Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Kenmerkende aspecten

No description
by

Rianne van Zandbrink

on 15 October 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Kenmerkende aspecten

Kenmerkende aspecten
De levenswijze van jager-verzamelaars
Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenleving
Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
De klassieke vormentaal van de Grieks- Romeinse cultuur
De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks- Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde
De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noord-west Europa
De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten
Tijdvak 1
Tijdvak 2
Tijdvak 3
De verspreiding van het christendom in geheel Europa
Ontstaan en verspreiding van de islam
De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarische-urbane cultuur door een zelf voorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via het hofstelsel en horigheid
Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Tijdvak 4
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarische-urbane samenleving
De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben
De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in vorm van de kruistochten
Het begin van staatsvorming en centralisatie
Het begin van de Europese overzeese expansie
Het veranderende wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling
Het hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid
De protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had
Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat
Tijdvak 5
Tijdvak 6
Tijdvak 7
Tijdvak 8
Tijdvak 9
Tijdvak 10
Het streven van vorsten naar absolute macht
De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek
Wereldwijde handelscontracten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
De wetenschappelijke revolutie
Rationeel optimisme en 'verlicht denken' dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantage kolonies en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme
De democratische revolutie in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap
De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
Discussies over de sociale kwestie
De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
De opkomst van emancipatiebewegingen
Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces
De opkomst van politiek maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme
De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme
De crisis van het wereldkapitalisme
Het voeren van twee wereldoorlogen
Racisme en discriminatie die leidden tot genocide in het bijzonder op de joden
De Duitse bezetting van Nederland
Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering
Vormen van verzet tegen het West- Europese imperialisme
De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog
De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld
De eenwording van Europa
De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 1960 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen
De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen
Prehistorie: de tijd voor de geschreven bronnen, te tijd van jagers en boeren.
Nomade: iemand zonder vaste woonplaats, rondtrekken in kleine groepen. Op één plek blijven tot het voedsel op was.
Archeologie: wetenschap die het verleden bestudeert aan de hand van ongeschreven bronnen: getekende bronnen, beeldjes
Neolitische-/ agrarischerevolutie: vruchtbare halvemaan.
Veeteelt en landbouw, nieuwe uitvindingen zoals de ploeg.
Sedentaire samenleving: leven op een vaste plaats, zorgde voor bezit.
De mens veranderde in en cultuurwezen: doden op een vaste plaats begraven (hunnebedden); duid op een geloof.
Grotere nederzettingen: landbouwstedelijke samenleving, er ontstonden steden en andere functies als boer (priesters, ambtenaren, koop- en ambachtslieden.
Nijverheid (het bewerken en maken van goederen), en ruilhandel ontstond.
Er ontstond schrift: spijkerschrift en alfabet (Grieken).
Polytheïstische godsdiensten (Soermeriërs, Egyptenaren);
Mytohologisch wereldbeeld: mythe, verhaal waarin goden of andere verschijnselen een hoofdrol spelen.
Griekenland bestond uit verschillende stadstaten, poleis met ieder een eigen bestuur. Monarchie, aristocratie, oligarchie, tirannie, democratie.
Filosofen ontwikkelen een rationeel-wetenschappelijke manier van denken. Er werden natuurkundige en wiskundige wetten opgesteld.
Filosofen: Socrates, Plato en Aristoteles.
Monarchie: staat met één vorst aan het hoofd
Aristocratie: staat geleid door een groep aanzienlijken
Oligarchie: staat geleid door een kleine groep
Tirannie: bestuur van een tiran, wrede onderdrukking
Democratie: bestuur waarbij het volk beslist
Grieken wilde de volmaakte schoonheid uitbeelden, ze maakten goden, halfgoden en helden.
Romeinen veroverden Griekenland en namen beelden en schilderijen mee naar Italië, ook de beeldhouwers, schilders en architecten.
Ontwikkelde hun eigen stijl: alles zo realistisch mogelijk. Grieken streefden juist naar perfectie.
Ze ontwikkelde in de architectuur ook hun eigen vormentaal. Met veel bogen. Aquaducten en amfitheaters typisch Romeins. Fonteinen , triomfbogen en openbare gebouwen zoals badhuizen.
Rome werd een republiek (500 v.C.), de macht was in handen van het senaat.
Militaire prestaties stonden hoog in het aanzien, vanaf 350 v.C. expansie naar Europa. Waar meestal nog een landbouwsamenleving was. Onder de Romeinen werd het een landbouwstedelijkesamenleving. Met een geldeconomie.
Naar Ceasar als dictator kwam Octavianus als keizer en stichtte het Romeinse keizerrijk. Werd gevolgd door rust binnen het Romeinse imperium, de pax Romana.
Met een lange reeks oorlogen breidden ze hun stadstaat uit tot een wereldrijk. Het was goed georganiseerd en ze waren medogenloos, maar respecteerden de godsdienst en cultuur van de veroverde volkeren.
Namen ook de Griekse godenwereld en mythologie over alleen paste deze aan.
De volkeren werden geromaniseerd. De cultuur en taal van de Romeinen werd overgenomen.
Val vanaf 3e eeuw n. C.: het aantal inwoners nam af. Germaanse stammen drongen binnen: volksverhuizingen (migratie van het volk). 395 Romeinse rijk opgesplitst: West- Romeinse rijk met Germanen. Oost-Romeinse rijk bleef nog 1000 jaar bestaan. Totdat de hoofdstad Constantinopel door de Turken werd veroverd.
Ten oosten van de Rijn leefden de Germanen, ook wel de primitieve barbaren. Waren meerdere volken zoals: Teutonen, Alemannen, Friezen en goten.
Leefden in een landbouwsamenleving. Ze waren, in vergelijking met de Romeinen, slecht georganiseerd en zwak bewapend. Wel kenden ze het gebied heel goed: Teutoburgerwoud.
Romeinen dreven handel met Germanen. Sommige Germanen sloten zich aan bij het Romeinse leger en werden daarmee Romeins staatsburger. Germanen namen de Romeinse taal, cultuur en schrift over.
Vanaf de 3e eeuw n.C. trokken ze het Romeinse rijk binnen en sloegen aan het plunderen. Ze stichtte rijkjes en gingen over de oorspronkelijke bevolking heersen.
Jodendom: één god (monotheïstisch), heilige boek de Tenach. Volgden Abraham. Joden waren van oorsprong slaven. Ze leefden in diaspora (verspreiding).
Uit het jodendom ontstond het christendom.
Christendom: volgden Jezus, heilige boek de Bijbel. Het werd de staatsgodsdienst in het Romeinse rijk. Andere godsdiensten werden verboden.
Al voor dat het christendom de staatsgodsdienst werd in het Romeinse rijk, hadden bisschoppen in grote steden de leiding in de kerk. De bisschoppen benoemden hun bisdommen en de lagere geestelijken zagen er op toe dat daarin volgens de regels wordt geleefd.
De hoogste geestelijke: de paus, leefde in Rome en was de leider van de rooms-katholieke kerk.
Tweezwaardenleer: na de val van het Romeinse rijk bleef de kerk wel bestaan. De keizers van het Oost-Romeinse rijk wilden ook de macht over de kerk. De paus verzette: volgens hem waren er twee machten, de geestelijke macht en de wereldlijke macht (tweezwaardenleer). Hierdoor ontstond een schisma (scheur) binnen de kerk:
- Byzantijnse (Oost-Romeinse) rijk met de Grieks-orthodoxe kerk onder leiding van de keizer
- Het westen met de rooms-katholieke kerk onder leiding van de paus.
Monniken en Nonnen, speciaal soort geestelijken, niet benoemd door bisschoppen. Zij zonderden zich volledig af om zich aan god te wijden. De meeste leefden in een klooster. Ze moesten zich gehoorzamen aan hun abt (het hoofd van het klooster).
Monniken waren belangrijk bij de verspreiding van het Christendom. Ook was Clovis belangrijk voor de terugkeer van het christendom in het westen: hij liet zich dopen nadat hij met behulp van god een belangrijke slag had gewonnen.
Missionarisen trokken prekend en kerken stichtend rond (Friezen lieten zich niet snel kerstenen).
Kerstenen: bereken tot het christelijke geloof.
Heidenen: ongelovigen.
Relikwieën: voorwerpen van goden
Ontstaat 600 jaar na het christendom.
Godsdienst wordt (hoogstwaarschijnlijk) gesticht door Mohammed, hij werd profeet van Mekka. De verzen die hij hoorde van de engel schreef hij op in de Koran. Het was een monotheïstische godsdienst.
De moslims kennen de jihad: streven naar uitbreiding van de islam.
Rond 650 viel de expansie van de Islam stil, er kwam een onderlinge strijd nadat de laatst gekozen kalief (hoogste geestelijk en politiek leider in de islamitische wereld) werd vermoord. De Omayyaden namen de macht en vestigden een dynastie (vorstenhuis). Opstand van de sjiieten.
Sjiieten: de macht moest in handen komen van de nakomelingen van Ali, omdat hij familie was geweest van Mohammed.
Soennieten: steunde de Omayyaden, vormden de meerderheid. De jihad ging onder hun verder.
Na de val van het Romeinse rijk bestond West-Europa uit ruïnes. Het was weer een agrarische samenleving. Plattenlandsgemeenschappen waren autarkisch (zelfvoorzienend).
Keizers gingen boeren verbieden van hun land af te gaan (om te voorkomen dat de productie daalde) en in ruil daarvoor kregen ze bescherming. Zo ontstond de horigheid (toestand waarbij halfvrije boeren hun land niet mogen verlaten). Hieruit ontstond het hofstelsel (een landbouwstelsel waarbij horige boeren op een autarkisch domein gebonden zijn aan een heer of klooster).
De boeren kregen van hun eer een hoeve, een boerderij met land. in ruil hiervoor kregen ze bescherming en de boeren deden herendiensten (werk dat gratis gedaan moest worden voor de rentmeester= iemand die het landgoed voor iemand anders beheert).
Na de val van het Romeinse rijk heerste Karel de Grote over een groot deel van Europa.
- Hij had wetten maar die hadden geen invloed (niemand kon lezen noch schrijven)
- Er was geen geld in omloop; er konden geen belastingen worden geheven.
Karel (maar ook andere keizers) wezen lagere edelen aan voor een gebied en zij werden beloond met buit en grond. Hij probeerde de adel ook aan hem te binden door midden van een eed van wederzijdse trouw.
Deze banden tussen koning en zijn edelen zorgden voor een nieuw bestuursstelsel: feodalisme of leenstelsel. De edelen werden vazallen of leenmannen genoemd. Zij verdeelde op hun beurt hun land onder leenheren.
Karel verdeelde zijn rijk in graafschappen waar de graaf de leiding had en in hertogdommen waar de hertog de leiding had. Graven en hertogen spraken namens de koning recht en riep militairen op. In ruil daar voor gaf Karel het recht om belastingen te heffen in hun domein.
Hamburg werd in de 15e eeuw de machtigste stad van Noord- Europa. Vanuit Hamburg gaven kooplieden leiding aan Duitse Hanze (organisatie van handelssteden die bij elkaar handelskantoren hadden en gezamenlijk optraden om hun belangen te behartigen.
Na dat er een eind kwam aan de invasie van de Vikingen, konden steden groeien. Steden ontstonden vaak bij water (bij gebrek aan verharde wegen). Er kwam plaats voor landbouw. Het tweeslag stelsel veranderde in het drieslagstelsel (de grond ligt eens in de drie jaar brak). Er kwamen betere ploegen waardoor meer voedsel verbouwd kon worden: er ontstond een overschot.
Het overschot werd verkocht op markten die bij waterwegen in de buurt lagen. Mensen gingen zich specialiseren in een ambacht. Deze kleine markten en handels nederzettingen groeiden uit tot steden.
Men ging ook handelen met het buitenland. De oplevende handel zorgden weer voor een geldeconomie. Banken bedachten nieuwe betaalmethodes: wisselbrief (een brief die je in een andere stad weer kon inleveren daar kreeg je dan geld voor) en de giro (geld 'overmaken' naar andere rekeningen)
Mensen trokken van het plattenland naar de stad. De steden werden groter. Er werden nu stadsrechten gegeven; eigen bestuur, wetten, het recht om tol te heffen en het recht om stadsmuren en stadswallen te bouwen. In ruil voor de rechten betaalde de steden belastingen.
De adelijke heer hield enige invloed via de baljuw: door een edelman aangestelde rechter en bestuurder in een stad op op het platteland.
Omdat steden belasting betaalden, profiteerden vorsten van de groeiende geldeconomie, dat maakte ze ook afhankelijker. Het hofstelsel en de horigheid verdween langzamerhand.
Wie een jaar in een stad woonde, kon het burgerrecht kopen. Je was dan burger van de stad. Burgers werden beschermend door het stadsrecht en konden lid worden van de gewapende schutterij (zorgde voor veiligheid in de stad). Je kon met het burgerrecht ook lid worden van een gilde.

De rijke kooplieden waren de machtigste burgers. Ze leverden de schepenen (lid van het bestuur en rechtbank).
De koningen en keizers wilden hun macht te vergroten door een centraal bestuur te gaan organiseren.
Er werden belastingen geheven en er kwamen nationale wetten: het begin van staatsvorming en centralisatie. Staatsvorming en centralisatie werd mogelijk door de toenemende geldeconomie, waardoor belastingen geheven kónden worden. Hiermee werden huursoldaten, ambtenaren en wapens betaald.
Er werd in Engeland een parlement gevormd, dat bestond vertegenwoordigers van drie standen: adel, geestelijkheid en burgerij.
Frankrijk kreeg de Staten-Generaal.
In Duitsland mislukte de centralisatie: ze hadden geen hoofdstad en de macht van de edelen werden niet beperkt. Dit zorgde ervoor dat graven en hertogen de baas bleven in hun gebied.
In de Nederlanden was Filips van Bourgondië degene die met centraal bestuur begon: hij inde belastingen door het hele land.
De pauzen ruzieden rond 1300 al over het primaat, wie het hoogste gezag had: de kerk of de staat.
In Duitsland leidde dit tot de investituurstrijd 1075. Het investituur is een plechtige overhandiging van de tekening van het gezag. De paus vond dat de keizer zich niet mocht bemoeien met de bisschoppen. Zowel de paus als de keizer hadden een bisschop aangewezen, beide een andere. De paus wilde zijn gelijk en dus de paus deed de keizer in ban (uit de kerk zetten).
Uiteindelijk werd de strijd gewonnen door de paus.
In Frankrijk was dezelfde strijd. Maar de koning was daar ook boos over het feit dat de kerk steenrijk was. De koning eiste het geld van de kerk. De kerk hief ook belastingen, en dat moest overgelaten worden aan de koning.
De paus bepaalde wat het juiste geloof was, iedereen die daar van afweek was een ketter. In de 12e eeuw richtte de paus een speciale rechtbank op tegen de ketterij: de inquisitie. Later ging de inquisitie ook heksen vervolgen.
Als sinds de 11e eeuw was het christendom bezig met expansie. Paus Urbanus II riep alle christenen op, om zich aan te sluiten bij een gewapende tocht om Jeruzalem te veroveren op de Islam. Degene die meegingen moesten een kruis dragen als herkenningsteken. De paus vertelde de kruisvaarders dat het ging om de bescherming van de pelgrims (gelovigen die reizen naar een heilige plaats) die in Jeruzalem het graf van Jezus bezochten. Deze eerste kruistocht begon in 1096 met
100 000 kruisvaarders.
De verovering van Jeruzalem was mogelijk omdat de Islam in een onderlinge ruzie was. De kruisvaarders kwamen pas in verdrukking toen soenniet Saladin alle moslims opriep tot een heilige oorlog tegen de kruisvaarders. In 1187 was Jeruzalem weer in handen van Saladin.

Er kwam een nieuwe kruistocht met hulp van Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië en Jeruzalem kwam weer in handen van de christenen.
Rijk Italië (door de handel met het Midden-Oosten en Vlaanderen) ontwikkelde een nieuw mens- en wereldbeeld. Vooral de plezierige kanten van het leven werden belicht: memento mori (gedenk te sterven) veranderde in carpe diem (pluk de dag).
Er kwam belangstelling voor het klassieke erfgoed. De middeleeuwen was nu een donkere perioden. De Grieken en de Romeinen met hun gebouwen en beelden werden bewonderd. Deze periode van die herleving wordt de renaissance (wedergeboorte) genoemd. Met de verspreiding van de renaissance in Europa begon de vroegmoderne tijd.
Het humanisme speelde een belangrijke rol bij de herontdekking van de klassieke oudheid. Humanistische geleerden vertaalden en bestuurden teksten uit de klassieke oudheid. Na de Turkse verovering van Constantinopel, vluchtte Grieken, met teksten naar Italië.
Het humanisme werd een opleiding voor de gegoede burgerij. Het nieuwe opvoedingsideaal werd de ontwikkeling van het individu. De ideale mens was de mens die zich op de meest uiteenlopende terreinen ontplooid had: Leonardo da Vinci.
De leergierige en kritische instelling stimuleerde het natuurwetenschappelijk denken. Copernicus bijvoorbeeld. Als aanloop naar de wetenschappelijke revolutie, had hij een wiskundig model van het zonnestelsel gemaakt, waarbij niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het zonnestelsel was.
Ook waren er nieuwe ontwikkelingen in de kunst; alles werd nu zo realistisch mogelijk geschilderd. De anonieme kunstenaar maakte plaats voor de zelfbewuste kunstenaar die zijn kunstwerk signeerde.
De handel ging via Costantinopel, wat in handen was van de Turken, zij haalden gewilde producten zoals zijde en specerijen Europa binnen. Dit was duur.
Europa wilde zelf deze goederen uit Indië halen. Maar de Turken stonden dit niet via het land toe, dus dit moest over zee. De Portugezen deden dit als eerste. Zij hielden hun kaarten strikt geheim.
De Spanjaarden dachten echter dat zij als eerste Indië had gevonden. Zij vonden alleen Amerika (Columbus), een geheel nieuw continent. De Spaanse conquistadores (veroveraars) trokken verder naar Midden-Amerika. Ze vernietigden daar de samenlevingen en dwongen de Indianen om voor de Spanjaarden te werken. Heel veel indianen stierven aan de westerse ziektes.
De Fransen, Engelsen en Nederlanders wilde ook hun handel drijven maar werden met geweld op afstand gehouden door de Spanjaarden en Portugezen. Zij gingen hun eigen routes zoeken, o.a. via het Noorden, Willem Barentsz Nova Zembla. Het lukte Cornelis de Houtman als eerste Nederlander via het zuiden.
Humanist Erasmus vertaald het orginele, Griekse, Nieuwe testament en ondekt dat het Vulgaat (meest gebruikte versie van de Bijbel voor al 1000 jaar) vol met fouten staat. Hij beschrijft zijn kritiek in het boek Lof der Zotheid.
-> Heiligenverering, relikwieën en bedevaarten hebben niets met het geloof te maken.
Erasmus is de wegbereider van de Reformatie of Hervorming.
Mensen zich al langer aan de misstanden van de kerk: ambachten in de kerk konden worden gekocht en de priesters hadden vrouwen waarmee ze het celibaat (het verplicht ongetrouwd blijven van katholieke geestelijken).
Maarten Luther maakte zich daar via 95 stellingen hard voor. Hij scheurde het christendom in West-Europa: de protestanten die met de kerk van Rome braken en de rooms-katholieken die trouw bleven aan de paus. Luther schreef een brief aan de kerk en wilde hiermee een hervorming binnen de kerk te weeg brengen. De paus beschuldigde hem van ketterij. Maar dit schrikte hem niet af. Hij verspreiden zijn ideeën juist verder. Dit was mogelijk door de boekdrukkunst.
Johannes Calvijn was een andere hervormer, hij was veel radicaler dan Luther. Calvijn zei dat het al vanaf het begin bekend was of je bestemd was voor de hemel of hel. Je kon daar niets aan doen. Het calvinisme verspreidde zich vanuit Genève waar al een calvinistisch stadsbestuur was.
In de 15e eeuw bestaat Nederland uit meerdere gewesten onder één landsheer, ze vormen echter geen eenheid: elk gewest had eigen gewoontes en rechtsregels.
1515: Karel V had het bestuur in de Nederlanden; hij benoemden voor elk gewest een stadhouder die overleg kon voeren met de Staten, in het kader van centralisatie. Om het katholieke geloof te beschermen stelde hij in 1522 een inquisitie in (opsporen en vermoorden van protestanten).
Filips II kwam na Karel, hij liet zich in Spanje huldigen als koning, hij kwam echter niet meer terug. Hij stelde zijn halfzus, Margaretha van Parma aan als landvoogdes (bestuurder die namens een vorst regeert). Edelen waren het hier niet mee eens. Ook niet met de centralisatiemaatregelen (het tastte immers hun zelfstandigheid en privileges aan).
Er kwam verzet onder leiding van Willem van Oranje (stadhouder in Holland, Utrecht en Zeeland). Hij pleitte voor godsdienstvrijheid. Reactie Filips; nog harder optreden tegen het calvinisme. Edelen gingen naar de landvoogdes die zich daardoor geïntimideerd voelde: ketterachtervolging werd volopig gestopt. Calvinisten konden bij elkaar komen: beeldenstorm.
Filips stuurde hertog van Alva in 1567 om de orde op zaken te stellen. Hij stelde een rechtbank op om de prostestanten te veroordelen. Tienduizenden mensen vluchtte naar Duitsland. Onder leiding van Willem van Oranje werd een leger opgericht waarmee ze in 1568 Nederland binnen vielen. De aanval mislukte, maar Alva kreeg meer tegenstanders.
Willem van Oranje ging samenwerken met de Calvinisten, ze noemden zich de geuzen. Ze veroverde over het water acties, en veroverden in 1572 Den Briel. Ze trokken vanuit het oosten Nederland binnen, het zorgde voor bloederige moorden. Er kwam bij het Spaanse leger van Filips geldnood waardoor ze zich terug als plunderend.
Filips benoemd een nieuwe landvoogd: Hertog van Parma. In de Nederlanden sloten verschillende gewesten de Unie van Utrecht. Filips verklaarde Willem van Oranje vogelvrij, waardoor hij werd afgezworen als landheer van de Unie van Utrecht.
De Staten-Generaal nam een onafhankelijkheidsverklaring aan: het Plakkaat van Verlatinghe.
Willem van Oranje wordt vermoord en hertog van Parma veroverd veel steden terug. Hij ging echter ten onder toen hij zich moest concentreren op andere aanvallen. Zijn vloot ging ten onder.
De opstandige gewesten gaan verder zonder landsheer en in 1588 ontstaat de Republiek der Verenigde Nederlanden, kortweg de Republiek. Met als leden: Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland en een stukje Gelderland. De zoon van Willem van Oranje, Maurits, werd stadshouder en kreeg het hele noorden in handen. Filips overleed en de Republiek was sterk genoeg om zich zelf in stand te houden. In 1609 sloten Spanje en de Republiek een bestand voor 12 jaar.
In 1648 sloten Spanje en de Republiek de Vrede van Münster en dat was het eind van de Tachtigjarige Oorlog die begonnen was in 1568.
De godsdienstige tegenstellingen en het verzet tegen de centralisatiepolitiek leidden in de 17e eeuw nog tot opstanden en oorlogen. Duitsland: dertigjarige oorlog.
In 1648 kwam er een einde aan de godsdienstoorlogen in Eruopa. In Frankrijk ontstond er echter een burgeroorlog. Er was verzet tegen het koningshuis. Zodra Lodewijk XIV aan de macht kwam, 1661, probeerde hij de macht van de edelen te beperken: het ontstaan van het absolutisme.
Lodewijk XIV bracht het leger onder controle het werd de een sterk leger. De hoge officieren werden nu in hun macht beperkt omdat zij moesten gehoorzamen aan de koning, deden zij dit niet, was hun carriere voorbij.
Ook bepaalde hij de godsdienst in het land.
Om geld binnen te halen voerde zijn minister van financiën een politiek van mercantilisme (over de import wordt hoge belasting geheven, hierdoor wordt de productie in eigen land en de export bevorderd).
Lodewijk was van mening dat de macht van de koning door niets beperkt moest worden. Zijn bijnaam was de zonnekoning. Zoals de planeten om de zon draaien, draait de aarde om hem, dacht hij.
De koning(en) in Engeland wilde ook de absolute macht hebben, echter mislukte dit bij hen.
Stadhouder
Vroedschap
Regenten
College van 20 á 40 regenten
Benoemden elkaar, zodat de macht
binnen de familie bleef
Machtigste man van de Republiek
Opperbevelhebber leger en vloot, hield toezicht op de rechtspraak en was vaak betrokken bij benoeming van regenten.
De Staten- Generaal
Enige overheidsorgaan, bestaande uit
afgevaardigden van de 7 gewesten
Besloten over buitenlandse politiek. Een besluit kon alleen genomen worden als elk gewest er mee eens was.
De Republiek was een militaire grootmacht dankzij hun rijkdom. Ze hadden huursoldaten uit Schotland, Zwistersland, Duitsland en andere landen.
Die goede welvaart hadden ze te danken aan de goede handel. Amsterdam werd de belangrijkste stapelmarkt; goederen werden daar opgeslagen, verwerkt en doorverkocht. Leiden was één van de belangrijkste textielcentra van Europa. De Republiek had de hoogste welvaart in de Gouden Eeuw. Mensen kwamen naar de Republiek voor werk.
Kunst werd nu ook gekocht door welgestelde burgers van kunstenaars zoals Rembrandt en Vermeer. Ook was er in de wetenschap nieuwe ontwikkelingen: volkenrecht (Hugo de Groot, regels voor gedrag van de staten) en ontwikkelingen op wiskundig, natuurkundig en astronomisch gebied (Christiaan Huygens).
Economie
Cultuur
Godsdienstig
Nergens anders was de geestelijke vrijheid zo groot als in de Republiek: er werden boeken gedrukt die elders verboden waren. De republiek was gereformeerd (calvinistisch). Er heerste gewetensvrijheid; niemand werd vervolgd van wege het geloof.
Nadat Cornelis de Houtman de route had gevonden naar Indië, ging Nederland verder, naar onder andere Java en de Molukken. De onderlinge concurrentie werd onder de Nederlandse kooplieden erg groot. Wat zorgde voor prijsdaling. Op initiatief van de Staten-Generaal werd in 1602 de Verenigde Oost- Indische Compagnie (VOC) opgericht. De VOC kreeg een handelsmonopolie in heel Azië.
De VOC werd een multinational (onderneming met vestigingen in meerdere landen) en dit was typerend voor de opkomende handelskapitalisme (economisch systeem waarbij koopman-ondernemers zich met handel én nijverheid bezighielden en een deel van de wint in hun onderneming investeerden).
Kapitalisme: economisch systeem waarbij de productiemiddelen privébezit zijn en personen geld in een onderneming investeren met het doel winst te maken.
De VOC was in handen van de Heren Zeventien, 17 bestuurders die de Hollandse en Zeeuwse steden vertegenwoordigen. In Azië stelden ze een gouverneur-generaal aan als hoogste bestuurder.
De VOC veroverde grote delen van Java en Molukken. De eerste gouverneur-generaal was Jan Pieterszoon Coen. Hij was hardhandig. Hij dwong inwoners specerijen af te staan en hij brandde de Javaanse stad Jakarta plat en bouwde een nieuwe stad: Batavia, dat werd het nieuwe hoofdkwartier van de VOC.
De VOC was de rijkste en grootste onderneming ter wereld. Met factorijen (handelsnederzettingen) aan de kusten van China, Japan, Perzië, India en Ceylon.
Er stond een wereldeconomie: een economisch systeem met wereldwijde handelscontacten. Gebieden van over de hele wereld waren met elkaar verbonden. De Portugezen en Spanjaarden richtte zich op Amerika. Nederland later ook via de West- Indische Compagnie (WIC). Engelsen en Fransen stichtten kolonies in Noord-Amerika en het Carabisch gebied.
De WIC was in eerste stantie vooral bezig met kaapvaart (piraterij met toestemming van de overheid). Maar later stichtte ze ook kolonies in West-Afrika, Brazillië en Noord-Amerika.
Corperinus beweerde al in de 16e eeuw dat de aarde om de zon draaide. Dit bevestigde Kepler in 1609. Door de telescoop van Galileo Galilei, werd het duidelijker. Het werd echter niet door de kerk geaccepteerd.
Isaac Newton vond de zwaartekracht uit. En dit was het hoogte punt van de wetenschappelijke revolutie. Er ontstond een nieuw wereldbeeld.
Voordat er uitspraken en beweringen werden gedaan, werden eerst experimenten en observaties uitgevoerd.
Natuur en dieren werden populair. Micro-organismen werden ontdekt, de eerste klok werd uitgevonden en de telescopen werden nog beter. De wetenschap bleek in de oorlogvoering en scheepvaart goed van pas te komen: precieze zeekaarten, vuurkracht kanonnen werd beter. De overheid ging onderzoeken financieren.
De wetenschap zorgde voor optimisme.
Smith: rationeel denken; dit was typerend voor de industriële revolutie.
De verlichting was een gevolg op het optimisme dat ontstond bij de wetenschappelijke revolutie. Alles moest met het verstand te begrijpen zijn. Alles werd kritisch onderzocht: natuur, godsdienst, sociale verhoudingen en de sociale verhoudingen.
Verlicht denken zou het einde betekenen van een tijd van onwetendheid. Rationalisme leidde doto vooruitgang. Kennis en rede (het gevoel, verstand en het vermogen dat begrippen voortbrengt) waren superieur aan traditie en geloof.
De verlichting ontstond in Nederland en Engeland: daar was vrijheid (verboden boeken waren daar toegestaan). Parijs werd later het centrum; Frans was de voertaal in de westerse wereld.
De encyclopédie werd gemaakt (1751-1772). Het bevatte kritische artikelen over bijvoorbeeld godsdienst. Voltaire was een filosoof die commentaar had op het geloof (deïst).
Politiek
Het idee ontstond dat de burgers hun koning moest kiezen. De overheid had de taak om de natuurlijke rechten van de burger te beschermen. Tot die mensenrechten behoorde leven, vrijheid en bezit.
Montesquieu: verafschuwde, kwam met Trias Politica (driemachtenleer)
Jean-Jacques Rousseau: volkssoevereiniteit; regeringen moesten de algemene wil uitvoeren, de bevolking moest een sociaal contract met elkaar op stellen, waarbij ze hun soevereiniteit aan een volksvergadering overdroegen. Iedereen verdiende vrijheid en gelijkheid.
Frankrijk:
Ondanks alle Franse filosofen bleef er bestuurd worden volgens het ancien régime. Er ontstond een kloof tussen de idealen van de verlichte denkers en de ruwe werkelijkheid. De Franse economie maakte een economische groei waardoor de gegoede burgerij rijk werd, maar Frankrijk bleef een standenmaatschappij. De landbouwproductie nam toe, maar boeren leden onder de belastingen en plichten van de edelen.
De adel en de geestelijkheid betaalden wel accijnzen maar veel van andere belastingen werden ze vrijgesteld.
Duitsland:
Frederik II van Pruisen zag zich zelf als een 'dienaar van de staat' en hij wilde 'vooroordelen en domheid van het land bestrijden en zijn onderdanen verlichten, hun manieren en moraal cultiveren en ze zo gelukkige mogelijk maken'. Hij kondigde godsdienstige verdraagzaamheid af, schafte de pijnbank af en voerde een zekere mate van persvrijheid in. Zijn manier van regeren wordt verlicht absolutisme genoemd.
Nederland:
Willem III overleed en een nieuw stadhouderloos tijdperk brak aan. Regenten gaven elkaar hoge functies. Ze leende geld aan de overheid die inmiddels een enorme schuld had. Hier kregen ze rente over. De overheid kon dit niet terugbetalen en schroefde de belastingen omhoog.
Het volk kwam hiertegen in opstand, en er werd een nieuwe stadhouder aangewezen Willem IV. Maar de schulden bleven hoog en de regenten werden als maar rijker. Uiteindelijk kwam er een beweging die in opstand kwam.
De Amerikaanse indianen werden gebruikt als slaven op de plantages van Amerika. De Spaanse priester Bartolomé de las Casas was zo onder de indruk van de slechte werkomstandigheden, en kwam op voor de rechten van de indianen in 1542.
Karel V gaf gehoor en verbood de slavernij op indianen.
Het gevolg was dat de Spanjaarden en Portugezen zwarte slaven uit Afrika ophaalden en naar Amerika brachten om te werken op plantages. Zo ontstond de trans- Atlantische slavenhandel. Dit was een onderdeel van de driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika. Europese kooplieden kochten slaven in Afrika en verkochten ze in Amerika. De opbrengsten van de plantages werden naar Europa gebracht.
De

slavenhandel was afschuwelijk en in de 18e eeuw kwam er een beweging tegen de slavenhandel: het abolitionisme.
De verlichte critici vonden slavernij in strijd met de rechten van de mens. In Groot-Brittannië waren de abolutionisten het meest actief. De Britse regering was in 1807 de eerste die de slavernij afschafte. De invoer van slaven in Amerika werd in 1808 verboden.
In het noorden van Amerika ontstond een sterk abolitionistische beweging, zij eiste dat de slavernij in het zuiden ook werd afgeschaft. In 1860 werd een tegenstander van de slavernij, Abraham Lincoln gekozen als president. De zuidelijke staten werden afgescheiden van de noordelijke. Dit zorgde voor de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), met gevolg dat ook in het zuiden slavernij verboden werd. In de Nederlandse kolonies werd de slavernij pas in 1863 afgeschaft.
Amerika:
De Britse kolonies in Noord-Amerika kwamen in opstand tegen hun Moederland. Ze wilden vertegenwoordigd worden in het Britse parlement: No taxation without representation. Ze richtten het Continentaal Congres op om het verzet te bundelen. Een jaar later, toen Groot-Brittannië met geweld probeerde de orde te herstellen, brak de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. De Amerikaanse Revolutie resulteerde in onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika in 1783. De VS kwam als eerste met de grondwet en werd een rechtsstaat. De staatsmacht kwam in handen van een uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. Aan de grondwet werd de bill of rights toegevoegd, waar de grondrechten van de Amerikaanse staats burgers in stonden, zoals vrijheid van godsdienst en meningsuiting.
Nederlandse republiek:
De democratische revolutie sloeg vanuit Amerika over naar de Nederlandse republiek. Er ontstond een democratische beweging die zich de gewapende patriotten noemden. In 1786 verjoegen ze de regenten uit Utrecht en vestigde een democratisch bestuur. In eerste instantie werden ze weggejaagd door de koning van Pruisen maar ze kwamen terug met een Frans revolutionair leger. De stadhouder vluchtte en de democratische beweging hield een verkiezing voor de Nationale Vergadering. De vergadering nam in 1798 een democratische grondwet aan en maakte Nederland een eenheidsstaat.
In 1806 maakte Napoleon een eind aan de Bataafse revolutie en voegde Nederland bij Frankrijk. In 1813 werd Nederland bevrijd en het was weer een monarchie en eenheidsstaat.
Frankrijk:
De revolutionaire ideeën sloegen over naar Frankrijk. Het ging slecht met Frankrijk. Er was een mislukte oogst (hongersnood) en een enorme staatsschuld. Lodewijk XVI riep voor het eerst in 175 jaar de Staten-Generaal bij een. De laagste stand voelde zich niet vertegenwoordigd. En riepen zichzelf uit tot de Nationale Vergadering.
De spanning was om te snijden in Parijs. Er waren voortdurend demonstraties. De mensenmassa bestormden een wapendepot in Parijs en twee dagen later de gevangenis de Bastille. Dit werd gezien als het begin van de Franse revolutie.
Vanaf toen namen de revolutionaire comités in steden door heel Frankrijk de macht over. De Nationale Vergadering nam de Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger aan. Hierin stond dat het volk soeverein was. Iedereen was voor de wet vrij en gelijk en de staat moest deze rechten beschermen.
De Nationale Vergadering maakte van Frankrijk een constitutionele monarchie.
Het gerucht ontstond dat Oostenrijk en Pruisen samen de Franse edelen met geweld de oude orde wilde herstellen. De Wetgevende Vergadering verklaarde de oorlog aan Oostenrijk. Hiermee raakte het ook in oorlog met Pruisen, dat Oostenrijk steunde.
Er kwam een nieuw parlement (1792) die Frankrijk uitriep tot een Republiek. Alle titels verdwenen: iedereen werd een gewone burger. Alles moest met de rede worden verklaard. De radicale revolutionairen kregen het onder Robespierre te zeggen. Alle tegenstanders van de revolutie mochten worden vermoord (guillotine). 40 000 mensen worden door het schrikbewind, de Terreur, vermoord. De Terreur eindigde toen Robespierre zelf onder de guillotine kwam. Napoleon greep de macht, vormde een alleenheerschappij en kroonde zichzelf als keizer. Hij veroverde grote delen van Europa, maar een nederlaag maakte een einde aan zijn keizerschap en hij werd verbannen naar Sint Helena.
Het handwerk werd vervangen door fabrieken; de arbeiders kwamen in opstand en de Industriële revolutie is begonnen. Spierkracht werd vervangen door stoom en later gas en elektriciteit. Er kwam een voortdurende technologische vooruitgang op gang, waarbij de productie werd gemechaniseerd. De IR begon in Groot-Brittannië in de 18e eeuw maar drong pas in de 20e eeuw door in Europa.
Groot- Brittannië had kapitaalkrachtige ondernemers waardoor de IR kon beginnen.
Daarnaast was de agrarische revolutie belangrijk voor de IR. Er waren nieuwe landbouwmethodes, waardoor meer mensen konden worden gevoed. De bevolking groeide, en er was minder arbeid nodig op het land. Er kwamen goedkope arbeidskrachten voor de industrie beschikbaar.
Daarnaast was er een transportrevolutie: aan het eind van de 18e eeuw konden Britse ondernemers door het hele land kanalen graven. Grote hoeveelheden konden makkelijk worden vervoerd. Langs de vaarwegen werden fabrieken gebouwd.
Daarnaast maakte de stoommachine zijn intreden en werd er in 20 jaar tijd een dicht spoorwegnet aangelegd, wat de belangrijkste steden met elkaar verbond. Groot-Brittannië werd de werkplaats van de wereld.
Vanaf 1850 verspreidde de IR naar de VS, Europa en Japan. Er kwamen nieuwe industrieën zoals elektrotechniek en chemie op. Bedrijven werden moderner en er konden duizenden werknemers werken. Bedrijven kregen een laboratoria: mensen werkten daar voortdurend aan nieuwe en betere productenl De auto, fiets en vliegtuig werden uitgevonden.
De landbouwsamenleving maakte plaats voor een industriële samenleving: steden werden groter en steeds meer mensen gingen in fabrieken werken en het platteland werd steeds kleiner.
De gegoede burgerij profiteerde van de industrialisatie: zij verdiende geld.
Voor de arbeiders leek het alleen maar armoede en ellende op te leveren: ze maakte lange werkdagen, zonder te rusten in slechte werkomstandigheden. Hun huizen waren klein en ze leefden met veel mensen in één huis. Waardoor er veel ziektes en epidemieën waren. Ze verdiende weinig. De kinderen moesten om die redenen ook gaan werken.
De arbeiders kwamen in opstand. Dit leidde tot discussies over de sociale kwestie door heel Europa. De liberalen, die aan de macht waren, bleven ondanks de kritiek volhouden dat armoede eigen schuld was; kwam door domheid, luiheid en drankzucht. Anderen geloofden dat het vanzelf zou overgaan als je de ondernemers hun gang liet gaan.
Liberalen: nachtwakersstaat; de enige taak van de overheid was om orde en rust te verzorgen, verder moest zij zich nergens mee bemoeien.
De socialen gaven de schuld van de armoede aan het kapitalisme.
Bij de liberalen ontstond twijfel aan de economisch liberalisme. In Nederland brachten liberale kabinetten rond 1900 de eerste sociale wetten tot stand, zoals de ongevallen wet en de woningwet.
Arbeiders richtte vakbonden op om met de werkgever te overleggen. De vakbonden hadden succes, vanaf 1850 werden de lonen hoger, werkdagen korter en de huisvesting en voeding beter. Kinderarbeid werd aangepakt: kinderen tot 13 jaar mochten geen werkdagen van langer dan 9 uur maken en ze mochten 's nachts niet werken.
In Afrika had Europa nogal wat forten en handelsplaatsen aan de kust, maar ze waren nog nooit echt in Afrika geweest; dat veranderde in de tijd van het moderne imperialisme.
Op een conferentie in Berlijn werden er afspraken gemaakt over de verdeling van Afrika. Afrika werd verdeeld in invloedssferen waar de Europese mogendheden kolonies mochten stichten. Ook in Azië breidden de Europeanen hun invloed uit. De inheemse vorsten mochten hun gang gaan, zolang de belangen van het moederland niet werden geschaad.
Het cultuursysteem werd ingevoerd: inheemse vorsten zorgden ervoor dat de boeren vaste hoeveelheden koffie en suiker verbouwden en de overheid kon deze tegen vaste prijzen kopen.
Na 1870 veranderde dat: het cultuurstelsel wordt afgeschaft in de Nederlandse koloniën en het Nederlandse bestuur wordt uitgebreid. Op sommige eilanden was een oorlog nodig: guerrilla oorlog op Noord-Sumatra (30 jaar).
De enorme Europese machtsuitbreiding kan onder andere verklaard worden door een sterk nationalisme in Europa: je telde pas mee als je een groot koloniaal rijk had.
Daarnaast speelde het blanke superiorteitsgevoel mee. Dit stond in verband met de IR. Uit de kolonies werden grondstoffen gehaald, die werden gebruikt in de fabrieken.
De industrialisatie zorgde ervoor dat het veroveren van landen makkelijker was; de Afrikaanse volkeren konden niet op tegen de geweren van de Europeanen.
Het feminisme, het confessionalisme en het socialisme waren emancipatiebewegingen.
Socialisme:
Streefde naar een betere positie van de arbeiders.
Feminisme:
Streefde naar een betere gelijkberechtiging voor vrouwen.
Confessionalisme:
Streefde voor een betere positie voor streng gelovigen christenen.
Het confessionalisme was vooral populair in Nederland en Duitsland; hier werden katholieken nog als minderheden gezien en in Duitsland nog vervolgd. Ook ontstond er het protestants confessionalisme. De protestanten en de katholieken streden samen tegen de overheersing van de liberale burgerij. In Duitsland hadden ze niet zoveel succes. In Nederland richtte Abraham Kuyper de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op; zij verzette zich tegen liberalen kabinetten.
Ook het feminisme werd een grote beweging: vrouwenrechten was een actueel onderwerp. Tot voorheen mochten vrouwen minder dan mannen; ze mochten niet werken, niet zonder begeleiding de deur uit en ze deelden geen ouderlijke macht.
Het feminisme kreeg veel aanhang en kwam in opstand. Met succes: vrouwen kregen steeds meer rechten. Uiteindelijk kregen de vrouwen in veel landen kiesrecht.
Nederland:
Nederland was een constitutionele monarchie, maar werd al geleidelijk een monarchie. In 1848 werd het onrustig in Nederland en de koning, Willem II, liet de liberaal Thorbecke een nieuwe grondwet schrijven: Nederland werd een parlementair stelsel.
Het census kiesrecht werd in 1887 uitgebreid, in 1917 algemeen mannenkiesrecht en in 1919 volgde algemeen vrouwen kiesrecht. Nederland was vanaf toen een parlementaire democratie met algemeen kiesrecht.
Engeland:
Engeland kende al een eeuwenoude parlementaire traditie:
- House of Lords
Hogerhuis; hierin zaten edelen die hun zetel dankte aan hun geboorte of benoeming van de koning
- House of Commons
Het lagerhuis; vertegenwoordigers van het platteland en de steden die werden verkozen via een districtenstelsel.
Victoria was al sinds 1837 de troon, maar had al bijna niets meer te zeggen. Ze was populair bij de burgers. De strijd in Groot-Brittannië ging dan ook niet om de rechten van het parlement maar om het kiesrecht. De wilden geen districtenstelsel, maar kiesrecht.
1832: 15% van de rijkste mannen mochten stemmen.
1884: 2/3 van de mannen stemden.
1900: de vakbonden richtte te Labour Party op; in 1911 raakte het Hogerhusi het recht kwijt om beslissingen van het lagerhuis tegen te houden.
Ná WO1: algemeen mannenkiesrecht en ook de meeste vrouwen.
1928: algemeen kiesrecht.
Duitsland:
De koning had de volle macht ('van god gekregen'). Hij schrok van het volk dat in opstand kwam en gaf toe aan de liberalen. Bij benoemde liberale ministers en liet een grondwet maken door het parlement. De grondwet had echter weinig bevoegdheden, er kwam wel kiesrecht. De liberalen kregen hierdoor de meerderheid. In de hoop op een conservatief parlement schreef hij nog een verkiezing uit, tevergeefs. De koning benoemde hierop de conservatief Bismarck als kanselier. Bismarck werd populair omdat hij oorlogen won. Hij werd ook onder de liberalen populair; bij de nieuwe verkiezingen kregen de conservatieven de meerderheid. Het duurde nog tot na WO1, toen het Duitse rijk ten onder ging, voor Duitsland een democratisch land werd.
Napoleon was verslagen en de invloeden van de democratische revoluties werden zoveel mogelijk teruggedrongen. De voorrechten van de kerk en de adel werd zoveel mogelijk hersteld en de burgerrechten beperkt. Al snel ontstonden er politieke stromingen die zich tegen de autoritaire orde verzetten.
Liberalisme:
Wilde in de grondwet de macht van de koning beperken en de burgerrechten garanderen; die rechten waren voor iedereen gelijk: individuele vrijheid, vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting.
Nationalisme:
Nationalisten en liberalen waren nauw met elkaar verwant. Het nationalisme is gebaseerd op het idee dat volkeren recht hadden op een eigen staat: een natiestaat.
Socialisme:
Het liberalisme en het nationalisme waren een beweging van de burgerij. Het nationalisme was een beweging van de arbeiders. Zij streden vooral om gelijkheid. Ze bestreden verschillen in macht en inkomen.
Conservatisme:
Zij vonden ideeën zoals gelijkheid en vrijheid gevaarlijk; zij wilden het liefst de gevestigde orden handhaven.
Er braken opnieuw rellen en opstanden met de ideeën van de democratische revoluties in geheel Europa. Bismarck zag in dat hij het beste het nationalisme kon gebruiken dan het bestrijden. Hij voerde oorlogen. Er ontstond een nieuw, agressiever soort nationalisme. Het nationalisme dat de eigen staat verheerlijkte en zich afzette tegen andere naties.
Het nationalisme ontwikkelde zich in 1870 als massabeweging. Zij geloofden in de ideeën van Karl Marx. De marxisten wilden een revolutie om er voor te zorgen dar er niet geproduceerd werd voor de winst, maar voor de behoeften van de mensen. Er ontstond een vleugel binnen het socialisme die zonder revolutie hervormingen wilde doorvoeren; de reforminsten. Andere socialisten bleven wel de revolutie vooropstellen. In 1919 ontstond een breuk. Het socialisme viel uiteen in de sociaaldemocraite en het revolutionaire communisme.
WOI
&
WOII
Er waren veel internationale spanningen maar die hadden nog nooit tot conflicten gezorgd; tot 1914. Er ontstonden twee blokken:
Duitsland en Oostenrijk- Hongarije tegenover Frankrijk en Rusland
(en daarmee Servië)
.
- In de Frans-Duitse oorlog had Duitsland Elzas-Lotharingen afgepakt; Frankrijk wilde wraak.
- Duitsland voelde zich tekort gedaan; ze wilde meer kolonies en meer invloed in Europa.
- Duitsland voelde zich omsingeld door Rusland en Frankrijk. Rusland werd sterk door de industrialisatie en daardoor groeide de bevolking snel > Rusland wilde de Russische invloed naar buiten uitbreiden.
- Groot- Brittannië voelde zich bedreigd door Duitsland doordat zei zich ontwikkelde tot de sterkste industriële mogendheid van Europa. Ze waren bang dat ze zich uitbreidde tot een overmacht op zee en hun koloniale rijk zou aantasten.
- Spanningen op de Balkan; was altijd in handen van het Turkse rijk, maar dat raakte in verval. Rusland zag de Balkan als kans. Tot ergenis van O-H, dat de Turkse provincie Bosnië had ingelijfd.
- De Oostenrijkse kroonprins Frans Ferdinand werd doodgeschoten door een Serviër (bondgenoot Rusland)

-->
Directe oorzaak
28 juli 1914 verklaarde O-H de oorlog aan Servië.
3 dagen later verklaarde Duitsland de oorlog aan Frankrijk en Rusland. Ze trokken België binnen.
De overval op België gaf voor G-B de doorslag: ze verklaarde diezelfde dag de oorlog aan Duitsland.
Oorzaken:
De geallieerden; Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland tegen de centralen; Duitsland, Oostenrijk- Hongerije.
Kolonies vochten mee op de Europese slagvelden. Ook werd er gevochten in Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Azië. Vanaf 1917 vocht de VS mee aan de zijde van geallieerden; een echte wereldoorlog.

WOI was een loopgravenoorlog: in België en Noord-Frankrijk liep voor 200 kilometer aan loopgraven. Duitsland bleef bijna 4 jaar vast zitten op dit west-front. Het oost-front was belangrijker. In 1917 stortte Rusland in door een hongeropstand die uitliep tot een revolutie. Lenin greep de macht en in ruil voor stukken grondgebied sloot het vrede met Duitsland.
Gedurende de oorlog:
De Duitse troepen trokken naar het west-front. Op 21 maart 1918 begon het Duits offensief. Ze wonnen veel terrein maar in augustus sloegen de geallieerden terug. De geallieerden had nu de VS achter zich en een nieuwe wapen: tanks (door G-B ontwikkeld). Ze werden teruggedrongen tot hun eigen linie: nederlaag was onafwendbaar. O-H stortte intussen in. Arbeiders en matrozen kwamen in Duitsland in opstand. De keizer vluchtte na het neutrale Nederland en op 11 november 1918 ging de wapenstilstand in.
Wapens en enorme verwoestingen:
De industrialisatie en technologische vernieuwingen was de vernietingskracht toegenomen. Er ontstond een wapenwedloop. Het nationalisme en het materialisme wakkerden tegenstellingen aan. (ook oorzaak WOI); oorlog werd gezien als gerechtvaardigd middel om de nationale belangen veilig te stellen.
De wereldoorlog leidde tot ongekende verwoestingen. In Somme vielen in 5 maanden al 1 miljoen doden en gewonden. Al snel hadden de geallieerden gifgas, een nieuw massavernietigingswapen. Een ander nieuw wapen was de onderzeeër waarmee Duitsland in 1917 een duikbotenoorlog begon. Ze hielden vijandige boten op afstand door ze naar de zee bodem te leiden. Echter, nadat enkele Amerikaanse schepen waren getroffen, verklaarden de VS de oorlog aan Duitsland.
De burgers waren meer dan ooit betrokken bij de oorlog: legers bestonden uit dienstplichtigen en vrijwilligers. Achterblijvers moesten de productie op gang houden, hiervoor werden vooral vrouwen en ouderen voor ingeschakeld. De economie werd volledig afgestemd op de oorlog. De productie van consumptiemiddelen werd tot een minimum beperkt. Er kwamen 9 miljoen militairen en 1 miljoen burgers om en er waren minstens 20 miljoen gewonden. Waarvan velen voor het leven verminkt.
Verdrag van Versailles:
Na de oorlog werd Duitsland een democratische republiek. In 1919 moest Duitsland in Versailles een verdrag tekenen: de Vrede van Versailles. Daarin werd verklaard:
- Dat Duitsland de enige schuldige was van de oorlog
- Het land kreeg enorme herstelbetalingen
- Mocht maar een klein en zwak bewapend leger houden
- Mocht niet in het Rijnland komen (industrieel gebied)

En Frankrijk kreeg Elzas-Lotharingen terug. Polen kreeg Duitse gebeiden en Duitsland verloor al zijn kolonies. Om de vrede te behouden werd de Volkenbond opgericht, Duitsland mocht geen lid worden.
Oorzaken:
- Hitler wilde revanche voor WOI; Duitsland moest de heerschappij over Europa.
- Vrede van Versailles; Duitsland voelde zich vernederd.
- Duitsers voelde zich verraden door het leger; ze voelden zich in de rug gestoken; dolkstoot
- Lijfde in 1938 Oostenrijk in >
Directe oorzaak
De andere mogendheden lieten Hitler zijn gang gaan. De Britse premier Chamberlain voerde een politiek van appeasement (verzoening): hij hoopte dat Hilter redelijk zou worden als deze zijn zijn kreeg. Maar G-B was ook gewoon nog te zwak om een oorlog te voeren. En Chamberlain wilde niet samenwerken met Stalin, omdat die dan invloed zou krijgen in Midden-Europa.

De appeasement politiek bleek niet te werken. Mussolini organiseerde een vredesconferentie in München. Hilter beloofde geen verdere eisen te stellen als hij het Sudetenland weer kreeg. Chamberlain en de Franse premier Daladier stemde daarmee in.
Duitsland had een bondgenootschap met Italië en Japan.
Toen Duitsland in 1939Praag binnenviel en Polen bedreigde, beseften G-B en Frankrijk dat oorlog onvermijdelijk was. Ze wilde nu wel samenwerken met de S-U. Maar Stalin had een niet aanvalsverdrag gesloten met Hitler. Op 1 september viel Duitsland Polen binnen en G-B en Frankrijk verklaarde de oorlog aan Duitsland.
Duitsland lijfde Nederland, België, Frankrijk en de Balkan in. Hitler kon G-B niet innemen. Nu begon de strijd richting de Sovjet-Unie. Duitsland boekte winsten maar tegen de winter waren ze niet bestand.
Japan viel op 7 december 1941 de Amerikaanse vloot Pearl Harbor op Hawaii aan. Hitler was hier erg over opgetogen: hij verklaarde ook de oorlog aan de VS.
De VS, G-B en de S-U werden bondgenoten: de geallieerden.
Ook vormden Duitsland, Italië en Japan bondgenoten, de grote drie: asmogendheden.
Duitsland ging verder in 1942 met de aanval op de S-U. Maar de Duitsers gaven zich in januari 1943 over. S-U kwam in een tegen aanval en de Duitse nederlaag was onafwendbaar. De geallieerden sloegen terug. 6 juni 1944 was D-day ze landen in Normandië. Berlijn viel pas op 2 mei 1945; Hitler had zelfmoord gepleegd. 8 mei gaf Duitsland zich over. Op 15 augustus 1945 gaf Japan zich, twee atoombommen verder, over.
Wapens en enorme verwoestingen:
Er vielen zo'n 54 miljoen doden. Nu waren het ook veel burgers (in tegenstelling tot WOI, waar het vooral militairen waren).
De productie in eigen land werd op gang gehouden door dwangarbeiders uit bezette landen.

De verwoestingen waren ook enorm. De atoombom was nu uitgevonden.
Na WOI had Europa het moeilijk ze kampte met crisis en werkloosheid. In 1924 begon de welvaartsstijging: roaring twenties. Europa volgde de VS dat al voor de oorlog economisch sterk was. Dit kwam door nieuwe producten (huishouden, auto, mode, uitgaansleven). De economische groei zorgde voor optimisme. Er zou een nieuw kapitalisme ontstaan; zonder crisis en werkloosheid.
In 1929 ontstond twijfel, en op 24 oktober 1929 sloeg de paniek in en de koersen gingen hard omlaag. In 1932 was het dieptepunt van de koersen bereikt. De beurskrach van 1929 zorgde voor een wereldwijde recessie. Iedereen ging massaal failliet. Mensen raakten weer werkloos en ook de kolonies hadden het zwaar; de prijzen van tropische producten daalde het hardst.
De crisis sloeg zo snel over omdat landen via leningen aan elkaar waren verbonden (bijv. herstelbetalingen).
De directe oorzaak van de Grote Depressie was dat Amerikanen geld hadden geleend om aandelen te kunnen kopen. De koersen daalden en de banken vroegen hun geld terug. Maar de aandelen waren minder waard geworden, en ze konden beleggers dus niet terugbetalen.
Een dieper liggende oorzaak was de overproductie in combinatie met de achterblijvende koopkracht. Amerika leverde veel landbouwproducten aan Europa, want de landbouwgrond in Europa was verwoest door de oorlog. Maar Europa herstelde de landbouw en de productie overtrof de vraag, waardoor de prijs daalden en boeren kwamen in de problemen.
Ook in de industrie kwam een overproductie. De lonen van burgers stegen niet snel, maar om toch nieuwe producten aan te schaffen gingen ze lenen bij de bank. De crisis maakte daar een eind aan en bedrijven bleven zitten met voorraden en sloegen personeel; koopkracht daalde verder.
De Amerikaanse regering was er van overtuigd dat de crisis van zelf weer zou overgaan; dat het altijd al gedaan. De overheid liet echter de economie niet genoeg zijn gang gaan (ingrijpen door subsidies, loslaten goud standaard).
Het herstel kwam pas bij president Roosevelt (1933) die juist wilde ingrijpen. Resterende banken kregen staatsleningen, werklozen financiële staatssteun, huizenbezitters in de problemen werden geholpen en de staat gaf geld uit aan openbare werken.
Dit was een breuk met het economische liberalisme, maar het hielp. De crisis ging tot de Tweedewereldoolog niet helemaal over. Alleen de S-U en Nazi Duitsland stonden economisch sterk.
Geloof
Politiek
Sociaal/cultureel
Full transcript