Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

UITWERKINGEN

No description
by

Luigi Toadstool

on 30 June 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of UITWERKINGEN

Opdr. 4
4.1
a)

b)


c)


d)


e)


f)
Opdr. 4.2
Opdr. 4.3
a)

b)

c)
d)
Opgave 1.1
a)




b)












c)
Opgave 2.1
Opdr. 3
SIDE A
SIDE B
THANK YOU!
UITWERKINGEN
OEFENTOETS

I. een werkgever biedt een baan aan.
II. een ontslagen docetn vraagt op jouw school of er werk voor hem is.
I. Werkgever bepaalt de vraag, dus vraag naar arbeid.
II. Werknemer biedt zijn arbeid aan. Dus aanbod van arbeid.
Aanbod van arbeid

Vraag naar arbeid
werklozen werknemers + zelfstandigen

werknemers + zelfstandigen vacatures
Werkgelegenheid
Werkzame beroepsbevolking
Ja, wanneer het aanbod van arbeid meer zal stijgen dan de werkgelegenheid.
a)


b)


c)
Gegevens:
- potentiële beroepsbevolking = 10.000.000 mensen
- beroepsbevolking = 8.000.000 mensen
- werklozen met volledige uitkering = 1.000.000 mensen
- 80% van de mensen uit de "niet-beroepsbevolking" krijgt volledige uitkering
- het land is verdeelt in 50% mannen en dus 50% vrouwen
- gemid. deeltijdfactor mannen 0,8 en vrouwen 0,4
Stel het land heeft 100 mensen dan zijn er dus 50 vrouwen met 0,4 en 50 mannen met 0,8. De gemid. deeltijdfactor is dan dus (50x0,4)+(50x0,8) / 100 = 0,6
werkzame beroepsbevolking
(7milj.)
p/a ratio = ---------------------------------------
totaal aantal arbeidsjaren
(7milj. x 0,6)
ofwel 7.000.000 / (3.500.000 x 0,4 + 3.500.000 x 0,8) = 1,67
er zijn dus 1,67 personen nodig om 1 arbeidsjaar te vullen.
beroepsbevolking
(8 milj.)

Bruto participatiegraad = -------------------------------------------- x 100% =
80%
potentiële beroepsbevolking
(10 milj.)

d)


e)



f)

g)

h)
werkzame beroepsbevolking
(7milj.)
netto particip. gr.------------------------------------------------- x 100% =
70%
potentiële beroepsbevolking
(10milj.)
"fulltime" inactieven (uitkeringontvangers)
(0,8 x 2 + 1)
i/a ratio = ------------------------------------------------------------------ x 100 =
62
"fulltime" actieven (uitkeringbetalers)
4,2
Dus 62 inactieven per 100 actieven.
(delta) aanbod
+ 1,5%
loonelasticiteit = ------------------- =
----------- = 0,375
(delta) loon
+ 4,0%
zie (f), per 1% loonstijging, stijgt het aanbod met 0,375%
Dus
10 x 0,375 = 3,75%
Dalen, De potentiële beroepsbevolking neemt dan sterker toe dan de beroepsbevolking, omdat de participatiegraad met het stijgen van de leeftijd sterk afneemt.
Opgave 2.2
Werkende vrouwen zonder kinderen gaan steeds minder uren werken. Zij beginnen met een deeltijdbaan en bouwen die verder af als er kinderen komen. Dat blijkt uit doorberekeningen van de Macro Economische Verkenningen (MEV).
In 1992 waren vrouwen met een baan gemiddeld 26,8 uur per week actief. In 2005 was dat teruggelopen naar 25,5 uur. Nergens in Europa hebben vrouwen een dergelijke korte werkweek.
Deze tendens staat haaks op het kabinetsbeleid dat er juist op is gericht meer vrouwen meer uren te laten werken. Het kabinet wil het aantal vrouwen dat werkt verhogen van 52 procent in 2000 naar 65 procent in 2010.
Het aantal vrouwen dat werkt neemt in de praktijk inderdaad toe, maar dat succes wordt getemperd door de afnemende duur van de werkweek. Daardoor stagneert de groei van het aantal uren dat de Nederlandse vrouw werkt. In 2000 was dat 12 uur, in 2005 13,3 uur: een toename van slechts 1,3 uur.

1. minder werken per week
2. het aantal (q) vrouwen dat werkt
a)


b)


c)
50% werkt gemid. 30u, terwijl 50% niet werkt ofwel 0u.
(50 x 30) + (50 x 0) / 100 = 15u per week gemid.
gemid. werkende vrouw is NIET hetzelfde als de gemid. Nederlandse vrouw. (bij de Nederlandse vrouw, behoren ook de vrouwen die niet werken.
d)







e)
Gegevens uit de tekst over 2005
- Vrouwen met een baan gemid. 25,5u aan het werk
- gemid. Nederlandse vrouw werkt 13,3u
Stel het aantal vrouwen = 100 (100%) en het aantal werkende vrouwen "x".
Dan kan ik de volgende formule maken:

(X * 25,5) + ((100 - X) * 0)
-------------------------------- = 13,3
100
(X * 25,5)
wordt ------------- = 13,3
100
oplossen: X * 25,5 = 1330, dus 25,5X = 1330 geeft X = +/-52%
Arbeidsparticipatie heeft betrekking op het aantal mensen (in de leeftijd van 15 - 64 jaar) die behoren tot de beroepsbevolking.
Het vergroten van de arbeidsparticipatie is gericht op het
vergroten van het draagvlak voor de sociale zekerheid in het algemeen en het veilig stellen van de AOW-uitkeringen aan AOW-gerechtigden.

Opgave 2.3
Arbeidsproductiviteit = 10.000 klein/jaar.
Dus per persoon wordt er 10K verdient.
100.000 x 10k = 1.000.000.000 klein/jaar
a)

b)

c)

d)

e)

10.000 p.p x 75% (want 25% = premies/belastingen) geeft €7.500
25% van €10.000 x 100.000 personen = 250.000.000 klein
50.000 inactieven
, Dus 250.000.000 / 50.000 personen = 5.000 klein
Stel inactieven +25% dus van 50.000 naar 62.500 inactieven. Totale inkomsten blijft onveranderd, dus 250.000.000 klein.
Uitkering per inactieven dus
250.000.000 / 62.500 = 4.000 klein.
f)





g)



h)
Dus alle 62.500 personen moeten €5.000 klein ontvangen.
Totale belasting en inkomsten van de overheid moet dus gelijk zijn aan
€5.000 x 62.500 personen = 312.500.000 klein
Aantal actieven = 100.000, dus
elke actieve moet 312.500.000 / 100.000 betalen = 3125 klein.
3125 = 25% dus 100% = 12.500 klein
.
10.000 was gelijk aan 40u. dan is 12.500 gelijk aan 50u, dus 10u langer werken.
Gegevens 62.600 inactieven (krijgen 5.000 klein)
100.000 actieven (betalen 25% van 10.000 klein)
Ik kom dus te kort. Want ik moet bovenstaand 312.500.00 uitbetalen terwijl er maar 250.000.000 binnen komt.
Formule. (100.000 + X) * (25% van 10.000) = (62.500 - X) * 5.000
Oplossen geeft X = +/- 8.333 personen moet actief worden.
Elke actieve gaat dus van 10.000 klein, naar 12.500 klein.
100.000 x (25% van 12.500) / 62.500 = 5.000 klein.
Van 2002 tot 2007 groeide de Nederlandse economie jaarlijks met 2,5% bij een trendmatige groei van 2%. Ondanks deze hoogconjunctuur nam de winstgevendheid van het Nederlandse bedrijfsleven af. Een belangrijke oorzaak daarvan was de loonontwikkeling: de lonen stegen
meer
dan de
arbeidsproductiviteit
, waardoor de loonkosten per
product
toenamen.
Verder kreeg het bedrijfsleven te maken met hogere kosten vanwege de
stijgende
prijzen van grondstoffen. Bedrijven konden deze kostenstijgingen
beperkt
afwentelen op hun
klanten
, zodat ook hierdoor de winstgevendheid onder druk kwam te staan. Economen verwachtten dat deze ontwikkeling de groei van de werkgelegenheid na 2007 zou
afremmen
, doordat bedrijven zouden overgaan op
diepte
-investeringen.

Opgave 3.2

a)



b)






c)
Productie: 120.000.000
Aantal mensen:
400 fulltime + 200 part-time (0,5) = 500 fulltimers totaal
.

Arbeidsproductiviteit = productie / aantal fulltimers =
120.000.000 / 500 = 240.000
Productie + 20% =
120.000.000 * 1,2 = 144.000.000
Arbeidsproductiviteit + 50% =
240.000 * 1,5 = 360.000
Fulltimers worden als laatste ontslagen.
Dus ik begin met fulltimers.
400 fulltimers x 360.000 = 144.000.000
Dan kom ik dus al op 0 uit.
Alle part-timers (200) worden dus ontslagen.
Arbeidsproductiviteit + 50% (Dus er wordt 50% meer geproduceerd.
Loon + 20% dus ze krijgen 20% meer loon. Wat is dit nu reëel bekeken?
Stel arbeidsproductiviteit is 100 producten, en het loon was hier ook €100.
Dan worden de loonkosten per product €1.
Vervolgens wordt de arbeidsproductiviteit 150 st. en het loon €120. Dit betekend dat de loonkosten per product nu 120/150 = €0,80. Dit is een daling van 20%
(18.000 - 12.000) / 12.000 x 100% = 50%
NIC
150
RIC = ------ x 100 =
------ x 100 = 93,75 (Dus een daling van 6,25%)
PIC
160
NIC
?
RIC = ------ x 100 =
------ x 100 = 100 (Dus 60%, want ? = 160)
PIC
160 12.000 x 0,6 = €7.200
Loonruimte, "hoeveel kan het loon meegroeien?"
100 x 1,02 x 1,0225 = 104,295
Dus 4,295%
Werknemers werken 1600u
10u per fiets, dus 160 fietsen.
Dus €18.000 voor 160 fietsen
=> kosten per fiets dus
18.000 / 160 = €112,50
Loon +6% dus, €18.000 x 1,06 = €19.080
Dus nu €19.080 voor 163,2 fietsen
=> kosten per fiets dus
19.080 / 163,2 = €116,91
Aantal fietsen +2%, dus 160 x 1,02 = 163,2 fietsen
100 x 1,012% x 1,045% = 105,754
Dus 5,754%
Dus wanneer het loon meer stijgt dan arbeidsproductiviteit.
Dat is
in de jaren 2008 en 2009
index loonkosten per werknemer
index loonkosten per product = -------------------------------------------------- x 100
index arbeidsproductiviteit
103,5
index loonkosten per product = ------------- x 100 = 99,04 Dus daling van 0,96%
104,5
109,581
index loonkosten per product = ------------- x 100 = 97,40
112,049
Index loonkosten per werknemer = 100 x 1,031 x 1,021 x 1,041 = 109,581...
Index arbeidsproductiviteit = 100 x 1,046 x 1,038 x 1,032 = 112,049.....
a)




b)




c)







d)


Toegevoegde waarde = Omzet - Inkoopwaarde

= 126.000 - (28.000+8.000) = €90.000
Winst = Omzet - Totale Kosten = €40.000
(Winst = 126.000 - 28.000 - 8.000 - 24.000 - 14.000 - 12.000)
40.000/90.000 x 100% =44,44%
Winst = €24.000
24.000/90.000 x 100% =26,67%
Nieuwe getallen na doorvoering:
Grondstoffen: 28.560
Energie: 8.160
Lonen: 26.400
Rente: 14.700
Huur: 12.600
Totale kosten dus nu (som van bovenstaande) => €90.420
Omzet: 128.520 => Dus winst 128.520 - 90.420 = 38.100
Toegevoegde waarde: 128.520 - 28.560 - 8.160 = 91.800
Dus Winst in % van de Toegevoegde waarde = 38.100/91.800 x 100% = 41,50%
Uitwerking opdracht 4.4
a. Indexcijfer binnenlands inkomen = (960 / 600) × 100 = 160.

b. Het prijsindexcijfer = (168 / 120) × 100 = 140.

c. Het indexcijfer van het reëel binnenlands inkomen = (160 / 140) × 100 = 114,29.

d. Het reëel binnenlands inkomen is gestegen met 114,29 – 100 = 14,29%.

e. Het indexcijfer inwoners: (113,5 / 108) × 100 = 105,1.

f. Het reëel binnenlands inkomen per inwoner stijgt met: (114,29 / 105,1) × 100 = 108,7.

g. In ’95 zijn er 16 miljoen inwoners. In 2000 zijn dat er 16 × 1,08 = 17,28 miljoen en in 2010 zijn dat er 16 × 1,135 = 18,16 miljoen inwoners.
Het gemiddeld inkomen in 2000 = 600 miljard/17,28 miljoen = € 34.722,22.
Het gemiddeld inkomen in 2010 = 960 miljard/18,16 miljoen = € 52.863,44.
Het gemiddeld inkomen is dus toegenomen met € 52.863,44 - € 34.722,22 = € 18.141,22.

Uitwerking opdracht 4.5
a. Een vakbond is een landelijke organisatie van werknemers werkzaam in dezelfde bedrijfstak. Een vakcentrale is een overkoepelend orgaan van vakbonden.

b. (103/101,8) ×100= 101,18 → + 1,18%

c. De reële loonstijging is kleiner dan de arbeidsproductiviteitsstijging, dus daalt het aandeel van de lonen in de toegevoegde waarde per product.
De som van arbeidsproductiviteitsstijging en prijsstijging is hoger dan de loonstijging, dus daalt het aandeel van de lonen in de toegevoegde waarde(winstaandeel of overig inkomensaandeel stijgt).

d. Lonen stijgen, consumptie stijgt, vraag stijgt, productie stijgt, meer werk.

e. Bijvoorbeeld: De werkloosheid ontstaat door het inzakken van de export. De export loopt terug omdat bedrijven zich uit de markt hebben geprezen, ze zijn te duur als gevolg van te hoge loonkosten. De oorzaak ligt dus in de aanbodkant van de economie en is daarom structureel.
OF: bedrijven zullen door de hoge loonkosten niet of minder in Nederland investeren/ zich hier vestigen omdat het elders aantrekkelijker wordt; dit gaat ten koste van de werkgelegenheid.

Opdr. 5 uitwerkingen los op ELO
SUCCES MET LEREN!!!
FIJNE VAKANTIE
Full transcript