Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Verkenning beleidsopties voedselvoorziening van de toekomst

No description
by

Jan Klink

on 5 August 2014

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Verkenning beleidsopties voedselvoorziening van de toekomst

Verkenning beleidsopties voedselvoorziening van de toekomst
Ambitie
De Nederlandse en mondiale bevolking beschikt over voldoende smakelijk, gezond, veilig en duurzaam geproduceerde voedsel.

Duurzaam is:
• zonder verlies /met efficiënte inzet van grondstoffen en energie;
• met behoud van biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit met respect voor mens en dier;
• met behoud van hoogwaardige werkgelegenheid.

Hoofddoel II
Nederland draagt bij aan wereldwijde voedselzekerheid
Hoofddoel III
Algemeen doel (III.a)
Consumenten zijn goed geïnformeerd.

(o.a. via scholing, educatie en internet)
Algemeen doel (III.b)
Consumenten verspillen minder / geen voedsel.
Algemeen doel (II.a)
Sterke marktpositie Nederlandse exporteurs.

(o.a. via handel en kennis combineren)
Algemeen doel (II.b)
Versterken agro-kennis elders in de wereld.

(o.a. via kennis in Nederland op peil houden)
Algemeen doel (I.a)
Verantwoorde omgang met grondstoffen en hulpbronnen.
Algemeen doel (I.b)
Nederland importeert gezond, veilig en duurzaam geproduceerd voedsel.
Hoofddoel I
Nederland zorgt (via productie en/of import) voor haar eigen bevolking voor voldoende, smakelijk, gezond, veilig en duurzaam geproduceerd voedsel.
Consumenten consumeren gezond en duurzaam.
Algemeen doel (I.c)
De Nederlandse agrarisch ondernemer heeft een goed inkomen en de consument betaald een redelijke prijs.
Algemeen doel (I.d)
Respectvolle omgang met dieren.
Algemeen doel (I.e)
Gezond milieu

(klimaat, stank, fijnstof)
Algemeen doel (1.f)
Technologie wordt verantwoord ingezet
Mondiale context
Wereldwijde vraag naar voedsel zal komende decennia sterk toenemen naar ruim 9 miljard in 2050.

Vanwege welvaartsgroei in opkomende landen en ontwikkelingslanden, zal er een verschuiving zal plaatsvinden in de vraag naar hoogwaardige eiwitten (vlees, zuivel).

De Food and Agriculture Organisation (FAO) voorspelt een verdubbeling van de consumptie ten opzichte van het huidige niveau in 2050.

Mogelijkheden om mondiale landbouwareaal uit te breiden zijn beperkt en natuurlijke hulpbronnen als zoet water en biodiversiteit gaan verloren.

Door de klimaatverandering zal de druk op de natuur nog verder toenemen.

Het voeden van een groeiende wereldbevolking zal moeten samengaan met een andere inzet van grondstoffen en hulpbronnen en met vermindering van de druk op het natuurlijk milieu.

Onderdeel van de toenemende vraag is de groei van de eiwitbehoefte in de vorm van veevoeders en veevoeder grondstoffen voor kippen, varkens, vissen of koeien.

De prijzen van grondstoffen voor de productie van de veevoeders zijn volatiler.

Uitdagingen zijn het versterken van de lokale productie van grondstoffen om de afhankelijkheid te verminderen, inzet op duurzame en innovatieve voedselproductie en het bevorderen van het gebruik van alternatieve eiwitrijke grondstoffen in veevoeders, bijvoorbeeld afkomstig van insecten en wieren.

Direct hieraan verbonden zijn bovendien opgaven rond het tot waarde brengen van nevenstromen en restproducten: de grenzen tussen voedselproductie en de productie van energie en materialen vervagen: ketens groeien naar elkaar toe, gaan in elkaar op (Bio Economy).

Nationaal speelveld
Nederland wil als tweede agro exporteur dat landen niet uitsluitend zelf producten gaan produceren.Nederland wil een open transparant handelssysteem, waarbij voedsel geproduceerd op die plekken in de wereld die het meest duurzaam en efficiënt zijn.

Volgens de Rijksnatuurvisie
Natuurlijk verder
zal Nederland naar “een ontwikkeling naar gesloten kringlopen” moeten “dat resulteert in een efficiënter gebruik van grondstoffen en een kleinere invloed van de bedrijfsvoering op de omgeving”.

Om de Nederlandse voetafdruk in het buitenland te verlagen en bedrijven kansen te laten grijpen, werken overheid, consumenten en maatschappelijke organisaties samen met bedrijven die over de grenzen opereren aan het vergroenen van grensoverschrijdende productieketens.

Andere maatschappelijke uitdagingen op het snijvlak van voeding en gezondheid zijn: welvaartsziekten, aangepaste diëten mede gelet op de vergrijzing, functionele voeding,

In Nederland en andere delen van Europa zal het eten van vlees naar verwachting afnemen.

Er zit een spanning tussen biofuels en voedselzekerheid.

Vertrouwen in voedsel en de voedselproductie is cruciaal, zeker voor een exporterend land als het onze. Voedselproductie vindt daardoor steeds meer plaats onder een ‘maatschappelijk vergrootglas’; de impact op dierenwelzijn, natuur, landschap en milieu en de risico’s binnen de productieketen zijn en worden zichtbaar gemaakt.

Hierbij past ook de opkomst van lokale gemeenschappen en coöperaties die in de eigen voedselproductie voorzien. Dorps- en stadslandbouw richt zich op lokale kringlopen en korte voedselketens in en nabij dorp en stad.

Rol en verantwoordelijkheid Nederlandse overheid
De verantwoordelijkheid voor veilige, gezonde, milieu- en diervriendelijke voedselproductie ligt primair bij producenten, verwerkers en verkopers. Het is aan de overheid de omstandigheden en voorwaarden te waarborgen en te optimaliseren waarbinnen marktpartijen en consumenten die verantwoordelijkheid kunnen waarmaken (maatschappelijke waarden). Sturing vindt plaats op basis van inzicht in de maatschappelijke kosten en baten; de overheid wordt immers geconfronteerd met de gevolgen van marktfalen en 'draait op' voor de externaliteiten.

Kennisontwikkeling en innovatie, aangejaagd door (inter-)nationale samenwerking tussen kennisinstituten en in toenemende mate ook met bedrijven, zijn voorwaarden om de wereldtoppositie van Nederland te kunnen handhaven. De overheid draagt ‘systeemverantwoordelijkheid’ om de gouden driehoek van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid op niveau te houden.

Tenslotte, het creëren van stimulerende voorwaarden voor nieuwe, groene bedrijvigheid en werkgelegenheid is een belangrijk nationaal economisch belang. Het Nederlandse agrocomplex levert immers een significante bijdrage aan het Nederlands handelsoverschot en werkgelegenheid. Bedrijven hebben baat bij een internationaal level playing field. Dat garandeert een leidende positie in vernieuwing in teelt, verwerking, handel, aanprijzing en verkoop.
Operationeel doel: Circulaire voedseleconomie
In de agrarische sector (zoals varkenshouderij en glastuinbouw) is sprake van sterke verkokering; ieder voor zich. De primaire sector produceert het vlees, de groente, de melk, de handel verkoopt het aan de ver- en bewerker en de supermarkt zorgt dat het in de schappen komt voor de consument. Er is weinig samenwerking in de keten. Producenten zijn niet verantwoordelijk voor het eindproduct. Geluiden dat dit leidt tot afname van voedingswaarde in ons voedsel worden steeds sterker. Het gevoel overheerst dat de supermarkt bepaalt en de overige spelers in de keten onder druk zet om te leveren voor een zo laag mogelijke prijs. Algemeen gevoel, zeker bij de primaire producent, is dat de marges ongelijk verdeeld zijn en de risico’s volledig op de schouders van de producent liggen. De primaire sector valt onder die druk terug op bulkproductie methoden die de duurzaamheid van processen en productiesystemen niet ten goede komen. Tegelijkertijd daalt het vertrouwen van de consument en is het gevoel met de oorsprong van voedsel verloren.

Het denken vanuit de bodem zou meer centraal moeten komen te staan. Alles wat groeit en leeft heeft een gezonde bodem nodig. Als de bodem gezond is (fysiologisch, biologisch en chemisch in balans), zijn de gewassen die daarop groeien gezonder, de oogst die er af komt evenwichtiger van samenstelling en de koeien die daarop grazen gezonder. De inspanningen die gepleegd worden om de productiefactoren grond en omgeving in balans te houden, dienen vervolgens ook tot een gebalanceerde verdeling van de financiële opbrengst te leiden.

De opbrengsten zullen uiteindelijk teruglopen als de bodem niet gezond is (gezond is: voldoende organisch materiaal en rijk bodemleven). Te intensief gebruikte bodem neemt af in kwaliteit. Dat gaat langzaam, maar duurt ook lang om weer in orde te brengen. Het is dus een sluipend, maar belangrijk probleem. Bodem is in feite ook een beperkte grondstof.

Bij de waardebepaling dient niet alleen gekeken te worden naar de directe opbrengsten van het product. Een voedingsmiddel dat op beoogde wijze geproduceerd wordt heeft meerwaarde voor de belevingswereld van de consument, heeft potentieel een evenwichtiger samenstelling aan mineralen sporenelementen en vitamines, belast de omgeving minder en is een voorbeeld van goed rentmeesterschap.
Beleidsoptie
Beleidsoptie
Operationeel doel: Slimmer omgaan met fosfaat
Fosfaat is essentieel voor de groei van al het leven op aarde. De EU is sterk afhankelijk van de import van fosfaat en daarmee van de levering vanuit het beperkt aantal plekken op aarde waar fosfaat gewonnen kan worden. De verwachting is dat fosfaat in de toekomst alleen maar schaarser zal worden.

De dierlijke sectoren in de landbouw kennen een fosfaatplafond. Hierdoor kijkt EZ momenteel op verschillende manieren naar fosfaat. Enerzijds is het (DG Agro-) beleid er vooral op gericht om het overschot aan mest –stikstof en fosfaat– te reduceren. Maar EZ (DG B&I) zou zich meer kunnen focussen op innovatief ondernemerschap met betrekking tot fosfaatwinning en (AEP) de strategische exportpositie van Nederland bij een mondiale toenemende vraag naar fosfaat meer kunnen benoemen.

De commissie-Corbey adviseert (advies Verduurzaming voedselsector, juni 2014) om de EU-duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen ook toe te passen op de landbouw- en voedselsector. Er is geen reden om onderscheid te maken tussen duurzaamheidscriteria voor biomassa bestemd voor voedsel en voor biobrandstoffen: veel gewassen kunnen en zullen zowel ingezet worden voor de voedselsector als voor de biobrandstoffen- en biobased materialensector. Landgebruik en reductie van de uitstoot van broeikasgassen zouden daarom volgens de commissie deel moeten uitmaken van de duurzaamheidscriteria.
Daarnaast pleit de commissie-Corbey ervoor om voor producten uit duurzame ketens tot een betere business case voor boeren te komen. Nu is duurzame productie voor boeren vaak duurder (o.a. vanwege dierenwelzijn). De commissie stelt voor om het aandeel duurzame productie van voedselleveranciers geleidelijk substantieel te verhogen, ook in ‘reguliere producten’ (bijmengprincipe). Zo krijgt de agrarische sector de kans om te werken aan verduurzaming, omdat de vraag naar duurzame productie dan is gegarandeerd. Een mogelijkheid is om niet-duurzame producten en diensten extra te beprijzen om daarmee het prijsverschil te overbruggen tussen een duurzaam product en een niet-duurzame variant.
Beleidsoptie
Nederland heeft vanwege het mestoverschot, ook een overschot aan fosfaat. Tegen betaling voeren boeren mest af. Bij BMC Moerdijk wordt dankzij subsidie van EZ pluimveemest verbrand. Door mest slimmer te scheiden en te drogen kunnen er compacte exporteerbare mestkorrels ontstaan en kan Nederlandse mest voor de EU van geopolitiek belang zijn en voor Nederland een winstgevend exportproduct worden.
Operationeel doel: Reduceer de voedselverspilling
Wereldwijd gaat naar schatting ruim 30% van de voedselproductie bestemd voor menselijke consumptie verloren. In Europa wordt naar schatting 89 miljoen ton voedsel jaarlijks verspild.

Voedselverspilling in Nederland is relatief laag: In 2009 kwam de verspilling uit op 96-155 kilogram per hoofd van de bevolking. In 2011 was dat 115-187 kilogram, en in 2012 loopt de verspilling terug naar het niveau van 2009 en komt uit op 100 en 157 kg per hoofd van de bevolking. De consument is grootste verspiller, zo’n 47 kilo per persoon per jaar.

De Nederlandse ambitie (2009-2015) is een afname van 20% in de gehele keten.

De Alliantie Verduurzaming Voedsel heeft als ambitie:
“In 2020 (…) is het niveau van voedselverspilling is significant lager dan in 2013.
” En
“In de periode 2013 – 2015 dragen de ketenpartners bij aan de doelstelling van het ministerie van EZ van 20%.”

De Europese Commissie heeft een doelstelling van 50% vermindering tot 2020 (“Roadmap Resource Efficiency”). In de concept Mededeling duurzaam voedsel is een nieuwe doelstelling opgenomen 30% vermindering tot 2025.
Beleidsopties
1) Meten = Weten. EZ spant zich in om een beter beeld te krijgen van de mate van voedselverspilling in Nederland (Monitor Voedselverspilling). In 2015 komt de volgende Monitor uit. In de tussentijd verschijnen updates en wordt getracht de cijfers beter in beeld te krijgen.

2) De consument is de grootste verspiller. VCN (Voedingscentrum) voert in opdracht van EZ campagne richting consument (bewustwording) en geeft voorlichting over de manier waarop de consument minder kan verspillen. Er komt in 2014 een campagne rondom voedsel. Ook onduidelijkheden rondom houdbaarheidsdata probeert EZ zo veel mogelijk weg te nemen.

3) EZ zal ambitieuze koplopers door middel van een SBIR faciliteren.
Operationeel doel: Bewustwording van verzilting
“Wanneer de zeespiegel stijgt en het zoute water verder landinwaarts de rivieren oprukt en de bodem binnendringt, komt de zoetwatervoorziening in het westen van het land in gevaar. De land- en tuinbouw en andere economische sectoren zullen de schade hiervan ondervinden. Het gaat om twee bedreigingen: verzilting en - in warme, droge zomers – een tekort aan beschikbaar zoet water. [.….] Door dit watertekort kunnen landbouw, natuur en scheepvaart significante schade oplopen.”
Aldus de Deltacommissie in het rapport Samen Werken met Water (2008).

Een kwart van de Nederlandse landbouwgrond is gevoelig voor verzilting; de verwachting is dat over 10 jaar zo’n 125.000 ha Nederlandse landbouwgrond (meer dan het totaal areaal suikerbieten en zetmeelaardappelen in Nederland) onbruikbaar is voor de teelt van traditionele gewassen, als deze tenminste niet worden aangepast aan de nieuwe omstandigheden, m.a.w. (meer) zouttolerant worden.

Met name Wageningen UR en NIOZ hebben dit vraagstuk onderkend en werken aan oplossingen. Zo experimenteert NIOZ op het Zilt Proefbedrijf op Texel met de teelt van aardappelen onder zilte omstandigheden en onderzoekt WUR de mogelijkheden van zeekraalteelt in de vollegrond.


Beleidsoptie
Op dit moment is (fundamentele) kennisontwikkeling de belangrijkste opgave. Nederland loopt hierin internationaal voorop; dit biedt enorme exportkansen voor onze kennis op dit gebied, want op veel meer plaatsen op aarde zal de komende decennia de vraag naar zouttolerante voedsel- en voedergewassen sterk groeien.
Operationeel doel: Focus op aquacultuur
De groeiende mondiale vraag naar eiwitten gecombineerd met de opgave de ‘ecologische voetafdruk’ van de voedselproductie te verkleinen, maakt de zoektocht naar alternatieven voor de huidige productiewijzen urgent. Veelbelovende alternatieven zijn de productie van algen en wieren op zee en de duurzame teelt van vis als alternatief voor de vangst van vis in de vrije natuur.
Nederland heeft via de Ocean Conferentie in 2014 internationaal aandacht gevraagd voor deze problematiek.


Beleidsoptie
Grootschalige teelt van zeewier op zee kan de plantaardige productie wereldwijd verdubbelen, verwacht de WUR. En dit zonder dat dit het zeemilieu schaadt. Zeewier is tegelijkertijd ook een interessante grondstof voor chemie en (bio)brandstof.

Op dit moment is de ontwikkeling van dergelijke innovatieve concepten nog sterk door de overheid gedreven, met name door de aansturing en financiering van kennis, voor de volgende fase (toepassing) is het ook van belang dat de samenwerking tussen bedrijven en instellingen binnen de ‘gouden driehoek’ van onderzoek, bedrijfsleven en overheid beter gaat draaien om binnen ketens van aquacultuur en zouttolerante gewassen nieuwe gewassen of gewascombinaties, nieuwe oogsttechnieken, nieuwe niches op de voedselmarkt in de praktijk tot stand te brengen. Daarbij kunnen ook combinaties worden gevonden met andere sectoren van de economie, en daarmee met andere beleidsvelden binnen ons ministerie. Denk aan de mogelijkheden van algenteelt op dunne mest. Punt van aandacht zou ook kunnen zijn dat de viskweek en -verwerking momenteel geen onderdeel uitmaken van de topsectorenbenadering.

Naast kennis en de toepassing daarvan is ook beleidsruimte nodig om met nieuwe technieken te kunnen experimenteren.

Operationeel doel: Verhoog de grondmobiliteit
In het dichtbevolkte Nederland wordt grond steeds schaarser. Jaarlijks wordt slechts anderhalf procent van het totale Nederlandse grondoppervlakverhandeld. De beschikbaarheid van overheidsgronden neemt snel af. Er is daarentegen juist wel veel grond in eigendom bij oudere agrarische ondernemers en bij personen met een hoofdberoep buiten de landbouw. Hiervan wordt veel éénjarig verpacht. Dit komt tegemoet aan de behoefte van snel groeiende bedrijven. Het nadeel is dat het moeilijker wordt om als agrariër grond te vinden in de eigen omgeving tegen een betaalbare prijs. Dit leidt tot een slechte verkaveling. Kavels liggen steeds verder van het bedrijf wat weer leidt tot hogere bewerkingskosten en meer landbouwverkeer op de openbare weg. De geringe grondmobiliteit heeft bovendien tot gevolg dat de realisatie van belangrijke, publieke opgaven stagneert. Hierbij gaat het om opgaven als Kaderrichtlijn Water (KRW), Natura2000 en infrastructurele opgaven.

Op de éénjarig verpachte gronden daalt de bodemvruchtbaarheid. In veel plantaardige sectoren (bollen, pootaardappelen, groenten, boomkwekerij) wordt veel grond éénmalig gehuurd of telen – vaak verschillende - gebruikers in rotatie meerdere gewassen. Ook hier doen zich problemen voor. Het aantal regio's en percelen waarin schadelijke bodemgebonden organismen aanwezig zijn, neemt gestaag toe door onverantwoord fytosanitair bodembeheer.

Beleidsoptie
Om tot een mobiele grondmarkt met duurzaam bodembeheer te komen zijn de volgende stappen nodig:

1. Organiseer gebiedsprocessen met gelijkwaardigheid van belanghebbenden;
2. Meet en interpreteer bodemvruchtbaarheid en gebruik de resultaten;
3. Faciliteer nieuwe samenwerking tussen ‘groeiers’ en ‘stoppers’;
4. Bevorder zorg voor bodemkwaliteit door langdurige pacht;
5. Zet overheidsgrond in voor gebiedsontwikkeling.

Operationeel doel: Mismaakte groente is goed te eten
Met een campagne over de Onfortuinlijke Mandarijn, de Lelijke Wortel en de Mislukte Citroen wil de Franse supermarktketen Intermarché zijn klanten aansporen 'lelijke' groenten en fruit te kopen. Op die manier moet minder voedsel in de vuilnisbak terechtkomen. Bovendien wordt de klant zo ook aangespoord meer fruit en groenten, en dus gezonder te eten, aldus Intermarché.

Om klanten te overtuigen van de kwaliteit en de smaak bood de supermarkt soep en vruchtensappen van 'mislukte' groenten en fruit aan en gaf het 30 procent korting op het hele restjesgamma. Met resultaat: tijdens de actie kwamen er 24 procent meer klanten naar de winkel. Naar het voorbeeld van Intermarché en Leclerc zetten ook Auchan, Monoprix en Carrefour vergelijkbare initiatieven in de stijgers.

Algemeen doel (II.c)
Het Nederlandse agrocomplex investeert op verantwoorde wijze in andere delen van de wereld.
Algemeen doel (I.g)
Nederland draagt bij aan instandhouding van een waardevol (natuur)landschap
Operationeel doel: Verdere instrumentalisatie van het dier
Invulling geven aan de volgende kwesties:

1) Schaalvergroting in relatie tot de volksgezondheid;

2) Export van levende dieren: reduceren van veetransporten en import van kalveren uit bijvoorbeeld de Baltische Staten anders invullen;

3) Intensivering van veehouderij economisch, ecologisch en sociaal impasbaar maken.
Full transcript