Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Globalisering 2014-2015

No description
by

C.I. Oosterbroek

on 1 April 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Globalisering 2014-2015

Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
Inleiding;
Het leven op het platteland en in de stad
Zoals eerder aangegeven in H1, houden economen er van om te classificeren en in te delen.
Indeling volgens BBP (zie bijv. pag 2/3 NP)
4 categorieën landen:
Hoog (>$11.905)
Ongeveer 66 landen, 1100 miljoen mensen
Hoog-midden ($3.856 - $11.905)
Ongeveer 46 landen, 950 miljoen mensen
Laag-midden ($976 - $3.855 )
Ongeveer 55 landen, 3.700 miljoen mensen
Laag (<$975)
Ongeveer 43 landen, 976 miljoen mensen
Waarom is dit prettig, misschien geeft het helemaal geen goed beeld;
Het is vergelijkbaar! Bv t.a.v vorige druk 4 categorieën landen:
Hoog (>$9205 in 2001)
Ongeveer 50 landen, 950 miljoen mensen
Hoog-midden ($2976-$9205 in 2001)
Ongeveer 40 landen, 500 miljoen mensen
Laag-midden ($746-$2975 in 2001)
Ongeveer 50 landen, 2.000 miljoen mensen
Laag (<$746 in 2001)
Ongeveer 60 landen, 2.500 miljoen mensen
Verschillen meetbaar:
Hoog: + $ 2700, +16 landen, +150 mln mensen
Hoogmidden: +$ 880, +6 landen, +450 mln mensen
Laagmidden: +$230, +5 landen, +1700 mln mensen
Laag: +$230, -17 landen, -1524 mln mensen
Waar hechten economen nog meer waarde aan?

Aan het verbinden van theorieën aan verschijnselen die je in het dagelijks leven hebt

In H3 van NP komen veel theorieën naar voren,
vanuit economisch, sociologisch en antropologisch perspectief.
verwantschap met geschiedenis;
oorzaak - gevolg beredeneringen
Historische gebeurtenissen en invloeden
Economische groei; van oorsprong afkomstig van klassieke economen als:
Adam Smith
David Ricardo
Robert Malthus
Later kwamen daar:
John Maynard Keynes en
Joseph Schumpeter
bij, die technologische veranderingen en innovatief ondernemerschap als fundamentele betekenis voor economische groei beschouwden.
Economische groei
en ontwikkeling

Keynes brak met het vrije spel der marktmachten (laissez-aller, laissez-faire) waarbij de overheid een belangrijke rol heeft in het op pijl houden van de effectieve vraag (EV)
Voorbeeld; Marshall plan na WO 2;
Hulpkapitaal VS zorgde voor wederopbouw
Groei in ontwikkelingslanden bleef uit. Kapitaalgebrek = bottleneck; vicieuze cirkel van armoede:
armoede is niet sparen > geringe kapitaalvorming > weinig investeringen > weinig productiviteit > laag inkomen / werkloosheid
Brookfield (1975): Herverdeling van inkomens door hogere inkomens meer te belasten (progressief belastingstelsel)
Dat gebeurde overigens níet in ontwikkelingslanden!
Herverdeling van inkomen
Trickle down effect werkt niet; economische investeringen vinden plaats in kapitaalintensieve en kennisintensieve bedrijven; eveneens als moderne infrastructuur
allerarmsten worden niet bereikt
kloof tussen arm en rijk blijft
Gunnar Myrdal (1957) verklaart deels dit probleem als volgt:
Backwash effects: uit armere gebieden worden grondstoffen en mensen onttrokken voor in de rijkere gebieden (gebieden met een geringe winstverwachting worden gemeden)
Spread effects: Periferie heeft profijt van ontwikkelingen in het centrum. (gebieden met hoge winstverwachting worden opgezocht)
Probleem van ontwikkelingslanden;
herverdeling van inkomen dmv progressieve belastingen en sociale verzekeringen vindt zelden plaats
Het ontbreekt aan politieke wil binnen de leidende klasse dit te veranderen
Myrdal & andere economen:
Sociale gelijkheid is van groot belang voor economische ontwikkeling. Oplossing hiervoor ligt in "Pro poor growth"
De Industrialisatiethese
Industrialisatiethese, mede door Marshall plan en dekolonisatie is zeer populair na WO2. Plan omvat de volgende vier stappen;
1. Industriële basis door opzetten importvervangende industrie
2. Vervaardiging van consumptiegoederen waarvan de productie ingewikkelder is en die meer kapitaal en geschoolde arbeiders vereisen
3. Productie van duurzame en betrekkelijk luxe goederen die binnen het bereik liggen van (weliswaar beperkt) koopkrachtig publiek
4. (Eindfase): Productie van producten die voldoen aan de hoogste eisen op het punt van techniek en kapitaal. Producten bestemd voor bedrijven, niet voor consumenten
Praktijk:
Fases van industrialisatie lopen door elkaar
Industrie bleef inefficiënt, maakte dure producten en ontgroeide niet de status infant industry

De Amerikaanse historicus Rostow (1960) stelt dat landen zich (ongeveer) als volgt ontwikkelen:
van traditionele agrarische samenleving
via industrialisatie en bestendiging
naar massaconsumptie (NP p. 94)
Dit beeld is uiteraard een projectie van een ‘Westers model’ op ‘alle landen in de Wereld’ en geldt alleen onder voorwaarden (bijv. dat mensen sparen/investeren/…)
Dus: niet alle landen ontwikkelen zich op eenzelfde manier. Een uniform model is ondenkbaar!
Toch is Rostows opvatting bevestigd door de NIC’s:
Taiwan, de Republiek Korea en Singapore
Deze landen hebben in de jaren ‘60 tot eind jaren ‘90 een hoog groeitempo gekend; Rowtow’s take off.
Ook een nieuwe golf opkomende landen, zoals Brazilië, Turkije, India, Maleisië en China bevinden zich in Rostows model op trede 2 of 3
Andere landen lukt het niet (Nepal, Burkina Faso, Haïti) om verder te komen dan beginfase (importvervanging). Oorzaak? Hindernissen:
beperkte binnenlandse markt
protectie op wereldmarkt
kapitaalgebrek
grote onveiligheid
afhankelijkheid van import en buitenlandse technologie
Kapitaalvorming binnen de informele sector
Informele sector:
Omvangrijke bedrijvigheid in de vorm van kleinschalige handel, ambachten en diensten
arbeidsintensief en gericht op lokale markt
minder scholing vereist
eenvoudige technieken worden gebruikt
Toch verbondenheid met formele sector:
als afnemers
als leveranciers
als kapitaalverschaffers
Peruaanse econoom Hernando de Soto (2000) (p. 97-98 NP) brengt nieuwe inzichten:
Informele economie is dominant; potentiële gangmaker voor economische ontwikkeling:
Sector is arm, weinig LM, maar wel omvangrijk vermogen in de vorm van land, woningen, winkels en werkplaatsen
Probleem: kan niet gebruikt worden voor investeringen (huizen zijn gebouwd op grond waarvan de eigendomsrechten niet of wettelijk zijn geregistreerd, bedrijfjes zijn niet wettelijk geregistreerd, aansprakelijkheden zijn niet geregeld, etc)
Conclusie: bezittingen kunnen niet aangewend worden voor omzetting naar kapitaal (als onderpand voor lening)
Oplossing?:
Bureaucratie aanpakken
kadastrale registratie uitbreiden
tijd voor registratie ondernemers verkorten
Duale samenleving en productiewijzen
Vanuit sociologisch en antropologisch oogpunt wordt naar onderontwikkeling gekeken vanuit een maatschappelijk en cultureel referentiekader
Duale samenleving:
tweedeling van samenleving;
1. Traditionele sector (Zelfvoorzienend)
2. Moderne sector (Marktsector)
Voorbeelden (p 101 – 102 NP)
Probleem is het gebrek aan samenwerking tussen beide
Dualisme gaat over wisselwerking tussen traditioneel en modern in duale samenleving
Modernisering als ‘verwestering’
Moderniseringsparadigma in jaren ‘60 was ‘bon ton’;
Onderontwikkeling wordt aangeduid als achterstand op Westen, het komt er feitelijk op neer dat:
bevolking in ontwikkelingslanden is traditioneel
te weinig aangeraakt door moderne Westerse leefwijze
Behoudzuchtige waarden en normen, gekenmerkt door zaken als loyaliteit aan familie en de grotere sociale groep,
conformisme
een grote rol van religie
autoritair leiderschap
monopolisering van de macht
Pas door te breken met tradities kan het moderne gedragspatroon tot gelding komen dat wordt geassocieerd met de Westerse cultuur en met vooruitgang
McClelland (1961):
Sociaal psychologische waarden als individualisme, universalisme, pluriformiteit, prestatiedrang, secularisering en rationaliteit zijn Westerse waarden
Ontbreken in traditionele niet-Westerse samenlevingen
Men kent geen prestatiedrang (need for achievement)
‘de motivatie om individuele prestaties te leveren is volgens McClelland (1961) minder sterk ontwikkeld vanuit de drang tot zelfbevestiging. Het individu voelt zich vooral verbonden met de groep. Ondernemingszin en een hoge arbeidsmoraal ontbreken.
Nog meer dan bij groeiconcepten ontwikkeld door economen, ligt aan het moderniseringsconcept het idee van ‘verwestering’ ten grondslag
Is dat dan een wenselijke ontwikkeling?
NP: Modernisering heeft een etnocentrisch karakter; etnische samenleving dient te verwesteren om te ontwikkelen. Dat blijkt in de praktijk niet waar;
Japan had bij de start van haar industriële revolutie een heel andere uitgangspositie dan Westerse landen; van Feodale Aristocratie naar een kapitalistische democratie met autoritaire trekken (NP p. 105 – 106)
In landen waar starre, extremistische ideologieën of fundamentalistische godsdienstige opvattingen dominant zijn, is (culturele) modernisering vanwege haar connotatie met de Westerse waarden, een volstrekte illusie!
Basisbehoeften en pro-poor growth
Basisbehoeften (vastgelegd in Wereld Werkgelegenheidsconferentie van 1976) die kunnen worden ingezet ter bestrijding van armoede:
scheppen van werkgelegenheid
bevorderen van maatschappelijke participatie
betere woonomstandigheden
betere toegang tot gezondheidszorg en onderwijs
Leidende gedachte: armen kunnen zelf aan verbetering van levensomstandigheden werken als ze daarvoor de ruimte krijgen om zich daarvoor actief in te zetten (self help).
De basisbehoeftenbenadering is in een nieuw jasje gestoken onder de naam Pro-poor growth.
Het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking omschrijft Pro-poor growth als ‘economische groei waarvan de armen disproportioneel profijt hebben’.
cruciale taken voor overheden, namelijk:
economische kansen bieden aan armen, voor:
gezinsplanning
aanbrengen van sociale vangnetten
herverdeling van land onder de boeren
in de hand houden van voedselprijzen
creëren van arbeidsintensieve werkgelegenheid
“Pro-poor growth is het ‘sleutelconcept’ voor armoedereductie dat economische groei aanpakt vanuit het perspectief van de armen, gebaseerd op prioriteiten vastgesteld op prioriteiten van de armen zelf, en gebruikmakend van de hulpbronnen waar zij toegang tot hebben.” (Adviesraad internationale vraagstukken, 2002)
Kans van slagen wanneer er sprake is van een:
'Enabling environment' adhv de volgende dimensies:
Economisch
Politiek/juridisch
Sociaal
Cultureel
internationale handel
Invoer en uitvoer van goederen en diensten heet Import en Export; resulteren in handelsbalans
Westerse landen exporteren veel meer producten die een industrieel bewerkingsproces hebben ondergaan;
machines
vaar- en voer- en vliegtuigen
meubels
gereedschappen
computers
etc
Ontwikkelingslanden, exporteren daarentegen meer grondstoffen, of ook 'primaire producten' zoals:
aardolie
fruit
palmolie
koffie- en cacaobonen
thee
ijzer-, tin-, en kopererts
etc
Nadeel grondstof uitvoer:
Vraag conjunctuur gevoelig
Vraag en aanbod slecht op elkaar af te stemmen door diversiteit aan aanbieders
Gevolg; Landen die afhankelijk zijn van export aardolie zijn zeer kwetsbaar en gevoelig voor prijsstijgingen en dalingen.
Deze landen importeren met hun oliedollars wat ze nodig hebben aan voedsel en industrie producten.
Oplossing voor het grillige verloop van grondstofprijzen?
1964: UNCTAD (VN conferentie handel en ontwikkeling);
Grondstoffenovereenkomst gesloten waarbij prijzen van belangrijke grondstoffen binnen een bepaalde bandbreedte werden gehouden
Bij prijsdaling: opslaan
Bij prijsstijging: opgeslagen grondstoffen verkopen

Praktijk: langdurig lage prijs leverde teveel voorraad op. Kosten opkoop en opslag waren te hoog, het werd een ondraaglijke financiële last.
Volgende oplossing:
productiebeheersing, ook wel aanbodmanagement genoemd
Zorgt voor quota, maximaal te produceren hoeveelheden
Geldt tegenwoordig nog, oa voor:
Rubber
bananen
suiker
plantaardige oliën
etc
Daarnaast treedt ruilvoet verslechtering op bij prijsfluctuaties.
De ruilvoet staat voor de verhouding in opbrengsten tussen de export en import van een land;
Prijzen van een exportproduct van een land dalen, en de prijzen van de import blijven gelijk of dalen => handelsbalans verslechtert (er is meer kapitaal nodig om dezelfde producten te blijven importeren)
Gevolg: minder import mogelijk, tenzij bijgeleend wordt => oplopende buitenlandse schulden
Daarnaast:
Door diverse VN conferenties (onder de naam Unctad) door de jaren heen (vanaf 1964 tot heden) zijn inmiddels alle handelsbeperkingen ten aanzien van de 49 MOLs opgeheven (met uitzondering van wapens), onder de naam:
Everything But Arms Initiative (EBA-initiatief).
van protectionisme naar liberalisering
Protectionisme:
handelsbeperkingen om de eigen markt te beschermen.
Verschillende vormen van protectionisme:
Importheffingen (invoertarieven)
Contigenteringen (quoteringen / import quota)
Tariefquota (import tarief en hoeveelheidsrestricties)
Non tarifaire handelsbeperkingen (kwaliteitseisen op het gebieden van hygiëne, veiligheid, gezondheid, milieu of werkomstandigheden)
Subsidies (toekennen van belastingvoordelen, subsidie geven)
Critici: Het handelssysteem gaat te ver in het protectionisme; samenzwering!

Is dat zo? Alle landen concurreren met elkaar! Zuid-Zuid handel (handel tussen ontwikkelingslanden) is ook door middel van protectionistische maatregelen beperkt.

Daarnaast vormen rijke landen geen eenheid als het aankomt op het formuleren van handelsbeleid; er bestaan ook handelsconflicten tussen de VS en EU over ijzer en 'hormoonvlees'.

Tevens in perspectief te plaatsen; invoertarieven zijn teruggebracht van 40% (1950) naar 4% (nu).
Toch zijn er nog enkele bottlenecks mbt export voor MOL's;
Ze hebben weinig te verhandelen vanwege hun eenzijdige economische basis en zwakke productiestructuur
Ze kunnen niet voldoen aan de 'non trade concerns', de non-tarifaire eisen op het gebied van kwaliteit, milieu, gezondheid ed.
Ze kunnen onvoldoende opkomen voor de eigen belangen door de zwakke onderhandelingspositie
Handelsprotectie mbt de landbouw:
EU voert protectionistisch beleid dmv Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB), met als doel:
stabiele marktprijzen
voedselzekerheid (voldoende voedsel)
redelijke voedselprijzen
inkomens boeren op redelijk niveau behouden
De EU doet dit bijvoorbeeld met:
rund- en schapenvlees
granen
katoen
suiker
rijst
oliezaden
olijfolie
tabak
wijn
groenten en fruit
Vooral voor zuivel kent de EU een hoog niveau van marktbescherming.
Daarnaast gebruiken de EU en de VS exportsubsidies, om overschotten aan granen, vlees en zuivel (melkpoeder) beneden kostprijs op de markt aan te bieden. De reden daarachter is dat opslag van deze goederen (zuivelproducten, plantaardige oliën, bietsuiker, granen en vlees) duur is en vaak beperkt ivm de houdbaarheid.

Gevolg: armlastige ontwikkelingslanden kopen ze gretig, voor prijzen die erg laag zijn. Het levert ze goedkoop voedsel op (eventueel voor de snel groeiende stedelijke bevolking). Echter, eigen boeren blijven met producten zitten (binnenlandse voedsel productie ontwricht).

Dit verschijnsel, het onder kostprijs op de markt aanbieden van producten heet
'dumping'
en werkt in ernstige mate handelsverstorend.
Importheffingen van ontwikkelingslanden zouden deze dumping van voedsel kunnen stoppen. Van Nederpelt schets dat daar ook de oplossing ligt; Europese landen dumpen door hoge importheffingen geen voedsel meer in ontwikkelingslanden.

Deze kunnen vervolgens de eigen (vaak meest belangrijke) landbouwsector laten floreren.

Bovendien verdient de overheid (mocht er toch voedsel het land binnenkomen) aan de heffingen aan de grens.
WTO: World Trade Organisation (van 1948 tot1995 GATT)
dient ter bevordering handelsafspraken, met als drieledig doel:
1. bevordering van de wereldhandel
2. het beslechten van handelsconflicten
3. liberalisering
150 aangesloten landen maken afspraken mbt handel;
Dumping niet toegestaan
Protectionistische maatregelen moeten worden afgeschaft
Wordt er dan niets gedaan tegen protectionisme en dumping?
Resumé;
1. landbouwbelangen botsen nog steeds, er wordt maar moeizaam vooruitgang geboekt tussen landen die hun boeren willen beschermen en agrarische exportlanden

2. Industrie producten, het belangrijkste onderdeel van internationale handel, zijn de laatste decennia vrijer te verhandelen

3. Het succes van de NIC's en van de derde industriële golf, was zonder protectionisme voor de 'infant industries' niet mogelijk geweest

4. De MOL's hebben nauwelijks geprofiteerd van de liberalisering. Ze hebben weinig belemmeringen voor export, maar hebben ook weinig te verhandelen. Vaak lukt het ook niet om zelfvoorzienend (autarkisch) te zijn

5. Ontwikkelingslanden zijn niet altijd gebaat bij liberalisering, ze dienen dan zelf namelijk ook de grenzen open te stellen, wat de eigen industriële ontwikkeling de nek omdraait (rijke landen kunnen gemakkelijker doelmatiger produceren door schaalvoordelen)
Liberalisering draagt dus niet bij aan ontwikkeling.. Hoewel?
Door de derde industrialisatiegolf zijn grondstofprijzen gestegen => landen die olie exporteren profiteren, geen structurele negatieve handelsbalans meer => meer circulatie geld => werkgelegenheid neemt toe => welvaartsverschillen worden minder.
Echter, dit is een ideaalbeeld. Vaak verdwijnt er geld bij de politiek en economische elite.
Hoofdstuk 3; oliedollars Tsjaad
Het internationale kapitaalverkeer en buitenlandse schulden
Instroom kapitaal naar (ontwikkelings-)landen:
Buitenlandse beleggingen
directe buitenlandse investeringen in landbouw, economie of diensten
leningen en geldovermakingen vanuit het buitenland
Uitstroom kapitaal uit (ontwikkelings-)landen
beleggingen en investeringen in het buitenland
buitenlandse schulden
Relevantie voor ontwikkeling(slanden);
instroom dmv directe buitenlandse investeringen (FDI: Foreign Direct Investment en buitenlandse leningen)
uitstroom wegens betalingsverplichtingen ivm buitenlandse schulden
Ontwikkelingslanden:
Vaak is import hoger dan export (tekort op handelsbalans).
Buitenlands kapitaal kan soelaas bieden, door investeringen kunnen nieuwe economische activiteiten worden opgestart.
Multinationals investeren in landen waar de lonen laag zijn. Eenvoudige, arbeidsintensieve onderdelen leveren lage kosten op wanneer de lonen laag zijn. De afzetmarkten daarvan zijn hoofdzakelijk rijke landen.
Voorbeeld: de meeste medewerkers van Philips hebben de Chinese nationaliteit.
Echter; het is niet alleen winstbejag;
De ondernemer kiest zijn vestigingsplaats obv de volgende criteria:
Koopkracht
loon niveau
scholingsgraad
kwaliteit en mentaliteit van werknemers
economische en sociale infrastructuur
aan- en afvoerlijnen
aanwezigheid van grondstoffen
aanwezigheid van toeleverende bedrijven
beschikbaarheid diensten
wetgeving
belastingklimaat
etc etc
MOL's zijn bij deze criteria niet interessant, want:
Kernbegrip is winstverwachting. Dat is hoger in landen die de 'zaken op orde hebben'
Buitenlandse schulden, de oorzaken:
1. negatieve handelsbalans
2. gebrek aan kapitaalvorming (door gebrek aan winst bij bedrijven en sparen particulieren)
3. Overheid krijgt weinig belasting binnen

Oplossing: Geld lenen van het buitenland.
Eigenlijk geen oplossing, maar verergering van het probleem. Door de rente en aflossingsverplichtingen wordt het probleem alleen maar groter. Bovendien kunnen binnenlandse investeringen niet worden gedaan.

Toch is er positief nieuws:
schuldquote (hoeveelheid schuld tov BNI) is afgenomen van 73% naar 21% in de subsahara tussen midden jaren '90 en 2008.

Dit oa door:
afnemende betalingsverplichtingen op de schuldendienst als percentage van de jaarlijkse export,
programma's van het IMF voor schuldverlichting
economische groei in lage- en middeninkomenslanden
toename van exportinkomsten
Ook helpen de Wereldbank en het IMF dmv het HIPC-initiatief (Heavily Indebted Poor Countries Initiative):
Schuldsanering en armoedebestrijding vinden gezamenlijk plaats. Dit betekent dat de geldmiddelen die de landen krijgen, moeten worden ingezet tegen bestrijding van armoede.
Het initiatief leverde een schuldverlichting op van 57 mrd dollar in 35 landen.
Optimisme van Hirschman werd in praktijk niet bevestigd.
De industrialisatie, door Hirschman en andere economen gezien als essentieel voor ontwikkeling, volgde niet als in Europa en Azie.
Politici en ontwikkelingsdeskundigen:
Handelsbelemmeringen zijn het probleem!
Hoofdstuk 1
Arm en rijk; Hoe maak je hierin een classificatie?
Wereldbank: vier inkomensklassen.
Landen in LI zijn feitelijk 'ontwikkelingslanden'. Worden gekenmerkt door:
- zwakke overheid
- wetteloosheid
- corrupt en ondemocratisch politiek stelsel
- economische stagnatie
- hoge buitenlandse schulden
- etnische, religieuze of politieke spanningen en conflicten
Daarnaast:
- afhankelijk ontwikkelingshulp
- gebrekkige economische en sociale infrastructuur
Behalve Wereldbank hebben de Verenigde Naties ook indeling gemaakt:
49 landen (die ook in eerder genoemde categorieën vallen) behoren tot MOL (minst ontwikkelde landen) en voldoen aan drie criteria:
1. Inkomen per hoofd dat lager is dan $ 1.086 (in 2009 - 2011)
2. Een 'zwak menselijk potentieel' (gemeten aan percentage ondervoeding, hoge kindersterfte, geringe deelname aan onderwijs, lage alfabetiseringsgraad)
3. Grote economische kwetsbaarheid, gemeten aan afgelegen ligging, eenzijdige en sterk wisselende export, groot aandeel van landbouw in economie, sterk wisselende landbouwproductie, aantal ontheemden agv natuurrampen
Bezwaren tegen meten in $?
- reële koopkracht wordt onderschat; kosten levensonderhoud zijn aanzienlijk lager
Daarom tweede maatstaf om armoede te meten:
PPP => Purchasing Power Parity (koopkrachtpariteit).

Waarom nodig? Verhouding HI tot LI zonder correctie: 76:1. Na correctie: 28:1.
Dan is er nog een derde maatstaf; HDI (ook wel 'a measure of socio-economic progress'), gebaseerd op drie extra variabelen:
1. Levensverwachting,
2. Alfabetiseringsgraad
3. Aantal jaren schoolopleiding
De kwaliteit van het bestaan:

- Gezondheid, hygiëne en ziekte
- Bevolkingsgroei en gevolgen
- Ondervoeding en honger
Politiek en kwaliteit van het bestuur:
Slecht bestuur, machtsmisbruik en corruptie:
- nepotisme
- favoritisme
- corruptie
Aanpakken? Eisen aan landsbestuur van EU, Wereldbank en Afrikaanse Unie aan good governance (goed bestuur), en maatschappijopbouw door;
- democratisering
- bevordering rechtsstaat
- bestrijding corruptie
Onderdrukking en schenden mensenrechten
Politiek: ontbreken van Trias Politicas; (rechterlijke macht, machthebbers, volksvertegenwoordiging) zorgt voor onjuiste machtsverdeling

Daarnaast: Universele verklaring van de rechten van de mens (Algemene Vergadering van VN, 1948) onderscheidt 3 categorieën:
1. Individuele rechten (vrijwaring van discriminatie obv ras, geslacht of overtuiging)
2. Politieke rechten (Vrijwaring van willekeurige arrestatie of inmenging in persoonlijke aangelegenheden)
3. Sociale en culturele rechten (recht op maatschappelijke zekerheid, huwen, stichten van gezin, eigendom, arbeid, vrije keuze van beroep)

Van de 200 aangesloten landen bij VN, schenden jaarlijks 150 van deze landen deze mensenrechten.

Spanningen en gewelddadige conflicten
Slecht bestuur, rechteloosheid en onderdrukking leidt vaak tot gewapende conflicten. Dit leidt op zijn beurt weer tot grote volksverplaatsingen van mensen die het geweld proberen te ontvluchten. Dit alles komt ontwikkeling ook niet ten goede.
Wanneer spreek je van armoede? Wellicht onderverdelen in:
- relatieve armoede
- absolute armoede
Daarnaast nog een kanttekening: er bestaat een grote 'schaduweconomie' in ontwikkelingslanden: Informele sector (niet geregistreerde handelaars), zelfvoorziening, loon in natura en ruilhandel.
brain drain!
Zie p. 14 NP
Resumé:
Indeling arm en rijk o.b.v.:
- Inkomensklassen Wereldbank (HI, HMI, LMI, LI)
- Indeling VN: 49 MOL
- Relatieve en absolute armoede
- PPP => purchasing power parity (koopkrachtpariteit)
- HDI (Human Development Index)

Daarnaast meten van kwaliteit van bestaan o.b.v.:
1. Onderwijs
2. Gezondheid, hygiëne en ziekte
3. Bevolkingsgroei en gevolgen
4. Ondervoeding en honger
5. Politiek en kwaliteit van bestuur
6. Onderdrukking en schenden mensenrechten
7. Spanningen en gewelddadige conflicten
Hoofdstuk 2
van convergentie naar divergentie; de historische wortels van de tweedeling.
Jagers - verzamelaars
Leven van jacht, vissen, verzamelen eetbare of bruikbare natuurproducten
6000 - 8000 BC
Nieuwe Steentijd
Agrarische revolutie
Voltrok zeer geleidelijk
Door beheersing van natuur werd bestaansmogelijkheid verruimd
Boerensamenlevingen
"Uit voedselproducenten ingebed in een stedelijke cultuur waar vorsten met staatsapparaat de dienst uitmaken"
Uitvinding ploeg en wiel
Geavanceerde teelttechniek
Begin Feodalisme
Handelskapitalisme
In middeleeuws west europa vond er transformatie plaats van boerensamenlevingen doordat handel en nijverheid tot bloei kwamen, een doorbraak die bekend staat als handelskapitalisme. Landbouw niet langer spil in economisch leven.
Feodale landadel levert na verloop van tijd in aan macht, door nieuwe stand (stedelijke burgerij) naast 'klassieke' standen (adel, geestelijke en horige boeren). Dit kwam door het doorbreken van de monopolie van de gilden in de stad door het ontstaan van huisnijverheid.
Industriële revolutie
Technologische doorbraak zonder weerga. Talloze toepassingen van techniek, overwinning op algemeen heersende armoede. Voltrok in groot deel Europa (Engeland voorop), Noord Amerika, Australië, Nieuw Zeeland en Japan. Verwerkende industrie streeft landbouw voorbij als voornaamste bron van inkomsten en werkgelegenheid.
Postindustriële maatschappij en ICT revolutie
Westerse expansie en tanende dominantie.
Mondialisering en de opkomende markten
Ontdekkingsreizen, slavernij en handelsposten.
Koloniale exploitatie
Onafhankelijkheid en het koloniale trauma
Convergentie?
Resumé;
•Oorspronkelijk jagers en verzamelaars (natuurvolken).
•Nieuwe steentijd:
•Agrarische revolutie.
•tribale samenleving
•boerensamenleving,
•Handelskapitalisme (huisnijverheid. )
•Industriële revolutie.
•Postindustriële maatschappij en ICT revolutie
Onderdeel van eerdere fasen:
•Westerse expansie en tanende dominantie.
•Ontdekkingsreizen, slavernij en handelsposten
•Koloniale exploitatie
•Onafhankelijkheid en het koloniale trauma
•Mondialisering en de opkomende markten
Verklaring lage lonen:
Koloniale politiek; in het verleden werden arbeidskrachten uit dorpen gehaald voor exploitatie van mijnen.
Arbeidskrachten verdwenen uit dorpen, waardoor daar arbeidscapaciteit afnam
Gevolgen: Lonen laag, immers:
lokale bewoners konden alleen zichzelf voorzien
geen mogelijkheid tot verkoop
geen mogelijkheid tot sparen
geen sprake van spread effects (Myrdal)
Centrum-periferie en dependencia
Centrum periferie? P 111 NP:
John Friedmann: ‘Quasi koloniale relaties’ in Venezuela; dynamische stedelijke kernen, aan te duiden als ‘het centrum’, zuigen arbeid, kapitaal en hulpbronnen aan uit meer statische gebieden die teruggebracht worden tot een tweederangspositie, zogeheten ‘periferieën’.
Dependencia? P 112 NP
Impliceert radicale opvatting, niet alleen vanwege de wijze waarop het probleem van onderontwikkeling wordt geformuleerd, maar ook omdat het kapitalisme wordt afgewezen als middel tot ontwikkeling
Rode lijn & Resumé H3 NP
Gebeurtenissen tav ontwikkeling worden bekeken door een economische bril
Welke grootheden hebben invloed gehad op al dan niet ontstaan van ontwikkeling
Economische theorieën ordenen de gedachten van de economen en gaan over ‘echte wereld’
Het thema is daarbij: ontwikkeling
Internationaal?
Dmv ‘Marshall plan’ waarbij Noord (ontwikkeld) door haar ontwikkeling Zuid (onderontwikkeld) helpt dmv kapitaalinjecties om groeipolen te creëren (Hirschman, 1958). Uitgangspunt: allerarmsten worden uiteindelijk bereikt.
Trickle down effect (doorsijpelen)
In ontwikkelingslanden woont 60 – 80 % (van de armste landen) op het platteland. In essentie gaat het hier om boerensamenlevingen, ook wel peasants.
Peasants:
- verbouwen gewassen
- werken in familieverband
- Houden wat kleinvee en pluimvee
- produceren deels voedsel voor eigen consumptie (zoals rijst, mais, gierst, tarwe, knolgewassen, peulvruchten en groenten en fruit)
- Deels ook productie van handelsgewas: cashcrop
Bij Peasants:
- taak verdeling obv leeftijd en sekse
- kinderen werken mee
- Vrouw doet werk in en om het huis (dus ook: water halen, hout hakken, stampen van graan cassave of yams)
Begin en einde van landbouwseizoen zijn piekperioden, dan helpt men (peasants onderling) elkaar.
Dit gebeurt onder het principe van reciprociteit (dienst- en wederdienst)
In periodes dat het rustig is, worden neveninkomsten verworven uit visvangst, ambacht en handel
Sommige peasants gebruiken last- en trekdieren. Dit is cultureel bepaald. Wanneer ze dit doen, kan een peasant familie aanzienlijke grotere arealen land in productie nemen.
Nomadische of seminomadische veeteelt is een oeroude leefwijze (behoren tot peasants), beoefend door herdersvolken, ook wel pastoralisten. Zij trekken rond met hun runderen, schapen of kamelen en leven van melk, vlees, huid en wol.
Door een populair misverstand leeft de indruk dat gemeenschappelijk (communaal) grondgebruik zou zorgen voor onverantwoord gedrag onder pastoralisten/peasants. Zij zouden meer vee houden dan de graasgebieden aankunnen en dus zou er erosie en uitputting ontstaan.

In werkelijkheid is dit niet zo, collectieve landrechten (geen eigendom maar gebruiksrecht) staan garant voor optimale benutting.
Daarnaast: door uitdijen van de steden, en de toenemende behoefte aan houtskool (om te stoken)....
....ontstaat kaalslag die ervoor zorgt dat wind en regen vrij spel hebben en de bovenlaag van de bodem afvoeren.
Peasants worden door antropologen ook wel tegenhanger van stedelijke samenleving genoemd; vanwege eigen levensstijl.
Peasants: ‘prekapitalistische agrarische productiewijze die in essentie gericht is op de instandhouding en reproductie van het huishouden, niet op groei en bedrijfsresultaten’ (Kloos, 1991).
Wat telt is de bevrediging van de behoeften van het huishouden . In het bijzonder moet worden voldaan aan de vele verplichtingen van peasants jegens anderen in hun sociale netwerk.
Bestaan vaak uit grootfamilie’s, deze zijn echter wel aan slijtage onderhevig; kinderen verlaten door toename individualisering het gezin op zoek naar meer zekerheden.

Geloof en mystiek belangrijk onderdeel van dagelijks leven.
Dit kan ook worden gezien als belemmering voor ontwikkeling; ‘het middel bij uitstek tot handhaving van de status quo dat iedere verandering onderdrukt of ontkent, juist als echte verandering onvermijdelijk is’(Vermeulen, 2007).
George Foster: weerstand tegen verandering. Behoudzucht is een probleem. Foster kwam met het ‘leveling mechanism’; wanneer iemand anderen in materieel opzicht voorbij streeft, dan vatten de laatsten dat op als verslechtering van hun eigen positie. Zij zetten dan degene die het beter heeft onder druk en om zijn relatieve rijkdom met hen te delen.
Verklaring: ‘the image of the limited good’. Hierbij wordt het collectieve bezit van de gemeenschap gezien als statisch, en dus niet vermeerderbaar beschouwd.
Leveling mechanism; negatief want: rem op individuele ondernemingslust en daarmee op vooruitgang. Shared poverty is resultaat.
Afzetmarkten en landbouwprijzen
Peasant-cultuur
Peasants hebben te maken met landbouwprijzen voor hun afzetmarkt (als die er al is). Daarnaast zijn ze actief als afnemer van b.v. kunstmest. Echter, mondiaal stijgende voedselprijzen worden niet doorberekend, gestegen kosten voor kunstmest wél.
Daarom: gebruik maken van overlevingsstrategie. Marktprijzen voor handelsgewassen te laag? Of productiekosten te hoog? -> stoppen met handel, alleen zelfvoorziening. Dit kan men echter niet lang volhouden.
Handelaren monopoliseren de markt, maken prijsafspraken, voor peasants geen onderhandelingspositie. Seizoensmatige karakter, inherent aan landbouw, werkt in hun nadeel.
Daarnaast: Voordat er geoogst wordt zijn door schaarste de voedselprijzen gestegen. Handelaren houden voorraden vast, vergroten schaarste en drijven prijs op. Om toch te kunnen eten moeten peasants zich (diep) in de schulden steken en hun oogst t.e.a.b. verkopen om aan de schuldverplichting te voldoen.
Vicieuze cirkel; ze zijn periodiek of permanent verschuldigd aan anderen. Ook generatie op generatie (ook wel schuldslavernij i.g.v. één persoon die opkoper, woekeraar en landeigenaar is). Lipton(1988)
Producenten van export gewassen ontvangen slechts een fractie van de wereldmarktprijzen als gevolg van:
export belasting,
excessieve markt- en transportkosten
overwaardering van de munt.
Prijsbederf door EU en VS: H5.
Urban Bias; stelselmatige bevoordeling van de stad ten koste van platteland.
Voedselprijzen laag (lager dan reëel) -> lonen laag -> stedelijke elites verdienen meer -> boeren blijven arm.
Oplossing? ‘Fair trade’; eerlijke prijzen voor producenten, landarbeiders en consument.
Boeren krijgen betere marktpositie -> ook bij inkoop van kunstmest, machines en gereedschap.
Met behulp van Valorisatie (als gevolg van fair trade) kunnen boeren tevens een betere marktpositie verkrijgen.
Valorisatie in deze context is: het verzilveren van kennis/kunde en/of techniek.
Landbezit en hervormingen
In grote delen v/d wereld heersen feodale regiems van ongelijk landbezit, gekoppeld aan grote machtsongelijkheid en uitbuiting (grond van peasants).
In sub Sahara Afrika is 2 tot 10% van het land onder formeel landbezit.
Toch geen grote rijkdom; wellicht rol in mentaliteit van peasant.

Verscheidene andere landen (India, Thailand, e.a.) hebben zo de eigen reden voor achterblijven van ontwikkeling. Echter, in Thailand was ook succesvol: zie p 138.
Grote investeerders op zoek naar land
Grote investeerders uit het buitenland verwerven op dit moment, vnmlk in Afrika, grote stukken land voor verbouw van voedsel en energiegewassen en biobrandstoffen. Aangelegd om eigen bevolking van voedsel te voorzien, na 2008 (voedselcrisis -> Argentinië/Oekraïne stopten met exporteren).
Druk op voedselmarkt:
1. toename vleesconsumptie in Azië -> grote vraag veevoer -> verdringt voedselproductie (humaan)
2. toename vraag biobrandstoffen
Herleeft de koloniale tijd (Scramble for Africa)?
Voor dit nieuwe verschijnsel wordt de term ‘landgrab’ gebruikt, te vertalen als landroof (land in bezit nemen dat een ander is ontnomen).
Oorzaak probleem? Boeren:
- Hebben geen eigendomstitels
- gebruiken grond als gewoonterecht
- Hebben geen juridische bescherming
In het gunstigste geval kan men een ongewis baantje krijgen tegen een mager loon.
FAO (Food & Agricultural Organisation) meldt dat land transacties hard toenemen (zie p 141).
Belang Afrikaanse landen? Normaal gesproken:
- overdracht technologie
- Werkgelegenheid
- Hogere productiviteit landbouwgrond
- ontsluiting van platteland
- verbetering handelsbalans
Realiteit?
- Kapitaalintensieve productie
- Weinig mensen in dienst
- Verwerking gebeurt ook zonder dat Afrikaanse landen profiteren.
Perspectieven voor landbouwontwikkeling
Onder anderen door millenniumdoelen wordt door de Wereldbank het voedsel- en landbouwvraagstuk aan de kaak gesteld:
- Verbetering van productiviteit, winstgevendheid en duurzaamheid van de (kleinschalige) landbouw
- Investeringen (publiek en privaat) in de landbouw, met name in de wetenschappelijke, technologische en institutionele innovaties
- Ontwikkelingen van rurale werkgelegenheid buiten de landbouw
- Creëren van goede instituties voor handel en markten
- Meer aandacht voor het milieu en rol van de landbouw als leverancier van milieudiensten
Concrete oplossingen?
Boer moet ondernemer worden: productie plannen met winst als oogmerk, voor duidelijk omschreven markten
Landbouwers moeten beschermd worden tegen goedkope buitenlandse producten
Einde monopolisering handel
Peasants dienen zich te verenigen in landbouwcoöperaties -> lagere inkoopprijzen, hogere verkoopprijzen
Werken en wonen in de stad
Snelle groei van steden is een ingrijpende maatschappelijke ontwikkeling.
Verschuiving van demografisch zwaartepunt van platteland naar stand ->verstedelijking, urbanisatie
In ‘oude’ westerse industrielanden is dit voltooid, in ontwikkelingslanden is urbane transitie volop gaande, m.u.v. Latijns Amerikaanse landen. Ontwikkelingslanden in 1990: 35% urbanisatiegraad, 2010: 45%.
Uiteenlopende gradaties betekent; landen bevinden zich in verschillende fasen van urbane transitie.
Stedengroei is vaak te verklaren vanuit urbanisatie, niet zozeer vanuit natuurlijke bevolkingsaanwas.
Ruraal-urbane migratie
Waarom trekken jonge mensen naar de stad?

Economen -> rationele respons op vraag en aanbod op arbeidsmarkt. Hierdoor neemt arbeidsoverschot in ruraal af, en in de stad kan worden voldaan aan vraag naar arbeid. Is dit daadwerkelijk wenselijke arbeidsmobiliteit? Vaak kan de stad het arbeidsaanbod van de migranten niet absorberen.
Oorzaken migratie:
- verwachtingen hoog
- men is meer geïnformeerd over leven in stad
- het wordt een gevoelskwestie: men plaatst leven in de stad tegenover armoede, gezwoeg, geen vooruitgang, onvrijheid, etc
Verwachtingen reëel?
- Kosten levensonderhoud hoger (ook omdat geen eigen voedselverbouwing meer mogelijk)
- dus voor alles moet betaald worden
- Prijzen zijn hoger
Gevolgen van 'urban bias':
- platteland raakt goed geschoolden kwijt -> vernieuwing geen kans -> economische achteruitgang
Huisvesting en woonomstandigheden
- Eenderde van de van de stedelijke bevolking in ontwikkelingslanden woont in sloppenwijken.
- Er is geen/nauwelijks (door overheid geregelde) sociale woningbouw
Slums kenmerken zich door:
- grote armoede
- overbevolking
- werkloosheid
- afwezigheid van straatverlichting, elektriciteit en schoon water
- onverharde paden
- vuilnisbelten
- open riolen die bij regen overlopen
Eigenschap onderkomens:
- vaak op illegaal stuk grond gebouwd
- van ongebruikelijke materialen gemaakt
- Kent keuken noch sanitair
- Niet meer dan één of twee vertrekken
Sociale desintegratie onvermijdelijk
- kinderen groeien op als zakkenrollers (omdat er geen toekomst is)
- Diefstal, beroving, drugshandel, vormen een groot probleem
- Vrouwen hebben het in het bijzonder zwaar, al dan niet door mishandeling, aanranding of verkrachting
Overlevingsstrategie onontbeerlijk:
- hechte sociale relaties spelen grote rol
- evenals verwantschap, burenhulp en vriendschap.
- Men helpt elkaar aan werk, en deelt kennis
- Men kookt gezamenlijk
- Men vormt belangengroepen
- Self-Help comités worden gevormd voor aanleg van waterleiding, elektriciteit, straatverlichting, verharding van wegen, etc.
Gini coëfficiënt:
Pag. 158; waarde tussen 0 en 1.
0 -> iedereen verdient even veel
1 -> perfecte ongelijkheid; 1 persoon verdient alles
Aanpak woonproblemen
Rol overheden (landelijk/stedelijk) bij verbetering woon- en leefklimaat:
- Groei moet ingedamd
- Voorlichting gezinsplanning
- bevolking vasthouden in ruraal gebied (door peasant landbouw te ontwikkelen)(niet gelukt)
- Vestiging nieuwe migranten tegengaan door ontmoedigingsbeleid (pasjes, verblijfsvergunningen) (onmogelijk in praktijk)
- Uitoefening straathandel verbieden
- Spontane nederzettingen wegvagen met bulldozers (doel werd niet bereikt, elders werd weer opgebouwd)
Hoe dan aanpakken?
- Turner (1967) doorbrak idee dat inwoners van sloppenwijken lui, asociaal, en crimineel zijn door te wijzen op positieve instelling, kundigheid en creativiteit
- Hij vond slums wijken in opbouw
- De Wereldbank probeert self help te ondersteunen, door woonprojecten (settlement upgrading) te financieren.
- Probleem bij self help projecten: bewoners hebben geen eigendom op grond! Daarom: eigendomstitels verstrekken
- Wanneer dit wel geregeld is zullen armetierige huisjes geleidelijk transformeren tot lemen, stenen of houten huisjes.
- Dit zorgt uiteindelijk (al dan niet gefinancierd) voor betere omstandigheden; ‘veilige’ latrines zorgen voor afname ziektes, betere school- en werkprestaties, grotere productie en door meer arbeidsuren
De informele sector
- schaduweconomie of urbane vluchtsector
- Informeel omdat: economische activiteiten buiten regelgeving en overheidscontrole
- bv: straathandel; bereiding en verkoop van eten en drinken, ambachten, reparatiewerk, talloze dienstverleningen in de open lucht (niet gemotoriseerd transport, water dragen, schoenen poetsen, auto’s wassen, haarknippen)
Eigenschappen:
- lange werkdagen
- slechte werkomstandigheden
- uitgeoefend in simpele werkplaatsen, winkeltjes, onder afdakjes of gewoon op de stoep
- belangrijk als vangnet voor stedelingen, zowel pas aangekomen migranten als mensen die er al langer wonen
- wanneer het slecht gaat met formele economie, dijt informele economie uit
Maar ook positief:
- laagdrempelig
- gebruik van lokale hulpbronnen
- kleinschalig
- Familiearbeid
- Eenvoudige technologie
- Gemakkelijk toegankelijk voor vrouwen
- Vormt ruggengraat voor stedelijke economie (vrnmlk door aantal)
- potentiële gangmaker voor economie (De Soto, ook H3)

Gebrek aan werk- en investeringskapitaal kan probleem zijn.
Reguliere banken tonen geen belangstelling voor dergelijke kredieten
Toch mogelijkheden: bv Grameen bank (p167).
Hoofdstuk 6
beleid en praktijk
Men dacht na WOII dat dmv. Soort van Marshallhulp de welvaart zou vergroten in ontwikkelingslanden (zie ook H3).
Diverse initiatieven gestart:
- Truman: 1949: economische hulp aan onderontwikkelde gebieden
- 1954: Food for Peace programme
- 1961: John F. Kennedy: Alliance for Progress (jaren ’60: ontwikkelingsdecennium / oprichting Peace Corps)
Daarnaast is er vanuit landen die voormalige koloniale betrekkingen hebben eerder een noodzaak gezien in het geven van ontwikkelingshulp aan hun ‘achtertuin’.

De VS deden dat o.a. ook met militaire hulp als motief.
Bij NL en ook met name Scandinavische landen ligt het accent sterker op het humanitaire gewin. Dit is belangrijker dan economische gewin of versterking van politieke belangen.
Ontwikkelingsconcepten: van economische groei tot goed bestuur
Economische groei is belangrijk bij welvaartsvermeerdering; jaren '50 en '60 stonden in het teken daarvan. Aantal landen profiteerden, NIC’s zijn voorbeeld.
Overgrote deel profiteert niet; oorzaak:
- wereldconjunctuur zit tegen
- Stijgende prijzen aardolie en industrieproducten
- dalende prijzen agrarische producten en delfstoffen
Herverdeling van inkomen en bestrijding sociale ongelijkheid wordt het devies:
- onderwijs
- werkgelegenheid
- Self help
- vervullen basisbehoeften
Werkt ook niet; zijn deze landen niet meer gebaat bij betere toegang tot de markten (voor export) dan hulp van rijke landen?
VN Zuid-Commissie olv. Julius Nyerere (1990) (p. 236):
- self-reliance
- Intensievere Zuid-Zuid en Noord-Zuid samenwerking
- good governance (beter landsbestuur)
Omdat te bereiken worden door de jaren heen (ook door val van muur in 1989 en einde van communistische tijdperk) steeds meer eisen gesteld aan het geven van hulp;
- goed bestuur
- naleving mensenrechten
- beperking van militaire uitgaven
Al met al ontstaat er een trits van aandachtsvelden binnen ontwikkelingssamenwerking, waaronder
- conflictpreventie- en bemiddeling
- respect voor de mensenrechten
- humanitaire hulp
- opbouw civiele samenleving
- Goed bestuur
- democratisering
- autonomie voor vrouwen
Ontwikkelingsconcepten: van Duurzame Ontwikkeling (DO) tot de Millenniumdoelen
Duurzame Ontwikkeling (begrip uit VN rapport van Brundtland Commissie (1989)):
- ‘een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de behoeften van het heden zonder die van komende generaties in gevaar te brengen’.
Duurzaam is in dit geval niet alleen betrekking op fysieke omgeving of leefmilieu, maar ook op instandhouding van samenleving door een rechtvaardiger verdeling van schaarse hulpbronnen.
VN conferentie in 1992 in Rio de Janeiro:
- klimaatverdrag
- biodiversiteitsverdrag
- Agenda 21
Het vervolg hierop (duurzame ontwikkeling & ‘Rio’); Millennium Ontwikkelingsdoelen (2000):
1 Aanpak van extreme honger en armoede door halvering van het deel vd mensen dat in extreme armoede leeft en honger lijdt
2 Basisonderwijs toegankelijk voor alle kinderen (jongens en meisjes)
3 Bevorderen van gelijkheid tussen de seksen en van de weerbaarheid van vrouwen door het elimineren van sekseverschillen in alle niveaus van het onderwijs
4 Vermindering met tweederde van de sterfte onder kinderen tot vijf jaar ten opzichte van 1990
5 Verbetering van de gezondheid van moeders en terugbrengen van hun sterftecijfer met driekwart
6 Bestrijding HIV/Aids zodat de verdere verspreiding in 2015 kan worden gestopt en een daling inzet; eenzelfde doel voor malaria en andere ziekten
7 Opnemen van de principes van ‘Duurzame Ontwikkeling’ in het beleid van landen en keren van de achteruitgang van natuurlijke hulpbronnen
8 Ontwikkelen van een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling door het aangaan van samenwer-kingsovereenkomsten op het gebied van armoede bestrijding, beter bestuur, overdracht nieuwe technologieën, handelsbevordering en schuldvermindering.
Daarnaast nog diverse andere initiatieven:
- The End of Poverty (Sachs) p. 239 (the Big Five)
- Verklaring van Parijs over de Effectiviteit van Hulp (p. 240)
- Accra Agenda for Action (ter ondersteuning Millennium Doelen)
Aard en bestemming van hulp
Al eerder genoemde verschijnselen
- tekort op de handelsbalans (trade gap)
- gebrek aan investeringskapitaal (investment gap)
Daarnaast onderscheid tussen:
- Noodhulp (directe noden tgv oorlog, natuurramp en mislukte oogsten door het geven van tenten, voedsel, kleding, water, medische hulp)
- projecthulp (structureel van aard, specifiek)
- programmahulp (Bilateraal, ook wel budgetsteun, geld wordt gebruik voor: algemene middelen of waterbeheer, schuldverlichting, importsteun. Heet sinds jaren ’90 ook wel sectorhulp; hulp bedoeld voor bepaalde sectoren (bv. Landbouw/onderwijs))
Waaraan wordt hulp besteed?
Tabel 6.1 p 243
De internationale donorgemeenschap en NL
Overgrote deel van ontwikkelingshulp komt van rijke landen in DAC (Development Assistance Committee). Hulp: hoeveel ?
Pag. 245 tabel 6.2
Daarnaast wordt door niet bij het DAC geregistreerde landen, alsmede door multinationals en miljardairs geld gegeven aan ontwikkelingslanden.
Geld wordt gegeven aan landen die behoefte hebben aan ODA (Official Development Assistance), ongeveer 150 landen ontvangen van 35 landen;
Zie pag. 247 tabel 6.3
Welke organisaties in NL zorgen voor hulp?
Nederland is ‘een brave borst’ als het gaat om het geven van hulp, de norm (0,7% BNI) wordt ruim gehaald (0,94 in 1990 en 0,82 in 2009, zie ook tabel 6.2).
Daarnaast heeft NL bilaterale hulp met tientallen landen onderhouden. Daarnaast SNV’s (stichting Nederlandse vrijwilligers) die vrijwilligers naar ontwikkelingslanden sturen (technici, verpleegkundi-gen, landbouwkundigen, etc).
MFO’s (Medefinancieringsorganisaties) bestaan uit:
- ICCO
- Hivos
- Cordaid Memisa
- Oxfam/Novib
- Plan Nederland
Daarnaast nog andere NGO’s als:
- war child
- Unicef NL
- Wilde ganzen
- SOS kinderdorpen
- Leprastichting
HDI 2013, dd 24-07-2014
3 op reis: Myanmar
In hoofdstuk 2 hebben we geleerd dat peasants een verzamelnaam is voor gemeenschappen van boeren en kleine landarbeiders. Ook landlozen, vissers, nomaden en ambachtslieden worden op het platte land tot peasants gerekend.

Het onderscheid tussen peasants en tribale samenlevingen kan gezocht worden in de historie (tribale samenlevingen evolueerden uit jagers/verzamelaars), peasants is de verzamelnaam die nu nog steeds gebruikt wordt en in zelfvoorziening: tribale samenlevingen waren slechts zelfvoorzienend, peasants produceren meer dan ze zelf nodig hebben.
Bloed, zweet, luxeproblemen (aflevering 7), ma 26 mrt 2012.
Ontwikkeling olieprijs vanaf 2008
Dat beleid is wel voor het eerst sinds 50 jaar aan het veranderen!
- Onderwijs
Commissie Brandt (1990):
- tegenstellingen tussen Oost en West jarenlang voedingsbodem geweest voor conflicten in ontwikkelingslanden
- Militaire uitgaven drastisch verminderd na val muur
Commissie Brandt (1991):
- Eind maken aan Westers protectionisme
- VN-Norm: 0,7% van BBP
Full transcript