Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Werkwoordspelling

No description
by

Arnoud Kuijpers

on 31 October 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Werkwoordspelling

Persoonsvorm?
Ja
PV V T
PV T T
Gebiedende
wijs (GW)

stam
Infinitief
hele ww
Voltooid
Deelwoord (VD)

hele ww+d
Onvoltooid
Deelwoord (OD)

zo kort
mogelijk

Bijvoeglijk
Naamwoord (BN)

egenwoordige
ijd
erleden
ijd
Hoe vind je de PV?
1. Tijdsproef
2. Vormproef
3. Vragend maken
Voorbeelden
1. - We lopen samen naar de stad
- We
liepen
samen naar de stad

2. - We lopen samen naar de stad
- Ik
loop
samen naar de stad

3. - We lopen samen naar de stad
-
Lopen
we samen naar de stad?
Hij
loopt
samen met zijn vrienden naar de zee
Voorbeeld
Gisteren
liep
ik samen met mijn broer door het bos
Voorbeeld
Loop
nu eens door!
Voorbeeld
We willen nog naar de zee
lopen
Voorbeeld
Is het waar dat jij de marathon
van Rotterdam
gelopen
hebt?
Voorbeeld
Ik ga vaak
lopend
naar school
Voorbeeld
Het
lopende
hondje zag er schattig uit
Voorbeeld
stam+ /t/en
't ex-kofschip
't ex-kofschip
Nee
Zoek bij de PV TT uit wat de stam van het werkwoord is. Afhankelijk van de persoon komt er niets, ‘-t’ of ‘-en’ bij:

lopen worden
Ik… stam loop word …jij
Jij/hij/zij/het stam+t loopt wordt
Wij/jullie/zij stam+en lopen worden

Je kunt altijd ‘lopen’ in de plaats denken, om te kijken wat er bij de stam van een werkwoord komt.
Zoek uit wat de stam van het werkwoord is.

Afhankelijk van de persoon komt er niets, ‘-t’ of ‘-en’ bij:
lopen worden

Ik… stam loop word jij
Jij/hij/zij/het stam+t loopt wordt
Wij/jullie/zij stam+en lopen worden

Je kunt altijd ‘lopen’ invullen, om te kijken wat er bij de stam van een werkwoord komt.
Bij zwakke werkwoorden krijg je in de verleden tijd
‘–de(n)’ of ‘–te(n’).
Stap 1: Neem het hele werkwoord (de infinitief).

Juichen & Klagen
Stap 2: Haal er -en vanaf


Juich & Klag


Stap 3: Zit de laatste letter in ‘
t
e
x
-
k
o
fsch
i
p
, dan is het: stam+te(n)

Jui
ch
te
Stap 4: Zit de laatste letter
NIET
in 't ex-kofschip, dan is het: stam+de(n)

Klaa
g
de
Zwakke werkwoorden
Sterke werkwoorden
jui
ch
en dan
s
en verwa
ch
ten

ik/jij/hij/zij/het juichte danste verwachtte
wij/jullie/zij juichten dansten verwachtten

kla
g
en le
r
en vermoe
d
en

ik/jij/hij/zij/het klaagde leerde vermoedde
wij/jullie/zij klaagden leerden vermoedden
Voorbeeld
Bij sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd.

Bijvoorbeeld: lopen worden

ik/jij/hij/zij/het liep werd
wij/jullie/zij liepen werden

Je spelt de verleden tijd zo kort mogelijk.
De gebiedende wijs is altijd
de stam
van het werkwoord.
De stam vinden?
- Neem het hele werkwoord zonder '-en’:

Werkwoord Gebiedende wijs (stam)

fietsen Fiets eens wat harder man!
lopen Loop nou eens door!
worden Word toch eens volwassen!
Gebiedende Wijs
Infinitief
De infinitief wordt ook wel 'het hele werkwoord' genoemd.
De meeste infinitieven eindigen op -en, sommigen op -n.
Voorbeelden
: lopen, werken, bidden, eten, slapen, gaan, zien, doen, zijn.
Infinitieven maken deel uit van het gezegde.
Voorbeelden
(waarin de infinitieven rood zijn weergegeven):

(1) Ik wil daar niet aan
denken
.

(2) Ik hoef daar niet aan te
denken
.

(3) De agent spoorde de voorbijgangers aan (om) te
helpen
.

(4) Het meisje stond op haar tenen om te
kunnen
zien wat er gebeurde.
Elk werkwoord heeft maar één voltooid deelwoord, dat je altijd op dezelfde manier spelt.

Voltooid wil zeggen: het is gedaan, afgerond, het ligt achter je.
Voltooid Deelwoord
Zwakke WW
Sterke WW
Bij zwakke werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord op ‘–d’ of ‘-t’.

Zit de laatste letter van de stam wel in ‘
t
e
x
-
f
o
ksch
aa
p
, dan eindigt het op ‘-t’.

infinitief fa
x
en luk
k
en verwach
t
en
volt.dw. gefaxt gelukt verwacht

Zit de laatste letter van de stam
NIET
in ‘
t
e
x
-
f
o
ksch
aa
p
, dan eindigt het op ‘-d’.

infinitief mai
l
en dur
v
en vermoe
d
en
volt.dw. gemaild gedurfd vermoed
TIP: Kom je er niet uit, maak het werkwoord dan langer in de verleden tijd. De letter die je daar hoort, schrijf je bij het Voltooid Deelwoord!
Bijv: Ik hoor
d
e --> Ik heb gehoor
d
;
Hij fiets
t
e--> Hij heeft gefiets
t
Sterke werkwoorden krijgen in de voltooide tijd meestal -en:

infinitief lop
en
word
en
volt.dw. gelop
en
geword
en

Bij sommige sterke werkwoorden is het voltooid deelwoord afgeleid van de verleden tijd:
kopen (kocht) - ik heb gekocht

Bij sterke werkwoorden kan het voltooid deelwoord op een N eindigen:
zien - ik heb gezien
staan - ik heb gestaan
gaan - ik ben gegaan
scheppen (creëren) - ik heb geschapen
varen - ik heb gevaren
vinden - ik heb gevonden
Onvoltooid wil zeggen: het is nog aan de gang.

Het onvoltooid deelwoord krijg je door het hele werkwoord
+d
te nemen:

Infinitief joelen juichen schreeuwen zoenen fietsen
Onv.dw. joelen
d
juichen
d
schreeuwen
d
zoenen
d
fietsen
d
Onvoltooid deelwoord
Bijvoeglijk Naamwoord
Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen

Je schrijft een bijvoeglijk naamwoord zo kort mogelijk

Voorbeeld
: de blonde jongen, de ovale tafel, de gebrande nootjes, de vergrote foto
Tip: Weet je niet zeker of het een bijvoeglijk naamwoord is?
Kan je het woord veranderen in 'mooie' --> dan een BN
Oefeningen
Vul in wat er op de puntjes moet staan:
1. ......... (laden) je mobieltje eens op!
2. Ik ............… (worden) al tijden belaagd met spam.
3. In Afrika ............. … (schijnen) de zon fel,
op Antarctica .......... (sneeuwen) het en hier ..........................… (regenen) het.
4. ................… (bidden) je oom altijd voor het eten?
5. ................. (vermoeden) jij ook dat het CDA de verkiezingen wint?
Zet de volgende zinnen in de verleden tijd.
Vul in wat er op de puntjes moet staan:

1. De auto ........... (slippen) op het bevroren wegdek en de chauffeur .............. (worden) weggeslingerd.
2. In Amerika .............. (leven) vroeger meer Indianen dan nu.
3. Was het Aeneas die Rome ................. (stichten)?
4. De haven ............... (slibben) dicht, omdat de filtering van de sluis niet goed ................ (werken).
5. Terwijl Marie-Antoinette de auto vol ............... (laden), ................ (staan) Diederick-Jan aan de kant te vloeken.
Vul in wat er op de puntjes moet staan:

1. Als Andy Roddick ............ (verslaan) wordt, begint hij altijd met zijn tennisracket te slaan.
2. In Egypte is gisteren een vliegtuig ................. (kapen) door terroristen.
3. Tijdens die thriller zat ik weer eens .................. (sidderen = rillen) voor de televisie.
4. Dian heeft gisteren weer eens haar haar ................... (verven).
5. Rudy ................... (verklaren) ons zo meteen waarom hij Elsbeth de liefde heeft ................... (verklaren).
Vul in wat er op de puntjes moet staan:

1. De accountant ................ (begroten) zojuist de reeds ................... (begroten) bedragen opnieuw.
2. Ook Jeeps kunnen nu over het .................. (verbreden) zandpad rijden.
3. ................... (doen) zaken nemen geen keer.
Oefeningen
1. De vreugde werd .......................... (overschaduwen) door het overlijdensbericht.
2. Men ................... (vermoeden) dat de eigenaar met opzet zijn zaak failliet liet gaan.
3. De juf .................. (troosten) het kind dat uit het klimraam was gevallen.
4. .................. (Worden) jij wel eens geholpen met het maken van je huiswerk?
5. Ons eerste elftal .................... (strijden) tevergeefs tegen die sterke tegenstander.
6. Gisteren ........................ (melden) zich meer dan vijftig sollicitanten voor die baan.
7. Mijn kleine broertje heeft al weer in zijn broek ...................... (plassen).
8. We vonden een paddestoel die een ondraaglijke geur .................... (verspreiden).
9. Hoe laat ........................ (worden) oma Roos op Schiphol verwacht?
10. In Brussel ...................... (onderhandelden) men weer over de landbouwprijzen.
11. Charlotte heeft wel drie broeken ....................... (passen) voor ze er een kocht.
12. Met ....................... (bezweten) gezichten kwamen de kinderen de kamer inhollen.
13. Toen de toerleider het sein gaf, ......................... (starten) de wielrenners koers.
14. Wat voor een leuk plannetje ........................ (broeden) je nu weer uit?
15. Omdat ik geen reactie kreeg op mijn vraag, heb ik die ........................ (herhalen).
16. We vinden het niet zo leuk dat onze buurman duiven ........................ (houden).
17. Wie zijn neus ........................ (schenken), schendt zijn aangezicht.
18. De volleyballer ........................ (eisen) de eer alleen voor zichzelf op.
19. Met een ........................ (klagen) stemmetje probeerde ze wat langer op te blijven.
20. Ik ........................ (beseffen) heel goed, dat ik ik harder moest werken om over te gaan.
21. Ik heb je een fijne verjaardag .......... (toewensen)
Alarmbellen
Let op!

- Het gebeurt (pv tt) / Het is gebeurd (VD)
Voorbeelden
1. Hij .................... (worden) vandaag aangehouden.
loopt
wordt
2. ............... (worden) jij nu misselijk?
Loop
Word
3. Dat ..................... (gebeuren) nu echt!
Loopt
gebeurt
4. .................(worden) je broer straks boos denk je?
Loopt
Wordt
‘t ex-kofschip
Voorbeelden
1. Gisteren .................... (verhuizen) hij naar een ander dorp.
1. verhuizen. 2. verhuiz. 3. z = de
verhuisde
2. ...................... (beloven) zij dat jou?
Beloofde
3. Terwijl hier het verkeer voorbij ..................... (suizen),

................... (dichtslibben) de weg helemaal dicht!
suisde
4. Gisteren .................(surfen) Marga met haar zus.
surfte
1. beloven. 2. belov. 3. v = de
1. suizen. 2. suiz. 3. z = de
1. dichtslibben. 2. dichtslibb. 3. b = de
slibde
1. surfen. 2. surf. 3. f = te
Voorbeelden
Heb je direct 112 ................. (bellen) toen het

ongeluk was .................... (gebeuren)?
1.
je belde --> hoort 'd'
gebeld
het gebeurde --> hoort 'd'
gebeurd
In de zaal werd ....................... (juichen), toen hij

was ................................. (arriveren).
2.
je juichte --> hoort 't'
gejuicht
hij arriveerde --> hoort 'd'
gearriveerd
3.
Zij ...................... (bestellen) steeds meer, nadat ze haar eerste drankje heeft ......................... (bestellen).
bestelt
besteld
- Het bestrate plein / Wij bestraatten het plein
Nog meer oefenen?
niveau brugklas havo/vwo
niveau
3/4 havo/vwo
niveau brugklas 2 havo/vwo
niveau 5 havo/ 5&6 vwo
Referentieniveau bepalen?
Oefenen
http://www.cambiumned.nl/hpoefpvtt4.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefverltijdzwst.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefvdbijv.htm
http://www.cambiumned.nl/gebeuren.htm
http://www.cambiumned.nl/oefwwspellingbrugklas.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefspade1.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefww6.htm
http://www.cambiumned.nl/hptestwwref.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefww7.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefttvt.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefww5.htm
http://www.cambiumned.nl/hpoefgebwijs.htm
http://www.jufmelis.nl/woordsoorten/Bijvoeglijk-naamwoord/Bijvoeglijk-naamwoord-4
T
Loopt
Wil je de antwoorden? Mail jouw antwoorden naar a.kuijpers@candea.nl en ontvang een antwoordvel!
Full transcript