Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Psychologie en Wetenschap

College 1-4, "What is this thing called science?"
by

Mirte Hazes

on 28 June 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Psychologie en Wetenschap

Schema wetenschapsleer
Logisch Positivisme (L-P)
Kritiek
Popper
(falsificationisme)

Post-Positivisme
Historische kritiek
(ook op Popper)
(Kuhn, Feyerabend)

Kennis-theoretische
kritiek (ook op Popper)

Aanval op falsificatie en naïef empirisme L-P Quine-Duhem stelling
Lakatos: synthese
(Research Programma)

(Logica)
Logisch Positivisme
Basis Logisch Positivisme
Empirisme:
Observaties (feiten) zijn de basis voor kennis (wetenschap)
Positivisme:
Feiten zijn objectief (onmiddeelijk gegeven, onveranderlijk, voor iedereen hetzelfde).
Feiten zijn onafhankelijk van theorie (dus zeker van metafysica)
Theoretische concepten: Altijd herleiden tot observatie --> operationalisatie
Operationalisatie: Definitie van een begrip in termen van de manier waarop je het observeert.
Doel L-P: Demarcatiecriterium
= Formuleren van universeel geldige methode van wetenschap.
Maakt onderscheid wetenschap en pseudo-wetenschap (onzin).
Geeft vooruitgang in wetenschap.
L-P gebruikt inductie en deductie
Inductie: Algemene uitspraak uit individuele gevallen. VB: Alle kraaien zijn zwart.
Toepassing: formuleren van algemene wetten (theorieën).
Deductie: Individuele uitspraak (conclusie) logisch afgeleid uit andere uitspraken (premissen). Conclusie: als premissen waar zijn.
Toepassing: 1. geven van verklaringen/voorspellingen (categoriale logica)
2. toetsen van hypothesen. Vooral: verificatie (propositie logica)
Deductief-Nomologische (D-N) verklaringen
Algemeen geldende wet 1
Algemeen geldende wet 2
...
Observatie (begin conditie) 1
Observatie (begin conditie) 2

Observatie (gebeurtenis) die verklaard wordt.
Explanans
(= "het verklarende")
Explanandum
(="wat verklaard moet worden")
Premisse 1: Wet (algemeen)
Premisse 2: Observatie (begin conditie)
Conclusie: Observatie (gebeurtenis)
Vier basis categoriale beweringen
A en E beweringen zijn algemene wetten
Bijvoorbeeld:
A --> Alle metalen zijn geleiders
E --> Geen metalen zijn geleiders

I en O beweringen zijn observaties
Bijvoorbeeld:
I --> Dit(sommige) metaal is een geleider
O --> Dit(sommige) metaal is geen geleider

Bevestigend:
Ontkennend:
Bevestigend:
Ontkennend:
Deductie met syllogismen
(Major) Premisse: Alle metalen zijn geleiders.
(Minor) Premisse: Sommige buizen zijn metaal.

Conclusie: Sommige buizen zijn geleiders.
Buizen
Geleiders
Metaal
Leeg
Venn diagram
X
Inductieprobleem: Inductie geeft nooit zekerheid.
Propositie Logica
Logica: Proposities
Twee soorten Proposities:
Enkelvoudige --> door observaties bepalen of ze waar zijn of niet.
Proposities die niet verder in eenvoudigere proposities kunnen worden ontleed. VB: Het vriest; Jan heeft verlatingsangst; Jan heeft een IQ van 110.
Samengestelde.
Proposities die uit eenvoudigere proposities ontstaan door gebruik van voegwoorden. VB: Jan heeft verlatingsangst en/of Jan heeft een IQ van 110; Als Jan verlatingsangst heeft dan heeft Jan een IQ van 110; Als Jan een IQ van 110 heeft dan heeft Jan verlatingsangst.
Voegwoorden: en, of & als.. dan...
Speciaal geval: Het vriest. Het vriest niet. Niet = negatie (ontkenning).
Elk voegwoord of negatie heeft een waarheidstabel.
(Truth-Functional Logic)
Waarheidstabel: laat zien hoe de waarheid van en samengestelde propositie volt uit deel-proposities.
Waarheidstabellen voor de voegwoorden en, of & voor niet (waar=1, niet waar=2).
Carnap: Confirmatie vervangt verificatie.
Verschil:
Verificatie: Theorie (algemene uitspraak) die overeenstemt met observatie is waar.
Confirmatie: Theorie (algemene uitspraak) die overeenstemt met observatie wordt bevestigd.
Probleem: Confirmatie is geen logisch bewijs voor de waarheid van een theorie (algemene uitspraak).
Analyseren van proposities (wanneer ze waar / onwaar zijn).
Redeneren op basis van proposities (beweringen).
Propositie (bewering): een uitspraak (zin) die waar is of onwaar.
VB: Het vriest; Jan heeft verlatingsangst en Jan heeft een IQ van 110; Als Jan een IQ heft van 110 en Jan gaat naar school, dan is Jan slim.
Geen proposities: Hoe laat is het?; Geeft acht!; Zet hem op!
Logica: Waarheidstabellen
A B A&B
1 1 1
1 0 0
0 1 0
0 0 0
A B A/B
1 1 1
1 0 1
0 1 1
0 0 0
A Niet A
1 0
0 1
A B als A dan B
1 1 1
1 0 0
0 1 0
0 0 0
A = antecedens
B= consequens
Als A dan B is altijd 1,
tenzij A=1 en B=0
Modus Ponens = Als A dan B. A, dus B. A=1, dus B=1.
Modus Tollens = Als A dan B. Niet B dus niet A. B=0, dus A=0.
--> Falsificatie.
Verificatie = Als A dan B. B, dus A --> geeft geen zekerheid.
Fallacy of the consequent
Aanpassing Logisch Positivisme
Karl Popper (1902-1994)
Tegen het Logisch Positivisme
Fundamenteel verschil tussen kritisch en dogmatisch denken.
We leren meer van onze fouten:
Kennis groeit bij poging tot verbeteren van fouten.
Objectieve kennis is kennis die bekritiseerd kan worden.
Wetenschap levert alleen vermoedens, geen zekerheden.
Logisch Positivisme:
inductie
generalisering
verificatie
Kritiek van Popper:
Conclusie:
Hèt criterium van
wetenschappelijkheid:
Algemene uitspraak is niet te
verifiëren: Je kunt nooit
alle gevallen overzien
(het inductieprobleem).
Algemene uitspraak is wel te
falsifiëren!
Eén tegenvoorbeeld is genoeg:
Tegen verificatie!
Wetenschap is risico's
nemen; geen gemakzucht
en dogmatisme.
FALSIFIEERBAARHEID
Verificatie en inductie zijn niet logisch zeker.
Falsificatie geeft logisch zekere houding.
--> Ander demarcatie-criterium:
Een theorie is wetenschappelijk als het gefalsifieerd kan worden.
Niet: Als het geverifieerd (geconformeerd) wordt (zoals bij L-P).
D-C: niet het verschil tussen zin en onzin (L-P), maar tussen wetenschappelijk en niet wetenschappelijk.
Werkwijze volgens Popper
Doe allerlei gissingen (conjectures), zoals bijvoorbeel in de metafysica.
--> Anti-dogmatische houding: alles kan/mag gedacht worden.
Maar: onderwerp de gissingen (hypothesen) aan een onderzoek waarmee
ze gefalsifieerd kunnen worden. Zoek niet alleen maar naar confirmatie!
Dit is de kritische houding. Zoek naar de mogelijkheid van falsificatie.
--> en dan: doe nieuwe gissingen, en weer eventueel falsificatie.
Niet-falsifieerbare theorieën
Tautologie: als P, dan P --> geeft geen nieuwe informatie.
Contradictie: P en niet P --> kan niet in de wetenschap.

Een theorie die niet gefalsifieerd kan worden, heeft geen empirische inhoud.
Maat om theorieën te vergelijken:
1. Theorie I heeft en grotere empirische inhoud dan theorie II als het aantal potentiële falsificatoren van I groter is dan van II.
2. Corroboratie graad van een theorie: het aantal falsificatie tests die en theorie heeft doorstaan.
Carnap: empirische inhoud is het aantal bevestigingen van een theorie: confirmatiegraad.
Na falsificatie
Wat moet je doen als een theorie gefalsifieerd is?
- niet conventionalistische strategie: herinterpreteren van de uitspraak
die de theorie gefalsifieerd heeft.
VB: Theorie: Alle zwanen zijn wit.
Voorspelling: Deze zwaan is wit.
Maar: Deze zwaan blijkt zwart te zijn (dus: falsificatie).
Conventionalistische strategie: Dit is geen zwaan, maar een nieuw
soort vogel (zwoen?).
- geen ad hoc hypothesen invoeren om de theorie te redden.
VB: Waarom verbranden sommige stoffen?
Theorie: Omdat ze een 'brand-stof' bevatten: phlogiston --> verklaard
waarom as lichter is dan hout (door verdwenen phlogistion). Maar
sommige stoffen wegen zwaarder na verbranding --> falsificatie van
phlogistion theorie.
Ad hoc hypothese: In deze stoffen heeft phlogistion een negatief
gewicht --> contradictie: phlogistion heeft een positief en negatief
gewicht (P en niet P).
Quine-Duhem stelling
Theorie en meting (instrument) vormen onderdeel van een geheel, een 'theoretisch complex'. Dus: geen eenduidige relatie tussen "feit" en "theorie".

Quine-Duhem stelling: Het is niet mogelijk om een afzonderlijke hypothese te testen, omdat de observatie uitspraken een onderdeel vormen van een geheel.

Aanval op de stelling van (L-)P dat elke ware observatie uitspraak correspondeert met feit in de werkelijkheid.
Gevolg
Algemeen kenmerk van post-positivisme:
Theorie kan onder-gedetermineerd zijn door data.
D.w.z. theorie niet volledig afleidbaar uit observatie uitspraken (empirische gegevens).
Dit volgt ook uit inductie (generalisatie, analogie).

(Positivisme: Theorie moet volledig gebaseerd zijn op observaties (afgeleid kunnen worden uit observatie uitspraken.))

Daardoor: belang van achtergrond kennis (background knowledge).
Sophisticated falsificationism (Chalmers)
Vooruitgang wetenschap alleen (mogelijk) door falsificatie is te negatief --> houdt geen rekening met background knowledge.
Hypothesen kunnen stoutmoedig of voorzichtig zijn.
Dan is belangrijk voor de wetenschap:
Confirmatie van stoutmoedige hypothese.
Falsificatie van voorzichtige hypothese.
Probleem
Wetenschapsfilosofie van Kuhn
Niet normatief: niet voortschrijvend.
Maar descriptief: beschrijvend, kijken naar wat wetenschappers doen.
The structure of Scientific Revolutions
Dus:
Niet:
Context of discovery:
Beschrijving/verklaring van de manier waarop
een theorie is ontstaan. Hoort bij wetenschaps-
sociologie/geschiedenis: Rechtvaardiging van theorie is historisch bepaald.
Context of justification:
De onderbouwing (rechtvaardiging) van een
theorie op basis van observaties en logisch redeneren. Onderdeel van L-P en Popper.
Paradigma
Normal science: Onder de paraplu van een paradigma. De
traditionele manier van werken. Zowel theoretisch als praktisch.
Anolamieën - crisis - wetenschappelijke revolutie - paradigma
verschuiving door Gestalt Switch.
Paradigma's zijn incommensurabel.
Voor-wetenschap (pre-science)
Begin stadium van een wetenschap:
Nog geen vaststaand paradigma (in ontwikkeling).
Meerdere paradigma's die naast elkaar bestaan, dus: onzekerheid, methoden strijd, debat over grondslagen.
Overgang tot normal science: ontwikkeling van één allesbepalend paradigma.
Paradigma
Algemeen geaccepteerd wereldbeeld.
Daarnaast: theoretische en praktische regels van onderzoek.
Is referentie-kader voor theorieën, methoden, technieken,
taalgebruik, conventies, organisatie, e.d. waarin een
wetenschappelijke gemeenschap werkt.
Sociologische kant: jonge wetenschapper wordt opgevoed in het
doen van goed (succesvol) onderzoek ('normal science').
Anomalie (onopgeloste puzzel) wordt niet gezien als falsificatie,
maar als een mislukking van de wetenschappers zelf.
Normale wetenschap (normal science)
Bepaald door paradigma. Dus:
Wordt gekenmerkt door overeenstemming, zelfde werldbeeld.
Wetenschap bestaat uit 'puzzel-oplossen'. De basis (rand) van de puzzel is er al ('werldbeeld'), maar moet verder worden ingevuld.
Wordt vooral bepaald door 'succesvol' onderzoek ('wetenschap-spel').
'Succesvol' onderzoek fungeert als typisch voorbeeld ('paradigma').
Het paradigma laat zien wat wordt geaccepteerd als 'succesvol' onderzoek.
Puzzels:
1. Experimentele problemen (vaak ook ontwikkelen van nieuwe instrumenten, e.g., telescoop).
2. Theoretische problemen.
--> Maar niet paradigma zelf, dat ligt vast.
Anomalie: geen falsificatie, maar een 'lastige' puzzel.
Paradigma staat vast --> er is dus maar één paradigma.
Anomalieën en crisis
Anomalieën doen zich altijd voor ~ Wanneer ontstaat er dan een crisis?
Als anomalie ingaat tegen het fundament van het paradigma.
Als er veel anomalieën zijn.
Als er belangrijke socialen/economische problemen bij betrokken zijn.
Geeft periode van onzekerheid in de wetenschap.
Grondslagen discussies, metafysica,
Wordt versterkt als nieuw paradigma verschijnt.
Revolutie: Omslag in paradigma (paradigma verschuiving) --> Gestalt switch:
Ander wereldbeeld.
Andere 'feiten'.
Ander vragen die relevant zijn.
Paradigma verschuivingen
Aristoteles-Ptolemaeus versus Copernicus-Galileo
Aristoteles-Ptolemaeus:
Wereld bestaat uit twee domeinen:
Ondermaanse (vergankelijk) en bovenmaanse
(onvergankelijk, perfect, o.a. cirkelvormige banen).
Aarde in middelpunt.
Anomalie (o.a.): Bestaan van kometen die komen en gaan.
Copernicus-Galileo:
Wereld bestaat uit één domein, en zon in middelpunt.
Anomalieën (aanvankelijk):
Maan wel rond de aarde.
Mars en Venus altijd even groot (blote oog).
Omslag:
Observatie met telescoop door Galileo
Nieuw paradigma: Ook nieuwe manier van observeren.
Accepteren van nieuwe 'feiten'.
Vergelijk paradigma's
Kuhn: incommensurabiliteit
Paradigma's AP en CG onvergelijkbaar.
I: Ieder bestaat uit een andere kijk op de wereld.
AP: Natuur is levende natuur. Gaat over verandering in kwaliteit.
Basis: ontwikkeling van 'natuurlijk vermogen', zoals van vrucht tot
boom/plant.
Dit geldt ook voor beweging (streven naar 'natuurlijke
plaats').
CG: Natuur is levenloze natuur. Gaat over verandering in positie.
Beweging object constant, tenzij het door iets wordt veranderd
(traagheids-wet).
II: Ieder accepteert andere manier van observeren en andere 'feiten'.
AP: Alleen direct obsreveren met zintuigen. Alleen 'blote oog'. En
wat zintuigen laten zien is waar.
CG: Ook observeren met instrumenten (telescoop). Bovendien,
zintuigen kunnen ons bedriegen ('gedachten-experimenten').
VB: Traagheids-wet klopt niet voor directe waarneming.
Alle paradigma's zijn onvergelijkbaar --> Zie I & II
Er zijn dus geen a-historische criteria waarmee paradigma's kunnen worden vergeleken. Dus geen "universele methode".
Consequentie:
Geen groei van waarheid
Geen vooruitgang
Eerder relativisme dan realisme.
Paul Feyerabend (1924-1994)
Methodisch anarchisme
Geen contextvrije rationaliteit en fundament.
Methodologisch law-and-order belemmert wetenschap.
Daarom: "Anything goes", geen demarcatie.
Radicaliseert Kuhn's relativisme.
Wetenschap bloeit bij wilde ideeën en verschilt niet van ideologie en mythe.
Scheiding van wetenschap en staat.
Analyseert de overgang van AP naar CG --> Toren proef
Er bestaan geen methodologische universele regels.
Er is geen wetenschappelijke methode van kennis.
Theorieën zijn volledig incommensurabel.
Hij vond dat de superioriteit(arrogantie) van de wetenschap boven magie en dergelijke niet gerechtvaardigd was (hij had immers aangetoond dat alle theorieën aangepast konden worden aan hoe het uitkwam).
Imre Lakatos (1922-1974)
Problemen met Kuhn:
Relativisme (paradigma's incommensurabel), geen vooruitgang.
Problemen met Popper:
Falsificatie werkt voor individuele uitspraken, maar niet voor complexe theorieën (Duhem-Quine). Wat is gefalsifieerd?
Kan te snel tot werleggen van theorie leiden (bv. Copernicus).
Overgang naar 'milde' methodiek met acceptatie van historische
bepaaldheid.
Reasearch Programma
'perzik model'
Gordel van beschermende hulp-hypothesen
en 'positieve heuristiek'.
Harde kern van
theoretische
uitspraken
(onveranderbaar).
Vatbaar voor kritiek
Combinatie Kuhn(paradigmaleer) en Popper(falsificationisme):
Veranderingen in de omringende gordel door falsificatie (Popper).
Paradigma verschuiving (revolutie) als de kern onhoudbaar is (Kuhn).
Tegen Kuhn: Wel demarcatie tussen 'goede' en 'slechte' wetenschap.
Wetenschapsleer wel normatief.
Tegen Popper: Het is rationeel om (een tijd) vast te houden aan
research programma (kern) bij een anomalie.
Hiermee is de rationele reconstructie van wetenschappelijke
vooruitgang mogelijk en kan relativisme vermeden worden.
Bovendien: er kunnen rivaliserende research programma's
naast elkaar bestaan --> VB: nature/nurture
Anomalieën
Anything goes? Nee:
Keuze tussen 2 programma's is mogelijk als het ene programma
'progressief' is en het andere programma 'degenereert'.
Positieve heuristiek: Vermogen om nieuwe onderzoeksvragen (nieuwe voorspellingen) te genereren en nieuwe verschijnselen in de theorie onder te brengen.
Dat bepaalt de groei van een research programma.
Een onderzoeksprogramma met positieve heuristiek is progressief ('goed'), ook al kent het nog anomalieën.
Een research programma degenereert als het 'achter de feiten aanloopt', d.w.z. zelf geen nieuwe vragen genereert, geen nieuwe verschijnselen kan opnemen, alleen ad hoc kan reageren op vooruitgang van andere programma.
Positief research programma: doet nieuwe voorspellingen --> eerst programma,
dan voorspellingen.
Probleem met Lakatos
Degenererend research programma.
Kan gedurende een tijd (mag volgens Lakatos).
Immers: bescherming tegen te snelle falsificatie.
VB: Copernicus programma (aanvankelijk gefalsificeerd).
Maar: hoe lang dan? --> Copernicus: 1543 tot 1633.
Conclusie over Lakatos
Research programma van Lakatos geeft beschrijving achteraf. Niet: regel (norm/demarcatie voor wetenschap). Bovendien: sterk gebaserd op ontwikkeling natuurwetenschappers. Maar: maakt wel duidelijk waarom wetenschappers vaak vasthouden aan een theorie/research programma.
Conclusie over methode (Chalmers)
Geen universele methode (voor alle tijden hetzelfde).
Maar toch: niet alles kan.
Ook groei (aanpassing) van methode is mogelijk.
Net zoals groei (aanpassing) van theorie.
En verbetering van feiten.
Dus: zowel theorieën, feiten en methoden zijn feilbaar,
maar kunnen worden verbeterd.
Wij kunnen leren, door voortdurende interactie met
de realiteit.
Full transcript