technieken waarmee de bedoelingen of de sfeer kan
aangegeven worden waarbinnen de communicatie gebeurt.

Spreektechnieken
a. Tweerichtingscommunicatie
Spreektechnieken
b. Feedback
c. Ik-boodschappen
d. Kapotte grammofoonplaat
e. Ballonnetjes laten opgaan
f. Ken ik de leerlingen?
g. Geef voorbeelden waar je een leerling bij betrekt
h. Aandachtstrekkers
i. Technische spreektechnieken

a. Actief luisteren

In communicatie heeft luisteren twee functies:
- Aandacht geven aan de verteller
- Proberen te achterhalen wat de verteller met zijn of haar verhaal probeert te zeggen

Bij actief luisteren is dat niet anders. Bij actief luisteren laat je door je gedrag zien dat je echt luistert. Het gaat bij actief luisteren om de volgende gedragskenmerken.

Luistertechnieken
Actief luisteren
De spreker rustig aankijken
Rustige en ontspannen lichaamshouding
Knikken, hummen
Papegaaien
Stiltes laten
Stellen van vragen
Samenvatten of parafraseren van inhoud
Reflecteren van meningen en gevoelens

Luistertechnieken
b. Herhalingstechniek
c. Spiegelen
d. Het spiegelen koppelen aan de gebeurtenissen
e. Vragen stellen
f. Buiten dit techniek
g. ‘Advocaat van de duivel’ techniek
h. ‘Wat willen jullie hierover weten’ techniek
i. Selecterend, structurerend en
kritisch luisteren
Vragen stellen
A
- open vragen
- gesloten vragen
B
- leidende vragen
- opvolgingsvragen
C
- directe vragen
- Indirecte vragen
D
- geheugen vragen
- denkvragen (begripsvragen, toepassingsvragen, analysevragen, synthesevragen en evaluatievragen)


A Selecterend luisteren: de luisteraar selecteert enkel die informatie die voor hem relevant is.
B Structurerend luisteren: structuur zoeken in de inhoud
C Kritisch luisteren: onderscheiden van feiten en meningen

Structureringstechnieken
a. Opsommen van alternatieven
b. Standpunt van beide partijen verwoorden
c. Splitsingsstrategie
d. Systematische probleembenadering
e. Zeggen waarover niet gepraat kan worden
f. Helikopterherhaling
g. Vlaggetjes planten
h. Pingpongballetje opnemen
i. Geef aan wanneer de leerling aan de beurt zal komen
j. Wanneer gebeurt wat?
k. Structuur verlaten


15 Tips voor effectief communiceren in de klas
Tip 7: Spreek liever je concrete gevoel uit i.p.v. generaliseren
Tip 8: Beschrijf je eigen gevoel i.p.v. de ander te definiëren
Tip 9: Onderzoek wat wél mogelijk is i.p.v. het onmogelijke eisen
Tip 10: Zeg wat je doet en doe wat je zegt
Tip 11: Expliciteer!
Tip 12: Laat merken dat de boodschap is overgekomen.
Tip 13: Probeer de ander oprecht te begrijpen.
Tip 14: Check of je de boodschap hebt begrepen.
Dat kan door herhalen.
Tip 15: Check of je de boodschap hebt begrepen.
Dat kan door parafraseren.
Tip 1: Praat liever over jezelf dan over de ander
Tip 2: Neem liever een standpunt in dan vragen stellen
Tip 3: Laat de ander liever over zichzelf praten dan gedachten lezen
en bedoelingen interpreteren
Tip 4: Wees eenduidig: Zorg dat wat je zegt en wat je doet
overeenstemt
Tip 5: Zorg dat je ‘verbale’ en ‘non-verbale’ boodschap met elkaar
overeen stemmen
Tip 6: Wees niet te voorzichtig, stel eisen
De vier basis-communicatiestijlen
De regisseur
De motivator
De zorger
De analyticus
Het model laat zien dat de lerende
vier fasen
doorloopt wanneer een
nieuwe vaardigheid of competentie
wordt aangeleerd.

De eerste fase -
onbewust onbekwaam:
De lerende is zich niet bewust is van een hiaat in zijn kennis of vaardigheden

Tweede fase -
bewust onbekwaam
:
De lerende herkent het hiaat, maar heeft hij nog geen effectieve strategie om dit op te lossen.

Derde fase -
bewust bekwaam
:
De lerende weet een bepaald probleem te benaderen of kan een bepaalde vaardigheid toepassen, maar dit vereist een grote mate van concentratie.

Laatste fase -
onbewust bekwaam
:
De lerende heeft zich de vaardigheid zodanig eigen gemaakt dat het toepassen ervan als het ware een tweede natuur is geworden, zonder dat het veel concentratie vraagt.

Specifieke kenmerken van leren door volwassenen
1. Groepen volwassen deelnemers vertonen een grote verscheidenheid op het vlak van achtergrond en voorkennis.
2. Volwassenen willen over het algemeen meer de controle over hun eigen leren in handen nemen dan jongeren.
3. Volwassenen grijpen meer terug naar hun eigen ervaringen als een bron voor hun inspanningen op gebied van leren dan jongeren.
4. Volwassenen stappen meestal meer gemotiveerd in de leersituaties waarvoor zij zich engageren dan jongeren.
5. Volwassenen zijn meer pragmatisch in hun leren dan jongeren.


6. In tegenstelling tot jongeren, beschouwen volwassenen hun rol als lerende meer als van een tweede orde ten opzichte van de andere rollen die zij dagelijks hebben.
7. In vergelijking met jongeren moeten volwassenen hun inspanningen op gebied van leren veel meer inpassen te midden van een verscheidenheid aan verplichtingen waarmee hun dagelijkse leven hen opzadelt.
8. Doorgaans hebben volwassenen een minder groot vertrouwen dan jongeren in de eigen capaciteiten tot leren.
9. Volwassenen vertonen meer weerstand tegen verandering dan jongeren.
10. Vergeleken met jongeren, compenseren volwassenen de afnemende snelheid waarmee zij leren met een leren dat meer de diepte ingaat.

Belangrijke leerpsychologische kenmerken voor leersucces:

*
Voorkennis
: ruime werkervaring en ervaringskennis
Sluit het onderwijs aan op de voorkennis of is het juist hiermee in strijd?
Vraagt om zelfreflectie door deelnemers en open staan om (af) te leren.
Voorkennis activeren, uitwisselen binnen de groep, hierop moet worden voortgebouwd.

*
Opvattingen over leren
: opnemen van leerstof of zoeken naar mogelijkheden om de leerstof toe te passen in de praktijk?

* Leermotivatie: door werkgever gestuurd of eigen keuze?
Aantrekkelijke, interessante en haalbare lesstof/ opdracht belangrijk voor motivatie.

* Leervaardigheden: aandacht voor specifieke leervaardigheden kan nodig zijn wanneer het lang geleden is dat de deelnemer een formele opleiding gevolgd heeft.

* Leerstijlen en intelligentie: Grote diversiteit deelnemers. Leerstijltheorie Kolb en meervoudige intelligentie Gardner!

Leren van volwassenen
Volwassenen zijn bereid hun gedrag te veranderen als ze de
meerwaarde
van het nieuwe
zelf
kunnen
ervaren
.

Er is sprake van
echt leren
als er bij iemand op basis van eigen ervaring een
blijvende verandering in het gedrag
plaatsvindt.

Als docent doe je er in de opleiding dan ook verstandig aan de lerende volwassene in de gelegenheid te stellen het geleerde zelf te laten uitproberen en toe te passen, zodat het
functionele kennis wordt.
Opvallend is dat de lerende volwassenen in vergelijking met schoolkinderen nóg meer behoefte hebben aan zekerheid, structuur, toepasbaarheid, erkenning en een veilige omgeving.
Als opleider kunt u ervoor zorgen dat de cursisten...
a. van te voren goed geïnformeerd zijn over het ‘hoe en wat’ van de opleiding: cursisten hebben behoefte aan structuur, dit neemt onzekerheid weg
b. regelmatig geïnformeerd worden over de voortgang bij het leren, zij hebben behoefte aan feedback, ook dit neemt onzekerheid weg
c. de aangeboden leerstof in de eigen praktijk kunnen toepassen, geef dus toepassingsmogelijkheden voor de eigen praktijk
d. de aangeboden leerstof interessant en/of leuk vinden: breng het leuk met eigen ervaringen, anekdotes, voorbeelden, best practices, (eigen) fouten e.d.; leuke leerstof gaat er nu eenmaal beter in dan saaie!



e. de kans krijgen met de aangeboden leerstof te oefenen (behoefte aan uitproberen/toepassen)
f. merken dat de nieuwe leerstof aansluit bij datgene wat men al weet of beheerst (behoefte aan erkenning van kennis en ervaring)
g. merken dat het leren in een vriendelijke en constructieve sfeer gebeurt (behoefte aan gelijkwaardigheid)
h. het gevoel hebben het leren tot een goed einde te kunnen brengen (behoefte aan voldoende zelfvertrouwen)

Verschillende manieren van leren

1. De doener – concreet ervaren
De doener leert door ervaringen. Hij wordt graag ‘in het diepe gegooid’. Een doener werkt graag samen en onderneemt gauw actie. Hij zoekt zelf nieuwe leersituaties op, maar is soms ongeduldig als iets niet gaat zoals verwacht. Een doener vindt het soms moeilijk om hoofd en bijzaken van elkaar te onderscheiden en kan soms ‘zonder nadenken iets doen’.

Voorbeeld: een scheikundige reactie leren begrijpen door zelf op goed geluk wat proefjes uit te voeren en te kijken wat er gebeurt. “ Ik doe a en zie wel wat uit b komt”.


Verschillende manieren van leren
2. De denker – waarnemen en overdenken
Een denker stelt graag onderzoekende vragen. Hij kijkt naar wat er gebeurt en probeert algemene regels daarin te ontdekken, die eventueel met elkaar of met andere ervaringen in verband kunnen worden gebracht. Een denker houdt van logica en redeneren. Een denker leert het beste in gestructureerde situaties. Hij kan niet goed tegen wanorde en vraagt niet gauw om hulp. Niet alle ideeën van een denker zijn even praktisch.

Voorbeeld: een scheikundige reactie leren begrijpen door in boeken te lezen over de processen die optreden. “Ik lees a en zie dat b daaruit uit voort komt”.


Hoe stimuleer je de doener?

• Sfeer en menselijk contact zijn belangrijk, doe veel samen.
• De doener leert het best via groepswerk, taakjes en projecten.
• Doeners hebben uitdagingen en spanningsvolle situaties nodig die om snelle keuzes vragen.
• Doeners gaan soms zonder na te denken aan het werk. Evalueer een taak achteraf en help hoofd- en bijzaken te onderscheiden.
• Geef een doener de nodige tijd en ruimte om dingen uit te proberen.

Hoe stimuleer je de denker?

• Denkers weten graag waarom ze iets leren. vertel het hem.
• Een denker heeft orde en rust nodig in de studeerkamer. Maar ook in de klas, groepswerk is niet echt aan hem besteed.
• Geef denkers de tijd om zelf het hoe, wat en waarom te ontdekken.
• Bemoei je niet teveel met een denker. Denkers ervaren dit snel als een inperking van hun ambities.
• Denkers hebben uitdagingen zoals complexe vraagstukken nodig: altijd dezelfde stof verveelt snel.

Verschillende manieren van leren
3. De dromer- analyseren en abstract denken
De dromer wil ‘eerst denken, dan doen’. Hij denkt na over verschillende situaties en probeert zich hierin in te leven. Hierdoor ziet hij vaak meerdere (goede) oplossingen, maar twijfelt over een beslissing. Een dromer heeft tijd en ruimte nodig om goed te leren.
Voorbeeld een scheikundige reactie leren begrijpen door na te denken over mogelijke oorzaken en verklaringen voor wat er gebeurt. “Ik zie/lees a en wil weten/voor mezelf verklaren hoe het komt dat b eruit komt.”

Hoe stimuleer je de dromer?
• Zorg voor verschillende meningen over een probleem, dat stimuleert.
• Geef dromers tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en gevoelens te uiten.
• Dromers leren het best als de docent de leerstof met voorbeelden uitlegt.
• Leg geen limiet of tijdsduur op: dromers hebben hier een hekel aan.
• Moedig dromers aan: dan leren ze beter en liever.

Verschillende manieren van leren
4. De beslisser – gestructureerd experimenteren
De beslisser wil graag dat theorie aan de praktijk gekoppeld wordt en leert veel van praktijkvoorbeelden. Een beslisser leer het meest als hij dingen uitvoert samen met een expert. Hij plant graag en voert uit. Hij is tevreden als het leerproces zich volgens plan voltrekt, zodat hij stap voor stap tot het juiste resultaat kan komen.

Voorbeeld: een scheikundige reactie leren begrijpen door te kijken naar de manier waarop een scheikundeleraar de proef uitvoert en het vervolgens op precies dezelfde manier herhalen. “Ik heb gezien dat als ik a doe b erop volgt en doe dat precies zo.”

Hoe stimuleer je de beslisser?
• Help de beslisser om een duidelijke rode draad te herkennen in de leerstof.
• Geef de beslisser de kans om met eigen oplossingen te experimenteren.
• Laat de beslisser zelf een probleem oplossen, geef hem hierbij aanwijzingen en raad.
• Beslissers leren het best als ze voorbeelden uit de praktijk krijgen.
• Maak de beslisser duidelijk dat wat hij nu leert, later van pas komt.


Ben jij een doener, denker, dromer of beslisser?

Meervoudige intelligentie
Gardner
Interculturele communicatie
Wat is interculturele communicatie?
--> Communicatie tussen personen met verschillende culturele achtergronden
Een cultuurverschil kan een knelpunt zijn voor effectieve communicatie.

Modellen
Om specifieke culturen te kunnen identificeren, hebben wetenschappers modellen ontworpen. Criteria die worden gebruikt zijn: taal
geografie
machtsafstand
tijd
Bekende wetenschappers binnen de interculturele communicatie zijn:
Pinto en Hofstede




Piramide van Pinto
Westen
Oosterse cultuur
Belangrijk verschil: eigenbelang ondergeschikt aan belang groep !
Eer
bovenaan de piramide:
voorkomen van gezichtsverlies, schaamte en eeraantasting.
G-cultuur (Westerse landen)


* Grofmazige cultuur
* Algemene gedragsregels
* Individu vertaalt gedragsregels naar eigen specifieke situatie
* Ik-cultuur
* Individualisme belangrijk
F-cultuur
(niet-Westerse landen)

* Fijnmazige cultuur
* Gedetailleerde gedragsregels met voorschrijvend karakter
* Weinig ruimte voor individu
* Wij-cultuur
* Waarden, normen en regels van m.n. familie belangrijk

Kritiek op tweedeling van Pinto:
* Creëert omschrijving van culturen die niet bestaat

* Verschillen worden benadrukt, overeenkomsten worden buiten beschouwing gelaten

* Bestaan ook culturen binnen een cultuur
Driestappenmethode Pinto

Randvoorwaarden succesvolle interculturele communicatie:

* Kennen van cultuurgebonden waarden en normen
eigen cultuur
* Kennen van cultuurgebonden waarden en normen
andere cultuur
* Omgaan met verschillen

Een andere cultuur ontdekken is
als het pellen van een ui:




Laagje voor laagje kom je tot de kern.
* Buitenkant: symbolen
Tastbare zaken (kleding, haardracht enz.)
In Nederland: rood-wit-blauwe vlag, schaatsen

* Tweede laag: helden
Gedragsmodellen
In Nederland: Johan Cruijff, Vincent van Gogh

* Derde laag: rituelen
Collectieve activiteiten
In Nederland: groeten, verjaardagen, huwelijksplechtigheden

* De kern: waarden
(on)geschreven regels voor gewenst gedrag


Hoe komen verschillen in cultuur tot uiting?
*
Directe of indirecte communicatie:
lagecontextcommunicatie (recht door zee) of hogecontextcommunicatie
*
Tijd:
stipt op tijd of tijd rekbaar begrip
*
Persoonlijke ruimte
*
Omgang met superieuren
*
Masculiniteit en feminiteit:
feminine culturen (bescheidenheid, verantwoordelijkheidsgevoel, solidariteit en levenskwaliteit of masculine culturen (mannen dominant, competitief, assertief en vrouwen bescheiden en zorgzaam)
Full transcript