Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Grammatica blok 1 en 2 Op Niveau 3 Havo

No description
by

Evy Koning

on 4 October 2012

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Grammatica blok 1 en 2 Op Niveau 3 Havo

Grammatica blok 1 en 2 3 Havo Het werkwoordelijk gezegde Het werkwoordelijk gezegde kun je vinden door alle werkwoorden in de zin op te zoeken.
Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen.
Voorbeeld:
Hoe heeft dat kunnen gebeuren?
wwg: heeft kunnen gebeuren
Ik heb, ik kan, het gebeurt Het onderwerp vind je door de vraag te stellen: Wie/wat + wwg?
Voorbeeld:
Vanmorgen heeft je vriendin een cadeau gekregen.
wwg: heeft gekregen
Vraag ond: Wie heeft gekregen?
ond: Je vriendin Het onderwerp Het lijdend voorwerp vind je door de vraag te stellen:
Wie/wat + wwg + ond?
Voorbeeld:
Mijn zus heeft gisteren een mooi cadeau gekregen.
wwg: heeft gekregen
Vraag ond: Wie heeft gekregen?
ond: Mijn zus
Vraag lv: Wie/wat heeft mijn zus gekregen?
lv: een mooi cadeau Het lijdend voorwerp (lv) Het meewerkend voorwerp vind je door de vraag te stellen:
aan wie/voor wie + gezegde + ond + lv?
Voorbeeld:
Ik heb aan mijn zus een mooi cadeau gegeven.
wwg: heb gegeven
vraag ond: Wie heb gegeven?
ond: ik
vraag lv: Wat heb ik gegeven?
lv: een mooi cadeau
vraag mv: Aan wie heb ik een mooi cadeau gegeven?
mv: aan mijn zus Het meewerkend voorwerp (mv) De bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als: Waar, wanneer, waardoor, waarmee, hoe.
Een bijwoordelijke bepaling kan tijd en plaats aangeven. Ook kan een bijwoordelijke bepaling aangeven hoe iets is gebeurd.
Voorbeeld:
Gisteren stond ik trillend van de kou op het perron te wachten.
Gisteren: Wanneer? (tijd)
Trillend van de kou: Hoe?
Op het perron: Waar? (plaats) De bijwoordelijke bepaling De bedrijvende
en
de lijdende
vorm Zinsontleding De bedrijvende vorm Bij zinnen in de bedrijvende vorm voert het onderwerp de handeling uit.
Voorbeeld:
Jan gooit de bal over de schutting.
Jan gooit de bal echt. Jan wordt niet gegooid. De lijdende vorm Bij zinnen in de lijdende vorm ondergaat het onderwerp de handeling.
Voorbeeld:
De bal wordt door Jan over de schutting gegooid.
De bal gooit niet zelf. De bal wordt door iets of iemand gegooid. Wanneer je een zin van de bedrijvende naar de lijdende vorm wilt omzetten, moet je het volgende doen:
- Het lijdend voorwerp wordt het onderwerp
- Als persoonsvorm krijg je een vorm van worden (onvoltooide tijd) of zijn (voltooide tijd).
- Het zelfstandig werkwoord wordt een voltooid deelwoord of infinitief.
- Het onderwerp krijgt het woordje door erbij.
- De tijd moet in beide zinnen hetzelfde zijn. Van de bedrijvende vorm naar de lijdende vorm Wanneer je een zin van de lijdende naar de bedrijvende vorm wilt omzetten, moet je het volgende doen:
- Het onderwerp wordt het lijdend voorwerp.
- De vorm van worden (onvoltooide tijd) of zijn (voltooide tijd) verdwijnt uit de zin.
- Het zelfstandig werkwoord wordt meestal de persoonsvorm (dit ligt aan de tijd waarin de zin staat).
- De tijd moet in beide zinnen hetzelfde zijn. Van de lijdende vorm naar de bedrijvende vorm Voorbeeld van bedrijvend naar lijdend:
De jongen liet gisteren zijn hond uit.
ond pv bwb lv pv
De zin staat in de ovt, dus de lijdende zin moet ook in de ovt.
De hond werd gisteren door de jongen uitgelaten.
ond pv bwb bwb vdw
De jongen heeft gisteren zijn hond uitgelaten.
ond pv bwb lv vdw
De zin staat in de vtt, dus de lijdende zijn moet ook in de vtt.
De hond is gisteren door de jongen uitgelaten
ond pv bwb bwb vdw Voorbeeld van lijdend naar bedrijvend:
De hond werd gisteren door de jongen uitgelaten.
ond pv bwb bwb vdw
De zin staat in de ovt, dus de lijdende zin moet ook in de ovt.
De jongen liet gisteren zijn hond uit.
ond pv bwb lv pv
De hond is gisteren door de jongen uitgelaten
ond pv bwb bwb vdw
De zin staat in de vtt, dus de lijdende zijn moet ook in de vtt.
De jongen heeft gisteren zijn hond uitgelaten.
ond pv bwb lv vdw Voegwoorden Nevenschikkende voegwoorden De nevenschikkende voegwoorden zijn: en, maar, want, of.
Als je van de samengestelde zin, twee aparte zinnen maakt, dan verandert de volgorde niet. Onderschikkende voegwoorden Bij onderschikkende voegwoorden verandert de volgorde van de zin wel als je twee aparte zinnen maakt. Voorbeeld nevenschikkende zin:
Ik heb voor mijn verjaardag een paard gekregen en ik noem haar Sjaan.
Aparte zinnen:
Ik heb voor mijn verjaardag een paard gekregen. (volgorde verandert niet)
Ik noem haar Sjaan. (volgorde verandert niet)
Als bij beide zinnen de volgorde niet verandert, is het een nevenschikking. Voorbeelden samengestelde zinnen Voorbeeld onderschikkende zin:
Jan liep samen met Kees naar school, toen hij onderweg zijn mobieltje verloor.
Aparte zinnen:
Jan liep samen met Kees naar school. (Volgorde verandert niet)
Hij verloor onderweg zijn mobieltje. (volgorde verandert)
Als bij een van de twee zinnen de volgorde verandert, is het een onderschikking. Voorbeelden samengestelde zinnen
Full transcript