Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Modules klas 4

No description
by

Meneer Tensen

on 14 February 2017

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Modules klas 4

Modules klas 4
Ethiek (verplichte kost)
Ethiek houdt zich bezig met de vraag naar “wat wel mag en wat niet” en met de vraag waar dat “wel /niet mogen” vandaan is gekomen.

A. Neem een willekeurig vraagstuk.
( b.v. euthanasie, vrijheid in de opvoeding, hoever mag je gaan bij zelfverdediging?)

B. Beschrijf waarom je voor dit onderwerp hebt gekozen.
(je kiest natuurlijk niet zo maar een onderwerp: dus waarom dit?)

C. Onderzoek welke standpunten er zijn en wat daarvoor de argumenten zijn (geweest).
(je zoekt in boeken, folders of op internet naar standpunten van anderen over dit onderwerp en doet daar verslag van)

D. Neem zelf een standpunt in en “verdedig” dat met argumenten.
(je hebt een eigen mening: welke én waarom?

E. Geef het standpunt van een “tegenstander” weer en doe dat zo eerlijk mogelijk.
(je zoekt dus in tijdschriften/ boeken/inernet naar een artikel, waarin iemand het tegendeel beweert van wat jij vindt)

F. Zoek in een tijdschrift of krant een artikel dat bij jouw verhaal aansluit en voeg dat bij je werkstuk als bijlage.
Onderstreep of markeer de opmerkingen waar je het mee eens bent. En geef een uitleg bij je gekozen teksten/zinnen.

Je werkstuk moet ongeveer 1.000 woorden groot zijn
Ik en geloven
Deze module doe je natuurlijk ‘alleen’! Het heet immers ‘ik’ en niet ‘wij’!

Elk mens heeft een soort overtuiging van waaruit hij/zij zijn/haar leven inricht.

A. Omschrijf eens wat jouw “geloofsovertuiging” is.
(probeer maar eens op te schrijven wat voor jezelf het belangrijkste is als het gaat over ‘waarom je leeft’)

B. Zoek in boeken /tijdschriften etc. naar mensen, die net zo “geloven” als jij en geef in een paar citaten aan, waaruit je afleidt dat zij net zo denken als jij.
(je onderstreept zinnen waar je het (bijna) helemaal mee eens bent)
Het artikel voeg je bij je werkstuk als bijlage.

C. Probeer eens onder woorden te brengen “waar jouw gedachten /geloof vandaan komt: hoe kom je er aan?
(soms ben je zo opgevoed, maar het kan ook zijn dat je iets gelezen of gehoord hebt of misschien heb je iets meegemaakt waardoor je zo bent gaan denken.)

D. Voer op papier eens een denkbeeldig gesprek met iemand die er heel anders over denkt: dit doe je in de vorm van “een tweegesprek”.
De lengte hiervan is ong. 250 woorden. Bedenk kritische vragen die een ander aan jou zou kunnen stellen, en andersom.

Je werkstuk moet ongeveer 1.000 woorden groot zijn
Het hoe, wat, waar, wanneer...
- Je maakt dit jaar
4
modules uit deze prezi. De eerste is verplicht.
- De modules doe je in principe alleen. Omdat er weinig computers zijn, mag je twee modules met z’n tweeën doen.
- je hebt 100 woorden speling per module. Moet je 1000 woorden hebben, dan heb je dus minimaal 900 woorden.
- Werk je met z'n tweeën, dan doe je het aantal woorden keer 1,5. 1000 woorden worden dus 1500 woorden. Hier is ook weer een speling van 100 woorden.
- Voeg je een artikel (bijlage) toe aan je werkstuk, dan doe je dit helemaal achteraan het werkstuk (na je conclusie of afsluiting). Zet in de inhoud ook netjes welke bijlage(n) je hebt.
- Voor veel informatie moet je natuurlijk bronnen (boeken/internet/interview e.d.) gebruiken. Noteer deze ook in je werkstuk!
- Bij elk werkstuk schrijf je een inleiding met daarin wat de lezer gaat lezen.
Veel succes!
Even wat handige begrippen op een rijtje...
Ethiek: nadenken over de vraag wat goed en fout is.
Normen: regels
Waarden: wat jij belangrijk vindt in het leven. Vaak in één woord te zeggen. (eerlijkheid, liefde, geluk, geloof)
Moraal: alle normen en waarden van een groep of individu.
Autonomie: zelfbeschikking; vrijheid om je eigen regels op te volgen.
compassie: meeleven met het lijden van anderen.
deugd: een (voor jou) goede manier van doen en laten. bijvoorbeeld: iemand helpen met huiswerk kan een deugd zijn.
rechtvaardigheid: iedereen geven wat hij/zij ook hoort te krijgen.
solidariteit: voor elkaar opkomen en elkaar bijstaan/helpen (ondanks de verschillen).
Dilemma: keuze uit minimaal twee mogelijkheden die allebei positief zijn, of negatief.
Extra info en voorbeelden van onderwerpen
Voorbeelden van onderwerpen:
- mag de doodstraf?
- wanneer is geloven goed/slecht?
- wat kan wel en niet op internet en wat is een 'grijs gebied'.

Onderwerpen voor in de zorg: http://www.ethicas.nl/1/speciaal.html
Een uitspraak
titel
Vrije ruimte
titel
titel
Help ik lees de Bijbel
titel
titel
Een compleet ander geloof
Enkele voorbeelden
titel
Film
Enkele titels die geschikt zijn
Sektes
Sekte kiezen
"Je vindt alles in een sekte... behalve de uitgang"
Christendom vergeleken met...
Onderwerpen
titel
Creatief
titel
titel
Groeperingen
Groepering kiezen
titel
Een geleerde zei eens: “ niemand kan zonder geloof”.
Hij liet daarbij in het midden of het ging om het geloven in een “God” of “goden” of bijvoorbeeld in jezelf of iets anders.
Het christelijk geloof kent een heleboel “gedachten” en “vormen”: men gelooft bepaalde dingen, men viert bepaalde feesten, men vindt dat bepaalde dingen niet kunnen.

A. Je neemt “iets” uit het christendom en je beschrijft zo uitgebreid mogelijk wat je daarover kunt vinden in de literatuur/internet: het hoe, wat, waar, waarom en wanneer over het onderwerp.
Daarbij kun je dus denken aan: een gebruik (dopen, avondmaal etc.), de bijbel (andere heilige boeken), een standpunt (de rol van de vrouw, gedragsregels etc.)

B. Je gaat op zoek of je een vergelijkbaar gebruik of een vergelijkbare gedachte bij een andere grote godsdienst kunt vinden en je beschrijft je “vondst”, zoals je dit bij A gedaan hebt. Hier dus ook weer het hoe, wat, waar, waarom en wanneer over het onderwerp.
Als voorbeeld: je kiest voor de bijbel (christendom) en de koran (islam).

C. Vergelijk het gebruik of de gedachte. Wat zijn de grote verschillen, wat de opvallende overeenkomsten?

D. Je voorziet je werkstuk van tenminste 2 illustraties

Je werkstuk moet ongeveer 1.200 woorden groot zijn
Bijbel/...
Kies vooral een onderwerp uit wat jou intereseert (het hoeft niet in dit lijstje voor te komen)!
symbolen/...
een regel/...
Christendom/ 'andere godsdienst'
Christen gelooft.../ ... gelooft ...
Meestal wordt een sekte omschreven als: “ een groep gelovigen, die vaak slechts enkele ideeën uit de oorspronkelijke godsdienst heeft over gehouden en streng aan die enkele regels probeert vast te houden”.

A. Je neemt één van de sektes uit het kader hiernaast.

B. Je beschrijft het ontstaan.
(wie is de stichter, waar is het ontstaan etc.)

C. Je beschrijft de hoofdgedachten van deze sekte.
(wat geloven ze, wat willen ze, hoe doen ze etc.)

D. Je geeft in eigen woorden een reactie op B en C.
Let vooral op de argumenten die je aanvoert: ‘dat vind ik gek’ is iets anders dan ‘dat vind ik vreemd, omdat. Een goede uileg is belangrijk.

E. Je voorziet je werkstuk van een (kranten)artikel.
Hierin onderstreep/arceer je de dingen die je opvallend vind of gek.

F. Leg kort het onderstreepte/gearceerde uit.

Je werkstuk moet ongeveer 1.000 woorden groot zijn

1. Moon sekte
2. Unified Family
3. Christian Science
4. Jehova’s Getuigen
5. Baghwan beweging
6. Bahái
7. Krishna Murti
8. Hare Krishna
9. Een sekte naar keuze ( je legt je eigen keuze ter goedkeuring voor aan de docent! )
Elk vak, dat iemand studeert of beoefent heeft zo zijn grenzen.
Daarmee wordt bedoeld, dat er misschien wel heel veel kan, maar dat je best eens de vraag mag stellen of alles toegestaan is en goed.

Voorbeeld: Iemand studeert biologie of is bioloog.
Tijdens de studie (of het werk) komt de opdracht om mee te doen aan een
onderzoek en daarbij zelf “als proefkonijn” te fungeren.

Wat zou je zelf doen?
Waarom?
Wat vind je van mensen die tegen jouw keuze ingaan?

A. Kies één van je eigen eindexamenvakken.

B. Bedenk een voorbeeld van zo’n “grensprobleem” of dilemma.

C. Beschrijf het grensprobleem/dilemma en vertel wat de keuzemogelijkheden zijn EN wat de gevolgen van deze keuzes zijn. Gebruik hiervoor bronnen als dit nodig is.

D. Interview je vakdocent over dit vraagstuk en geef daarvan een verslag in je werkstuk. Je bedenkt dus een aantal ‘zinnige’ vragen om met je docent een ‘ gesprek te kunnen voeren over jouw ‘vraagstelling.

E. Beschrijf, met het interview in je achterhoofd, je eigen mening. Gebruik hiervoor voldoende argumenten.

Je werkstuk moet ongeveer 1.200 woorden groot zijn
Heel veel mensen lezen regelmatig in de Bijbel.
Ze komen soms teksten tegen, waarvan ze zich afvragen: “wat staat daar nou eigenlijk?”
Soms zijn er teksten uit de Bijbel gebruikt ( of: misbruikt?! ) om een bepaald idee of standpunt mee te “bewijzen”.


A. Je bladert eens in de Bijbel en leest tenminste 3 hoofdstukken, elk uit een ander Bijbelboek! Minimaal één uit het Oude Testament en minimaal één uit het Nieuwe Testament.
Zo maar een greep: je gaat dus niet zoeken!)

B. Je vermeldt welke stukken je hebt gelezen.
Je vermeldt ook welke “vertaling” je hebt gebruikt! (tip voor begrijpelijke bijbelvertalingen: Bijbel in gewone taal, Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), Groot Nieuws Bijbel).

C. Je kiest één van de drie hoofdstukken en probeert op papier te zetten: wat heeft de schrijver aan zijn lezers duidelijk willen maken?

D. Je vergelijkt de door jou gebruikte vertaling met een “andere vertaling”.
Geef verslag van de door jou gevonden verschillen ( als die er zijn )
En leg uit of je die belangrijk vindt en waarom wel/ niet.

Voeg de “andere vertaling” in kopie bij je verslag. (tips voor andere vertalingen: Nederlandse Bijbel Genootschap (NBG), Staten Vertaling (SV), Nieuwe Staten Vertaling (NSV), Willibrordvertaling, Het Boek, De Naardense Bijbel)

E. Denk eens op papier na over de vraag: vind ik lezen in de bijbel nog wel passen in de tijd van vandaag?
(heeft voor jou bijbellezen wel zin? Wat vind je van het feit dat de bijbel nog steeds het meest gelezen boek is? )

Je werkstuk moet ongeveer 1.000 woorden groot zijn.
Je maakt een COLLAGE maken of EEN POSTER of een TITELBLAD over de module van je keuze.
Zelfs EEN GEDICHT (op een poster) hoort tot de mogelijkheden.
EEN LIED, EEN HOMEPAGE etc.

Je houdt het logboek gewoon bij zoals de anderen.

De presentatie dient vergezeld te gaan van :

A. Beschrijving van je werkwijze.

B. Korte uitleg van het “afgebeelde”.

Let op:
Je pleegt voor deze opdracht steeds overleg met TSU, ook tussentijds!
Mocht je ‘creatieve actie’ te weinig niveau hebben: dan zul je tussentijds te horen krijgen, dat je alsnog een theoretische module moet gaan doen… binnen de afgesproken tijd!

Let op:
Dit is dus echt iets voor de mensen, die meer kunnen dan een paar plaatjes uitknippen en opplakken. Je moet verplicht beeldende vorming/CKV in je pakket hebben.

Er zijn erg veel vormen van geloof in de wereld. Je hebt de grote vijf: Hindoeïsme, Boeddhisme, Christendom, Islam en het Jodendom. Daarnaast heb nog allemaal andere vormen. Daar gaat deze module over (dus
GEEN
Jodendom, Christendom, Islam, Boeddhism, Hindoeïsme of sektes)

A. Kies een geloof en beschrijf waarom je hiervoor hebt gekozen. Daarnaast beschrijf je wat je al weet van het geloof.

B. Ga in op de geschiedenis van het geloof. Wat zijn opvallende verhalen? Hoe oud is het? Welk(e) boek(en) horen bij het geloof? Wie heeft het ‘bedacht’ en hoe heeft het geloof zich verspreid over de wereld?

C. Hoe wordt er op dit moment om gegaan met het geloof? Hoe is het in het nieuws gekomen enzovoort en wat voor beeld heeft men voornamelijk van dit geloof?

D. Waarin lijkt het geloof op andere geloven? Op welke andere geloven precies en waarom?

E. Waarin verschilt het gekozen geloof opvallend veel met andere bekende geloven? Op welke andere geloven precies en waarom?

F. Geef een “eigen” commentaar op wat je hebt gelezen in ong. 100 woorden.
(wat vind je ervan? wat vind je vreemd of opvallend en waarom vind je dit?)

G. Voorzie je werk van tenminste één illustratie (een fotokopie van een artikel over je onderwerp of een plaatje is voldoende) en leg je keuze uit.

De module moet ongeveer 1.200 woorden groot zijn.
Er zijn erg veel vormen van geloof in de wereld. Je hebt de grote vijf: Hindoeïsme, Boeddhisme, Christendom, Islam en het Jodendom. Daarnaast heb nog allemaal andere vormen. Daar gaat deze module over (dus geen sektes).

A. Kies een geloof en beschrijf waarom je hiervoor hebt gekozen. Daarnaast beschrijf je wat je al weet van het geloof.

B. Ga in op de geschiedenis van het geloof. Wat zijn opvallende verhalen? Hoe oud is het? Welk(e) boek(en) horen bij het geloof? Wie heeft het ‘bedacht’ en hoe heeft het geloof zich verspreid over de wereld?

C. Hoe wordt er op dit moment om gegaan met het geloof? Hoe is het in het nieuws gekomen enzovoort en wat voor beeld heeft men voornamelijk van dit geloof?

D. Waarin lijkt het geloof op andere geloven? Op welke andere geloven precies en waarom?

E. Waarin verschilt het gekozen geloof opvallend veel met andere bekende geloven? Op welke andere geloven precies en waarom?

F. Geef een “eigen” commentaar op wat je hebt gelezen in ong. 100 woorden.
(wat vind je ervan? wat vind je vreemd of opvallend en waarom vind je dit?)

G. Voorzie je werk van tenminste één illustratie (een fotokopie van een artikel over je onderwerp of een plaatje is voldoende) en leg je keuze uit.

De module moet ongeveer 1.200 woorden groot zijn.
Het mag gaan over een christelijke groepering. Bijvoorbeeld: gereformeerden of evangelischen. Maar het mag ook een groepering zijn buiten één van de vijf wereld godsdiensten.
Er zijn heel veel films die gaan over godsdienst, levensbeschouwingen en filosofie (diep nadenken over het leven). Denk bijvoorbeeld aan Evan almighty. Dit is niet alleen een parodie over het verhaal van Noach die een ark bouwt, maar gaat ook over vertrouwen op het bovennatuurlijke en geloven in een omgeving waar niemand hetzelfde denkt als jij. Zo hebben veel films verschillende thema’s om over na te denken. Bij deze module kies je een film en daar maak je de volgende opdrachten over. Het kiezen doe je in overleg met TSU. Je moet dus eerst een film hebben die goedgekeurd is.

A. Schrijf in ongeveer 100 (eigen!) woorden een korte samenvatting van de film.

B. Wat wil(len) de maker(s) van de film volgens jou zeggen met deze film? Leg uit waarom je dit denkt.
(uit welke scene’s en dialogen blijkt dit, beschrijf dit uitgebreid).

C. Welke thema’s en vragen komen in deze film naar voren? Kies één van deze vragen of thema’s en beschrijf in ongeveer 250 woorden wat je eigen mening/antwoord is. Leg hierbij de link met de film en beargumenteer je mening/antwoord. Werk je met twee personen aan deze module, pak dan meerdere thema's en werk deze uit (zo kom je ook makkelijker aan het aantal woorden)

D. Wat is de moeilijkste keuze/situatie van de hoofdpersoon, wat doet hij/zij en waarom?
Beschrijf de levensbeschouwing van de hoofdpersoon en hoe hij/zij hieraan komt.
(Wat gelooft de hoofdpersoon? Wat vind de hoofdpersoon belangrijk of waar heeft hij een hekel aan?)

E. Beschrijf de voor jou beste/mooiste/ontroerendste/grappigste scene? Oftewel: Beschrijf de scene die het meest met jou doet en vertel waarom dit zo is.

F. Geef je eigen mening over de film van verschillende kanten.
(denk aan vragen als: wat zou jij anders gedaan hebben als jij de regisseur was? Hoe vind je het acteerwerk? Hoe vind je dat de boodschap is overgekomen? Hoe is het taalgebruik? Wat vind je van de filmstijl? Komt het moraal van de film overeen met je eigen moraal (wat goed en slecht is)? Zit het verhaal goed in elkaar of mist er iets en zo ja, wat dan?)

De module moet ongeveer 1.000 woorden groot zijn.
Hoe noteer je bronnen?
- dit kan op twee manieren.

Wat kan niet:
- google of wikipedia zijn nooit bronnen, zet dus de hele link in de bronverwijzing.
- geen bron vermelden als je deze wel hebt gebruikt.
Opzet/vorm van een werkstuk:

Pagina 0: voorblad (passende foto/plaatje, titel, naam/namen, vak, docent)
Pagina 1: inhoud (wat staat op welke pagina?)
Pagina 2: inleiding (vertel wat je als lezer gaat lezen)
Pagina 3-?: inhoud van het werkstuk.
Op een nieuwe laatste pagina: conclusie (afsluiten, wat heb je geleerd, kort samenvatten)
Na het verslag de eventuele bronnen.
tip: op de link klikken werkt alleen in 'full screen'
- Jezidi
- Sikhisme
- Bahái
- Het vliegende spaghetti monster
- Jaïnisme
1. klik met je muis achter de tekst waar de bron bij hoort.
2. klik op 'verwijzingen'
3. klik op 'voetnoot invoegen'
4. zet hier, onderaan de pagina, de bron/link
alternatief: na het verslag alle
bronnen netjes op een rij.
beste manier:
Alle vier de modules zijn vóór 31 maart ingeleverd!
Full transcript