Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

le passé composé

No description
by

Tinneke Van de Vel

on 2 June 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of le passé composé

Passé composé =
auxiliaire
+
participe passé
J’ ai cherché ik heb gezocht
Tu as cherché jij hebt gezocht
Il a cherché hij heeft gezocht
Elle a cherché zij heeft gezocht
On a cherché men heeft gezocht
Nous avons cherché wij hebben gezocht
Vous avez cherché jullie hebben gezocht
Ils ont cherché zij hebben gezocht
Elles ont cherché zij hebben gezocht
1. DE PASSÉ COMPOSÉ WORDT GEVORMD ZOALS DE V.T.T. (= Voltooid tegenwoordige tijd) IN HET NEDERLANDS.
2.IN HET FRANS BLIJVEN HULPWERKWOORD (= L’AUXILIAIRE) EN VOLTOOID DEELWOORD (= LE PARTICIPE PASSÉ) MEESTAL SAMEN. IN HET NEDERLANDS IS DAT VAAK NIET HET GEVAL.
J’
ai cherché
l’adresse de mon professeur.
Ik
heb
het adres van mijn leraar
gezocht.
3.HET VOLTOOID DEELWOORD (= LE PARTICIPE PASSÉ) VAN DE WERKWOORDEN OP –ER EINDIGT OP –É.
4.HET VOLTOOID DEELWOORD (= LE PARTICIPE PASSÉ) VAN DE WERKWOORDEN OP –IR EINDIGT OP –I.
5. HET VOLTOOID DEELWOORD (= LE PARTICIPE PASSÉ) VAN DE WERKWOORDEN OP –RE EINDIGT OP –U.
Gekeken …………………………… Gespeeld ……………………………
Gevonden …………………………… Gegeten ……………………………
Gehuurd …………………………… Gewoond ……………………………
Geslapen …………………………… Gekozen ……………………………
Vertrokken …………………………… Ingevuld ……………………………
Uitgeweest …………………………… Gevoeld ……………………………
Gewacht …………………………… Gehoord ……………………………
Uitgestapt …………………………… Geantwoord ……………………………
Verkocht ……………………………
AVOIR
ETRE
Il a téléphoné.
Elle a téléphoné.
Ils ont téléphoné.
Elles ont téléphoné.
Als het hulpwerkwoord être is komt het voltooid deelwoord overeen met het onderwerp.

Il est parti.
Ils sont partis.
Elle est partie.
Elles sont parties.




Masculin Féminin

Singulier geen uitgang +e

Pluriel +s +es
Welke werkwoorden worden met être vervoegd?
De wederkerende werkwoorden worden altijd met het hulpwerkwoord être vervoegd.

Ex. Zij heeft zich gewassen. Elle s’est lavée.
Zij hebben zich aangekleed. Ils se sont habillés

Het wederkerend voornaamwoord komt voor het hulpwerkwoord te staan.
8. BIJ ONTKENNING STAAT DE NE VOOR HET HULPWERKWOORD EN PAS NA HET HULPWERKWOORD.
Je
ne
suis
pas
partie.
Elle
n’
a
pas
mangé.
6. HET VOLTOOID DEELWOORD (= LE PARTICIPE PASSÉ) VAN ENKELE ONREGELMATIGE WERKWOORDEN.
Être été ……………………………
Avoir eu ……………………………
Connaître connu ……………………………
Lire lu ……………………………
Venir venu ……………………………
Vouloir voulu ……………………………
Devoir dû ……………………………
Ouvrir ouvert ……………………………
Boire bu ……………………………
Faire fait ……………………………
Écrire écrit ……………………………
Dire dit ……………………………
Prendre pris ……………………………
Apprendre appris ……………………………
Comprendre compris ……………………………
Mettre mis ……………………………
Zoek de werkwoorden die een tijd in het verleden uitdrukken
Oui, hier j’ai bien cherché et j’ai trouvé mes chaussures.
Bonjour Elena. Oh , j’aime tes vêtements. Tu as trouvé tes chaussures blanches? Elles vont bien avec ta ceinture.
exercices
habiter :
manger :
commencer :
aider :
ranger :
jouer :
préparer :
terminer :
travailler :
montrer :
expliquer :
continuer :
noter :
acheter :
complétez par le passé composé !
j'ai habité
tu as mangé
il a commencé
elle a aidé
nous avons rangé
vous avez joué
ils ont préparé
elles ont terminé
j'ai travaillé
tu as montré
il a expliqué
elle a continué
nous avons noté
vous avez acheté
Aimer:
Penser:
Louer:
Trouver
Nager:
Écouter:
ils ont aimé
elles ont pensé
j'ai loué
tu as trouvé
il a nagé
elle a écouté
Traduisez !
j’ai parlé
ik heb gesproken
hij heeft getekend
wij hebben gekeken
jullie hebben gezocht
zij hebben verzameld
ik heb beëindigd
jij hebt gekozen
hij heeft ingevuld
wij hebben nagedacht
jullie hebben geantwoord
vous avez répondu
nous avons réfléchi
il a rempli
tu as choisi
j’ai terminé
ils ont collectionné
vous avez cherché
nous avons regardé
il a dessiné
ils ont attendu
zij hebben gewacht
ik heb verkocht
jij hebt gestudeerd
hij heeft gecorrespondeerd
wij hebben gevraagd
jullie hebben gevraagd
zij hebben opgeruimd
jij hebt geslapen
tu as dormi
ils ont rangé
vous avez demandé
nous avons demandé
il a correspondu
tu as étudié
j’ai vendu
J’ai eu
Avoir :
Être :
Ouvrir :
Boire :
Dire :
Connaître :
Faire :
Écrire :
Lire :
Devoir :
Complétez par le passé composé (onregelmatige werkwoorden) !
J’ai dû
Vous avez lu
Elle a écrit
J’ai fait
Ils ont connu
Vous avez dit
Nous avons bu
Il a ouvert
Tu as été
J’ai lu
Tu as fait
Il a ouvert
Nous avons eu
Vous avez dû
Ils ont bu
J’ai écrit
Tu as connu
Il a dit
Vous avez été
J’ai fait
Ik heb gelezen
Jij hebt gedaan
Hij heeft geopend
Wij hebben gehad
Jullie hebben gemoeten
Zij hebben gedronken
Ik heb geschreven
Jij hebt gekend
Hij heeft gezegd
Jullie zijn ( !) geweest
Ik heb gedaan
Traduisez (onregelmatige werkwoorden) !
Je suis monté(e)
monter :
entrer :
aller :
arriver :
rentrer :
retourner :
venir :
revenir :
partir :
sortir :
descendre :
rester :
Complétez par le passé composé (hulpwerkwoord être) !
Elle est restée
Il est descendu
Tu es sorti (e)
Je suis parti (e)
Elles sont revenues
Ils sont venus
Vous êtes retournés
Nous sommes rentrés
Elle est arrivée
Il est allé
Tu es entré(e)

Je suis entré(e)
Tu es arrivé( e)
Il est parti
Nous sommes restés
Vous êtes sortis
Ils sont montés
Je suis monté( e)
Tu es revenu(e)
Il est venu
Elle est allée

ik ben binnen gegaan
jij bent aangekomen
hij is vertrokken
wij zijn gebleven
jullie zijn uitgegaan
zij zijn ingestapt
ik ben naar boven gegaan
jij bent teruggekomen
hij is gekomen
zij is gegaan
Traduisez !
Oui, hier j’ai bien cherché et j’ai trouvé mes chaussures.
Bonjour Elena. Oh , j’aime tes vêtements. Tu as trouvé tes chaussures blanches? Elles vont bien avec ta ceinture.
Indique les participes passés!
Pff, pas vraiment. J’ai entendu beaucoup de bruit.
Tu as bien dormi Valérie?
Salut, je suis Tabita, je viens de l’Afrique et comme vous j’ai dû apprendre le français. Au début , j’ai écrit des lettres à une amie et j’ai lu des B.D. en français. Puis, j’ai eu un cours de français.
J’ai fait beaucoup d’exercices!!
Als het hulpwerkwoord avoir is, is er geen overeenkomst met het onderwerp.
Traduisez les phrases!
1)Hij heeft niet veel gegeten.

2)Frédéric en Sophie hebben in dezelfde straat gewoond.

3)Frédéric heeft voor school gewerkt.

4)Olivier heeft in de tuin gespeeld.

5)Hij heeft papa geholpen in de keuken.

6)De leraar heeft een boek getoond

7)Frédéric heeft een computer gekozen.

8)Hij heeft de toets ingevuld.

9)Ik heb een grote foto van een vliegtuig gehad.

10)Heb je een ogenblik gewacht ?

11)Margot en Isabelle zijn vriendinnen geweest.

12)Ik heb mijn wekker niet gehoord.

13)We hebben een brief geschreven in het Nederlands.

14)De leerlingen hebben de brief beëindigd.

15)Op tafel heeft hij een brief gevonden.

16)Zij heeft geantwoord in het Frans.

17)Ik heb gitaar gespeeld.

18)Zij heeft een raam geopend

19)Haar dochters hebben goed gezongen.

20)Haar zus heeft haar oefeningen gemaakt.
Traduis les phrases!
1)Sophie is niet binnengegaan.

2)Om 8 uur zijn ze in de bus gestapt.

3)Elise is teruggekomen met de posters.

4)Om half zeven is mama aangekomen.

5)De kinderen zijn in de eetkamer gegaan.

6)Mama is naar boven gegaan.

7)Wij zijn naar beneden gegaan.

8)Ze is naar school vertrokken.

9)Mijn dochter is gisteren geboren.

10) Zijn jullie niet naar het feest gegaan?
Synthèse
1)Er is een politieagent voor jou geweest.

2)Wij hebben nooit bewogen.

3)Waar heb je gewoond?

4)Zijn jullie al begonnen?

5)Mijn vader heeft in Brussel gewerkt.

6)Heb jij een moto gehad?

7)Wij zijn in Gent geboren.

8)Mama heeft naar de ouders van Gauthier gebeld.

9)De leerkracht heeft een vraag gesteld.

10)Ik heb dat boek al gelezen.

11)Ze heeft de huistaak van Frans niet gemaakt.

12)Papa heeft een glas water gedronken.

13)Is zij zaterdag uitgeweest?

14)Het is niet waar! Ze hebben gelogen!

15)De leerlingen hebben goed nagedacht.

16)Hij is direct vertrokken.

17)Ik heb negen uur geslapen.

18)Ik heb gisteren de baby van Mevrouw Van Eynde vastgehouden.

19)Zijn jullie daar nooit geweest?

20)Julie heeft piano gespeeld.
Je suis partie.
Elle a mangé.
Full transcript