Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Werkwoordsspelling

Werkwoordsspelling in zeven lessen (SGL)
by

Robert Jan de Paauw

on 29 September 2015

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Werkwoordsspelling

WerkwoordsSpelling
Les 1 - ik-vorm
Les 2 - Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Les 3 - je/jij als onderwerp
achter de Persoonsvorm t.t.

Les 4 - Persoonsvorm verleden tijd
Les 5 - voltooid deelwoord
Les 6 - bijvoeglijk naamwoord,
gemaakt van een v.d.

Les 7 - smurfen
de ik-vorm
bij werkwoordsspelling:
héél belangrijk!
Ik
werk
.
Hij
werk
t.
Jij
werk
te.
Zij
werk
ten.
U heeft ge
werk
t.
Werk
eens door!
ik-vorm
van het werkwoord 'werken'
Hoe maak je de ik-vorm?
is de stam
(het hele werkwoord of infinitief min -en )
gelijk aan de ik-vorm.
Infinitief:
werken
Min -en

(
stam
):

werk
en
Ik-vorm:
werk
Infinitief: fietsen
Min -en
(
stam
):

fiets
en
Ik-vorm:
fiets
Uitzondering 1
De stam eindigt op twee dezelfde medeklinkers.
Infinitief: rennen
Min -en
(
stam
):

renn
en
Ik-vorm:
ren
Infinitief: stoppen
Min -en

(
stam
):

stopp
en
Ik-vorm:
stop
Uitzondering 2
In de stam verdwijnt de lange klank.
Infinitief: zagen
Min -en
(
stam
):

zag
en
Ik-vorm:
zaag
Infinitief: lopen
Min -en
(
stam
):

lop
en
Ik-vorm:
loop
Uitzondering 3
De stam eindigt op een -v of een -z.
Infinitief: wrijven
Min -en
(
stam
):

wrijv
en
Ik-vorm:
wrijf
Infinitief: peinzen
Min -en
(
stam
):

peinz
en
Ik-vorm:
peins
Oplossing:
haal een
medeklinker
weg
Oplossing:
vervang -v door -f
en -z door -s
Oplossing:
voeg klinker toe
vaak
Uitzondering 2+3
De stam verkort de klank én eindigt op een -v of een -z.
Infinitief: weven
Min -en
(
stam
):

wev
en
Ik-vorm:
weef
Infinitief: lezen
Min -en
(
stam
):

lez
en
Ik-vorm:
lees
Oplossing:
voeg klinker toe
+
vervang -v door -f
en -z door -s
Maak de ik-vorm van de volgende werkwoorden en schrijf er (S) achter als de ik-vorm gelijk is aan de stam:

bereiken, braden, branden, erven, flitsen, hoeven, jagen, klagen, kluiven, koppen, krabben, lachen, laden, luisteren, prijzen, raden, scheren, werken, willen
Oefenen met de ik-vorm
Bedenk, schrijf op en bespreek daarna met je buur:

a. wat een stam is;
b. waarom de stam eigenlijk iets is wat we nooit opschrijven;
c. waarom we tóch zo’n stam nodig hebben;
d. waarom oorspronkelijk Nederlandse woorden geen -v of -z aan het eind hebben, maar er wél woorden zijn met een -b aan het eind.
Nodig voor de pv t.t.
Ik-vorm
Persoonsvorm
Onderwerp
Persoon en getal
Tegenwoordige tijd
hoe maak je een pv t.t.?
Ik-vorm?
Les 1
Hele werkwoord (infinitief) min -en
Vb. fiets
Uitzondering 1
Vb. bellen
Haal medeklinker weg
Uitzondering 2
Vb. verven, kiezen
v f & z s
Uitzondering 3
Vb. hopen
Voeg klinker toe
'persoonsvorm'?
Ik
loop
naar school.
Jij
loopt
naar school.
De leerlingen
lopen
naar school.
De
persoon
s
vorm
is het werkwoord dat zich
vorm
t naar de
persoon
van het onderwerp.
ONDERWERP?
Ik werk hard.
Marie fietst naar de bakker.
De postbodes lopen hun rondjes.
Onderwerp
Datgene waar iets over gaat.
Onderwerp van een zin
Datgene waar de zin over gaat.
persoon en getal?
ik fiets wij fietsen
jij fietst jullie fietsen
zij fietst ze fietsen
tegenwoordige tijd?
ik fiets ik fietste
jij loopt jij liep
hij zwemt hij zwom
wij kopen wij kochten
jullie bellen jullie belden
zij meppen zij mepten
Persoon Getal
1e persoon enkelvoud
2e persoon meervoud
3e persoon
Enkelvoud Meervoud
1e
ik werk
1e
wij
werk
en
2e
je/jij/u werkt
2e
jullie
werk
en
3e
hij/zij/het werkt
3e
ze/zij
werk
en
werken Ik ... .
blozen Jan ... .
relaxen De meisjes ... .
Hoe maak je een persoonsvorm?

(1) Maak eerst de ik-vorm (zie les 1).
(2) Vraag je af wat het onderwerp is (zie les 2).
(3) Vraag je af in welk getal het onderwerp staat
(enkelvoud of meervoud).
(4) Vraag je vervolgens af of dit onderwerp in de
1e, 2e of 3e persoon staat.
(5) Schrijf dan pas je antwoord op.
SCHEMA PERSOONSVORM TEGENWOORDIGE TIJD

enkelvoud
1e persoon: ik laad (ik-vorm)
2e persoon: jij/je, u laadt (ik-vorm +t)
*
3e persoon: hij, zij/ze, het laadt (ik-vorm +t)

meervoud
1e persoon: wij/we laden (infinitief)
2e persoon: jullie laden (infinitief)
3e persoon: zij/ze laden (infinitief)


* je/jij als onderwerp achter de PV: les 3
Oefenen
Maak de
persoonsvorm

tegenwoordige tijd
die op de stippeltjes moet worden ingevuld. Het hele werkwoord staat voor de zin. Maak van dat werkwoord de juiste persoonsvorm. Voorbeeld:

0. veronderstellen Erik ..., dat hij een goed cijfer heeft gehaald.
Antwoord: Erik: 3e persoon enkelvoud: ik-vorm + t veronderstelt

1. branden Het oliekacheltje van mijn opa ... nog heel goed.
2. verhuizen Mijn vriendje ... binnenkort naar Den Haag.
3. snijden Ik ... me per ongeluk in mijn vinger.
4. bevinden Aan het eind van de gang ... zich een brandtrap.
5. overtuigen ... Anita jou nu?
6. gebeuren Gelukkig ... zoiets niet vaak!
7. getuigen Jouw huiswerkschema ... van een serieuze aanpak.
8. raden Jullie ... de oplossing nooit!
9. worden Het ... zeker een fantastische avond.
10. vermoeden Jij ... de aanwezigheid van enkele brugklassers.
SCHEMA PERSOONSVORM TEGENWOORDIGE TIJD

enkelvoud
1e persoon: ik laad (ik-vorm)
2e persoon: jij/je, u laadt (ik-vorm +t)
*
3e persoon: hij, zij/ze, het laadt (ik-vorm +t)

meervoud
1e persoon: wij/we laden (infinitief)
2e persoon: jullie laden (infinitief)
3e persoon: zij/ze laden (infinitief)


* je/jij als onderwerp achter de PV: les 3
Jij werkt. Werk jij?
Je loopt naar school. Loop je naar school?

Jij laadt de wagen. Laad jij de wagen?
Je bereidt de maaltijd. Bereid je de maaltijd?

Je braadt een kip. Braad je een kip?
Je neef braadt een kip. Braadt je neef een kip?
Hoe pak je het aan?

beantwoorden ... je die vraag wel goed?

smurfen ... je die vraag wel goed?


Smurf
je die vraag wel goed?
(alleen de
ik-vorm
)

dus ook:
Beantwoord
je die vraag wel goed?
1. Breken ... jij dat ei even voor me!
2. Plakken ... je die band vanavond?
3. Binden ... je die grote tas op je bagagedrager?
4. Branden ... je vader zijn vingers niet aan de barbecue?
5. Belanden ... je nooit in de problemen met dat gedrag?
6. Bereiden ... je favoriete kok een lekkere maaltijd?
7. Bereiden ... je zelf je huiswerk maar voor!
8. Aanvaarden ... je gisteren dat aanbod?
9. Aanbieden ... je groenteman nu alweer granaatappels aan?
10. Afronden ... je supermarkt alles op hele euro’s af?
Oefenen
A. Sterke werkwoorden (werkwoorden die in de verleden tijd van klank veranderen)

lopen ... je vorig jaar ook de
marathon?

kijken Eric ... gisteren niet goed uit
en botste tegen een boom.

breken Die twee skiërs ... na een harde
botsing allebei een been.
A. Sterke werkwoorden (werkwoorden die in de verleden tijd van klank veranderen)

Bij
sterke werkwoorden
in de
verleden tijd
:
schrijf op wat je hoort
.

lopen ... je vorig jaar ook de marathon?

Liep

kijken Eric ... gisteren niet goed uit en
botste tegen een boom.
Keek

breken Die twee skiërs ... na een harde
botsing allebei een been.

braken
B. Zwakke werkwoorden

bellen ... je gisteren niet ook al?

rennen De meisjes ... harder dan
de jongens.

fietsen Eric ... gisteren tegen een
boom.

werken Die twee mannen ... heel hard.
B. Zwakke werkwoorden

bellen ... je gisteren niet ook al?

rennen De meisjes ... renden harder dan
de jongens.

fietsen Eric ... gisteren tegen een
boom.

werken Die twee mannen ... heel hard.

Verleden tijd zwakke werkwoorden
:
ik-vorm + de(n)/te(n)
-de(n) of -te(n)?
rolde of rolte?

pakde of pakte?

pushden of pushten?
Stap 1 (meestal voldoende): luister!

Voorbeeld
lakken – lakte – gelakt
(inf. – v.t. ev – v.d.)

koken – ... – ...
bellen – ... – ...
telefoneren – ... – ...
loeien – ... – ...
spelen – ... – ...
beleven – ... – ...
checken – ... – ...
relaxen – ... – ...
conjungeren – ... – ...
Stap 2 (alléén bij twijfelgevallen):

't s
e
x
y
f
o
ksch
aa
p t

relaxen – relaxte – gerelaxt
(inf. – v.t. ev – v.d.)

Want:
relaxen (infinitief)
relax (stam) (neem de laatste letter)


't s
e
x
y
f
o
ksch
aa
p t
1. besteden De mensen ... afgelopen koopzondag hun geld goed.
2. antwoorden De leerling ... de docent vorige les precies op tijd.
3. herinneren De docenten ... de leerlingen gisteren aan het feest van vrijdag.
4. overleven De bergbeklimmers ... toen gelukkig hun enorme val.
5. beantwoorden De leerling ... afgelopen les de vraag uitstekend.
6. verdelen De jarige ... gisteren de traktaties.
7. bonzen Zijn hart ... in zijn keel.
8. klussen De doe-het-zelvers ... afgelopen weekend een dakkapel in elkaar.
9. sloffen Jan ... daarnet langzaam door de kamer.
10. gebeuren De dingen op dat feest van vorig jaar ... in een rap tempo.
Oefenen
Let op:
enkelvoud (zonder -n)
of
meervoud (met -n)

betalen De koper ... meteen.

betalen De kopers ... meteen.
Opletten geblazen!
Weet je nog?

peinzen (infinitief)
peinz (stam)
peins (ik-vorm)

peinzen Jan ... .
Weet je nog?

verven (infinitief)
verv (stam)
verf (ik-vorm)

verven Jan ... .
laatste letter van de STAM!
't kofschip
't ex-kofschip
't sexy fokschaap
taxischuifkap
Voltooid deelwoord


Werkwoordsvorm
die kan voorkomen bij de hulpwerkwoorden
zijn,

hebben
en
worden
.

Het gebeurde.
Het is
gebeurd
.

Het werkt.
Het heeft
gewerkt
.

Jan koopt het boek.
Het boek wordt door Jan
gekocht
.
Voltooid deelwoord van sterke werkwoorden

Schrijf wat je hoort.

Meestal op -en gelopen
gelaten

Soms op -t verkocht
1. besteden De mensen hebben hun geld goed ... .
2. antwoorden De speler heeft op tijd ... .
3. herinneren De docenten hebben hen eraan ... .
4. overleven De bergbeklimmers hebben hun val ... .
5. overklassen De leerling heeft alle anderen ... .
6. verdelen De jarige heeft de traktaties ... .
7. bonzen Zijn hart heeft in zijn keel ... .
8. klussen De timmerlieden hebben iets in elkaar ... .
9. sloffen Jan heeft een half uur door de kamer ... .
10. gebeuren Er is op dat feest heel veel ... .
Voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden

Eindigt op -d of -t.
Lastig: je kunt het niet horen.

Toch is het heel eenvoudig!
Voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden

Verleden tijd met een d?
Dan voltooid deelwoord ook met een d.

rende gerend

Verleden tijd met een t?
Dan voltooid deelwoord ook met een t.

staakte gestaakt
oefenen
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
een Bijvoeglijk naamwoord ...
... vertelt iets over een zelfstandig naamwoord.

Een
mooi
huis. Het
mooie
huis.(het-woorden)
Een
leuke
show. De
leuke
show. (de-woorden)

Vaak moet je het verbuigen met een -e:
mooi - mooi
e
, leuk - leuk
e
.
een Bijvoeglijk naamwoord, gemaakt van een voltooid deelwoord ...


... is gewoon een bijvoeglijk naamwoord (géén werkwoord) en vertelt iets over een zelfstandig naamwoord.

Een
gebouwd
huis.

Het
gebouwde
huis. (het-woorden)
Een
opgevoerde
show. De
opgevoerde
show. (de-woorden)

Bij sommige woorden moet je het
verbuigen
(een -e erachte
r: gebouwd - gebouwd
e
, opgevoerd - opgevoerd
e
).
Hoe maak je
een bijvoeglijk naamwoord
van een voltooid deelwoord?
Voltooid deelwoorden op -en
Het is
afgelopen
.

Een
afgelopen
seizoen.
Het
afgelopen
seizoen.
De
afgelopen
maand.
De
afgelopen

maande
n.

Maak het voltooid deelwoord.
Eindigt het op -en?
Klaar! Meteen te gebruiken als bijvoeglijk naamwoord.
Voltooid deelwoorden op -d en -t
Het is
gebouwd
. Het is gepakt.

Een
gebouwd
huis. Een
gepakt
snoepje.
Het
gebouwde
huis. Het
gepakte
snoepje.
De
gebouwde
fabriek. De
gepakte
toffee.
De
gebouwde
fabrieken. De
gepakte
toffee.

Maak het voltooid deelwoord.
Eindigt het op -d of -t?
Voeg eventueel een -e toe.
Stappenplan bijvoeglijk naamwoord,
gemaakt van een voltooid deelwoord
Stap 1
Maak het voltooid deelwoord.

Stap 2a
Eindigt het op -en? Klaar!

Stap 2b
Eindigt het op -d of -t?
Voeg eventueel een -e toe.
Gevallen waarbij je goed op moet letten

vergroten De ... kamer

Stap 1 De kamer is
vergroot.
Voltooid deelwoord:
vergroot
.

Stap 2b Voeg eventueel een -e toe.
De vergroote* kamer.
* Mag niet, dus schrap een o.
Gevallen waarbij je goed op moet letten

verrotten De ... appel

Stap 1 De appel is
verrot.
Voltooid deelwoord:
verrot
.

Stap 2b Voeg eventueel een -e toe.
De verrote* appel.
* Mag niet, dus voeg -t- toe.
Oefenen
1. maken De ... oefening in het boek.
2. krijgen De ... fiets in de schuur.
3. oplossen Het ... probleem van Jan.
4. ontleden De ... zin in het grammaticaboek.
5. bekleden De ... achterbank van de auto.
6. ontbloten De ... buik van de danseres.
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
Weet je het nog?
wat is 'smurfen'?
voorbeeld
OEFenen
Waarom zou je smurfen?
voorbeeld
smurfen: ook handig bij je/jij achter de PV t.t.
Bij 'smurfen' vervang je een werkwoord door een vorm van het werkwoord smurfen.

Smulsmurf: 'Ik kan wel tien van die taarten smurfen!'

Grote Smurf: 'Wie heeft dit gesmurft?'
gebeuren

Ik weet niet wat er ... .

Je kunt niet horen of je
gebeurt
(PV: ik-vorm + t) of
gebeurd
(voltooid deelwoord) moet schrijven.

Wél als je eerst smurft!

smurfen Ik weet niet wat er
smurft
.

smurft = PV, ik-vorm + t
bevrijden Ik hoor dat Nederland door
de Canadezen is ... .

smurfen Ik hoor dat Nederland door
de Canadezen is
gesmurft
.

gesmurft = voltooid deelwoord, dus

bevrijden Ik hoor dat Nederland door
de Canadezen is
bevrijd
.
vermoeden Ik snap dat jij nu wel iets
... .

smurfen Ik snap dat jij nu wel iets

smurft
.
Let op: alléén
smurfen,
nooit
ver
smurfen of
ont
smurfen of
be
smurfen, want dan hoor je nóg niet wat je moet schrijven!
vermoeden Ik snap dat jij nu wel iets
... .

smurfen Ik snap dat jij nu wel iets

smurft
.
voorbeeld
vermoeden Ik snap dat jij nu wel iets
... .

smurfen Ik snap dat jij nu wel iets

smurft
.

smurft = PV, ik-vorm + t, dus

vermoeden Ik snap dat jij nu wel iets

vermoedt
.
Let op: alléén
smurfen,
nooit
ver
smurfen of
ont
smurfen of
be
smurfen, want dan hoor je nóg niet wat je moet schrijven!
vermoeden Ik snap dat jij nu wel iets
... .

smurfen Ik snap dat jij nu wel iets

smurft
.
braden ... je straks het vlees even?

smurfen
Smurf

je straks dat vlees even?

braden
Braad
je straks het vlees even?


worden ... je vader veertig?

smurfen
Smurft
je vader veertig?

worden
Wordt
je vader veertig?
Smurfen: alle vormen
Je hoort:

Werkwoordsvorm

Je schrijft:
smurf PV t.t. ik-vorm (ook geb. wijs)
smurft PV t.t. ik-vorm + t
smurfte PV v.t. ev ik-vorm + te/de
smurften PV v.t. mv ik-vorm + ten/den
smurfen infinitief hele werkwoord
gesmurft v.d. voltooid deelwoord
gesmurfte bv nw bv nw gemaakt v/e v.d.
Wat is de 'stam' van een werkwoord?
Wat is de 'ik-vorm' van een werkwoord?

En waarom is die ik-vorm zo belangrijk?
Wat is er mis met dit schema?

(ik) stam
(jij) stam+t
(hij/zij) stam+t
Leg met behulp van het werkwoord 'grazen' het verschil uit tussen een stam en een ik-vorm.
Waarom is het onderwerp van de zin zo belangrijk als we een persoonsvorm maken?
Wat bedoelen we met 'persoon en getal'?
Geef de persoon en het getal van het onderwerp 'u'.
Leg met behulp van het werkwoord 'kleven' het verschil uit tussen een stam en een ik-vorm.
Hoe weet je of je alleen de ik-vorm of ik-vorm + t moet schrijven in de volgende zin?

aanvaarden ... je nu je verlies?
Welke twee soorten werkwoorden zie je hier?

kluiven - kloof - gekloven

kleven - kleefde - gekleefd
Hoe weet je of je in de verleden tijd -de of -te moet schrijven?

Benoem twee stappen!
Leg met behulp van het werkwoord 'kleven' het verschil uit tussen een stam en een ik-vorm.

Leg uit hoe 't s
e
x
y
f
o
ksch
aa
p werkt
.

En weet je ook waarom
't s
e
x
y
f
o
ksch
aa
p zo werkt
?
Op welke letters kunnen voltooide deelwoorden eindigen?
Leg uit of een voltooid deelwoord kan eindigen op -dt.
Hoe bepaal je of een voltooid deelwoord eindigt op een -d of op een -t?
Kan het woord 'gebeurt' een voltooid deelwoord zijn?
Welke twee soorten voltooide deelwoorden ken je?
Hoe maak je van een voltooid deelwoord dat eindigt op -en een bijvoeglijk naamwoord?
Hoe maak je van een voltooid deelwoord dat eindigt op -t een bijvoeglijk naamwoord?
Maak het bijvoeglijk naamwoord
van het voltooid deelwoord:

verbreden De ... straat
Antwoord: de
vergrote
kamer.
(Logisch: het is ook de
grote
kamer.)
Antwoord: de
verrotte
appel.
(Logisch: het is ook de
rotte
appel.)
dus:
gebeuren Ik weet niet wat er
gebeurt
.
En twijfel je over d of t in de verleden tijd ...
Full transcript