Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Cliënt en Omgeving thema 3 en 4

Under construction!!!! naar D. Jansen
by

ada wiersema

on 9 September 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Cliënt en Omgeving thema 3 en 4

Ontwikkelingspsychologie
Waar gaat deze workshop over
Hoe haal je deze workshop
Reader doornemen
Boeken: Methodisch begeleiden en Cliënt en omgeving

Inleiding
Schrijf op wat je denkt bij:

Psychologie
Ontwikkelingspsychologie
Pedagogiek
Sociologie
Psychologie: de wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert.

De psychologie is een heel uitgebreid onderzoeksgebied. Veel onderzoekers hebben onderzoek gedaan vanuit hun eigen invalshoek. Hierdoor zijn er in de psychologie verschillende stromingen en theorieën ontstaan. Later komen we nog kort terug op een aantal verschillende stromingen.

Ontwikkelingspsychologie:
bestudeert de ontwikkeling van het menselijk gedrag vanaf de conceptie tot aan de dood.

Dus: de wetenschap die het gedrag bestudeert van de mens in de verschillende fasen van zijn ontwikkeling.

Ontwikkelen betekent vooruitgaan. De ontwikkeling van de mens wordt onderverdeelt in stappen of fases, de ontwikkelingsfases. Ieder mens doorloopt de fases in dezelfde volgorde; je bent niet eerst volwassen en daarna adolescent. Er zijn wel verschillen in tempo.

Pedagogiek:

richt zich op opvoedingsprocessen en hoe je deze kunt sturen.

Sociologie:
is de leer van de menselijke samenleving en haar verschijnselen. Daarbij staan vooral de inrichting en veranderingen daarvan, alsmede problemen en sociale conflicten centraal. De sociologie bestudeert mensen en hun gedrag in hun sociale omgeving

4 jaar tot 6 jaar
6 tot 12 jaar
16 tot 21 jaar
12 tot 16 jaar
18 maanden tot 4 jaar
0 tot 18 maanden
De kleuter 4 tot 6 jaar
lichamelijke ontwikkeling
vooral lengtegroei en spiergroei
ontwikkeling fijne motoriek
ontstaan handvoorkeur

cognitieve ontwikkeling
denken in pre-operationele fase
zinnen maken
nog veel fantasie

sociaal-affectieve ontwikkeling
samen spelen en samen delen
sterke identiteit
verwerking angst en emoties in fantasiespel
begin van intern geweten
ontwikkeling eigen identiteit
aandacht voor geslachtsdelen
Het jonge schoolkind 6 - 9 jaar
De puber 12 - 16 jaar
De jong volwassenen 16 - 21 jaar
Babyfase
-9 / 0 tot 18 maanden
De Peuter 18 mnd - 4 jaar
lichamelijke groei
groeitempo neemt af (en daarmee ook de eetlust)
voornamelijk breedtegroei

motorische ontwikkeling
vooral ontwikkeling van grove motoriek
beheersing sluitspieren (zindelijk)

cognitieve ontwikkeling
denken in pre-operationele fase
magisch denken
taalontwikkeling in differentiefase
sterke exploratiedrang

sociaal-affectieve ontwikkeling
ontstaan ik-besef (egocentrisch)
driftig en koppig
begin van gewetensontwikkeling
speelt graag naast anderen (nog niet echt samen)
ontstaan van vriendschappen
veel angst en fantasie
seksuele ontwikkeling
lust is gekoppeld aan zindelijk worden


thema 3
De fase van de baby of zuigeling begint bij de geboorte en eigenlijk zelfs al vóór de geboorte.

Kenmerkend voor de ontwikkelingsfase van de baby is het leren lopen en het begin van praten.
door te
ervaren
: de baby leert dingen door zelf te doen;

door te
herhalen
: de baby leert dingen door ze eindeloos te herhalen;

door te
imiteren
: de baby leert dingen door voordoen en nadoen.
21 tot 60 jaar
55/60+
De oudere 55/65 +
De volwassenen 21 - 60 jaar
in tweetallen
*
betrouwbaar
is voor het kind, zodat de baby weet waar hij aan toe is;

*
continuïteit
biedt, zodat het kind weet dat ze er voor hem is;

*
responsief
is, zodat ze ingaat op de behoeften van het kind.
Positief
:
-het kind voelt zich veilig om onbevangen de omgeving te verkennen en zich te ontwikkelen. Het kind zoekt bescherming, troost en hulp als het dat nodig heeft.


Negatief
(dit kan 2 kanten op gaan):
-het kind slaat door in het verkennen, ziet geen gevaar en zoekt geen steun als het die nodig heeft.
-het kan ook juist zo zijn dat het kind zichzelf zeer afhankelijk opstelt, het hangt als het ware extreem aan de ouder/opvoeder.
A-type Vermijdend gehecht
>
minimaal contact tussen kind en opvoeder;

B-type Veilig gehecht
>
contact en toenadering zoeken en zelfstandig dingen ondernemen is met elkaar in balans;

C-type Ambivalent gehecht
>
extreme toenadering vanuit het kind naar de opvoeder, zeer angstig zonder de ouder, echt boos als de opvoeder weer in het zicht is en wijst contact dan juist af
fragmenten bekijken van adoptie in beeld
Welke opvoedingsmiddelen zijn er?

Kun je er een paar bedenken?

Opvoedingsmiddelen:

Gewenning en gewoontevorming:
Het eigen maken van een handeling, zodat die handeling wordt verricht zonder er bij na te denken.

Voordoen, samendoen en nadoen:
Geeft duidelijkheid over wat er nu precies wordt verwacht van het kind.

Aanmoedigen:
Vervolg op voordoen, samendoen en nadoen.

Belonen:
Gedrag met een consequentie, positief (operante conditionering)
Beloning op bijvoorbeeld sociaal, materieel of activiteiten gebied.
Regels stellen:

Regels bieden structuur en duidelijkheid.

Een gesprek voeren:
Praten helpt indien er tweerichtingsverkeer is.

Gedrag negeren:
Moeilijk!!! Ongewenst gedrag versterkt vaak door het krijgen van aandacht. Gedrag neemt vaak eerst erg toe en neemt daarna af.

Straffen:
Straf kan ongewenst gedrag verminderen indien het kind weet waarom het gestraft wordt.
Soorten straf:
Sociale straf(time-out, uit elkaar zetten)
Materiële straf (geen toetje, geen zakgeld)
Activiteiten (opruimen, geen spelletje doen)

Evaluatie Huiswerk
Lezen thema 4 (de peuter) en thema 5.1 en 5.2 (de kleuter)
Eindopdracht
In groepjes maak je een werkstuk over 1 ontwikkelfase.
in bijeenkomst 8 en 9 gaan jullie dit aan de klas presenteren.
Lees het tintvlak over wiegendood in paragraaf 3.2 en beantwoord de volgende vragen:

Kun je aangeven wat mogelijk lichamelijke oorzaken van wiegendood kunnen zijn?
Kun je aangeven wat de omgeving vooral niet moet doen in verband met wiegendood?

Opdrachten
Lees het tintvlak over huilbaby’s in paragraaf 3.4 en beantwoord de volgende vragen:

Kun je uitleggen wat een huilbaby is?
Wat kun je doen om een huilbaby te helpen?
Wat moet je vooral niet bij een huilbaby doen?


Thema 4 (de peuter) en thema 5.1 en 5.2 (de kleuter)

Huiswerk
Evaluatie
maak opdracht 1
Dit zijn af te bakenen periodes af in het leven van de mens. Elke periode heeft zijn eigen kenmerken.

De volgende ontwikkelingsfasen zijn te onderscheiden:

De baby, 0-18 maanden
De peuter, 18 maanden- 4 jaar
De kleuter, 4-6- jaar
Het schoolkind, 6-12 jaar
De puber, 12-16 jaar
De jongvolwassene, 16-21 jaar
De volwassene, 21-60 jaar
De oudere, 55/60+
Rijping =
verwerven van nieuwe gedragsmogelijkheden op basis van groei en differentiatie

Groei =
nodig om te leren zitten, kruipen of lopen

Leren =
verwerven van kennis en vaardigheden op basis van ervaring

ontwikkelplan
Voorwaarden voor de ontwikkeling zijn:


Het kind moet zich veilig en vertrouwd voelen bij de opvoeder
Er moet zowel verbaal als non-verbaal contact zijn tussen opvoeder en kind
Er moet sprake zijn van een stimulerende omgeving
Het kind moet de gelegenheid krijgen om veel te leren met al zijn zintuigen
Het kind moet de mogelijkheid hebben om te spelen
Het kind moet voldoende bewegingsvrijheid krijgen om de omgeving te onderzoeken
Ontwikkeling wordt bepaald door drie factoren

Interne factoren: erfelijkheid, aanleg en talent
Externe factoren: opvoeding/milieu
Zelfbepaling: bij het ouder worden is men steeds meer zelf in staat om richting te geven aan de eigen ontwikkeling.

Motorisch/lichamelijk: lichamelijke groei (of achteruitgang), motorische ontwikkeling, zintuiglijke ontwikkeling

Cognitief: verstandelijke ontwikkeling, taalontwikkeling, ontwikkeling van denken en geheugen, waarnemen, communicatie

de ontwikkelingsaspecten
Emotioneel: ontwikkeling van gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid

Sociaal: ontwikkeling van omgang met anderen, ontwikkeling van de acceptatie van anderen, ontwikkeling van sociaal gedrag, omgaan met gezag en spelregels

Seksueel: ontwikkeling van lichaams- en lustbeleving, ontwikkeling van waardering van het eigen lichaam, ontwikkeling van waardering van seksueel gedrag, intimiteit

Persoonlijkheid: vorming van eigen identiteit, ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen, de ontwikkeling van meisjes- en jongensgedrag.
De volgende 4 aspecten worden meestal gecombineerd
benoemd: De sociaal-emotionele ontwikkeling

De besloten groep
Thema 4
Er zijn twee maatschappelijke posities:

1 Lage maatschappelijke positie:
Laag / geen inkomen / geen opleidingen etc.
Vaker crimineel gedrag.
Grote steden.

2 Hoge maatschappelijke positie:
Hierbij zie je criminaliteit als fraude.
Witte boorden criminaliteit.

Er is een verband tussen lage maatschappelijke positie en crimineel gedrag.


1. SLECHTE LEEFOMSTANDIGHEDEN

Maatschappij is vrijer geworden, waardoor normen zijn vervaagd.

Men is minder streng waardoor criminaliteit eerder kan ontstaan.

We houden ons minder aan de regels.

2. NORMVERVAGING

Slechte leefomstandigheden.
Normvervaging.
Opvoeding.
Minder sociale controle.
Groepsgedrag.
Pakkans.
Alcohol en drugs.

7 BELANGRIJKSTE OORZAKEN VAN CRIMINALITEIT:

Vroeger: vooral
aangeboren gedrag
als oorzaak

Tegenwoordig: vooral
aangeleerd gedrag als
oorzaak

Verkeerde
vrienden

Gezins-
problemen

Opvoeding

Aangeboren

Aangeleerd

Crimineel
gedrag

Als ouders geen grenzen aangeven weten kinderen niet wat wel / niet mag.
Kinderen zonder grenzen komen eerder in aanraking met criminaliteit.
Op school leren ze ook omgaan met regels en grenzen.

3. OPVOEDING

We letten minder op elkaar.

Vooral in grote steden ben je anoniem.

4. MINDER SOCIALE CONTROLE

Vandalisme komt vaak voor in een groep.
Door de druk van anderen doe je sneller mee.
In een groep durf je meer.
Etiket: Wanneer je een keer bent opgepakt wordt je vaak voor crimineel gezien. Hierdoor trek je juist naar een groep toe, waardoor je sneller met crimineel gedrag in aanraking komt.

5. GROEPSGEDRAG

Pakkans = de kans dat de dader van een overtreding of misdrijf wordt aangehouden door de politie.

Doordat er minder sociale controle is, is de pakkans kleiner.
Winkeldiefstallen,
Te hard rijden,
Verlaten bedrijfsterreinen.

6. PAKKANS

Er wordt meer alcohol en drugs gebruikt dan jaren geleden.

Geweldsmisdrijven vinden meestal plaats onder invloed van alcohol en drugs.

Hard drugs kost veel geld waardoor je eerder in de criminaliteit terecht komt.

7. ALCOHOL EN DRUGS

Veel oorzaken aan te geven maar voornamelijk:

Aangeleerd door contact met anderen.
Geldnood,
Verkeerde vrienden etc.

WAAROM?

Opleiding

Opvoeding

Omstandigheden

Vriendengroep

Waarom de een wel
en de ander niet?

Jongeren : kleine
criminaliteit

Geen leuke baan/
Geen inkomen

Geen relatie

Geen goed contact
met familie

Goed inkomen

Goede / leuke
baan

Contact met
familie

Weinig

Veel

Veel of weinig
te verliezen?

Opdracht 3: Aangeboren/aangeleerd

Vorm groepjes van 3 personen.
Bespreek met elkaar de begrippen

Talenten
- Waarop en hoe kunnen mensen getalenteerd zijn?
- Is talent aangeboren of aangeleerd?
 
Persoonlijkheidskenmerken
- Welke persoonlijkheidskenmerken kunnen mensen hebben?
- Zijn persoonlijkheidskenmerken aangeboren of aangeleerd?
 
Aangeboren/aangeleerd
- Wat is belangrijker: aanleg of ervaring, dus aangeboren of aangeleerd? En waarom vind je dat?
- Is er bij de volgende voorbeelden meer sprake van aangeboren of juist aangeleerd?Of een combinatie daarvan?
1. Een gezin bestaat uit 2 kinderen(beide meisjes). Het ene meisje is agressiever dan het andere.
2. In ditzelfde gezin zit de het ene meisje op het VWO, de andere gaat naar het VMBO.
3. In ditzelfde gezin is het ene meisje hetero, het andere is lesbisch.
maak opdracht 1
maak opdracht 2
aangeleerd of aangeboren?
Stelling:
Crimineel gedrag is aangeleerd gedrag en kan dus
ook weer afgeleerd worden

Evaluatie
Huiswerk
lezen thema 5 en 14.3.1 uit cliënt en omgeving
1. Leg uit wat het betekent dat een peuter een ik-besef krijgt en doe dit aan de hand van 2 voorbeelden.
2 De peuter wordt door het groeiend ik-besef egocentrisch. Welk gedrag heeft hij daardoor?
3. De koppigheidsfase is om verschillende redenen goed voor de peuter. Leg dit uit.
4. Peuters spelen niet graag met elkaar en zullen eerder speeltjes afpakken van een ander kind. Waarom doen ze dit, denk je?

Extra opdrachten
5. Welke aspecten van de sociaal-affectieve ontwikkeling van kleuters kunnen jullie in deze tekst ontdekken? Leg uit waarom.
6. Bespreek met elkaar hoe je in dit voorbeeld de kleuters zou kunnen begeleiden.

les 5
lichamelijk
meer 'volwassen' lichaamsverhouding
goede oog-handcoördinatie
grote bewegingsdrang

cognitief
begin abstract denken
fantasie maakt plaats voor realiteit
enorm leergierig
ingewikkelde zinnen

sociaal affectief
gericht op vriendjes van eigen sekse
prestatiegericht
houdt emoties verborgen
ongehoorzaamheid
maak opdracht 1
maak opdracht 3
intelligentie =
de verstandelijke vermogens van mensen
theoretische intelligentie =
logisch en abstract denken
praktische intelligentie =
oplossen van praktische problemen
concrete intelligentie =
repareren en construeren
sociale intelligentie =
omgang met mensen
creatieve intelligentie =
ontwerpen en vormgeven
Evalueren
Huiswerk
lezen thema 6 en 7
werk aan de eindopdracht
De adolescentie wordt gezien als een logisch vervolg op de puberteit, op de weg naar volwassenheid. Het beeld dat iemand in de loop van zijn leven van zichzelf opbouwt (zelfbeeld), wordt in de adolescentie compleet gemaakt.

Les 6
maak opdracht 1
De kindertijd eindigt als het kind op ongeveer twaalfjarige leeftijd de basisschool verlaat.
De laatste fase van de kindertijd noemen we de prepuberteit. Daarna komt de puberteit waarin de seksuele of geslachtelijke rijping plaatsvindt. Deze fase loopt tot ongeveer 16 jaar, omdat op die leeftijd de lichamelijk- seksuele volwassenwording over het algemeen is afgerond.

Als men in het algemeen over de volwassenheid praat, dan heeft men het over de leeftijd vanaf 21 jaar. De leeftijdsfase die tussen de puberteit en de volwassenheid in ligt, wordt de adolescentie genoemd. Deze fase loopt dus van 16 tot 21 jaar.

Centraal in de fase van de puberteit staat het volwassen worden: het zich losmaken van het gezin, het zelfstandig worden en het opbouwen van een eigen identiteit

Schrijf op:

Socialisatie =……………………………………

Een waarde =…………………………………….

Een norm =………………………………………

Socialisatie:
Het eigen maken van waarden en normen in de omgang met andere mensen. Met andere woorden: het ingroeien in de cultuur waar men deel van uitmaakt.
Socialisatie vindt plaats in het gezin, op school en in de verdere leefomgeving. Dit alles heeft invloed op de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind.

Waarden: Idealen/opvattingen over wat wenselijk is

Normen: Concrete richtlijnen voor het handelen/regels

Waarden en normen worden beïnvloed door iemands omgeving en socialisatie. Ze hebben daarom altijd met een bepaalde tijd en cultuur te maken.

maak opdracht 3
maak opdracht 4
Evaluatie
Huiswerk:
lees thema 8
Jonge volwassenheid (21-40)
Middelbare leeftijd (40-55)

Vroege ouderdom (55-65)
Ouderdom (65+)


• zelfstandig zijn
• verantwoordelijkheid kunnen dragen
• handelen overeenkomstig (eigen) normen en waarden
• cultureel en maatschappelijk betrokken zijn
• duurzame relaties kunnen aangaan en onderhouden
• inhoud aan eigen leven kunnen geven

Les 7
Energizer
maak groepjes van 4
elke speler speelt een man of vrouw in 1 van onderstaande leeftijdscategorieën. Reageer op onderstaande situatie vanuit je rol.
leg aan elkaar uit waarom je zo hebt geantwoord. De andere zeggen of ze dat een typische reactie vinden voor die leeftijd en leggen uit waarom wel of niet.
Rollen
:
Pim of Kim van 22 jaar
Annelous of Marc van 40 jaar
Bettie of Gijs van 60 jaar
Marietje of Karel van 80 jaar
Situaties:
1. Juul van 4 is jarig. Wat geef je cadeau en hoeveel kost het?
2. Wat eet je op een dag?
3. Welke soort kleding draag je?
4. Wat vind je het belangrijkst in je leven?
5. Welke hobby's heb je?
6. Alilne van 14 wil om 2 uur 's nachts thuiskomen van een feestje. Wat vind je daarvan?
Ontwikkeling middelbare leeftijd
Vrouw: overgang
Man: penopauze
Midlifecrisis
Ontwikkeling vroege ouderdom
lege-nestsyndroom
Pensioen
Kleinkinderen
Ouderdom
Wat is oud? wanneer ben je oud?
Vergrijzing
Lichamelijk achteruit

geheugenfunctie wordt minder
Sociale netwerk wordt kleiner
(eenzaamheid)
Kwetsbare ouderen
Maak opdracht 2 uit je reader
Uitleg theorie toets
Zijn er vragen over de presentaties?
uitleg toets
als er tijd is:
Maak opdracht 1
Huiswerk:
lever het werkstuk in
bereid presentatie voor
leren voor de toets
Evaluatie

Het leren van de baby gebeurt op 3 manieren:
Voor een goede emotionele ontwikkeling is het tot stand komen van een
hechtingsrelatie
tussen baby en verzorger van groot belang.

De baby zal zich aan de verzorger, bijv. de moeder, hechten als deze:
Opdracht:
3 Types Hechting:
Lichamelijke
ontwikkeling: lichaamsgroei, motoriek, zintuigen

Cognitieve

ontwikkeling: rijping, leren, taal

Sociaal-affectieve
ontwikkeling: eenkennigheid, hechting, eigen persoonlijkheid, seksuele ontwikkeling
1. Baby's begrijpen meer dan gedacht (par. 3.3)
-Bedenk een aantal manieren waarop jij een baby zou kunnen leren om woordjes te verbinden aan voorwerpen.

2. Lees Emmi Pikler (eind par. 3.4)
-Hoe zou je de bewegingsontwikkeling van baby's kunnen stimuleren?
-Op welke manieren kan je een baby stimuleren om actief deel te nemen aan de eigen verzorging?

3. Hechting is heel belangrijk (par. 3.4)
-Wat verstaan we er onder en wat is het belang van hechting?
-Wat is actief hechtingsgedrag en hoe doet de baby dit?
-Wat is positieve hechting?
-Wat is negatieve hechting?
Even schrikken van wat begrippen...
fontanel
couveusebaby
wiegendoood
reflexen (zoek, zuig, moro, loop, grijp)
kinesthesie
orale fase
4 fasen van taalontwikkeling
eenkennigheid
hechting
huilbaby
postnatale depressie
Schattig?
Eng!
Saai.....
Hoe was JIJ als baby?!?!?!
Opdracht
Doel: hebben en toepassen van kennis van de ontwikkelingsfasen en -aspecten.

Jullie gaan shoppen om een Kinderdagverblijf in te richten voor 0 – 4 jarigen.

Wat is er zoal gemaakt om het leven van een baby en een peuter te vergemakkelijken en de ontwikkeling te stimuleren?
Denk hierbij vooral aan speelgoed en gebruiksvoorwerpen, maar bijvoorbeeld ook aan meubels en kleding.

Verdeel deze spullen over de drie ontwikkelingsaspecten per baby en peuter.
Je kunt zoeken op internet, in baby- en kinderzaken, in catalogi zoals Wehkamp/ Ikea. Ook in het programma “het beste idee van Nederland” kun je voorbeelden tegen komen.
Maak een schema als hieronder en voeg hier toe: een beschrijving (met het liefst een afbeelding) van het product:

1. Baby Lichamelijk ....., ....., ......, .......

2. Baby Cognitief .....

3. Baby Sociaal-affectief .....

4. Peuter Lichamelijk .....

5. Peuter Cognitief .....

6. Peuter Sociaal-affectief .....

3 à 4 personen
Tot hier!
Tot volgende week!








Ada
1e Toets
:

op donderdag 18 september a.s.

over Thema 1 t/m 5

om 15.00 uur
extra!
De ontwikkelingsfasen:
Huiswerk:

Leer thema 1 t/m 4. (ja, echt!!!)

Dit is heel veel leerstof, dus:
-maak een haalbare planning
-maak samenvattingen
-schrijf vragen op over wat je niet begrijpt en neem ze mee naar de les
-leer op inzicht en begrip en dus niet alleen op herkenning
Het oudere schoolkind 9 - 12 jaar
lichamelijk
verschil tussen jongens en meisjes
fijne en grove motoriek goed ontwikkeld

cognitief
leergierig en prestatiegericht
vermogen tot reflectie

sociaal affectief
ontwikkeling normen en waarden
pesten komt voor
Handvoorkeur
Intuïtief denken
Schoolrijpheid
Leerplichtig
Identificatie
Identificatiefiguur
Fantasiespel
Rollenspel
Doen-alsof-spel
Geweten
Identiteit
Fallische fase
Oog-handcoördinatie
Procesmatig handelen
Abstract denken
Prestatiegerichtheid
Fase van voltooiing
Morfologische aspect
Ken je nu deze begrippen bij het schoolkind?
Prestatiedrang
Coping
Copingstrategieën
Agressief gedrag
ADHD
Antisociaal gedrag
Delinquentie
Puberteit
Prepuberteit
Concreet-operationele fase
Reflecteren
Reflectie
Peergroup
Waarden
Normen
Pesten
Latentiefase
Freud
Full transcript