Loading presentation...

Present Remotely

Send the link below via email or IM

Copy

Present to your audience

Start remote presentation

  • Invited audience members will follow you as you navigate and present
  • People invited to a presentation do not need a Prezi account
  • This link expires 10 minutes after you close the presentation
  • A maximum of 30 users can follow your presentation
  • Learn more about this feature in our knowledge base article

Do you really want to delete this prezi?

Neither you, nor the coeditors you shared it with will be able to recover it again.

DeleteCancel

Make your likes visible on Facebook?

Connect your Facebook account to Prezi and let your likes appear on your timeline.
You can change this under Settings & Account at any time.

No, thanks

Dutch word order

No description
by

Joke Kalisvaart

on 2 March 2012

Comments (0)

Please log in to add your comment.

Report abuse

Transcript of Dutch word order

Dutch word order Left side Right side Middle Subject + Finite verb Reflexive pronoun Reduced objects Er, hier, daar Time Manner Place Miscellaneous Prefix Other verbs This prezi will give you an overview of the structure of a Dutch sentence.

Word order is often considered one of the hardest parts of the Dutch grammar.

You'll see that there is actually a logical structure in a Dutch sentence, although it is a different structure than what you're probably used to. You can divide a sentence in three parts: Now let's look at the different parts in more detail! A sentence normally starts with the subject and the finite verb. These two parts of the sentence never get separated. The verb that changes with tense or subject. Ik ga naar Amsterdam.
De kat zit onder de tafel.
De auto is blauw.
Koeien eten gras. Note that all other verbs... ... can be found at the very end of the sentence Direct object Direct object Some verbs require a reflexive pronoun. Reflexive pronouns refer back to the subject. Hij wast zich nooit.
Ik kan me hem niet meer herinneren.
We hebben ons vanmorgen verslapen.
Je hebt je vergist. De meisjes zitten de hele dag te giechelen.
De mensen willen niet langer op de bus blijven wachten.
Ik wil nu gaan slapen.
Dat meisje kan heel goed schilderen. If the direct or indirect object only consist of a single pronoun, it's place is right here, at the end of the left side. We hebben hem gisteren gezien.
Ik kan me haar niet herinneren.

Hij heeft haar de waarheid verteld.
Oma heeft mij een cadeautje gegeven. direct object indirect object The words er, hier and daar occur frequently in Dutch sentences and they got their own place.
These words can either refer to a location or be part of a pronominal adverb. In both cases, this is the place where you find them. Het heeft daar gisteren heel hard geregend.
Hij heeft er vandaag niemand gezien.

Je kunt er niet meer in.
Ik kan er geen touw aan vastknopen. Location Pronoun Time answers the question "When?" Not "How long?" or "How often?" Toos gaat morgen met Ineke naar de film.
We hebben vanmiddag een half uur gepauzeerd.
Het toneelstuk is om half acht begonnen.
Jullie zijn morgen vanaf drie uur 's middags welkom. When there are two time elements in one sentence, it's best to go from general to specific. Manner basically answers the question "How?" But manner is broader than that. How long? How frequently? To what degree? With whom/what? Because of what? Ik ga morgen met mijn moeder winkelen.
Hij heeft er nadrukkelijk om gevraagd.
Ze heeft vanmiddag drie uur gestudeerd.
Ik heb gisteren per ongeluk een vaas kapot laten vallen. zich wassen zich herinneren zich verslapen zich vergissen Place answers the question "Where(to)?" How? Where? When? Hij heeft drie jaar in Afrika gewoond.
We gaan vanavond naar de film.
Hij is de hele avond op kantoor geweest.
Ze komt vanavond op Schiphol aan. More precise: the location of the subject EHD Several components share this position. Je moet daar het geld in gooien.
De kok had heerlijk voor ons gekookt.
Ze is een leuke meid.
Ze heeft haar sleutels in de auto laten liggen.
Hij praat niet graag over zijn werk. EHD-postposition Indirect object Complement Place of direct object Prepositional object Some verbs have a prefix that can be separated from the verb. De tulpen nemen heel veel water op.
Ik maak dit morgen wel af.
Hij had beloofd me vandaag op te bellen.
Ik kleed me even om. Specific Non-specific Ze heeft haar sleutels gisteren in de auto laten liggen.
We hebben die film al gezien.
Ik kan me Jan nog heel goed herinneren. A specific direct object starts with a definite article, a possesive or demonstrative pronoun or is a proper name. A non-specific direct object starts with an indefinite article, an indefinite pronoun or cardinal number. Ze hebben gisteren een leuke film gezien.
Ze hebben er nog geen antwoord op gegeven.
Mijn collega heeft deze zomer drie weken vakantie opgenomen. Negation Niet Geen Nooit Niemand De dove man kon de deurbel niet horen.
Ze hebben gisteren hun huiswerk niet gemaakt.
We hebben de wedstrijd niet gewonnen. There are a few components that don't fit in one of the three parts.
The most important are the direct object and the word 'niet' or other words of negation. Specific direct objects are located between the left and the middle part. Non-specific direct objects appear between the middle and the right part. OK, back to the left side Click on the arrow to continue I'll talk you through.
Let's start with an overview. Learn more at The word 'niet' or other words of negation typically appear just before the right side (after the non-specific object, if present) This is also the right place for so called 'modal particles': those annoying little words toch - ook - nog - maar - eens - even (preferably in this order, before 'niet'). Now you can dive back in!

Click, scroll and drag your way around to review difficult parts and find some hidden details.
Full transcript