Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Les 5 grammatica V3

No description
by

Daphne Krepel

on 27 September 2018

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Les 5 grammatica V3

Vooruitblik
Programma
Terugblik
Nederlands
THANK YOU!
Grammatica

Hoofd- en bijzinnen

Oefentoets


Terugblik


Programma

Nabespreking

Vooruitblik
Bijzinnen, bedrijvende en lijdende vorm en woordsoorten
Aan de slag!
Nabespreking
Op Google Classroom staat een oefentoets over de theorie die je vandaag hebt geleerd.
Je mag samenwerken.
Vorige les...
Les 1
(Verdelen in zinsdelen)
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde

Les 2
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Bijvoeglijke bepaling
Bijstelling

Les 3
Hoofd- en bijzinnen
Vandaag...
Hoofd- en bijzinnen
Onderwerpszin
Lijdendvoorwerpszin
Gezegdezin
Meewerkendvoorwerpszin
Voorzetselvoorwerpszin
Bijwoordelijke bijzin
Ga naar nearpod.com en vul de volgende code in: GRQSK
Hoofd- en bijzinnen

Bijzinnen
Bedrijvende en lijdende vorm
Woordsoorten
Les 4
Onderwerpszin
Lijdendvoorwerpszin
Gezegdezin
Meewerkendvoorwerpszin
Voorzetselvoorwerpszin
Bijwoordelijke bijzin
Onderwerpszin

Wie eens steelt, is altijd een dief
Lijdend voorwerpszin
Carola vond, dat Arthur wel erg opgewonden deed
Gezegdezin
Johan is altijd gebleven wie hij was
Meewerkendvoorwerpszin
Wie het nu nog niet weet, zal ik het nog eens uitleggen
Voorzetselvoorwerpszin
Hij rekent erop, dat zijn vader komt
Bijwoordelijke bijzin
Toen we thuiskwamen, begon het te regenen
Stappenplan bijwoordelijke bijzin vinden
Stap 1: zoek de persoonsvormern
Stap 2: zoek de onderwerpen
Stap 3: bepaal wat de hoofdzin is en wat de bijzin is
Stap 4: vervang de bijzin door één zinsdeel
Stap 5: ontleed de zin


Bedrijvende en lijdende vorm
Woordsoorten
Maak opdrachten bij 2.4 Zinsontleding -herhaling

Maak opdrachten bij 2.5 Bijzinnen maken en vervangen

Maak opdrachten bij 2.6 Samengestelde zinnen ontleden
Deze schrijver publiceert dit jaar een nieuwe roman.
Door deze schrijver wordt dit jaar een nieuwe roman gepubliceerd.


Bedrijvend --> nadruk ligt op de handelende persoon.
Lijdend --> nadruk ligt op wat er gedaan wordt.

Bedrijvend --> lijdend
Deze schrijver publiceert dit jaar een nieuwe roman.
Deze schrijver (ow) | publiceert (wg| dit jaar (bijwoordelijke bepaling) | een nieuwe roman (lv)
Door deze schrijver wordt dit jaar een nieuwe roman gepubliceerd.
Door deze schrijver (bwb) | wordt (wg) | dit jaar (bwb) | een nieuwe roman (ow) | gepubliceerd.
Lijdend voorwerp wordt ow: een nieuwe roman
Onderwerp wordt bwb die begint met door: door deze schrijver.
Bij wg wordt een vorm van worden of zijn toegevoegd.
Let op!
In een zin in de lijdende vorm staat nooit een lijdend voorwerp!
Bij zinnen in de lijdende vorm gebruik je bij de onvoltooide tijd een vorm van het werkwoord worden.
Bij zinnen in de lijdende vorm gebruik je bij de voltooide tijd een vorm van het werkwoord zijn. Je kunt er ‘geworden’ achter denken.
Bedrijvend of lijdend?
znw – lw – bnw – vz – pers. vnw – zww – hww – kww – bez. vnw – wederkerend vnw – wederkerig vnw – vr. vnw – aanw. vnw – betr. vnw – onb. vnw – onb. hoofdtelw. – onb. rangtelw. – bep. hoofdtelw. – bep. rangtelw –
ondersch. vw – nevensch. vw – bw

Opdrachten
Maak de opdrachten bij blok 1 grammatica:
1.5 bedrijvende en lijdende vorm - herhaling

Klaar? Noem bij elke woordsoort een voorbeeld. Als je hem niet kent, dan sla je hem over.

znw – lw – bnw – vz – pers. vnw – zww – hww – kww – bez. vnw – wederkerend vnw – wederkerig vnw – vr. vnw – aanw. vnw – betr. vnw – onb. vnw – onb. hoofdtelw. – onb. rangtelw. – bep. hoofdtelw. – bep. rangtelw –
ondersch. vw – nevensch. vw – bw

Zelfstandig naamwoord, lidwoord en bijvoeglijk naamwoord
Lidwoorden
De, het en een
Staan voor een zelfstandig naamwoord

Zelfstandige naamwoorden
Mensen, dieren, planten en dingen
Eigennamen (Afrika, Matthijs, Schiphol)

Bijvoeglijke naamwoorden
Geven kenmerken/eigenschappen aan van het zelfstandig naamwoord
Mooi, lelijk, dom, slim

Oefening
De fabrikant van de Stint, die vorige week betrokken was bij het ongeval op het spoor in Oss, laat alle 3.500 voertuigen die in gebruik zijn controleren. Het bedrijf doet dat in afwachting van onderzoek naar het ongeluk.
Bij het ongeval reed een Stint, door nog onbekende oorzaak, door een gesloten spoorboom.

Benoem in 1 minuut tijd zoveel mogelijk zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

Voorzetsel en bijwoord
Voorzetsel

van, na, met, tegen, achter, in, naast, langs.
‘… de kamer’, ‘… het feest’ of ‘… het bureau’.
Een voorzetsel staat nooit los in een zin; het is altijd een onderdeel van een zinsdeel.

Op de zeebodem van de Noordzee | liggen | allerlei scheepswrakken | volgens de duikers.

LET OP!
Ik vang de bal op.

Bijwoord


Voorzetsel of bijwoord?
Gisteren
zagen we
op
de televisie een
erg
uitgebreide reportage.

Plotseling
was het
zeer
mistig geworden.

Je mag
hier

op
de rijbaan lopen.

Vandaag
krijgen we ijs en vruchten toe.

Wegens de staking kon hij
niet

op
tijd zijn.

Morgen
komt hij
op
bezoek.

Hij zwemt de honderd meter
niet

zo
snel.

Voornaamwoorden
Voornaamwoorden zijn woorden die verwijzen naar personen, dieren of zelfstandigheden, zonder die met name te noemen.

1.
Zij
fietst naar het station. (verwijzing buiten de tekst)
2. Ken je dat meisje? Nee, ik ken
haar
niet. (verwijzing binnen de tekst)
Persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden (pers. vnw) verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.


Aanwijzende voornaamwoorden
Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen nadrukkelijker ergens naar dan andere voornaamwoorden.

1. Zelfstandig gebruikt
Is Joost er al? Nee,
die
heb ik nog niet gezien.
2. Niet-zelfstandig

Dat
meisje kan prachtig zingen.
Betrekkelijke voornaamwoorden
Het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat (antecedent). De betrekkelijke voornaamwoorden zijn die, dat, wat en wie.




De taart die jij net hebt gebakken, smaakt erg lekker.
Het uitgangspunt dat jij elke keer noemt, vind ik slecht.

Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord wat:
- Overtreffende trap (Het lelijkste wat ik kon vinden, is dit schilderij)
- Iets vaags (Alles wat je nog wilt doen, moet je op je lijst schrijven.)
- Hele zin (Vrijdag begint de meivakantie, wat ik heerlijk vind.)



Wederkerende en wederkerige voornaamwoorden
Wederkerende voornaamwoorden
Wederkerige voornaamwoorden
Elkaar en de varianten elkander en mekaar.
Drukken wederzijdse handeling uit: 'Jan en Piet groeten elkaar.'
Het onderwerp van de zin keert terug in het wederkerend voornaamwoord.

Bezittelijke voornaamwoorden
Bezittelijke voornaamwoorden geven aan dat er een bepaalde relatie is tussen een persoon, dier of instantie en een zelfstandig naamwoord (eigenaar, familierelatie).
Les 5
Bedrijvende en lijdende zinnen
Betrekkelijk voornaamwoord m.i.a.
Voornaamwoordelijk bijwoord
Wie een verre reis maakt, kan dankzij de moderne communicatiemiddelen makkelijk contact houden met familie en vrienden.
Mijn oma vertelt graag over die dingen.
Mijn oma vertelt graag over haar oude herinneringen
Mijn oma vertelt graag over wat ze in haar jeugd heeft meegemaakt.


Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent
Wie dit schilderij heeft gemaakt, is een groot kunstenaar.
Wat hij bedoelde, werd niet helemaal duidelijk.
Degene die dit schilderij heeft gemaakt, is een groot kunstenaar.

Dat wat hij bedoelde, werd niet helemaal duidelijk.
Let op!
Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een hoofdzin en een bijzin met elkaar.
Vragend voornaamwoord
De vragende voornaamwoorden (vr. vnw) zijn wie, wat, welke en wat voor (een). Een vragend voornaamwoord staat niet altijd in een vraagzin!
'Wij vragen ons af wie de volgende president van de Verenigde Staten wordt'?
Weet jij welke bus naar Empel gaat?
Doet het ertoe wat mijn mening is?
Vraag jij je af wat voor soort mensen dat zijn?
Ben je nieuwsgierig naar wie er op bezoek komt?
Onbepaald voornaamwoord
Een onbepaald voornaamwoord (onb. vnw) verwijst vaag naar iets of iemand. Je kent geen bijzonderheden van de persoon of het ding.
Onbepaalde voornaamwoorden zijn onder andere iets, niets, niemand, iemand, alles, men, wat (= iets), elke, ieder(een).


1a. Die en dat zijn betrekkelijke voornaamwoorden als ze achter een zelfstandig naamwoord staan waarnaar ze terugverwijzen.
b. Die en dat zijn aanwijzende voornaamwoorden als ze voor een zelfstandig naamwoord staan of als ze zelfstandig in een zin voorkomen.
2a. Wie en wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden als ze achter een overtreffende trap of een hele zin staan waarnaar ze terugverwijzen.
b. Wie en wat zijn vragende voornaamwoorden als je er een vragende zin mee kunt maken.
3. Wat is een onbepaald voornaamwoord als het iets betekent.
Zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord en koppelwerkwoord
Koppelwerkwoorden:
Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, heten, schijnen, dunken en voorkomen.

Let op!
Hoofdwerkwoord is geen 'soort' werkwoord, maar een handigheidje om te bepalen welk werkwoord het belangrijkst is.
Telwoorden
Hoe bepaal je wat het hoofdwerkwoord is?
Werkwoorden in de zin één voor één wegstrepen (soms moet je de zin wel wat ombouwen).
Het werkwoord dat als laatste overblijft is het hoofdwerkwoord.
De andere werkwoorden zijn de hulpwerkwoorden.

Hij heeft zich wel uit zo’n situatie weten te redden.
Hij weet zich wel uit zo’n situatie te redden.
Hij redt zich wel uit zo’n situatie.

Er zijn verschillende soorten telwoorden.

Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan.
Bepaalde hoofdtelwoorden (bep. hoofdtelw) geven een nauwkeurige hoeveelheid aan. Ook breuken horen hierbij. Bijvoorbeeld: één, twee, driehonderd, miljoen, een vierde, vijf achtste.
Onbepaalde hoofdtelwoorden (onb. hoofdtelw) geven een onnauwkeurige hoeveelheid aan.
Bijvoorbeeld: alle, weinig, wat, veel, sommige, enkele, verscheidene.

Rangtelwoorden geven een plaats in een rangorde aan.
Bepaalde rangtelwoorden (bep. rangtelw) geven de nauwkeurige plaats in een rangorde aan. Bijvoorbeeld: eerste, tweede, honderdste, duizendste.
Onbepaalde rangtelwoorden (onb. rangtelw) geven de onnauwkeurige plaats in een rangorde aan. Bijvoorbeeld: middelste, laatste, zoveelste, hoeveelste.
Onderschikkende en nevenschikkende voegwoorden
Bijwoord en voornaamwoordelijk bijwoord
Bijwoord
Geeft een beperking of nadere omschrijving van het door het gezegde vermelde.

De oude heer Takma liep
over de brug
.
In het weekend
fietsten we naar het strand.
Gisteren
was het mooi weer.

Het bijwoord hoort bij:
- Een hele zin
Gisteren
zagen we op de televisie een erg uitgebreide reportage.
- Een werkwoord
Op school leerde ik
netjes
schrijven
- Een bijvoeglijk naamwoord
Hij zwemt de honderd meter niet
zo
snel
- Een ander bijwoord
Hij zwemt de honderd meter
niet
zo snel

Voornaamwoordelijk bijwoord
Bestaat uit twee delen:
1. Bijwoord (vaak: er, hier, waar of daar)
2. Voorzetsel

Voorbeelden: eruit, eraan, hierdoor, hiermee, waarnaast, waarover, daarin, daarop.

Kunnen gescheiden in de zin voorkomen:
1.
Daaruit
kun je niet veel afleiden.
2.
Daar
kun je niet veel
uit
afleiden.
Betrekkelijk, aanwijzend of vragend voornaamwoord?
Full transcript