Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Taal in de onderbouw, Kameleon

17 september 2018
by

Onderwijs Maak Je Samen

on 17 September 2018

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Taal in de onderbouw, Kameleon

Taal in de onderbouw
Terugblik
Wat neem je mee?
OGW is het systematisch en doelgericht werken met de beschikbare data om de talenten van kinderen maximaal te benutten.

opbrengstgericht werken
in de onderbouw

Werken aan doelen: interactief voorlezen
differentiëren bij
interactief voorlezen
In de kring (differentiatie)
Programma
Differentiëren bij
interactief voorlezen
Hoe kun je differentiëren tijdens interactief voorlezen?
Kinderen:
kunnen hun aandacht richten en langere tijd vasthouden
hebben een positieve luisterhouding
begrijpen een (voorgelezen) verhaal of informatieve tekst
kunnen belangrijke en minder belangrijke informatie onderscheiden
kunnen voorspellingen doen en deze al luisterend bijstellen


Doelen Begrijpend luisteren


(Tule / SLO)
"Begrijpend lezen =
begrijpend luisteren x decodeervaardigheid"
Boekentaal niet uit de weg gaan, maar benutten om kinderen meer kennis van taal te bieden.
Tegen zoveel geweld was de muur niet bestand. Met donderend geraas stortte hij ineen. Daar stonden de beide kunstenaars oog in oog, totaal verbluft. 'Zo had ik het niet bedoeld,' stamelde Olifant. 'Mag ik je een kop thee aanbieden?' Dat sloeg Krokodil niet af.


Uit: Trompet voor Olifant (Max Velthuijs)
Hoe pak je dit aan in de praktijk?
Luisterstrategieën
luisterdoel bepalen: wat wil ik weten?
voorkennis activeren: wat weet ik al?
verbanden en relaties: wie-wat-waarom?
hoofdgedachte vinden: wat staat centraal?

samenvatten: waar gaat het over?
tekst waarderen: wat vind je van de tekst?
reflecteren op luisterproces: weet ik nu wat ik wilde weten?
en...
Interactief voorlezen
voorleespatroon: voor-tijdens-na
herhaald voorlezen
werken met picto's
Herhaald lezen
koppeling -> mondelinge taal aan beelden
auditieve informatie ophalen uit geheugen
Verhalen vertellen
verteltas
vertelplaat
verteltafel
vertelstoel
vertel-
theater
Modelen in de onderbouw

speels & gericht op kennismaking
impliciet
kinderen modelen zelf niet
"maken van mentale beelden"
aan de slag...!
met de gedragspatroongrafiek
zelf een verhaallijn maken!
digitale prentenboeken
huiswerk:
- hoeken
- uitgangspunten
(actief)
(passief)
Opdracht
In tweetallen:

- neem een prentenboek (volgend thema).

- bereid het verhaal voor door diverse vragen te bedenken bij het verhaal. (verschillende niveaus).

- schrijf de vragen op geeltjes en plak ze in het prentenboek.

- Uitwisselen



Het belang van woordenschat.
300-600 woorden per jaar expliciet
3000-3500 woorden per jaar impliciet
1. Alle leerlingen dienen een bepaald aantal woorden te kennen, om aansluiting te vinden bij
anderen (sociaal-emotioneel) en bij de inhoud van activiteiten (cognitief).

2. Leerlingen kunnen beter hun eigen ideeën en denken onder woorden brengen.

3. Leerlingen ontwikkelen een beter tekst- en verhaalbegrip.




dagelijkse woorden:
aankleden, de tas, groen
boekentaal:
dwarrelen, het geraas, verbluft
functiewoorden:
hem, ertussen, precies, net niet
academische taal:
de oorzaak, daardoor, waarschijnlijk, verklaren, onmogelijk
taal bij rekenen:
vroeger, zes, schuin, kleinste

"Taal is alles, alles is taal!"
De ontwikkeling van woordenschat
De woordenschat ontwikkelt zich vooral in betekenisvolle interacties tussen het kind en zijn omgeving.
Dit doen we heel actief in de onderbouw.
Belangrijke aspecten zijn:

Labelen: klank combinaties verwijzen aan woorden. Dit gebeurt vooral in de eerste levensjaren. Het heeft ook vooral betrekking op concrete woorden die het kind om zich heen hoort.
Categoriseren: kinderen groeperen woorden die ze vaak tegen komen. Eerst doen ze dit op een voor volwassenen zeer onlogische manier, later zal dit logischer en objectiever gebeuren.
Netwerken: om woorden te onthouden maakt een kind netwerken van woorden. Kinderen leggen allerlei mogelijke relaties en associaties tussen betekenissen met het doel om woorden goed te onthouden.
Als een kind een woord voor het eerst hoort, zal hij automatisch de betekenis raden op basis van al
bekende woorden die in de context woorden gebruikt.
(Verhallen en Walst)

Hoe kun je nieuwe woorden aanbieden/aanleren?
Interactief voorlezen (onderbouw)
In de onder- en middenbouw is woordenschatonderwijs vooral gericht op het leren van nieuwe woordbetekenissen. Daarnaast is er aandacht voor strategieën voor het onthouden en afleiden van betekenissen uit de context.
In de bovenbouw leren kinderen zelfstandig strategieën toepassen om de betekenis van nieuwe woorden af te leiden en te onthouden.
Een didactisch hulpmiddel..
De viertakt
De belangrijkste didactische basisregel voor het woorden leren is: Het leren van een woord zal nooit in één keer gebeuren.
Herhalen, herhalen, herhalen...

1. voorbewerken
: Je activeert de voorkennis en maakt de leerlingen direct betrokken bij het onderwerp.
2. semantiseren
: De betekenis helder maken, dit doe je in de context waarin het woord aan de orde komt. 7-12 keer laat je het woord terug keren.
3. consolideren
: De kern van het consolideren is zo veel mogelijk, op verschillende manieren en op allerlei momenten de aangeboden woorden en de betekenissen herhalen
4. controleren
: Is het woordleerproces geslaagd, kennen de leerlingen zowel passief als actief het woord?
Denk hierbij terug aan al bestaande netwerken van kinderen, bij welke woorden kunnen de kinderen het woord aanhaken?


De leerkracht schrijft een briefje en vraagt aan het kind: waar doen we de brief in? In deze tas, deze doos of in deze envelop? En later vraagt ze: "Waar zullen we de brief in doen?"

De leerkracht vertelt: "Kijk nou eens. Dit is een envelop. Een envelop is gemaakt van papier en je kunt er een brief in stoppen. Zou er in deze envelop ook een brief zitten? Ja hoor, er zit een brief in de envelop. (haalt de brief eruit) Nu ik de brief uit de envelop heb gehaald kunnen we lezen. (leest een korte brief voor) Nu stop ik de brief weer terug in deze envelop van papier."

De leerkracht van groep 2 haalt met een heel geheimzinnig gezicht een envelop uit haar tas.

De leerkracht vertelt een kort verhaaltje waarin vijf keer het woord envelop voorkomt. De kinderen hebben allemaal een envelop. Als ze het woord envelop horen steken ze deze zo snel mogelijk omhoog.


Even praktisch.... hoe ziet dat er dan uit...

schep
(Van den Nulft & Verhallen, 2001)
LABELEN
CATEGORISEREN
NETWERKOPBOUW
Hoe ziet dat eruit in de klas.
Woorden meer systematisch aan te bieden;
Zorgen voor een woordmuur;
Woord van de dag, einde van de week verzamelen
Proberen veel te consolideren.
Om genoeg en gevarieerd te kunnen herhalen is het van belang:
Woordenschatroutines
consolideren
Opdracht
zwak (extra aanbod)
extra aandacht (peilen)
basisaanbod (themawoorden)
verrijking
1. Leerlingen indelen

- nut
- frequentie
- context
- netwerkopbouw
3. Woorden aanbieden (4-takt)
- interactief voorlezen
- hoeken
- ontwikkelingsmateriaal
- peilingsspelletjes
- woordenschatroutines
- woordspelletjes
- ...
2. Woorden selecteren
WOORDENSCHAT
LEZEN
BEGRIJPEND LUISTEREN
Kameleon, Maarssen - 17 september 2018
Bespreek & Cluster
ken je groep
ken je doelen
Vasthouden - Versterken - Verzwakken - Verdwijnen
Full transcript