Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Sociale vaardigheden 1.1

Deze presentatie gaat over de basisvaardigheden in communicatie.
by

Patrick van Koulil

on 13 October 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Sociale vaardigheden 1.1

Sociale vaardigheden 1.1
2015-2016
1. Introductie
De eerste les is ingericht om de periode op te starten. De basisbegrippen m.b.t. communicatie worden behandeld. Als warming-up zijn er een aantal opdrachten.
Non-verbale communicatie?
Non-verbale communicatie:
Stem;
uiterlijk;
lichaamshouding;
gebaren;
gezichtsuitdrukking.
(Communicatie zonder woorden)
Wanneer is non-verbale communicatie geslaagd?
Vraag:
Eerste indruk
2. Luisteren & vragen
Tijdens deze tweede les worden de allereerste basisvaardigheden voor gesprekstechniek uitgelegd: luisteren en vragen.
3. Luisterniveaus & samenvatten
Deze week gaan we vooral bezig met de techniek ‘samenvatten.’ Het belang en het doel hiervan worden uitgelegd. Ook komen de regels voor het maken van een samenvatting aan bod.
4. Feedback
Deze week besteden we aan het leren geven en ontvangen van feedback.
6. Communicatieaspecten - part 1
Deze week komen een aantal belangrijke basisbegrippen uit de communicatie aan bod. We staan eerst stil bij de betekenis en gaan dan een experiment uitvoeren.
7. Communicatieaspecten – part 2
Tijdens deze 2 uur gaan we verder met het inhouds- en betrekkingsniveau in communicatie. Door middel van een experiment, komen deze twee niveaus makkelijker naar boven.
9. interculturele communicatie
Deze week volgt er een terugkoppeling op de les van de week hiervoor. De ervaring wordt omgezet naar kennis doormiddel van een theoretisch kader.
Vooronderstelling:
"aanname; als waar aangenomen gedachte; verondersteld gegeven"
Vooroordeel:
"niet op kennis of redenering, maar op neiging, traditie of navolging berustend oordeel omtrent iets of iemand"
Eerste indruk
6 seconden
Zender
Boodschap
Ruis
Ontvanger
codering
Referentiekader:
"het totaal aan waarden en normen, gewoonten, en ideeën volgens welke je denkt en handelt."
-Coderen:


-Decoderen:
"het omzetten van gedachten en gevoelens in woorden, lichaamstaal of beelden."
"het omzetten van woorden, lichaamstaal of beelden in betekenis"
Ruis:
"een communicatiestoring waardoor de boodschap niet goed overkomt:
Interne ruis: de storing ligt binnen het communicatieproces tussen zender en ontvanger.
Externe ruis: de storing ligt buiten het communicatieproces.
Waardoor ontstaat ruis?
Belangrijkste oorzaken:
onvoldoende taalvaardigheden;
in gedachten met iets anders bezig;
fysiek met iets anders bezig;
zender/ontvanger is geëmotioneerd.
lezen als voorbereiding:
Hfd. 8.5, 8.6
Lezen als voorbereiding:
Hfd. 6.4, 7.3, 7.4, 5.2, 5.3
gespreksvaardigheden:
Luisteren
Vragen stellen
Luisterniveaus:

Passief luisteren
nauwelijks (niveau 1)
oppervlakkig (niveau 2)
inhoudelijk (niveau 3)

Actief luisteren
empathisch (niveau 4)
voortgang bevorderen

interesse tonen

de ander helpen

de ander begrijpen

aan juiste informatie komen

de structuur vasthouden
Soorten vragen
open vragen

gesloten vragen

dubbele vragen

suggestieve vragen

reflecterende vragen
valkuilen
Bagatelliseren

foutief interpreteren

diagnosticeren

moraliseren
Problemen kleiner maken dan ze zijn, als iets onbeduidends voorstellen.
Het toekennen van een verkeerde betekenis aan iemands woorden of gedrag.
Mogelijke oorzaken noemen zonder te weten of dit klopt.
Eigen waarden en normen proberen op te leggen.
Maak de volgende vragen open:
• Was je vakantie leuk?
• Heb je een twitter-account?
• Eten we bij jou of bij mij?"
• Zit klachtafhandeling in jouw takenpakket?

Maak de volgende vragen gesloten:
• Waar zullen we uit eten gaan?
• Wat vind jij van de Excel-workshop?
• Hoe vind je je werk?
• Hoe orden jij jouw bestanden?
Opdracht
praten
samenvatten
opbouw van een gesprek
fase 1
fase 2
fase 3
fase 4
aanloopfase
planningsfase
themafase
slotfase
-begroeting
-social talk
-rollen verhelderen (wie ben ik)
-doel verduidelijken (wat wil ik)
-randvoorwaarden (bv tijd)
-hoe het gesprek gaat verlopen (+evt afspraken)
-per gesprek verschillend
-kern van het gesprek
-samenvatting van de inhoud
-controleren of dit klopt/men tevreden is
-afspraken maken
Gesloten gesprek


Halfopen gesprek


Open gesprek
samenvatten
kort en volledig
inhoud+vorm
in eigen woorden
controleren of het klopt
valkuilen...
napraten/papegaaien
het presenteren als je eigen conclusie
samenvatting is niet op inhoud gericht
feedback ontvangen
beschouw feedback positief
vraag zo nodig om verduidelijking
ga niet in de verdediging
maak afspraken voor toekomst
neem de ander, en de feedback, serieus
feedback geven
geef feedback op concreet aanwijsbaar gedrag
zeg wat dat gedrag met je doet
geef geen waardeoordeel
gebruik ik-boodschappen
wacht niet met feedback
geef niet op alle punten tegelijk feedback
geef negatieve en positieve feedback
vraag of het klopt
(hoofd)doelen in communicatie
informatie overdragen

jezelf uiten

iets van de ander willen

de ander vermaken
inhoudsniveau
betrekkingsniveau
(de letterlijke inhoud van de boodschap)
(informatie over de relatie tussen zender en ontvanger)
communicatieaspecten
zakelijk aspect:
wat zeg ik precies?
expressieve aspect:
wat laat ik van mezelf zien?
relationele aspect:
wat vind ik van de ander?
appellerende aspect:
wat wil ik van de ander?
Joharimatrix
EXPERIMENT
Experiment "X"
Doel:
subdoel 1:
subdoel 2:

Hypothese:





Opzet van het Experiment:









Werkwijze:
Middels een experiment kennis opdoen over hoe communicatie werkt.
Kennis opdoen over hoe je zelf communiceert.
Inzicht krijgen in wat 'succesvolle communicatie' is.
Hoe bewuster je bent van je eigen manier van communiceren en het communicatieproces van de ander, hoe succesvoller de communicatie is.
Om aan te tonen dat onze aanname (de hypothese) klopt, gaan we proberen om deze onderuit te halen. Met andere woorden: we gaan proberen om succesvol te communiceren 'zonder' inzicht of (voor)kennis. We hebben hier twee groepen voor nodig:

groep A: dit is de groep die het experiment gaat uitvoeren.
groep B: dit zijn de observatoren. Zij controleren het experiment en benoemen de resultaten.
Groep B krijgt instructie over het experiment en horen waar ze op moeten letten. Groep A mag voor deze eerste ronde de instructie niet horen en wachten buiten het lokaal. Zij krijgen hun opdracht pas als we gaan starten met het experiment (hoort erbij!). Als het experiment besproken is komt groep A weer binnen en start het experiment.


Groep A verlaat het lokaal weer even en groep B bespreekt na.



Groep A mag weer binnenkomen en worden nu betrokken bij de inhoud van het experiment. Met deze hernieuwde kennis en inzichten voeren ze opnieuw een opdracht uit. Groep B observeert weer.


Het experiment wordt nabesproken (resultaten).
ronde 1
ronde 2
ronde 3
ronde 4
F-culturen
G-culturen
eerbied voor ouderdom
gedetailleerde gedragsregels
geringe individuele vrijheid
angst voor schaamte
veel lijfstraffen
nadruk op hiërarchie
volgzaam, afwachtend

groepsgericht, sterke familieband
dienst en wederdienst
duidelijke scheiding van taken tussen mannen en vrouwen

emotioneel
indirecte communicatie
veel gebaren
bevelshuishouding
verheerlijking van de jeugd
globale gedragsregels
grote mate van individuele vrijheid
angst voor schuld
veel onderhandeling, discussie, uitleg
nadruk op gelijkheid
mondig, zelfstandig

individu-gericht
vrijwilligerswerk
geen scheiding taken tussen mannen en vrouwen

rationeel
directe communicatie
weinig gebaren
onderhandelingscultuur (onder andere bij de opvoeding)
knelpunten
familie
eer
rollen
gastvrijheid en visite
tijd en planning
persoonlijk of zakelijk
slecht-nieuwsgesprek
sociaal-wenselijk gedrag en antwoorden
(in)directe en relationele communicatie
tussen de F- en G-cultuur
F
M
G
eerste indruk...
A
B
5. Socialisatie en referentiekader
Deze week maken we kennis met het begrip socialisatie. Wie ben ik, maar vooral ook: waarom ben ik zo. Kernvraag: Waar komen mijn normen en waarden vandaan?
bekend aan mezelf
bekend aan de ander
onbekend aan de ander
onbekend aan mezelf
geheim
openheid
blinde vlek
onbewuste
lezen als voorbereiding:
Hfd. 8.5
lezen als voorbereiding:
Hfd. 14.3
lezen als voorbereiding:
Hfd. 25.3
lezen als voorbereiding:
Hfd. 5.2
lezen als voorbereiding:
Hfd. 5.4, 6.5
lezen als voorbereiding:
Hfd. 5.4, 6.5
RAFA
RAFA!

lezen als voorbereiding:
Hfd. 7.5
Opdracht:
Zet de volgende suggestieve vragen om in niet-suggestieve, open vragen:
• Vind jij Tessa ook zo'n rare meid?
• Korfbal is niks aan, vind jij ook niet?
• We gaan maar niet naar de Chinees hè?
• Marokko is een fantastisch land, vind je ook niet?
Bijvoorbeeld: een intakegesprek
Bijvoorbeeld: een slechtnieuwsgesprek
Bijvoorbeeld: hulpverlenend gesprek
Luisteren
Luisterniveaus:

Passief luisteren
nauwelijks (niveau 1)
oppervlakkig (niveau 2)
inhoudelijk (niveau 3)

Actief luisteren
empathisch (niveau 4)
Waar komen mijn normen en waarden vandaan?
Het proces waardoor waarden en normen worden overgedragen van mens tot mens.
Socialisatie
=
Primaire socialisatie:
Secundaire
socialisatie:
Het overnemen van waarden en normen van vrienden, de buurt, leeftijdsgenoten en massamedia.
Het overnemen van waarden en normen van gezin, familie en school.
Primaire socialisatie in het gezin:
door beloning en correctie

door imitatie

door identificatie
Peergroup

Massamedia

Bijzondere situaties
Secundaire socialisatie:
Primaire socialisatie op school:
Formele en informele overdracht normen en waarden.

Verwarring als normen en waarden afwijken van thuis.
Startvragen
Wat vind je belangrijk dat kinderen van hun ouders leren?

Word je zelf een strenge vader/moeder?

Van wie krijgt je kind seksuele voorlichting?
Opvoeden
Opdracht:
Hierboven zie je een cirkel. Plaats jezelf in het midden van de cirkel (in de kleine cirkel). Plaats nu, iedereen die voor jou belangrijk is / is geweest in de cirkel om jou heen.

Erg belangrijke mensen plaats je dicht bij je zelf, iets minder belangrijke mensen verder van je af.
Joharimatrix
Referentiekader:
"het totaal aan waarden en normen, gewoonten, en ideeën volgens welke je denkt en handelt."
Waarden & normen
Groep
Overdracht van de groepscultuur: socialisatie
unilaterale communicatie
bilaterale communicatie
(eenzijdige communicatie)
(tweezijdige communicatie)
multilaterale communicatie
(meerzijdige communicatie)
Communicatierichtingen
eenzijdige communicatie

tweezijdige communicatie

meerzijdige communicatie
- unilaterale communicatie

- bilaterale communicatie

- multilaterale communicatie
Effectieve communicatie
tip 1: codeer je boodschap goed

tip 2: herhaal zo nodig je boodschap in andere woorden

tip 3: luister naar de ander en controleer of je wordt begrepen

tip 4: communiceer doelgericht

tip 5: voorkom ruis
-bij jezelf
-bij de ander
-in de omgeving
Hoe geef ik een Nederlander een hand?
(1) U loopt met een bijna gestrekte arm op de ander af, u glimlacht.
(2) Bij het geven van de hand moet u uw elleboog buigen, dus niet gestrekt houden.
(3) U moet uw réchterhand geven. Als die bijv. in een mitella zit, dan moet u zich excuseren.

(4) U moet uw hand verticaal houden, anders denken ze dat u dominant bent of ondergeschikt.
(5) Daarna moet u met de ‘oksel’ van uw duim stevig botsen tegen de oksel van de andere duim.

(6) Knijp stevig in de hand van de ander. Hoe stevig? In een inburgeringscursus duurt het drie weken voor u dat ‘goed’ doet.
(7) U schudt éénmaal stevig vertikaal, er komen dan vanzelf twee naschudjes bij. Langer vasthouden mag absoluut niet.

(8) Tijdens het schudden moet u de ander in de ogen kijken.

(9) En u moet dan ook ontspannen knikken en glimlachen.

(10) Tot slot: u moet uw duim stevig in het zachte
vlees van de ander drukken. Dat is als het ware de punt achter de zin. De ander voelt dan dat u het méént!
F-culturen
G-culturen
eerbied voor ouderdom
gedetailleerde gedragsregels
geringe individuele vrijheid
angst voor schaamte
veel lijfstraffen
nadruk op hiërarchie
volgzaam, afwachtend

groepsgericht, sterke familieband
dienst en wederdienst
duidelijke scheiding van taken tussen mannen en vrouwen

emotioneel
indirecte communicatie
veel gebaren
bevelshuishouding
verheerlijking van de jeugd
globale gedragsregels
grote mate van individuele vrijheid
angst voor schuld
veel onderhandeling, discussie, uitleg
nadruk op gelijkheid
mondig, zelfstandig

individu-gericht
vrijwilligerswerk
geen scheiding taken tussen mannen en vrouwen

rationeel
directe communicatie
weinig gebaren
onderhandelingscultuur (onder andere bij de opvoeding)
Nabespreking
Hoe hebben jullie het bezoek aan een 'andere cultuur' ervaren?

Hoe was de eerste ontmoeting met de bezoekers uit de andere cultuur?
Uit: DOE MAAR GEWOON, 99 tips voor het omgaan met Nederlanders.
Hans Kaldenbach.
Meer misverstanden...
Een bloemetje meenemen
Nederlanders die bij elkaar op bezoek gaan, nemen vaak ‘een bloemetje’ mee. Dat is een bos bloemen. U geeft ze aan de gastvrouw. Die zegt dan meestal: 'Dat had je niet moeten doen.' Dat klinkt ondankbaar, maar is bij Nederlanders juist een teken van dankbaarheid.
Hoe bestraffen Nederlanders?
Nederlanders hebben een merkwaardige manier om te corrigeren en te straffen. Ze zéggen niet dat iets niet mag, ze stellen een vraag! Een leraar die een leerling betrapt met spieken zegt: 'Ben jij aan het spieken?' of: 'Wat doe jij nou?'
Tijd
Nederlanders hebben nooit tijd. Alles is altijd strikt gepland. Of het nu gaat om een zakelijke afspraak of een persoonlijke afspraak, een Nederlander leeft volgens de klok.

ontbijt het liefste tussen 7 en 8 uur
lunch tussen 12 en 1 uur
avondeten tussen 5 en 6 uur

om 8 uur wordt er koffie gedronken (2x een kopje, met 2 kleine koekjes of 1 grote)
Reflectieverslag
Inleveren in de toetsweek (zie mail)!
RAFA! RAFA!
Twee culturen:
Elke cultuur heeft zijn eigen leefregels.
1. verdelen (5 min.)
2. in eigen lokaal de cultuur 'eigen maken' (10 min.)
3. cultuur uitspelen
4. uitwisseling (telkens één of twee) (+/- 30 min.)
5. nabespreking (15 min.)
‘Selma’
De eerste BPV-dag van Selma was niet de gemakkelijkste dag uit haar leven. Selma heeft na het kennismakingsgesprek met haar begeleidster Yvonne afgesproken dat zij vandaag om 10.00u in woonbegeleidingscentrum De Vleugel in Zaandam begint aan haar BPV.

Selma was gisteren nogal zenuwachtig. Wat zou haar te wachten staan? Tot overmaat van ramp is trein van Amsterdam naar Zaandam niet op tijd. Selma baalt; de eerste dag een half uur te laat. Wat zal Yvonne daarvan zeggen?

Als Selma aan komt lopen, ziet ze Yvonne al zitten. Yvonne kijkt boos. 'Dat is vast omdat ik te laat ben’, denkt Selma. Selma neemt zich voor om onmiddellijk haar excuses aan te bieden.

Selma loopt Yvonnes kamer binnen en zegt: 'Sorry, sorry, wat vreselijk dat het de eerste dag al helemaal mis loopt.' Yvonne kijkt haar verbaasd en vriendelijk aan en zegt: 'Wat bedoel je?'

Beantwoord de vragen in tweetallen:
1. Welke ruis bevindt zich in deze situatie?
2. Wat is de oorzaak van deze ruis?
3. Hoe had deze ruis voorkomen kunnen worden?

Past dit binnen jou referentiekader?
(waarom wel/niet?)
Past dit binnen jou referentiekader?
(waarom wel/niet?)
Past dit binnen jou referentiekader?
(waarom wel/niet?)
Past dit binnen jou referentiekader?
(waarom wel/niet?)
Waarden:
Normen:
"dat wat men belangrijk vindt in het leven"
"concrete gedragsregels afgeleid van waarden"
#opdracht
maak een groepje van 3 personen
'A' moet er in een interview achter komen wat voor leven 'B' over 5 jaar zou willen hebben.
Doe dit in 10 minuten.
Daarna vat 'A' het verhaal van 'B' in 1 minuut samen.
'C' observeert op de volgende punten:
1. Nodigde 'A' non-verbaal uit om door te vertellen?
2. Nodigde 'A' verbaal uit om door te vertellen?
3. Zette 'A' zijn/haar eigen ideeën even in de ijskast? waar kon je dit aan merken?
4. Controleerde 'A' of hij/zij 'B' goed begrepen had?
5. Klopte de samenvatting?
Gesprekstechniek is: een doelstelling bereiken door in een bepaalde volgorde, met bepaalde communicatieve vaardigheden een gesprek met een ander te voeren.
Gesprekken verschillen in:
doelstelling
structuur
specifieke vaardigheden
Gespreksdoelen
Kennisdoelen
Houdingsdoelen
Gedragsdoelen
Kennisdoelen hebben te maken met het geven en ontvangen van informatie
Houdingsdoelen hebben te maken met het beïnvloeden van meningen en emoties van de ander.
Gedragsdoelen hebben te maken met activiteiten die verricht gaan worden.
Laurien is 21 en heeft een licht verstandelijke beperking. Ze woont sinds twee jaar in de woonvorm waar jij werkt. Laurien is verliefd op een jongen die ook werkt bij de dagbesteding. En niet zo’n beetje ook. Ze heeft het er continu over. Ze vertelt de begeleiders hierover, medebewoners die het maar al te graag willen horen en natuurlijk haar ouders. Haar ouders hebben afgelopen weekend, toen zij dit hoorden boos gereageerd en tegen Laurien gezegd dat een meisje zoals zij, niet verliefd kan worden en geen relatie mag. Emoties bij een relatie zijn veel te verwarrend voor verstandelijk gehandicapten. Zij gaan zich dan helemaal overgeven aan hun verliefdheid en komen tot niets, worden vreselijk jaloers of gaan zich ongeremd te buiten aan seks zonder de bijpassende verantwoordelijkheden.

Ook hebben ouders toen zij Laurien terugbrachten, tegen de begeleider die toen aanwezig was, gezegd dat ze dit soort onzin niet willen hebben en dat de begeleiding moet verbieden dat bewoners verliefd worden. Je gaat het gesprek met de moeder van Laurien aan.
Casus
Omschrijf welke kennis-, houdings- en/of gedragsdoelen jij zou willen realiseren in het gesprek met de moeder van Laurien. Leg uit waarom.
Opdracht
Laurien is 21 en heeft een licht verstandelijke beperking. Ze woont sinds twee jaar in de woonvorm waar jij werkt. Laurien is verliefd op een jongen die ook werkt bij de dagbesteding. En niet zo’n beetje ook. Ze heeft het er continu over. Ze vertelt de begeleiders hierover, medebewoners die het maar al te graag willen horen en natuurlijk haar ouders. Haar ouders hebben afgelopen weekend, toen zij dit hoorden boos gereageerd en tegen Laurien gezegd dat een meisje zoals zij, niet verliefd kan worden en geen relatie mag. Emoties bij een relatie zijn veel te verwarrend voor verstandelijk gehandicapten. Zij gaan zich dan helemaal overgeven aan hun verliefdheid en komen tot niets, worden vreselijk jaloers of gaan zich ongeremd te buiten aan seks zonder de bijpassende verantwoordelijkheden.

Ook hebben ouders toen zij Laurien terugbrachten, tegen de begeleider die toen aanwezig was, gezegd dat ze dit soort onzin niet willen hebben en dat de begeleiding moet verbieden dat bewoners verliefd worden. Je gaat het gesprek met de moeder van Laurien aan.
Omschrijf wat je in de aanloop en planningsfase zou willen bespreken.
Opdracht
Laurien is 21 en heeft een licht verstandelijke beperking. Ze woont sinds twee jaar in de woonvorm waar jij werkt. Laurien is verliefd op een jongen die ook werkt bij de dagbesteding. En niet zo’n beetje ook. Ze heeft het er continu over. Ze vertelt de begeleiders hierover, medebewoners die het maar al te graag willen horen en natuurlijk haar ouders. Haar ouders hebben afgelopen weekend, toen zij dit hoorden boos gereageerd en tegen Laurien gezegd dat een meisje zoals zij, niet verliefd kan worden en geen relatie mag. Emoties bij een relatie zijn veel te verwarrend voor verstandelijk gehandicapten. Zij gaan zich dan helemaal overgeven aan hun verliefdheid en komen tot niets, worden vreselijk jaloers of gaan zich ongeremd te buiten aan seks zonder de bijpassende verantwoordelijkheden.

Ook hebben ouders toen zij Laurien terugbrachten, tegen de begeleider die toen aanwezig was, gezegd dat ze dit soort onzin niet willen hebben en dat de begeleiding moet verbieden dat bewoners verliefd worden. Je gaat het gesprek met de moeder van Laurien aan.
Oefen de verschillende fasen met de bovenstaande casus. Één iemand is hulpverlener, één iemand speelt de moeder, één iemand observeert of de fasen goed worden toegepast.
Opdracht
Opdracht
1. kies drie regels die je mooi vind en die voor jezelf herkenbaar zijn.

2. kies één regel die je niet herkent

3. bedenk voor deze laatste regel een vraag die je gaat stellen aan degene die dit heeft bedacht.
(5 minuten)
Fijnmazig
Grofmazig
Tip 1:
luister actief en onbevooroordeeld
Probeer je in te leven in de ander (ga niet uit van je eerste oordeel). Vraag desnoods naar zijn/haar opvattingen

Tip 2:
Neem meer tijd voor het gesprek

Tip 3:
Gesprekstips
gebruik korte zinnen en niet te moeilijke woorden.
spreek duidelijk en niet te snel
wees concreet (pas op met grapjes)
controleer of de boodschap is overgekomen

Tip 4:
Geef het gevoel welkom te zijn
Neem de tijd om contact te maken (social talk)

Tip 5:
Nadruk op non-verbale communicatie
Wees je bewust dat Nederlanders betrekkelijk weinig gebruik maakt van non-verbale communicatie.

Tip 6:
Leg cultuurverschillen niet onder een vergrootglas
Hoe ontstaan interculturele conflicten?
Gaan alle interculturele conflicten over hetzelfde?
vormen van non-verbale communicatie
OORZAAK 2
OORZAAK 2
het overtreden van normen
OORZAAK 1
OORZAAK 1
presentatie van de boodschap
OORZAAK 3
OORZAAK 3
G-cultuur
F-cultuur
M-cultuur
De inhoud van de boodschap hoeft niet waar te zijn, maar wat is de intentie?
Een 'white lie' mag, een 'black lie' niet
De waarheid (inhoud van de boodschap) is belangrijker dan de presentatie van de boodschap
gebrek aan effectieve communicatie
1. technische voorwaarde
2. cognitieve voorwaarde
3. interpretatieve voorwaarde
4. affectieve voorwaarde
Hoe geef ik een Nederlander een hand?
(1) U loopt met een bijna gestrekte arm op de ander af, u glimlacht.
(2) Bij het geven van de hand moet u uw elleboog buigen, dus niet gestrekt houden.
(3) U moet uw réchterhand geven. Als die bijv. in een mitella zit, dan moet u zich excuseren.

(4) U moet uw hand verticaal houden, anders denken ze dat u dominant bent of ondergeschikt.
(5) Daarna moet u met de ‘oksel’ van uw duim stevig botsen tegen de oksel van de andere duim.

(6) Knijp stevig in de hand van de ander. Hoe stevig? In een inburgeringscursus duurt het drie weken voor u dat ‘goed’ doet.
(7) U schudt éénmaal stevig vertikaal, er komen dan vanzelf twee naschudjes bij. Langer vasthouden mag absoluut niet.

(8) Tijdens het schudden moet u de ander in de ogen kijken.

(9) En u moet dan ook ontspannen knikken en glimlachen.

(10) Tot slot: u moet uw duim stevig in het zachte
vlees van de ander drukken. Dat is als het ware de punt achter de zin. De ander voelt dan dat u het méént!
Uit: DOE MAAR GEWOON, 99 tips voor het omgaan met Nederlanders.
Hans Kaldenbach.
OORZAAK 4
OORZAAK 4
Niveaus van interculturele conflicten
1. basisniveau
2. niveau van regelgeving
3. niveau van interpretatie
4. oppervlakkig niveau
Op grond van de eigen cultuur beoordeelt men elkaar en elkaars gedrag.
Andere (praktische) invulling geven aan dezelfde normen en waarden.
Verschillende interpretaties van situaties of gedragingen.
Conflicten waar op geen enkele manier diepliggende verschillen in cultuur aan ten grondslag liggen.
Uit welke onderdelen
bestaat een cultuur?
"Bij cultuur gaat het om: taal, lichaamstaal, gewoonten, rituelen, opvattingen, waarden en normen."
Is homoseksualiteit geaccepteerd of niet?
Zijn man en vrouw gelijk of niet?
Wel of geen kledingvoorschriften voor vrouwen?
Is drugs/alcoholgebruik geaccepteerd?
Neem de casussen door en beantwoordt in tweetallen de volgende vragen:

1. Welke culturen kom je tegen in de casus (F, G, M)?
2. Welke waarden kom je tegen in de casus?
3. Welke knelpunten kom je tegen in het verhaal?
4. Wat zouden jullie in de casus anders hebben gedaan?
5. Wat is dan het te verwachten effect volgens jullie?
Casus 1:

Vader weigert medewerking

Aanvankelijk ging het goed met Ahmed, die zestien jaar oud is. Hij woont drie jaar in Nederland en is de oudste zoon uit het gezin van drie kinderen. Zijn vader woont al twaalf jaar in Nederland. De vader heeft lange tijd werk gehad, maar is sinds kort werkloos. Sindsdien is de spanning in huis toe-genomen. Het gevolg is dat Ahmed steeds meer van huis is. Hij komt laat terug en eigenlijk is on-duidelijk wat hij allemaal uitspookt.

Op een dag wordt het gezin opgeschrikt. Er staat politie voor de deur. Ahmed zou gestolen hebben en zit op het bureau opgesloten. Of zijn vader mee wil komen. Deze weigert echter. “Het is mijn zoon niet!”, zegt hij woedend. De politieman blijft rustig en zegt ervan overtuigd te zijn dat Ahmed hier woont, aangezien dat immers in de bij hem gevonden papieren staat. De vader wordt echter nog bozer. “Je liegt als je zegt dat het mijn zoon is. Mijn zoon kan niet gestolen hebben.” Vader gaat uiteindelijk niet mee en Ahmed brengt de nacht op het politiebureau door.
Opdracht
Welke rollen zijn er ten aanzien van mannen en vrouwen in jou omgeving?
Welke waarde of opvatting is typisch voor jou cultuur?
1. Welke eigenschappen zou je moeten hebben met betrekking tot interculturele communicatie?
2. Noem drie eigenschappen van jezelf die interculturele communicatie zouden kunnen belemmeren.
3. Noem drie sterke punten van jezelf die je kunnen helpen bij interculturele communicatie.
Neem de casussen door en beantwoordt in tweetallen de volgende vragen:

1. Welke culturen kom je tegen in de casus (F, G, M)?
2. Welke waarden kom je tegen in de casus?
3. Welke knelpunten kom je tegen in het verhaal?
4. Wat zouden jullie in de casus anders hebben gedaan?
5. Wat is dan het te verwachten effect volgens jullie?
Casus 2:
Communicatie met vrouw

In een groot ziekenhuis geeft Yvonne voorlichting over geboortebeperking. Op een dag verschijnt een Turks echtpaar op het spreekuur. Met erg veel moeite maakt de man aan Yvonne duidelijk dat zijn vrouw en hij graag zouden zien dat zijn vrouw gesteriliseerd werd. Yvonne luistert aandachtig en probeert zoveel mogelijk feiten op tafel te krijgen.
Aangezien het echtpaar een positief advies van Yvonne nodig heeft voordat tot werkelijke sterilisa-tie kan worden overgegaan, hangt er voor hen nogal wat van dit bezoek af.
Als de man ten slotte duidelijk heeft gemaakt wat zij willen, vraagt Yvonne aan de vrouw, hoe zij er over denkt.

De vrouw kijkt naar haar man en deze vertelt nogmaals dat zijn vrouw graag gesteriliseerd wil worden. Yvonne daarentegen heeft de indruk dat zij nu weet wat de man wil, maar ze wil ook van de vrouw zelf horen of die werkelijk achter dit besluit staat. Ze vraagt aan de vrouw:”U spreekt toch Nederlands, mevrouw?”. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. “Wat vindt U van sterilisatie, mevrouw?”vraagt Yvonne haar vervolgens. De man antwoordt nu duidelijk geërgerd: “Ik heb u toch gezegd. Zij wil sterilisatie.” Wanneer Yvonne vervolgens weer aan de vrouw probeert te vragen hoe zij zelf over eventuele sterilisatie denkt, staat het echtpaar teleurgesteld en kwaad op en vertrekt.

Waarden
Rituelen
Helden
Symbolen
ui-model
L
S
D
uisteren
amenvatten
oorvragen
Leef je om te werken, of werk je om te leven?

Vind je een opleiding belangrijk?

Vind je geld belangrijk?
Opleiding en werk
In tweetallen gaan jullie elkaar 3x interviewen over de volgende vragen. Je krijgt telkens 5 minuten, dan komen de volgende vragen.
De docent maakt tweetallen!
Vriendschap en relaties
Wie moet de eerste stap maken om contact te zoeken...de man of de vrouw?

Vind je trouwen belangrijk?

In Nederland mag je trouwen met iemand van hetzelfde geslacht, wat vind je hiervan?
Waar komen de antwoorden op de startvragen vandaan?
Zijn er ook antwoorden die worden beïnvloed door:
jouw gezin
jouw buurt
jouw opleiding?
Identiteit
De eigenheid van een persoon, in relatie tot één van de twee categorieën
1.
Amour-propre:
de liefde die ik voel bij het beeld dat ik anderen van mezelf laat zien.
2.
Amour de soi:
de liefde die ik voel voor mezelf, voordat die door anderen vervormd is.
CONCLUSIE:
Door anderen kunnen we nooit onszelf zijn!
Aan het einde maak je een samenvatting van de antwoorden!
op papier
Full transcript