Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

woordsoorten

No description
by

Dette van Dongen

on 6 October 2013

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of woordsoorten

woordsoorten
GRAMMATICA
WOORDSOORTEN
WERKWOORDEN
LIDWOORD
ZELFSTANDIG
NAAMWOORD
BIJVOEGLIJK
NAAMWOORD

HOOFDWERKWOORD
HULPWERKWOORDEN
KOPPELWERKWOORD
VOORZETSEL
TELWOORD
VOEGWOORD
TUSSENWERPSEL
VOORNAAMWOORD
DE
IN HET NEDERLANDS
woorden voor:
mensen
dieren
planten
dingen
namen
begrippen
Carla
liefde
bepaald:
de
het
onbepaald:
een
Een lidwoord staat altijd VOOR een zelfstandig naamwoord.
De

katjes
hangen in
een

onderbroek
aan
het

waslijntje
.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
zelfstandig naamwoord
zegt iets over het
zelfstandig naamwoord
het
groene
vierkant
groene=
bijvoeglijk naamwoord
bij vierkant
Een zin heeft altijd minstens één werkwoord.
Werkwoorden zijn doe-woorden
Ze zeggen wat iets of iemand doet of wat er gebeurt.
voetballen
slapen
zingen
schrijven
(of zelfstandig werkwoord) van de zin.
Heeft een zin maar één werkwoord, dan is dat het
De jongen
schrijft
een brief.
schrijft = hoofdwerkwoord
Heeft een zin meer dan één werkwoord, dan staan er in de zin naast het hoofdwerkwoord één of meer
Het zusje van de jongen
zou
ook een brief
willen

schrijven
.
zou

en willen =
hulpwerkwoord
schrijven =
hoofdwerkwoord
Staat er meer dan één werkwoord in de zin dan is de persoonsvorm altijd het
hulpwerkwoord
.
Koppelwerkwoorden
komen alleen voor een een naamwoordelijke gezegde.
De
koppelwerkwoorden
zijn:
zijn
worden
blijven
blijken
lijken
schijnen
heten
dunken
voorkomen
Het vierkant
is
groen.
is =
koppelwerkwoord
Een voorzetsel geeft meestal een
plaats, tijd of reden aan.

tussen de krokodillen
naast de krokodil
in de krokodil
op de krokodil
onder de krokodil
achter de krokodil
voor de krokodil
tegenover de krokodil
uit de krokodil
hoofdtelwoord
rangtelwoord
Een hoofdtelwoord geeft een
bepaalde
of een
onbepaalde
hoeveelheid aan.
Ik heb
vijf
auto's.
ik heb
vierentwintig
truien.
Ik heb
achthonderd
boeken.
Ik heb
veel
meningen.
Ik heb
weinig
problemen.
Een rangtelwoord geeft een

bepaalde

of

onbepaalde

volgorde in een rij aan.
Ik eindigde op de
vijfde
plaats.
De
hoeveelste
juni komt hij?
Voor de
driehonderdste
keer: stil nu!
Ik waarschuw voor de
laatste
keer!
BIJWOORD
Hij schrijft klein, kleiner, kleinst.
Bijwoord duidt plaats (hier), tijd (nu), oorzaak (daardoor), hoedanigheid (bijzonder) en modaliteit (blijkbaar) aan.
Voornaamwoordelijk bijwoord:
samengestelde en scheidbare woorden......erop/waarop...
De nevenschikkende voegwoorden:
en
noch
maar
doch
of
want
dus
voorbeelden van onderschikkende voegwoorden zijn:
dat
of
omdat
zodat
daar
aangezien
als


, wat heb je nou weer gedaan!
Ga maar zitten,
hoor
.
Pats
, daar lag-ie op straat.
dag!
een
tussenwerpsel
is:
een uitroep van emotie
een klanknabootsing
goedenavond
ja/nee
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Onbepaald voornaamwoord
ik, mij,
jij, jou,
hem, haar enz...
mijn
boek
jouw
broer
jullie
gezeur
haar
fiets
die/ dat / hetzelfde
zulk / dergelijk / zelf / zulk een / deze / zo'n / zodanige
Het boek
dat
daar ligt.
De namen
welke
ik opsomde.
wie
-
wat
-
welk
-
hoedanig
-
wat voor (een)
men, iemand, niemand, iets, niets, wat, het , geen, deze of gene, sommige, (de) (het) een of ander, ieder(een), al, alles, elk(een), menigeen, wie ook (maar), wat ook (maar)
Een voegwoord kan zinnen of woordgroepen met elkaar verbinden.
nevenschikkende voegwoorden
Nevenschikkende
voegwoorden verbinden
twee GELIJKWAARDIGE zinnen of woordgroepen
aan elkaar.
Wij gaan naar huis,
want
het wordt nu snel donker.
want =
nevenschikkend voegwoord
onderschikkende voegwoorden
Onderschikkende voegwoorden
verbinden altijd een bijzin met andere hoofd- of bijzinnen.
opdat
wanneer
terwijl
hoewel
zoals
indien
Erik komt niet
omdat
hij geen tijd heeft.
omdat =
onderschikkend voegwoord
Pfff
, wat is het heet!
AU!
Voornaamwoorden zijn
woorden die in de plaats kunnen komen van zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden
Ik
word gek van
jou
.
Wat
ligt daar op de grond?
Welk
boek was dat?
Full transcript