Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Webcollege Onderzoeksvaardigheden

No description
by

Liesbeth van Beijsterveldt

on 8 August 2017

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Webcollege Onderzoeksvaardigheden

Boleaanse operatoren

In de meeste databanken kun je zoekwoorden combineren met behulp van Booleaanse operatoren (AND, OR, NOT)

AND
Beide trefwoorden moeten voorkomen
OR
Een van beide trefwoorden moet voorkomen
NOT
Trefwoord moet niet voorkomen
In de praktijk oriënteren op het thema
Bestuderen van literatuur
Definiëren van praktijkprobleem
Bepalen onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
Methode van dataverzameling kiezen
Instrumenten kiezen/ontwikkelen
Respondenten bepalen
Data-analyse bepalen
Procedure van dataverzameling bedenken
Data verzamelen
Data analyseren
Resultaten weergeven
Conclusies trekken
Aanbevelingen formuleren
Discussie schrijven
Presentatie op basisschool geven
Webcollege Onderzoeksvaardigheden
11
12
13
14
15
16
Start
Een onderzoeksrapport geeft antwoord op een
onderzoeksvraag
. Als onderzoeker formuleer je dus altijd een onderzoeksvraag. Om dat te kunnen doen, bepaal je
eerst wat je wil toevoegen
aan je praktijk:

Welke kans wil je grijpen?
Welke mogelijkheid wil je benutten?
Welke kennis wil je toevoegen?
Welk probleem wil je aanpakken?

Hetgeen je wil toevoegen aan de praktijk noemen we in onderzoekstermen:
'
het praktijkprobleem
‘ (ook al is het niet altijd ‘een probleem’).

Het gaat er dus om dat je eerst het praktijkprobleem scherp in beeld krijgt, want daarna weet je pas welke onderzoeksvraag je wilt beantwoorden.

In de praktijk oriënteren op het thema
Nu je het thema hebt verkend op basis van de praktijk en wat jij zelf en jouw omgeving weet over het thema (interne bronnen), ga je op zoek naar wat er al bekend is over het thema en het specifieke praktijkprobleem. Dat doe je door
literatuur
te bestuderen (externe bronnen).

Lees hierover bij stap 2 Literatuur bestuderen.
Wat wil je toevoegen aan de praktijk?

Op je stageschool kom je regelmatig situaties tegen waarvan je vermoedt dat er verbetering in te halen valt.
Bijvoorbeeld: het pedagogisch klimaat of de ouderbetrokkenheid zouden misschien beter kunnen, de resultaten van de leerlingen in groep X bij vak Y vallen tegen, of er zijn allerlei (ICT of andere) mogelijkheden maar die worden niet (goed) gebruikt.

Om je wens al wat scherper te kunnen formuleren, ga je in jouw praktijk op zoek naar informatie (met bijvoorbeeld brainstorm, logboek, observaties of gesprekken) en formuleer je de aanleiding voor je onderzoek helder.

In paragraaf 3.2 van Van der Donk en van Lanen (2016) staan vijf technieken om een praktijkprobleem te zoeken.
Als je observaties of gesprekken wil gebruiken, kun je dat ‘t best gestructureerd aanpakken, door bijvoorbeeld gebruik te maken van reeds in ander onderzoek gebruikte observatieschema’s en interviewleidraden.
Eerder hebben andere onderzoekers al bedacht hoe zo’n observatieschema of interviewleidraad eruit moet zien om relevante informatie te verzamelen, dus gebruik het werk van anderen!

Een extra reden om het werk van anderen te gebruiken, is dat je vaak observeert of bevraagt vanuit je eigen perspectief, waardoor je misschien vergeet om belangrijke andere vragen te stellen of naar andere dingen te kijken die ook belangrijk kunnen zijn.
Als je jouw wens (de wens van de praktijk) al wat scherper in beeld hebt, ga je het thema
verkennen
, bijvoorbeeld door gebruik te maken van:

info verzamelen in de praktijk,
mindmapping
conceptmapping,
freewriting
perspectiefwisseling,
vooronderstellingen formuleren,
specifieker beschrijven van je wens.

In paragraaf 3.3 van Van der Donk en van Lanen (2016) worden deze technieken uitgelegd.

Waarom literatuur?

Literatuur heb je nodig in verschillende fasen van je onderzoek.

Je gebruikt literatuur om:

zicht te krijgen op het praktijkprobleem vanuit bestaande kennis en inzichten;
relevante begrippen te definiëren;
begrippen meetbaar te kunnen maken (dat heet: operationaliseren);
valide instrumenten te vinden om iets betrouwbaar te kunnen meten;
het onderzoek te plaatsen ten opzichte van wat anderen beweren of onderzocht hebben;
een verklaring te kunnen geven voor de resultaten van het onderzoek bij de conclusie en/of discussie
Bronnen
Bryman, A. (2012). Social Research Methods (4th ed.). Oxford: University Press.
Kumar, R. (2011). Research methodology. A step-by-step guide for beginners. Sage Publications Ltd.
Van der Donk, C. & van Lanen, P. (2016). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Countinho.

Literatuur bestuderen
Zoekstrategie

Om gestructureerd te zoeken naar literatuur, heb je een
zoekstrategie nodig.
De 5-stappen methode kan je hierbij helpen:

Wat
zoek ik?
Waar
zoek ik?
Hoe
zoek ik?
Wat
heb ik?
Verfijnen


Bepaal aan de hand van het onderzoeksthema (of het praktijkprobleem of de onderzoeksvraag; dit hangt af van in welke fase van je onderzoek literatuur zoekt) welke onderwerpen hierbij horen.
Bedenk voor ieder onderwerp welke trefwoorden (vaktermen) daarbij horen. Denk ook aan synoniemen.
Doe dit voor zowel het Nederlands als het Engels.

Voorbeelden van vaktermen
Zelfstandig werken, zelfgestuurd leren, self regulated learning

Voorbeelden van synoniemen
Basisonderwijs, primair onderwijs, basisschool.

Baken vervolgens je onderwerp af (met zoekfilters):
Taalgebied (bijv. Nederlands, Engels)
Geografisch gebied (bijv. Nederland, Europa, Verenigde Staten)
Materiaalsoort (bijv. artikelen, boeken, onderzoeken)
Periode (bijv. verschenen na 2012)
Hierna worden ze alle vijf toegelicht.



Om te bepalen welke databanken relevant zijn
voor je zoekvraag, kun je gebruik maken van de volgende websites van de mediatheek:

Informatiebronnen online

https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/voorzieningen/mediatheek/informatiebronnen/e-journals/#flex

Informatiebronnen per opleiding (pabo)

https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/voorzieningen/mediatheek/info-per-opleiding/instituut-voor-lerarenopleidingen/pabo/online-bronnen/


Hiermee zoek je in vakbladen, boeken, wetenschappelijke tijdschriften.
vakbladen
boeken
wetenschappelijke tijdschriften
Bron:
https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/voorzieningen/mediatheek/instructies-en-ondersteuning/mediatheekinstructie/
Zoekdiepte

Als je weinig zoekresultaten krijgt, kun je beter algemenere zoektermen gebruiken.
Bij teveel zoekresultaten, kun je juist beter met specifiekere termen zoeken.
Hoe zoek ik?
Gestructureerd versus ongestructureerd

In Google zoek je naar ongestructureerde informatie. Databanken zijn gestructureerd opgebouwd. Daardoor kun je in databanken veel specifieker zoeken en zijn de zoekresultaten veel relevanter dan in Google (mits de zoekvraag goed is gesteld).

Bekijk de volgende YOUTUBE-filmpjes over het zoeken van informatie en de valkuilen.
Zoeken op een exacte woordcombinatie

Als je wilt dat er op een exacte woordcombinatie of zin wordt gezocht, dan zet je die woorden of hele zin tussen " ..".

Bijvoorbeeld "zelfgestuurd leren".
Wat heb ik?
Waar zoek ik?
De zoekvragen uit stap 3 leveren zoekresultaten op. In stap 4 ga je beoordelen of de gevonden literatuur bruikbaar is, en dat doe je aan de hand van algemene criteria, bijvoorbeeld:

Relevantie
. Geeft het artikel antwoord op mijn zoekvraag?
Onafhankelijkheid
. Wat zijn de motieven van de uitgever voor publicatie?
Betrouwbaarheid
. Wie is de uitgever of de auteur?
Verifieerbaar
. Bevat het artikel bronvermeldingen? Is het beschreven onderzoek controleerbaar?
Actualiteit
. Is de bron bijgehouden en nog actueel?
Autoriteit
. Is de bron wetenschappelijk valide? Bijvoorbeeld peer (= vakgenoten) reviewed of geredigeerd door een wetenschappelijke redactie?
Heb ik meerdere bronnen gebruikt?

Bekijk het YouTube-filmpje over betrouwbaarheid van informatie op internet.
Wat zoek ik?
Noteer de belangrijkste gegevens van de literatuur die je uiteindelijk gaat gebruiken in APA-stijl.

Via de onderstaande link kun je de APA-richtlijnen vinden.
https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/voorzieningen/mediatheek/instructies-en-ondersteuning/mediatheekinstructie/bronverwijzing/#flex
Aan de hand van de gevonden zoekresultaten kan het nodig zijn om de zoekvragen te verfijnen of juist te verbreden.

Ook is het gebruikelijk dat, wanneer je dieper in de materie geraakt, je nieuwe woorden/termen tegenkomt die je kunt gebruiken in je zoekvragen.

In beide gevallen ga je terug naar stap 1 en ga je verder met stap 2, 3, en 4.
Verfijnen
Nog twee andere handige zoekstrategieën zijn:
De sneeuwbalmethode
Benut de literatuurlijst van een relevante en betrouwbare bron, bijvoorbeeld een proefschrift. Die literatuurlijst bevat op zijn beurt weer nieuwe verwijzingen (Nadeel: je gaat snel terug in de tijd.)
De citatiemethode
Ook hier ga je uit van een relevante en betrouwbare bron. Vervolgens zoek je bijvoorbeeld met behulp van Google Scholar naar literatuur die naar deze bron verwijst.
(Voordeel: je vindt juist recentere bronnen.)

Lees en gebruik verschillende bronnen, binnen een onderwerp
Lees de literatuur kritisch, vanuit een helicopterview
Relateer bronnen aan elkaar, door ze ten opzichte van elkaar te positioneren
Vorm een eigen redeneerlijn op basis van de verschillende bronnen
Som geen samenvattingen op, maar integreer de bronnen
Samenhang aanbrengen in de bestaande kennis, en om die toe te kunnen passen in je eigen context, is moeilijk en kost tijd.



Schrijf het op:

Bedenk een structuur (kopjes met paragrafen die elkaar logisch opvolgen)
Maak beginzinnen. Hiermee maak je duidelijk wat de boodschap van de alinea is.
Gebruik verbindende woorden en zinnen tussen alinea's en binnen alinea's (bijv. ook, eveneens, daarentegen, ten tweede..)
Hoe gebruik je literatuur?
Definiëren van het praktijkprobleem
Nu je je hebt verdiept in relevante literatuur over het praktijkprobleem kun je het praktijkprobleem definiëren en beschrijven met behulp van de 5xW+H vragen :

Wat is het probleem?
Waar speelt het probleem?
Wanneer is het een probleem?
Wie heeft het probleem?
Waarom is het een probleem?
Hoe is het probleem ontstaan?
Lees hoofdstuk 3 uit Van der Donk & van Lanen (2016) over deze 5XW+H-vragen
Tijdens het beantwoorden van de 5xW+H vragen wordt er een beroep gedaan op je reflectievaardigheden. Het gaat niet meer alleen over “wat signaleer je, wat zie je, wat denk je”, maar ook over de diepere lagen eronder.

Bijvoorbeeld: als je je afvraagt wie eigenlijk het probleem heeft, kom je de volgende vragen tegen:

Benader je het thema vanuit het leerlingperspectief (de leerlingen scoren slecht) of vanuit leerkrachtperspectief (leerkrachten voelen zich handelingsverlegen)?
Welk perspectief kies je, en hoe beschrijf je die verschillende perspectieven?


Hoe scherper je de antwoorden op de 5xW+H vragen formuleert (dus, hoe beter je reflecteert), des te groter de kans is dat de oplossing die je vindt, ook bruikbaar is in de praktijk.

Bron:
https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/voorzieningen/mediatheek/instructies-en-ondersteuning/mediatheekinstructie/
10
Wat voor soorten onderzoeken zijn geschikt voor je afstudeeronderzoek?

Niet aan te raden:

causale relaties en effecten onderzoek

Hoe kan .. verbeterd worden....
Scoren leerlingen hoger...
Werkt deze aanpak beter...
Wat werkt het beste ...
Wat is het effect op ...
Hoe beïnvloedt het een het ander…

ontwerpen
Hoe kunnen leerkrachten ....

Gedrag: wat doen leraren, leerlingen, ouders…
Ervaringen: tevredenheid, knelpunten van leraren …
Meningen: wat vinden leraren, leerlingen, ouders…
Het doel van je praktijkonderzoek bepaalt je koers. De onderzoeksvraag moet vervolgens bijdragen aan het bereiken van dat doel.
Net als het onderzoeksdoel, volgt de onderzoeksvraag uit de definiëring van het praktijkprobleem en de de literatuurstudie (Van der donk & Van Lanen, 2016).

Een goede onderzoeksvraag voldoet aan de onderstaande kenmerken:


Het is:

een open vraag
een enkelvoudige vraag
specifiek
realistisch
meetbaar
afgeleid van en gericht op praktijkprobleem
verbonden met de theorie
te beantwoorden door het verzamelen van gegevens in de praktijk
passend bij het doel dat je met je onderzoek nastreeft
Nu worden de bovenstaande kenmerken uitgelegd aan de hand van goed/fout-voorbeelden van onderzoeksvragen.


... is niet te beantwoorden met alleen ‘ja’ of ‘nee’.

Dus niet:

Wordt de leerling met klassiek autisme op Obs De Vlieger passend begeleid?

Maar wel:

Hoe wordt de leerling met klassiek autisme op Obs De Vlieger begeleid?

... is een open vraag
De vraag heeft één richting.

Dus niet:

Welke houding hebben de leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger ten opzichte van techniek en wat vinden zij belangrijke eigenschappen van een leerkracht?

Maar wel:

Welke houding hebben de leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger ten opzichte van techniek?

Of: Wat vinden leerlingen in de bovenbouw van Obs De Vlieger belangrijke eigenschappen van een leerkracht?
... is een enkelvoudige vraag


Het is expliciet, concreet en nauwkeurig omschreven wat er onderzocht wordt.


Dus niet:

Wat is het pedagogisch klimaat op Obs De Vlieger?

Maar wel:

Hoe versterken de leerkrachten van groep 1-2 op Obs De Vlieger de leerkracht-leerling relatie?

... is specifiek


Het is geen ‘hoe komt het’- of een ‘waarom’- vraag.

Het beantwoorden ervan is haalbaar binnen de geplande termijn.

Dus niet:

Waarom is goede feedback van belang voor het bevorderen van het leerproces van leerlingen?

Maar wel:

Hoe motiveren leerkrachten van groep 6 van Obs De Vlieger hun leerlingen tijdens het leerproces?

En: Hoe denken leerkrachten en ouders van leerlingen in
groep 6 van Obs De Vlieger over ouderparticipatie
in de klas?

... is realistisch



Een onderzoeksvraag is te operationaliseren in meetbare concepten.
Concepten hebben hun basis in wetenschappelijke theorieën of modellen.
Concepten moeten zo helder zijn gedefinieerd dat het duidelijk is hoe deze concepten gemeten kunnen worden (over definiëren en operationaliseren, leer je later meer...)

Dus niet:

Hoe mooi zijn de klaslokalen van Obs De Vlieger? (en dan niet vertellen hoe ‘mooi vinden’ gemeten wordt en wiens bevindingen het betreft)

Maar wel:

In hoeverre voldoet de inrichting van de lokalen van Obs De Vlieger aan de criteria van <auteur> (jaartal)?

… is meetbaar.


De onderzoeksvraag is afgeleid van en gericht op een praktijkprobleem:








Bij dit praktijkprobleem is de onderzoeksvraag dus niet:

Wat zijn de kenmerken van onderwijsondersteunend gedrag?


Maar wel:

In welke mate en hoe stimuleren de leerkrachten van groep 1-2 het onderwijsondersteunend gedrag van ouders bij de taalontwikkeling van
hun kinderen?




… betreft het praktijkprobleem
(http://www.partnerschapopleidenindeschool.nl/onderzoeken/de-onderzoeksvraag)
Voorbeeld praktijkprobleem

De directie en het team weten niet hoe leerkrachten het onderwijsondersteunend
gedrag van alle ouders bij de taalontwikkeling van kleuters stimuleren en hoe zij dat zouden kunnen stimuleren. Zij willen weten of sommige leerkrachten dat al doen en hoe zij dat doen.


Naast het praktijkprobleem dient ook het theoretisch kader uit de inleiding als onderbouwing en legitimering van de onderzoeksvraag.

Dus niet (na een theoretisch kader over passend onderwijs en gepersonaliseerd leren):

Hoe stemt de leerkracht van groep 7 van Obs De Vlieger de instructie in haar stelonderwijs af op drie niveaugroepen?

Maar wel:

Hoe legt de leerkracht van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap bij haar leerlingen in het proces van leren stellen?


... is verbonden met de theorie
Het gaat om onderzoeken en niet om opzoeken

Vragen die beantwoord kunnen worden door literatuuronderzoek zijn geen geschikte onderzoeksvragen voor praktijkonderzoek.

Een onderzoeksvraag is een vraag waar het antwoord nog niet van bekend is maar waarvan het antwoord te vinden is in de praktijk.


Dus niet:

Welke stappen bevat de cyclus van opbrengstgericht werken?

Maar wel:

Hoe worden de stappen van de cyclus van opbrengstgericht werken doorlopen bij het technisch leesonderwijs in groep 3 van Obs De Vlieger?
… is te beantwoorden door het verzamelen
van gegevens in de praktijk

Een onderzoeksvraag geeft richting aan het onderzoek zodanig dat het onderzoeksdoel wordt bereikt.








Bij bovenstaand onderzoeksdoel dus niet:

Wat is de visie van de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger op het stimuleren van eigenaarschap van het eigen leerproces bij leerlingen?

Maar wel:

Hoe stimuleren de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap van het eigen leerproces bij leerlingen?



... past bij het doel dat je nastreeft met het onderzoek
Voorbeeld onderzoeksdoel

In dit onderzoek wordt in kaart gebracht hoe de leerkrachten van groep 7 van Obs De Vlieger eigenaarschap van het eigen leerproces bij hun leerlingen stimuleren. Daarnaast worden aanbevelingen gedaan voor hoe leerkrachten dit zouden kunnen verbeteren op basis van een vergelijking tussen theorie en praktijk.

Of:

In dit onderzoek wordt voor Obs De Vlieger in kaart gebracht hoe het stimuleren door hun groep 7 leerkrachten van eigenaarschap van leerlingen voor het eigen leerproces, zich verhoudt tot de literatuur daarover.
Deelvragen
Soms is een onderzoeksvraag te groot om meteen in zijn geheel te onderzoeken. Je deelt het onderzoek dan op in onderzoekbare delen. Dit betekent dat je de hoofdvraag uitsplitst in
deelvragen
.

Deelvragen:
vormen samen de centrale onderzoeksvraag
geven stapsgewijs antwoord op de hoofdvraag
hebben dezelfde criteria als de onderzoeksvraag

Let op de volgende valkuilen bij het formuleren van deelvragen:
Deelvragen zijn geen literatuurvragen: de antwoorden hierop zijn al bekend en vormen het theoretisch kader in de inleiding van de onderzoeksrapportage.

Dus een deelvraag kan NIET zijn: Wat is klassiek autisme?



Sommige vragen zijn interessant maar niet relevant voor de onderzoeksvraag.

Bijvoorbeeld bij de onderzoeksvraag:
Hoe wordt de leerling met klassiek autisme op Obs De Vlieger begeleid?
hoort dus NIET als deelvraag:

In welke situaties heeft een leerkracht moeite met klassiek autisme van een leerling?


Wel kunnen de volgende deelvragen passen bij bovenstaande hoofdvraag:

Wat houdt de zorgprocedure op Obs De Vlieger in voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben bij de ontwikkeling ?
en
Hoe begeleidt de leerkracht van groep 7 op Obs De Vlieger de leerling met klassiek autisme in de klas?
en
Hoe verloopt het contact tussen de leerkracht en de ouders of verzorgers van de leerling met klassiek autisme?

Vaak heb je geen deelvragen nodig, zoals bij de volgende onderzoeksvraag:

Hoe stimuleren de leerkrachten van de onderbouw van Obs De Vlieger het onderwijsondersteunend gedrag van ouders bij de taalontwikkeling van hun kleuters?

Definiëren en operationaliseren
Voor ieder begrip in de onderzoeksvraag geef je een duidelijke definitie. Dit noemen we
definiëren
.

Daarnaast geef je aan hoe je dit begrip onderzoekbaar of meetbaar maakt.
Dit noemen we
operationaliseren
.


Veel zaken kunnen we direct meten met behulp van een instrument: bijvoorbeeld de lengte van een kind, de score op een toets, of de reisduur van huis naar school.
Er zijn echter ook zaken die we niet direct kunnen meten, zoals intelligentie, charisma of pedagogische kwaliteit.

Als we iets niet direct kunnen meten, zoeken we een manier om het indirect te meten. Dat noemen we
operationaliseren
: zorgen dat zo´n niet ineens meetbaar ding toch meetbaar wordt. Dat ding dat we niet direct kunnen meten, noemen we een
construct
, omdat dat ding vrijwel altijd uit meer dan één onderdeel bestaat.


Pedagogische kwaliteit
is een voorbeeld van een
construct
. Er bestaat namelijk geen instrument waarmee je ineens kunt meten wat die kwaliteit precies is, laat staan dat je er een getal aan kunt geven.

Wat wel kan, is pedagogische kwaliteit opsplitsen in verschillende onderdelen die je wel kunt meten, zoals:
het aantal keer dat er per dag een ordeverstoring plaatsvindt;
de duur van een gemiddelde ordeverstoring;
de mate waarin leerlingen weten wat de afspraken in de klas zijn;
de mate waarin de leerkracht gewenst gedrag complimenteert;
de mate waarin consequenties van onwenselijk gedrag consequent doorgevoerd worden;
.....


Wat je verder nog moet weten over de onderzoeksvraag....
Wat is operationaliseren?

Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Hoewel deze opsplitsing slechts een voorbeeld is (en zeker niet uitputtend; deze zaken omvatten niet volledig de pedagogische competentie, dus deze operationalisering is niet volledig), laat deze wel zien dat het construct ´pedagogische kwaliteit´ niet ineens te meten is, maar de onderdelen wel.
Wat is een construct?
Nadat je de onderzoeksvraag hebt bepaald, ga je nadenken over hoe je die vraag wil gaan beantwoorden. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, moet je gegevens verzamelen. Deze gegevens noemen we data. Er zijn verschillende manieren om data te verzamelen. We noemen dit ook wel
methoden van dataverzameling
.

We onderscheiden de volgende methoden:


Bepalen onderzoeksdoel en onderzoeksvraag
Methode van dataverzameling kiezen
Methoden van dataverzameling
Bevragen
Observeren
Bestuderen of gebruiken van bestaand materiaal/documenten

De keuze voor een onderzoeksmethode wordt bepaald door je onderzoeksvraag.

Er is een aantal richtlijnen voor het maken van de keuze:

Wat doen mensen? (vaststellen van gedrag) Observatie (direct)
interview (indirect)

Wat vinden mensen? Interview, vragenlijst

Wat denken, voelen, geloven mensen? Interview, vragenlijst

Wat weten mensen? Gestandaardiseerde testen

Welke onderzoeksmethode kies je?
Met deze methoden kun je kwantitatieve of kwalitatieve data verzamelen.

Kwantitatieve data
zijn cijfermatige gegevens, en ze zijn objectief, zoals een gemiddelde (Hoe vaak neemt een leerkracht gemiddeld contact op met een ouder?) of de mate waarin twee begrippen met elkaar samenhangen (Wat is het effect van methode X op de leerresultaten van leerlingen?).
Een kwantitatieve methode waarin effecten of samenhangen worden onderzocht is vaak geschikt voor grootschaligere onderzoeken (grote onderzoeksgroep), omdat het doel dan meestal is om te generaliseren naar een grote(re) populatie.

Kwalitatieve data
zijn gegevens in woorden, beschrijvingen, beelden, en ze zijn subjectief (Welke acties ondernemen leerkrachten om de betrokkenheid van ouders bij de woordenschatontwikkeling van hun kind te vergroten?).
Een kwalitatieve methode is vaak geschikt voor kleinschaliger onderzoek (kleine onderzoeksgroep), omdat het doel dan meestal is om theorie te ontwikkelen over een bepaald thema of een bepaalde situatie in kaart te brengen, en omdat hierbij meningen en achtergronden een belangrijke rol spelen.

Bij kwantitatief onderzoek worden vaak gesloten, meerkeuzevragen gebruikt. Dan kun je per keuzemogelijkheid bepalen hoe vaak die voorkwam.

Bij kwalitatief onderzoek worden vaak open vragen gebruikt, zodat elke respondent eigen woorden kan gebruiken in de beschrijving, wat voor respondenten meer mogelijkheden biedt om te nuanceren wat zij bedoelen.
Instrument(en) kiezen/ontwikkelen

Als je de methoden van dataverzameling hebt bepaald, dan kies je een geschikt
onderzoeksinstrument
. Een onderzoeksinstrument is een hulpmiddel voor het verzamelen van data. Het doel van het inzetten van het instrument is het beantwoorden van je onderzoeksvraag.

We onderscheiden de volgende instrumenten:






Observatieschema, observatielijst, kijkwijzer
Interviewleidraad
Vragenlijst, enquête
Toets
Let op: Gebruik bestaande instrumenten als die voorhanden zijn (evt. aangepast of ingekort), omdat bestaande instrumenten vaak gevalideerd of betrouwbaar zijn.

Als er nog geen instrument beschikbaar is om je vraag te onderzoeken, dan maak je zelf een instrument.

Je zult dan de begrippen of concepten die een rol spelen in je onderzoeksvraag moeten definiëren en operationaliseren. Zie hiervoor ook Stap waarin uitgelegd wordt wat dit betekent.

Bijvoorbeeld, het operationaliseren van het theoretische begrip Oudercontact resulteert dan in het formuleren van verschillende vragen waarmee je het contact met ouders in kaart kunt brengen.

Om dit te kunnen doen, heb je
altijd
de theorie nodig die in de inleiding is verwerkt. De vragen of observatiepunten uit je instrument zijn dus
altijd
gebaseerd op theorie.
Wat je verder nog moet weten over
onderzoeksmethoden en onderzoeksinstrumenten...


Resultaten van (empirisch) onderzoek zijn gebaseerd op waarnemingen. Belangrijk is of de waarnemingen de constructen in het onderzoek goed dekken.

Twee relevante vragen daarbij zijn:

1) Zijn de waarnemingen geen toevalstreffer? (= betrouwbaarheid)

2) Dekt de waarneming de werkelijkheid?
(= validiteit van de operationalisering).

Wat betekent 'betrouwbaarheid'?
Betrouwbaarheid
Een betrouwbaar onderzoek is herhaalbaar en geeft iedere keer dat je het onderzoek opnieuw uitvoert, dezelfde resultaten.

Waardoor kan de betrouwbaarheid van onderzoek minder worden?
Als je in een kleine groep onderzoek doet, kun je niet zoveel zeggen over mensen die niet in die kleine groep zaten. De steekproef is dan niet betrouwbaar. Oftewel, de onderzoeksgroep is dan niet representatief.
Als je bijvoorbeeld wilt weten wat de gemiddelde lengte van leerlingen in groep 6 is, dan kun je in je eigen groep 6 metingen verrichten. Dan weet je de gemiddelde lengte van je eigen groep 6, maar nog niet de gemiddelde lengte van alle leerlingen in groep 6 in heel Nederland (en al helemaal niets over de gemiddelde lengte van alle groep 6 leerlingen in de hele wereld, want Nederlandse kinderen zijn misschien wel wat langer dan het mondiale gemiddelde), die zou namelijk best eens wat groter of kleiner kunnen zijn.
Hoe groter (of eigenlijk: hoe meer representatief) de groep is waarin je gaat meten (die groep noemen we ‘steekproef’, of ‘onderzoeksgroep’), hoe zekerder je kunt zijn dat die resultaten ook gelden voor mensen die niet in jouw onderzoek zaten. Als andere onderzoekers de studie zouden herhalen met een andere representatieve steekproef zouden ze iets andere resultaten vinden.
De betrouwbaarheid van de resultaten kan minder worden door
systematische

fouten
en
toevallige

fouten
.
Waardoor kan de betrouwbaarheid van de resultaten van onderzoek minder worden?
Als er systematische fouten worden gemaakt, geven de resultaten van het inzetten van een instrument een verkeerd beeld, ook als het instrument meer dan eens wordt ingezet.

Er wordt bijvoorbeeld een systematische fout gemaakt als je wil beoordelen of een stagiair orde kan houden, en je laat de mentor erbij zijn als je gaat meten met een observatielijst (de invloed van de mentor in de klas is vaak groot, en dan kun je niet goed beoordelen of een stagiair orde kan houden).
Wat zijn toevallige fouten?
Toevallige fouten zijn bijvoorbeeld vergissingen bij het aankruisen van het juiste antwoord op een observatieformulier, een fout maken bij het invoeren van gegevens, of geluidsoverlast tijdens het invullen van een vragenlijst.

Je kunt de betrouwbaarheid van kwalitatief onderzoek op de volgende manier bevorderen:
Herhaald interviewen
Meerdere malen observeren in overeenkomstige situaties
Verschillende onderzoeksmethoden gebruiken om hetzelfde onderwerp waar te nemen (methodetriangulatie)
Werken in een team dat overlegt over hoe ze hun meetinstrument inzetten (onderzoekerstriangulatie)
Terugkoppelen van uitgewerkte interviewgegevens naar respondenten en de mogelijkheid geven om aan te passen/toe te voegen.
Methodische verantwoording: beschrijven wat, hoe en waarom je het hebt gedaan, zo wordt het onderzoek controleerbaar en repliceerbaar.
Validiteit
Een valide instrument meet precies dat waarin je geïnteresseerd bent.

Bij validiteit gaat het om de geldigheid van de interpretatie van onderzoeksgegevens, en daarvoor moet het instrument dat je gebruikt, precies dat meten waarin je geïnteresseerd bent.

Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe goed iemand kan rekenen, kun je dat niet beoordelen als je diegene gaat observeren als hij aan het tennissen is: dat observatie-instrument is niet valide, omdat je aan het tennissen niet kunt zien of iemand kan rekenen.

Hoe kun je de validiteit van je onderzoek aannemelijk maken?
Je kunt de validiteit van je onderzoek aannemelijk maken door:

Methodetriangulatie

Verschillende methoden (bevragen en observeren ) kunnen leiden tot gelijkluidende resultaten. Dit zegt iets over de geldigheid van de bevindingen. Interviewgegevens doen bijvoorbeeld andere elementen van een verschijning oplichten dan bijvoorbeeld gedragsobservaties. Documenten, bijvoorbeeld, laten weer andere elementen zien.
Onderzoekerstriangulatie

Hier gaat het erom dat meerdere onderzoekers die betrokken zijn bij een onderzoek met elkaar in discussie gaan over hoe zij de data interpreteren.
En dan validiteit .... Wat betekent dat?
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Wat zijn systematische fouten?
Onderzoeksdoel
Wat voor soort praktijkonderzoek het ook wordt, met je praktijkonderzoek wil je iets toevoegen aan de praktijk. Met het formuleren van je
onderzoeksdoel
geef je richting aan de opbrengsten die je onderzoek moet opleveren.
De opbrengsten van een praktijkonderzoek kunnen zeer divers zijn.

Als je je beperkt tot de soorten onderzoeken die we in de vorige slide hebben aangeraden, dan is het doel met name:

1) het vergroten van inzicht in een bepaalde praktijksituatie, en

2) het geven van aanbevelingen aan de hand van de vergelijking van de in de kaart gebrachte situatie in de praktijk met de inzichten die verkregen zijn uit de literatuurstudie.


Lees hoofdstuk 4.2 uit Van der Donk en Van Lanen (2016) voor meer richtlijnen voor het formuleren van het onderzoeksdoel.
Zie ook hoofdstuk 4.6 uit
Van der Donk en Van Lanen (2016) over de formulering van de onderzoeksvraag
Van der Donk en Van Lanen (2016)
Lees ook hoofdstuk 4.5 uit Van der Donk en Van Lanen (2016) over deelvragen
Lees ook hoofdstuk 5.1. en 5.2 uit Van der Donk en Van Lanen (2016) over methoden van dataverzameling
Rapporteren
Het Onderzoeksproces
Bekijk het volgende filmpje over hoe, wat en waarom je moet verwijzen naar bronnen.

De originele handleiding voor 'deskresearch' vind je op
https://www.hogeschoolrotterdam.nl/contentassets/0cf93cba3e36405a9b007fa6ce265c4d/zoekstrategieformulier-uitgebreid-v2.2.pdf
Hoe maak je een observatieinstrument?
Als je een situatie wilt observeren, kun je dat op verschillende manieren doen. In Hoofdstuk 6 van Van der Donk en van Lanen (2016) worden de keuzemogelijkheden beschreven. Dit zijn de volgende:

Eenmalig of vaker observeren
Participerende of niet-participeren observatie
Directe of indirecte observatie
Minder gestructureerde of gestructureerde observatie
Observatie in een natuurlijke of kunstmatige situatie
Observatie van en door anderen of zelfobservatie

Deze keuzemogelijkheden worden vaak met elkaar gecombineerd.

Zie Hoofdstuk 6.3.1. van Van der Donk en van Lanen (2016) voor een uitgebreide toelichting van deze keuzemogelijkheden en voorbeelden van instrumenten.

In dit hoofdstuk worden ook richtlijnen gegeven voor het vastleggen van het gedrag en de situatie met behulp van je instrument.

Hoe maak je een interviewleidraad?
Het interview is een directe vorm van bevragen waarbij je in gesprek gaat met
de respondent. Bij een interview kun je je vragen mondeling toelichten, doorvragen en
kunnen mensen antwoorden geven in hun eigen bewoordingen.

Bij het uitvoeren van een interview gebruik je een
interviewleidraad
.
Een interviewleidraad is een stappenplan dat richting geeft aan je interview.
Hierin beschrijf je welke onderwerpen je wilt bespreken en welke vragen je stelt,
in welke volgorde.

Je kunt kiezen voor vragen die een getal opleveren, gesloten interviewvragen
en open interviewvragen. In paragraaf 6.4.2 van Van der Donk en Van Lanen (2016) worden voorbeelden beschreven van deze drie typen vragen.



Vervolgens worden negen vraagtechnieken beschreven die ingezet kunnen worden tijdens een interview om het gesprek te starten, in gang te houden en/of af te bakenen (Kvale, 1996, in Van der Donk en Van Lanen (2016)). Dit zijn inleidende vragen, vervolgvragen, verdiepende vragen, specificerende vragen, directe vragen, indirecte vragen, structurerende vragen, interpreterende vragen en pauzemomenten.


Hoe maak je een vragenlijst?
De vragenlijst (of enquête) is een lijst met vragen die beantwoord worden door personen. Wanneer je in een korte tijd een grote(re) groep respondenten wilt bevragen, kies je meestal voor deze vorm van bevragen.

In een vragenlijst kun je gebruik maken van enquêtevragen die een getal opleveren, gesloten enquêtevragen en open enquêtevragen. In paragraaf 6.4.3 van Van der Donk en Van Lanen (2016) worden voorbeelden beschreven
van deze drie typen vragen.

Vervolgens worden in deze paragraaf verschillende aandachtspunten beschreven waar je op moet letten bij het opstellen van vragen.



Respondenten bepalen
Data-analyse bepalen
Hierna wordt toegelicht hoe je een observatieinstrument, een interviewleidraad en een vragenlijst/enquête maakt.
Procedure van data-verzameling bedenken
Je hebt nu een onderzoeksvraag, je weet wie je respondenten zijn en met
welke methode en met welk instrument je data gaat verzamelen.

Vervolgens ga je de
dataverzameling
plannen en organiseren.




Van te voren:

Houd rekening met drukbezette agenda’s van je respondenten. Neem tijdig contact op met de betrokkenen om een interview te plannen.
Denk na over de locatie waar je je data verzamelt. Zorg ervoor dat je op een rustige plek kunt interviewen.
Het tijdstip waarop je de data verzamelt (belangrijke nieuwsmomenten, sfeerproblemen, financiële ontwikkelingen of persoonlijke ervaringen kunnen ervoor zorgen dat respondenten zich anders uitspreken of gedragen dan ze normaal zouden doen.

Tijdens:

Neem het interview op of maak tijdens het gesprek aantekeningen.
Start elk interview met de naam van de perso(o)n(en) die je gesproken hebt, het tijdstip en de plaats van het gesprek.
Noteer ook eventuele bijzondere omstandigheden.

Na afloop:
Werk het gesprek zo snel mogelijk uit. Let op: het volledig uitwerken van een gesprek kost veel tijd.
Om er zeker van te zijn dat je verslag klopt, leg je het ter controle voor aan de geinterviewde(n).
Als je gaat interviewen.....
Als je gaat observeren...
Bij het plannen van observaties, zorg er dan voor dat je de specifieke beroepssituatie(s) kiest waarin het gedrag waar je naar op zoek bent, ook daadwerkelijke waarneembaar is.

Bijvoorbeeld, als je wilt weten hoe leraren leidinggeven, dan zijn de volgende specifieke beroepssituaties situaties denkbaar:

De opstart van een schooldag
Het toezichthouden tijdens de pauzes
Het begeleiden van leerlingen bij opdrachten
Informele contactmomenten met leerlingen

Bedenk ook of je 'live' gaat observeren of dat je ervoor kiest om een situatie op te nemen en later met behulp van je observatieinstrument gaat observeren. In dat laatste geval heb je camera' s nodig en moet je nadenken over de opstelling, belichting, geluid etc.


Door middel van
data-analyse
. Data-analyse is erop gericht je data op zo’n manier te ordenen, reduceren, transformeren en combineren zodat je het deel overhoudt waarmee je je onderzoeksvraag kunt beantwoorden.

Dit noemen we de
analyseresultaten
. De manier waarop je de gegevens gaat analyseren om antwoord te kunnen geven op
de onderzoeksvraag, is afhankelijk van de soorten gegevens die je hebt verzameld.


Voor welke analyse je moet kiezen, staat beschreven in de paragrafen 7.1 tot en met 7.4 in Van der Donk en Van Lanen (2016). Hierna volgt wel een samenvatting van deze paragrafen. Dit geeft een overzicht van de manieren die horen bij de verschillende typen verzamelde gegevens.






Hoe kom je van de verzamelde data uiteindelijk tot de conclusies?
Hieronder vind je een overzicht van de manieren die horen bij de verschillende typen verzamelde gegevens zoals beschreven in Van der Donk en Van Lanen (2016).
  


(Dit zijn getallen of gegevens die je eenvoudig in getallen kunt omzetten.)
 

Data-analyse bij kijkpunten, observatiepunten en vragen die getallen opleveren:

Analysemethode 1: Gemiddelde berekenen
Analysemethode 2: Mediaan bepalen
Analysemethode 3: Standaarddeviatie berekenen
Analysemethode 4: getalsmatige data combineren
 
Data-analyse bij gesloten kijkpunten, observatiepunten en vragen

Analysemethode 5: Aantallen berekenen
Analysemethode 6: Aantallen omzetten naar procenten
Analysemethode 7: Categorieën samenvoegen
Analysemethode 8: Data combineren

Data-analyse bij open kijkpunten, observatiepunten en vragen

Analysemethode 9: Betekenisvolle tekstfragmenten labelen (open coderen)
Analysemethode 10: De data analyseren aan de hand van categorieën
Analysemethode 11: Thematisch coderen
Analysemethode 12: Horizontaal vergelijken
Analysemethode 13: illustreren
 




Meestal maak je dan gebruik van een kijkkader.
Als je meerdere documenten gebruikt kun je aan de hand van je kijkpunten horizontaal analyseren.
 


Je kunt het videomateriaal observeren met behulp van een observatieschema met observatiepunten die je hebt opgesteld op basis van je onderzoeksvraag en deelvragen. Heb je een gestructureerde observatie dan kun je gebruikmaken van analysemethoden 1 t/m 4. Bij een open observatie zijn analysemethoden 8 t/m 11 geschikt.

Heb je voorgestructureerde data?

Heb je minder voorgestructureerde data?
Wil je een analyse maken van vakliteratuur, lesmethodes, beleidsplannen of notulen?
Heb je videofragmenten?
Data verzamelen
10
Data analyseren
11
Als je de data hebt verzameld, ga je aan de slag met het analyseren. Je kunt hiervoor nog eens terugkijken naar de uitleg bij stap
Resultaten weergeven
12
Bij de data-analyse heb je de data geordend gereduceerd, getransformeerd en gecombineerd. Nu heb je het deel over waarmee je je onderzoeksvraag kunt beantwoorden.

Dit noemen we de
(analyse)resultaten
.

Deze resultaten geef je geordend weer.

Als je meerdere deelvragen hebt, orden de resultaten dan per deelvraag. Presenteer dus eerst de resultaten van
deelvraag 1, daaronder de resultaten van deelvraag 2, etcetera.

Geef de resultaten per deelvraag op zijn beurt ook geordend weer. Het instrument dat je hebt gebruikt en/of de analyse
bevat vaak een structuur (categorieën) die je aan kunt houden bij het beschrijven van de resultaten.

Resultaten presenteer je in de vorm van bijvoorbeeld schema’s of tabellen met cijfers, teksten, grafieken, of
cirkeldiagrammen.

Bij het beschrijven van de resultaten is het van belang dat je NIET interpreteert.
Bijvoorbeeld, je hebt onder andere geïnventariseerd in hoeverre ouders op de hoogte zijn van veranderingsprocessen binnen
de school van hun kind.

In de resultatenparagraaf van je onderzoeksrapportage kan dan niet staan:

“Iets meer dan de helft van ouders wil graag op de hoogte gehouden worden van veranderingsprocessen binnen de school.”

Je hebt namelijk NIET gevraagd wat ouders
willen
, maar of ouders op de hoogte zijn.

Er kan wel staan:

“Iets meer dan de helft van ouders geven aan op de hoogte te worden gehouden van veranderingsprocessen
binnen de school.”

Deze paragrafen zijn ook te downloaden vanaf natschool uit de cursusmap PABASO14X.
Conclusies trekken
13
Op het moment dat je je (analyse)resultaten hebt, kun je
conclusies
trekken. Het trekken van conclusies betekent dat je kort en bondig antwoord geeft op de onderzoeksvraag en eventuele deelvragen. Deze antwoorden zullen inzicht geven in het praktijkprobleem.

Let op de volgende zaken:

Je conclusies moeten direct af te leiden zijn uit de (analyse)resultaten. Er komt dus niets bij wat je niet eerder heb beschreven bij de resultaten.

Ook mogen de conclusies niet breder zijn geformuleerd dan wat je hebt aangetoond.

Bijvoorbeeld, uit de analyseresultaten van gestructureerde observaties van drie leerkrachten tijdens drie Wereldoriëntatielessen is gebleken dat één van de drie leerkrachten twee keer een semantiseringstechniek gebruikt om de betekenis van
een woord uit te leggen.

De conclusie kan dan NIET zijn:

" De geobserveerde leerkrachten gebruiken semantiseringstechnieken tijdens de Wereldoriëntatielessen. "

In paragraaf 7.5.2. in Van der Donk en Van Lanen (2016) staan nog andere valkuilen bij het trekken van conclusies.


Aanbevelingen formuleren
14
Nu je het antwoord op je onderzoeksvraag hebt, heb je een oplossing voor het praktijkprobleem.

Bijvoorbeeld, je weet nu hoe leerkrachten de methode uitvoeren of hoe ouders betrokken willen worden bij het
woordenschatonderwijs, hoe gemotiveerd leerlingen zijn voor de lessen Aardrijkskunde etc.

Nu je de praktijksituatie (de conclusie(s)) dus in beeld hebt, vergelijk je deze met de (actuele) inzichten over het onderwerp die je in de inleiding hebt beschreven.

Deze vergelijking tussen de praktijksituatie en inzichten uit relevante literatuur levert overeenkomsten en verschillen op.

Naar aanleiding van de overeenkomsten en verschillen kun je
aanbevelingen
geven over hoe de praktijk op
school verbeterd zou kunnen worden.

Discussie schrijven
15
16
Presentatie geven op basisschool
Leg uit wat de beperkingen zijn van je onderzoek.

Zijn de resultaten en de conclusie bijvoorbeeld geldig voor een grote groep of
gelden ze slecht voor een beperkte groep?
Is de onderzoeksmethode die je hebt gebruikt de meest geschikte geweest?
Was het instrument dat je hebt ontwikkeld, voldoende bruikbaar?
Is het verzamelen van de data naar verwachting verlopen?


Daarna bespreek je welke vervolgvragen je onderzoek opleveren.
Je geeft suggesties voor nieuwe onderzoeksvragen zodat de school het
onderwerp verder kan verdiepen. Je kunt suggesties doen voor het onderzoeken
van nieuwe (gerelateerde) onderwerpen, voor andere onderzoeksmethoden
maar ook bijvoorbeeld voor het onderzoeken van andere doelgroepen.

Tot slot verwerk je in de Discussie de feedback van de aanwezigen bij je
presentatie op de basisschool.
Wat zet je in de discussie?
De onderzoeksrapportage
Een onderzoeksrapportage is bedoeld om lezers te laten weten
:

wat jouw onderzoek heeft opgeleverd (het antwoord op je onderzoeksvraag, en eventuele aanbevelingen), en;

hoe je de stappen van de onderzoekscyclus hebt gevolgd (daarmee krijgt de lezer een idee over hoe gedegen het onderzoek is uitgevoerd, welke literatuur is gebruikt, hoe en bij wie data is verzameld, wat de beperkingen waren, et cetera).

In een onderzoeksrapportage worden de stappen van de
onderzoekscyclus zichtbaar gemaakt voor derden.

De onderzoeksrapportage bestaat uit de volgende onderdelen
:

titelpagina, inhoudsopgave, samenvatting;

inleiding;

methode;

resultaten;

conclusie;

discussie;

literatuurlijst;

eventuele bijlagen.

Doel
Inhoud
Waarom zo uitgebreid?
Sjabloon
Waarom zo'n uitgebreide rapportage?

Daarom moet een rapportage zo uitgebreid zijn: een lezer moet kunnen beoordelen wat de kwaliteit van het onderzoek was, en in welke mate de resultaten generaliseerbaar zijn.
Op natschool onder de code PABASO14X vind je een sjabloon voor de onderzoeksrapportage.



Hier vind je uitleg van, en toelichting en voorbeelden bij de stappen die je zet voor je afstudeeronderzoek. Ook vind je verwijzingen naar het boek 'Praktijkonderzoek in de school' van Van der Donk en Van Lanen (2016).

Door op de pijl naar rechts te klikken word je vanaf stap 1 meegenomen naar 2, et cetera, richting de laatste stap. Ook kun je ervoor kiezen vanaf de overzichtspagina direct door te klikken naar een bepaalde stap waar je meer over wilt weten.

Veel plezier en succes met je afstudeeronderzoek.
Respondenten zijn de personen die worden geobserveerd of bevraagd om data over hen, of hun situatie te verkrijgen.

Afhankelijk van je onderzoeksvraag en -methode zijn dit leerlingen, ouders, leerkrachten, schoolleider, et cetera (Van der Donk en Van Lanen, 2016)
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.
Bron: Boeije, H., 't Hart, H., & Hox, J. (2009). Onderzoeksmethoden. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers.

het theoretisch kader;
de beschrijving van het praktijkprobleem;
het onderzoeksdoel;
de onderzoeksvraag;
eventuele deelvragen.
Let op:

Onderzoeksvraag moet meetbaar zijn..
Onderzoeksdoel kan breder zijn dan onderzoeksvraag.
Geen deelvragen die beantwoord moeten worden door literatuuronderzoek.
Het theoretisch kader geeft weer wat er vanuit relevante, actuele literatuur bekend is over het onderwerp.

Kijk nog eens naar stap 4 van dit webcollege, als je twijfelt.
In de Methode beschrijf je hoe je onderzoeksvragen hebt onderzocht. Het bevat de volgende onderdelen:
Participanten/onderzoeksgroep
 
Methode van dataverzameling
 
Onderzoeksinstrument

Procedure van dataverzameling
 
Betrouwbaarheid en validiteit
 
Methode van data-analyse

Wat beschrijf je in Methode van dataverzameling?

Beschrijf hier waarom bevragen/observeren volgens Van der Donk en van Lanen past bij deze onderzoeksvraag, en verwijs daarbij dus ook naar dit boek. 

Wat beschrijf je in Instrument?
Bijvoorbeeld:
Om de onderzoeksvraag te kunnen onderzoeken is gekozen voor de methode bevragen/observeren (kiezen). Dit is de meest geschikte methode omdat ...
Beschrijf hier wat voor soort instrument je hebt gebruikt, bijvoorbeeld een interviewleidraad, een observatielijst, een enquête...

Beschrijf dan wat het onderzoeksinstrument meet en hoe het opgebouwd is, dus bijvoorbeeld uit welke (inhoudelijke) categorieën of onderdelen het bestaat. Dus zonder het instrument zelf te zien, moet de lezer weten wat er is geobserveerd of wat er is bevraagd. 
 
Als het een
bestaand
instrument is, kun je verder volstaan met het noemen van de bron (naam, auteur) waar het instrument vandaan komt.
Als het om een bestaand instrument gaat dat
aangepast
is, dan beschrijf je precies wat er aangepast is en waarom en op basis van welke theorie/literatuur.
Als het instrument helemaal z
elf ontwikkeld
is, dan beschrijf je per vraag (of per categorie of onderdeel als dat mogelijk is) op welke theorie/literatuur de vraag gebaseerd is. Ook beschrijf je dan nog meer. Zie volgende pagina.

Het instrument zelf zet je in een bijlage. Verwijs in deze paragraaf altijd naar het instrument in de bijlage.


 
Hier beschrijf je hoe de dataverzameling is
verlopen.

Bij observaties beschrijf je hoe, wanneer en waar je hebt geobserveerd.
Bij een interview beschrijf je waar en wanneer je het interview hebt gehouden.
Beschrijf ook eventuele bijzondere gebeurtenissen of omstandigheden tijdens de dataverzameling. 

Wat beschrijf je in Procedure van dataverzameling?


In dit hoofdstuk beschrijf je de resultaten (naar aanleiding van de analyse) op een overzichtelijke manier. Dit kan een tabel, een schema, een figuur of tekst zijn.

Als je een tabel, schema, of figuur gebruikt, leg altijd goed uit hoe de tabel of het schema moet worden gelezen of begrepen. Geef de tabel of figuur ook een titel.

Wat beschrijf je in Resultaten?
Wat komt er in de Inleiding?
Wat beschrijf je in Methode?
Hierna lees je wat je bij deze onderdelen moet beschrijven ....
Tip: Gebruik deze kopjes om structuur aan te brengen dit hoofdstuk
Tip: Gebruik deze volgorde om structuur aan te brengen in deze paragraaf
Bij observeren

Beschrijf welke specifieke wijze binnen observeren je hebt gekozen (gestructureerd, niet-participerend etc.),

Beschrijf ook hoe je de kijkwijzer of de observatielijst invult.
Zie hoofdstuk 6 Van der Donk en van Lanen (2016) voor de mogelijkheden.
 
Bij bevragen

Bij een interviewleidraad of een vragenlijst, beschrijf dan wat voor soort vragen je hebt gesteld, zie hoofdstuk 6 Van der Donk en van Lanen (2016). 
 



Als je zelf een instrument hebt ontwikkeld...
Wat beschrijf je in Conclusie?
De conclusie begin je met het herhalen van je onderzoeksvraag en de wijze waarop je de vraag hebt onderzocht.
Bijvoorbeeld

"In dit onderzoek is onderzocht hoe de leerkracht van Obs .. woordenschatonderwijs aanbiedt in de bovenbouw. Allereerst is de methode ... geanalyseerd met behulp van een kijkwijzer. Vervolgens is de leerkracht in drie methodelessen geobserveerd aan de hand van dezelfde kijkwijzer. Ten slotte is een interview gehouden met de leerkracht om erachter te komen wat zij naast de methodelessen doet om woordenschatuitbreiding bij haar leerlingen te stimuleren. "
Beschrijf dan per deelvraag wat er uitkwam en koppel de conclusie aan relevante theorie uit je theoretisch kader.
Bijvoorbeeld

"Uit de analyse van de methode ... bleek dat de methode geen losse woordenschatlessen bevat, maar didactiek met betrekking tot woordenschat integreert in alle lessen die worden aangeboden. Dit sluit aan bij wat Huizenga (2005), Verhallen (2009) en Vernooy (2008) aangeven. Deze bronnen geven aan dat woordenschatuitbreiding bij voorkeur een onderdeel is dat in iedere les een plek moet krijgen. Het aanbieden van losse woordenschatlessen heeft volgens deze bronnen weinig effect.
Beschrijf dan aanbevelingen die voortkomen uit de vergelijking tussen de conclusies uit je onderzoek en de inzichten uit de theorie die je hebt gebruikt.
Kijk ook naar de stappen 13 Conclusies trekken en 14 Aanbevelingen in dit webcollege, en in paragraaf 7.5.2. in Van der Donk en Van Lanen (2016) over andere valkuilen bij het trekken van conclusies.

Uit bovenstaande conclusie blijkt dat de leerkracht op Obs ... al veel aandacht besteedt aan woordbetekenissen. Om ook aandacht te besteden aan het
uitbreiden van de woordenschat, zou de leerkracht woordleerstrategieën kunnen modellen. Zo zou de leerkracht een nieuw te leren woord kunnen
relateren aan bekende woorden ...

Eerder is aangegeven dat in een taalrijke leeromgeving voorwerpen een label hebben en dat daar ook het lidwoord bij hoort. In de speel-leerhoeken
van groep 1 en 2 zouden de volgende materialen gelabeld kunnen worden: ...
Leg uit wat de beperkingen zijn van je onderzoek.

Zijn de resultaten en de conclusie bijvoorbeeld geldig voor een grote groep of
gelden ze slecht voor een beperkte groep?
Is de onderzoeksmethode die je hebt gebruikt de meest geschikte geweest?
Was het instrument dat je hebt ontwikkeld, voldoende bruikbaar?
Is het verzamelen van de data naar verwachting verlopen?


Daarna bespreek je welke vervolgvragen je onderzoek opleveren.
Je geeft suggesties voor nieuwe onderzoeksvragen zodat de school het
onderwerp verder kan verdiepen. Je kunt suggesties doen voor het onderzoeken
van nieuwe (gerelateerde) onderwerpen, voor andere onderzoeksmethoden
maar ook bijvoorbeeld voor het onderzoeken van andere doelgroepen.

Tot slot verwerk je in de Discussie de feedback van de aanwezigen bij je
presentatie op de basisschool.
Wat beschrijf je in Discussie?
Full transcript